nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

14.06.2017 Ander resultaat bij helft van tegenstalen nitraatresidu

Het nitraatresidu, dat is de hoeveelheid stikstof die in het najaar nog onbenut door planten in de bodem zit, is al jarenlang een belangrijk instrument van het Vlaamse mestbeleid. Zo belangrijk dat het Vlaams parlementslid Bart Caron verontrust dat er een foutenmarge zit op de toegepaste meettechniek. Vorig najaar werden in een periode van zes weken ruim 26.000 stalen (!) genomen op iets meer dan 16.000 percelen. In totaal werden 1.403 percelen meerdere keren bemonsterd. Een verschillend resultaat tussen de eerste en tweede staalname is bij een bedrijfsevaluatie van ondergeschikt belang, leert het antwoord van minister Schauvliege, maar gaf bij 564 beoordelingen van individuele percelen een resultaat beneden de eerste drempelwaarde waar het eerste staal op een overschrijding wees.

Zowel economisch als ecologisch is het aangewezen dat landbouwers streven naar een zo laag mogelijk nitraatresidu in het najaar. Het mestbeleid hanteerde van oudsher 90 kilo stikstof per hectare als grenswaarde, maar tegenwoordig wordt dat gedifferentieerd naargelang het bodemtype, de teelt en de status op vlak van waterkwaliteit die een landbouwbedrijf heeft. Deze fiche van de Vlaamse Landmaatschappij legt omstandig uit wat het nitraatresidu is, waarom het gemeten wordt en hoe de beoordeling gebeurt.

De staalnamen kunnen op initiatief en op kosten van de Mestbank gebeuren, de zogenaamde controlestalen, maar sommige landbouwers moeten zelf het nitraatresidu laten bepalen op één of meerdere percelen die de Mestbank heeft aangeduid. Er gebeuren zowel perceel- als bedrijfsevaluaties op basis van het nitraatresidu. De monitoring vindt plaats zowel binnen als buiten focusgebieden – dat zijn regio’s waar de waterkwaliteit extra onder druk staat – en is van grote betekenis voor de bedrijfsvoering van een landbouwer. Positieve evaluaties leiden tot vrijstelling van de status ‘focusbedrijf’, negatieve evaluaties leiden dan weer tot het opleggen van bijkomende maatregelen.

Vlaams parlementslid Bart (Groen) informeerde eerst schriftelijk en dan mondeling naar de tegenstalen die landbouwers op eigen kosten laten nemen indien ze geen vrede hebben met de uitslag van de eerste analyse. Van de 1.403 percelen die twee (of meer) keer werden bemonsterd, leidde dit op 722 (51%) van de percelen tot hetzelfde resultaat. Op 681 (49%) van de percelen gaf dit een andere evaluatie. Minister Joke Schauvliege zei er meteen bij dat het resultaat van twee staalnamen altijd (beperkt) verschilt omdat een perceel landbouwgrond geen plas water is waarin het nitraat homogeen verdeeld zit. Andere meetresultaten laten zich verklaren door het tijdstip van bodemstaalname, de weersomstandigheden, gewasontwikkeling en bodemprocessen. Het laagste nitraatresidu wordt niet noodzakelijk altijd in het tegenstaal gemeten.

In aanmerking genomen dat men bij het nemen van een bodemstaal ongeveer 1,5 kilo grond verzamelt van een perceel tot 2 hectare groot, is het logisch dat twee bemonsteringen een verschillend resultaat kunnen opleveren. Caron schrikt niettemin van de cijfers omdat zowat de helft van de tegenstalen een ander resultaat oplevert. Hij vroeg de minister om de cijfers uitvoeriger toe te lichten in de commissie Leefmilieu van het Vlaams Parlement. Hij wou vooral weten of de toegepaste meettechniek voldoende betrouwbaar is om er een beleid op te bouwen, en vraagt zich af of het niet wenselijk is om ook bij nipt positieve resultaten een tegenproef te doen.

“Het nitraatresidu is geen slecht instrument. We moeten er gewoon op een verstandige manier mee omgaan”, zegt Schauvliege. Dat gebeurt volgens haar, enerzijds door het onderscheid te maken tussen een perceel- en bedrijfsevaluatie, anderzijds door bij verschillen in metingen bij een perceelevaluatie alleen het laagste resultaat te behouden. Voor een bedrijfsevaluatie worden meerdere percelen aangeduid voor een bepaling van het nitraatresidu, verdeeld over de verschillende teelten en rekening houdend met het bedrijfsareaal. Dit verhoogt de nauwkeurigheid van de evaluatie. Wanneer een bedrijfsevaluatie niet positief beoordeeld wordt, wordt het bedrijf aangeduid als een focusbedrijf met maatregelencategorie 1, 2 of 3. Hoe negatiever de evaluatie, hoe strenger de maatregelen.

Tijdens de nitraatresiducampagne worden in een periode van zes weken, tussen 1 oktober en 15 november ruim 26.000 stalen genomen op ruim 16.000 percelen. “Die resultaten zijn zeker niet allemaal tijdig gekend om nog een tweede staalname georganiseerd te krijgen voor ‘nipt’ positieve resultaten”, antwoordt Joke Schauvliege aan Caron. “Als we kijken naar de percelen in het kader van een ‘perceelsevaluatie’ die een tweede maal bemonsterd werden, stellen we vast dat er 564 waren met een resultaat van de tweede staalname beneden de eerste drempelwaarde terwijl het eerste staal daarboven zat. Op 452 andere percelen was het tweede staal gewoon een bevestiging dat het nitraatresidu beneden de eerste drempelwaarde ligt. Daarnaast waren er 52 percelen waar een eerste meting boven de eerste drempelwaarde ook bevestigd werd door een tweede meting.”

Volgens de minister zullen er inderdaad percelen zijn die bij een eerste staalname nipt goed scoren, waar een tweede bemonstering wél een overschrijding kan geven. Maar het omgekeerde geldt ook. Vaak kent een landbouwer het analyseresultaat nog niet wanneer hij een tegenstaal laat nemen tegen de deadline aan, wat verklaart waarom er ook bij een gunstig eerste resultaat tweede staalnamen gebeuren. Ook het tegenstaal moet in diezelfde periode van zes weken genomen worden. Omtrent de cijfers verduidelijkt Schauvliege nog dat van de 16.024 percelen waar het nitraatresidu in 2016 bepaald werd er ruim 40 procent plaatsvinden in het kader van een bedrijfsevaluatie. Van de 1.403 dubbele staalnames gebeurden er 335 in het kader van zo'n bedrijfsevaluatie. In 35 procent van de gevallen gaf dit een verschillend resultaat, wat volgens de minister amper een effect heeft op het gewogen gemiddelde van alle analyseresultaten op bedrijfsniveau.

Op de resultaten van de overige 1.068 percelen ging de minister hierboven al in. Ze voegt er nog aan toe dat het resultaat op 47 procent van deze percelen hetzelfde was. Dat hier een tegenstaal met een lager en dus voor de boer gunstiger nitraatresidu als eindresultaat genomen wordt, heeft volgens Schauvliege niets te maken met het verbloemen van de cijfers. “Het heeft alles te maken met het correct omgaan met de beoordeling van analyseresultaten waarvan men weet dat er een inherente en onvermijdelijke variatie aan verbonden is, zeker wanneer het gaat over een meting op één perceel van een bedrijf.”

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: Loonwerk Defour

Volg VILT ook via