nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

15.10.2018 Belgische meststoffenindustrie kruipt uit zijn schulp

De Antwerpse haven is een belangrijke draaischijf voor de handel in meststoffen. Jaarlijks wordt er 3,7 miljoen ton kunstmest verscheept. De meststoffenindustrie vestigde zich in eigen land rond de haven en op de logistieke as die de Maas op Waals grondgebied vormt. Samen realiseren de 11 grote fabrikanten een productie van meer dan 7 miljoen ton. Aan de Belgische handelsbalans leveren zij een bijdrage van ruim 800 miljoen euro. Cijfers om mee uit te pakken, maar dat deden de producenten van kunstmest tot voor kort niet. Tot sectorfederatie BELFertil besloot om Global Fertilizer Day aan te grijpen voor de persvoorstelling van een brochure die het licht laat schijnen over de eigen sector.

De haven van Antwerpen speelt een belangrijke rol voor de economie van het hele land. Weinigen weten dat de meststoffenindustrie daar een groot aandeel in heeft. Een kwart van het verhandelde volume in de haven bestaat uit meststoffen, goed voor zo’n 3,7 miljoen ton per jaar aan kunstmest. Een mondiale speler met hoofdkwartier in Antwerpen is SQM, producent van vloeibare meststoffen voor de glastuinbouw. Aan de Houtdok-Noordkaai, niet ver van het Museum aan de Stroom, maakte de landbouwpers kennis met SQM en de andere spelers in de Belgische meststoffenindustrie: Yara, EuroChem, K+S Kali, Lhoist, Prayon, Timac Agro, Rosier/Borealis, ICL, Lanxess en Compo Expert.

Onder impuls van sectorfederatie BELFertil treden de meststoffenfabrikanten voor het eerst uit de schaduw. “Onbekend is onbemind. We zijn een onderschatte sector en daar proberen we op Global Fertilizer Day (13 oktober) wat aan te doen”, zegt Jean-Paul Beens, werkzaam bij Yara en tevens sectorvoorzitter. “Binnen de voedselketen zijn we cruciaal. Onze sector staat voor de uitdaging om bij te dragen aan een grotere voedselproductie voor een groeiende bevolking. Van een economisch gedreven commodity-markt evolueerde de meststoffenindustrie naar de productie van meer complexe meststoffen op een duurzame wijze. Kennisoverdracht is belangrijk opdat de landbouwer-eindgebruiker onze producten optimaal zou aanwenden.”

“Meststoffenfabrikanten doen enorme investeringen in ons land, maar een gezamenlijk doel voor onze sector ontbrak”, constateert Peter Jaeken, secretaris-generaal van BELFertil. “Door de B2B-oriëntatie is de meststoffenindustrie onbekend bij het grote publiek. Bovendien heeft het woord ‘minerale meststof’ onterecht een negatieve bijklank. Tijd dus om de realisaties van de voorbije tien jaar een keer op te lijsten als sector.” Economisch ziet het plaatje er als volgt uit: 11 grote productiesites op Belgisch grondgebied die samen zorgen voor 3.200 directe arbeidsplaatsen en een bijdrage van meer dan 800 miljoen euro op de handelsbalans. Ze produceren meer dan 7 miljoen ton kunstmest, waarvan ongeveer de helft via de Antwerpse haven verhandeld wordt.

Gelet op de meer dan 40 miljoen dieren die in Vlaanderen huizen en de tientallen miljoenen kilo’s stikstof en fosfor aan dierlijke mest die zij produceren, zou je de vraag kunnen stellen of onze akkers en weiden wel nood hebben aan minerale meststoffen. Door de verstrenging van het mestbeleid daalt immers de afzetruimte op landbouwgrond en wordt mest verwerkt en/of afgezet in het buitenland. Tezelfdertijd stijgt het gebruik van stikstof uit kunstmest volgens de laatste cijfers (2016) waarover de Mestbank beschikt. Het mestbeleid laat namelijk niet toe om de gewasbehoefte volledig met dierlijke mest in te vullen. De wetgever lijkt meer vertrouwen te hebben in kunstmest omdat de toegediende nutriënten en hun vrijstelling in de bodem zich preciezer laten afmeten.

Gelet op het grote aanbod lijkt dierlijke mest een gedroomde grondstof voor een kunstmestkorrel, maar de eindproducten van mestverwerking staan vandaag nog altijd te boek als ‘dierlijke mest’. “Er wordt aan gewerkt om organische stromen zoals dierlijke mest als grondstof aan te wenden, maar de technische en economische haalbaarheid blijft een uitdaging”, weet Peter Jaeken. De meststoffenindustrie droomt ook van andere duurzame alternatieven voor de aardgas waaruit stikstof gewonnen wordt. Zonne-energie en waterstof worden in dat verband genoemd. Toekomstmuziek, al draaien er in het buitenland al pilootfabrieken op waterstof.

Beoordeel je kunstmest op zijn milieu-impact, dan zijn twee factoren van belang: Wordt het milieu-efficiënt geproduceerd? En wordt het toegepast op de velden op een manier die het milieu niet belast? Als grondstof voor de productie van stikstofhoudende meststoffen wordt zoals gezegd aardgas gebruikt. Jaeken: “Tijdens het productieproces komt CO2 vrij, maar die koolstof wordt meer en meer gerecycleerd om op zijn beurt een grondstof te worden voor kalk of een stikstofmeststof. Behalve aan hun uitstoot, werkten fabrikanten ook aan een kleiner energieverbruik. In de kwaliteit van het eindproduct wordt continu geïnvesteerd – door de fabrikanten maar ook door handelaars opdat er geen kwaliteitsverlies zou zijn tijdens de bewaring.”

Tijdens het productieproces van kunstmest gaat er niets verloren. Energieoverschotten worden elders benut, andere industriële sectoren nemen reststromen van chemicaliën af, … “een zero-waste-fabriek”, noemt Jaeken het. De sector lukte het voorbije decennium in een aanzienlijke daling van zijn lachgasemissie (-90%°) en emissie van stikstofoxiden (-60%). Ook het stikstofverlies daalde 80 procent in de periode 2001-2016. Wat in het voordeel van de meststoffenindustrie pleit op klimaatvlak is dat het transport van meststoffen veelal per boot gebeurt.

De milieuvoetafdruk van kunstmest kan je ook niet los zien van de toepassing op de velden. Het adagium luidt: pas de juiste meststof toe op de juiste plaats en op het juiste tijdstip. Een landbouwer stemt zijn gebruik af op bodemstalen (“meten is weten”), eigen expertise en de kennis die hem aangereikt wordt door de praktijkcentra die boeren en tuinders voorlichten. “Kennisoverdracht is ook voor onze bedrijven een belangrijk item”, verzekert BELFertil-voorzitter Jean-Paul Beens. Meststoffenfabrikanten zetten zowel in op voorlichting van de handel als op het informeren van de eindgebruiker, de boer. Daarvoor sturen ze experten het veld in en zetten ze moderne technologie in zoals stikstofsensoren en applicaties die bemestingsadvies geven.

BELFertil voorzitter Jean-Paul Beens meent dat de landbouwsector voor een digitale revolutie staat. “Elke meststoffenfabrikant is daar klaar voor en kan slimme oplossingen aanbieden.” Specifiek voor zijn bedrijf Yara noemt hij de stikstofsensor die vanop de tractor de behoefte van het gewas meet. Het bedrijf biedt ook een stikstoftester aan die elke boer voortdurend bij zich kan dragen, namelijk in de vorm van een applicatie voor de smartphone. Op basis van een foto van het gewas geeft de app feedback over de nutriëntenbehoefte. Zulke kennis kan aangevuld worden met data afkomstig van satellietbeelden, bodemstalen of zelfs een bodemscan. In de fruitteelt wordt bijvoorbeeld geëxperimenteerd met gewasverzorging afgestemd op de informatie uit een bodemscan.

“De meststoffenindustrie ontwikkelt nieuwe producten en diensten om landbouwers te helpen bij de toepassing van precisielandbouw”, concludeert secretaris-generaal Peter Jaeken. Wie de kennis tot bij de boer brengt, vindt voorzitter Jean-Paul Beens van ondergeschikt belang. Vandaag speelt de handel daar een belangrijke rol in. Het kunnen ook de meststoffenfabrikanten zelf zijn, de overheid via de proefcentra, de landbouwscholen en -universiteiten, onafhankelijke teeltvoorlichters, enz.

Later gaan we meer in detail in op de brochure die BELFertil maakte.

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: BELFertil

Volg VILT ook via