nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

03.11.2016 "Alle nodige competenties passen niet meer in 1 hoofd"

Uit een enquête van Fedagrim blijkt dat vier op de tien land- en tuinbouwers verwacht over tien jaar geen landbouwer meer te zijn. Volgens Riccy Focke, directeur van Boeren op een Kruispunt, is het grote probleem dat alle noodzakelijke competenties om een goed landbouwer te zijn, niet meer in één hoofd kunnen. “Een ander bedrijf besteedt de taken waarin het niet goed is uit, maar het inkomen van de landbouwsector staat zo onder druk dat hier vaak geen geld voor is”, aldus Focke op de Staten-Generaal over de toekomst van de land- en tuinbouw die Fedagrim organiseerde.

Boeren op een Kruispunt wijst erop dat de compententies die land- en tuinbouwers vandaag nodig hebben om hun bedrijf rendabel te houden, zo uitgebreid zijn dat ze niet allemaal meer in één hoofd geraken. “Een boer moet hard maar ook efficiënt kunnen werken, de administratie en de financiën goed kunnen bijhouden, voldoende teelttechnische kennis hebben, zijn personeel kunnen motiveren en aansturen. Tegelijk moet hij ook mecanicien, bouwvakker, elektricien, ICT-er, enz. op zijn bedrijf zijn, zonder dat hij de maatschappelijke context van zijn job uit het oog verliest. En dat moet dan nog allemaal eens gecombineerd worden met een gezinsleven”, somt Focke op.

Een ondernemer of manager die in een andere sector actief is, koopt de competenties die hij of zij zelf niet bezit, in. “Maar dat is voor een landbouwer veelal onbetaalbaar”, klinkt het. Uit de bevraging die iVox deed in opdracht van Fedagrim bij ruim 1.100 Belgische land- en tuinbouwers bleek immers dat 40 procent van de boeren minder dan 1.000 euro per maand verdient, terwijl ze gemiddeld bijna 70 uur per week werken. Focke wijst er op dat uit berekeningen van de FOD Economie blijkt dat een gemiddeld Vlaams gezin 3.170 euro per maand nodig heeft om zijn huishouden draaiende te houden.

Tien jaar ervaring en 2.000 bezoeken aan land- en tuinbouwbedrijven in nood, bijna tien procent van alle Vlaamse landbouwbedrijven, leren Focke dat een bedrijf niet onderuit gaat door één probleem, maar door een heel complex aan problemen. “We zien dat het financiële vaak de katalysator is om zich bij ons aan te melden, maar vaak zijn de problemen veel groter en complexer. Technische, administratieve of juridische problemen duiken dan gaandeweg op, maar ook sociale problemen, zoals eenzaamheid, relatieproblemen of geestesproblemen komen dan aan het licht.”

Boeren op een Kruispunt ziet verschillende facetten aan een landbouwbedrijf. “Het technische, juridische, economische, financiële, arbeidstechnische, administratieve, fysieke, familiale en sociale bepalen samen hoe goed een bedrijf het doet. Idealiter zijn die allemaal in evenwicht. Wanneer een bedrijf in de problemen komt, is dat meestal omdat één of meerdere van die facetten uit balans zijn”, klinkt het. Focke wijst erop dat dit ertoe kan leiden dat ook zeer innovatieve of technisch sterke bedrijven bij de organisatie komen aankloppen.

Hij roept de aanwezigen op de Staten-Generaal, vooral erfbetreders en overheidsdiensten, dan ook op om te stoppen met beschuldigingen te uiten en samen naar oplossingen te zoeken. “Het is de schuld van de grootdistributie, van de consument, van de vrijhandel, van de overheid, enz. Het zijn allemaal vaak gehoorde klachten, maar het helpt ons geen stap verder”, stelt Focke. Hij ziet zelf een aantal knelpunten waaraan kan gewerkt worden. “De administratie op een land- of tuinbouwbedrijf is vandaag onhaalbaar. We moeten écht op zoek naar manieren om die in te perken.”

Een vraag die zich ook stelt, is welke landbouw we in de toekomst behouden. “Grootschalige bedrijven of kleine bedrijven die focussen op inlandse consumptie en rechtstreekse verkoop? Of beiden? En wie beslist hier dan over?”, vraagt Focke zich af. Hij wijst erop dat dit absoluut geen eenvoudige beslissing is, getuige daarvan een aantal grafieken die hij verzamelde. “Vaak hoor ik zeggen dat bedrijven met minder dan 150 zeugen, 750 vleesvarkens, 45 melkkoeien of 10.000 leghennen niet meer leefbaar zullen zijn, tenzij voor een hobby- of een parttime boer. Maar weet dan dat maar liefst 60 procent van de landbouwbedrijven gedoemd is om te verdwijnen.”

De directeur van de hulporganisatie berekende ook dat de 4.000 grootste land- en tuinbouwbedrijven (of 17%) samen zorgen voor bijna de helft van de productie van biggen, rundvlees, melk, eieren of pluimveevlees. “Het is een fabel om te denken dat grote bedrijven crisisbestendiger zijn. Wij zien dat het aandeel aanvragen voor hulp van grote bedrijven groter is dan dat van kleine bedrijven. Een grens trekken van welke bedrijven leefbaar zijn en welke niet, is niet evident”, zegt Focke, die ziet dat banken, de overheid en de industrie dit soms wel doen, bijvoorbeeld bij investeringsbeslissingen. “Het doet de vraag rijzen of kleine bedrijven die georiënteerd zijn op de gemeenschap met boeren die niet noodzakelijk meer fulltime actief zijn in de landbouw ook geen investeringssteun moeten kunnen krijgen.”

Riccy Focke wees de aanwezigen er ook op om te zoeken naar manieren om investeringen rendabeler te maken. “Wat is efficiënt en effectief om het inkomen van de boer op te krikken, moet daarbij het uitgangspunt zijn. Niet wat verkoop ik graag als erfbetreder. We moeten op zoek naar quick wins.” Tot slot vraagt Boeren op een Kruispunt om ook werk te maken van een loopbaanbegeleiding voor wijkers. Het aantal land- en tuinbouwers vermindert jaar na jaar en ook het aantal startende jongeren neemt niet toe. “Toch kunnen de mensen die uitstromen uit de sector nog steeds een waardevolle bijdrage leveren aan de landbouw, bijvoorbeeld via een job in de toelevering. De website van Fedagrim www.agrojobs.be is in dat kader een mooi voorbeeld.”

Elke erfbetreder moet volgens Boeren op een Kruispunt alert zijn voor problemen op land- en tuinbouwbedrijven. “Samenwerking en solidariteit kunnen helpen om zoveel mogelijk land- en tuinbouwbedrijven te laten overleven in deze moeilijke tijden.”

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via