nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

23.01.2018 Betere spreiding inkomenssteun in Vlaanderen dan in EU

Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer (CD&V) informeerde bij minister Schauvliege tweemaal kort na elkaar naar de Europese inkomenssteun die landbouwers ontvangen. Het valt hem op dat de verdeling hier veel minder scheef zit dan op EU-niveau. In Vlaanderen verkrijgt de overgrote meerderheid (99,2%) van de landbouwers samen 93,4 procent van de inkomenssteun. Je hebt hier geen megagrote boerderijen die duizenden hectaren bewerken zodat het subsidieplafond van 150.000 euro op geen enkel landbouwbedrijf van toepassing is. Over de ‘actieve landbouwer’ die steun verdient, en niemand anders, werd in de landbouwcommissie een boompje opgezet.

De contouren van het Europees landbouwbeleid voor de periode na 2020 gaan dit jaar verder vorm krijgen. Naast de vraag hoeveel budget beschikbaar zal zijn voor landbouw wil iedereen ook weten hoe de inkomenssteun aan landbouwers verdeeld zal worden. Momenteel is die steun areaalgebonden, wat er op EU-niveau toe leidt dat de 20 procent grootste bedrijven 80 procent van de inkomenssteun ontvangen. Daarop komt veel kritiek, al is die niet altijd terecht volgens Vlaams landbouwminister Joke Schauvliege. “Landbouwers krijgen geen subsidies om gewoon maar te boeren. Neen, ze krijgen een compensatie voor de productierandvoorwaarden die ze moeten naleven. Hoe groter een bedrijf, hoe hoger de kost om daaraan te voldoen, en hoe groter de compenserende betaling.”

In die zin vindt de minister het rechtvaardig dat een landbouwer met een groter areaal een hogere subsidie ontvangt. Op Vlaams niveau is dat contrast tussen grote en kleine steuntrekkers overigens veel minder scherp. Hier ontvangt 99,2 procent van de landbouwers samen 93,4 procent van de steun. Dat vernam Vlaams parlementslid Jos De Meyer van minister Schauvliege. Uit de cijfers die hij opvroeg, blijkt dat quasi alle actieve landbouwers in Vlaanderen inkomenssteun aanvragen. In 2016 waren er namelijk 21.358 begunstigden. Een kleine 20.000 daarvan ontvangen op jaarbasis tussen de 250 en 30.000 euro inkomenssteun (hectare-steun plus zoogkoeien- en kalverpremie).

Er zijn slechts 49 landbouwbedrijven in Vlaanderen die ieder jaar meer dan 90.000 euro op hun rekening mogen bijschrijven. Tussen de twee uitersten zitten nog 1.226 landbouwers met een inkomenssteun op bedrijfsniveau van 30.000 tot 60.000 euro, en 122 anderen voor wie dat 60.000 à 90.000 euro van het bruto-bedrijfsinkomen uitmaakt. De verschillen zijn dus minder groot dan in Oost-Europa waar je enerzijds kleine ‘backyard farms’ hebt en anderzijds megaboerderijen die duizenden hectare landbouwgrond bewerken. Dat de kloof tussen grote en kleine begunstigden van inkomenssteun in ons land minder groot is, kan je ook afleiden uit het subsidieplafond van 150.000 euro dat op geen enkel landbouwbedrijf van toepassing is.

Of de steun in de toekomst areaalgebonden zal blijven, durft minister Schauvliege vandaag nog niet zeggen. De onderhandelingen over het nieuw gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) na 2020 moeten nog beginnen. Jos De Meyer drukt haar op het hart dat de inkomenssteun naar de ‘actieve boer’ moet gaan. De logische volgende vraag is wie zich ‘actieve boer’ mag noemen. Bij de vorige beleidshervorming (2014) werd onderzocht of pensioenboeren uitgesloten konden worden op basis van een leeftijdsgrens, maar juridisch bleek dat moeilijk hard te maken. Voor Groene Kring wordt dat ongetwijfeld opnieuw een strijdpunt. Ondervoorzitter Sam Magnus bevestigt dat in een telefoongesprek met VILT, waarover we later uitgebreid verslag uitbrengen. Bij het Algemeen Boerensyndicaat en Boerenbond is het nog lang geen uitgemaakte zaak wie ‘actief landbouwer’ is. De achterban wordt daarover momenteel geconsulteerd. Het uitsluiten van pensioenboeren zou voor hen wel eens een stuk moeilijker kunnen liggen gezien de hoge gemiddelde leeftijd (55 jaar) van de doorsnee Vlaamse landbouwer.

In de discussie die daarover gevoerd werd in de landbouwcommissie zei Groen-parlementslid Bart Caron het volgende: “Als we de landbouw een kans willen geven op een toekomst, dan gaat het echt over de activiteit die moet worden gesteund. Eigendom is een slecht principe, tenzij het gerelateerd is aan activiteit, maar dan om te meten en te weten. Het is dus niet wat je in eigendom hebt dat bepalend is, maar wat je ermee doet, welke inspanningen je ervoor doet, welke productie je kunt realiseren en dergelijke meer. Dat moet, zoals collega Sofie Joosen (N-VA) ook zegt (door er voor te pleiten dat kleine bedrijven nog voldoende kansen krijgen in de toekomst, nvdr.), de diversiteit aan landbouwbedrijven garanderen, waar we in Vlaanderen met zijn allen voor hebben gekozen.” Stefaan Sintobin van Vlaams Belang maakt zich in deze discussie vooral zorgen over het draagvlak voor het Europese landbouwbudget wanneer landbouwsubsidies terechtkomen bij begunstigden die de boerenstiel niet actief beoefenen.

Minister Schauvliege verwijst naar de impactanalyse waarmee de Europese Commissie het effect van beleidsbijsturingen van de inkomenssteun momenteel onderzoekt. “Het is niet omdat je een algemene Europese regel oplegt dat dat voor elke lidstaat hetzelfde effect heeft. We moeten daar heel erg voor opletten. Als we bijvoorbeeld inkomensgrenzen gaan leggen, dan zal bij ons in Vlaanderen nog maar een derde van de landbouwers steun krijgen. Wij zijn, als je het Europees bekijkt, geen land van reuzelandbouwers maar van kleine landbouwers. We moeten opletten dat we daar niet het slachtoffer van worden.”

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: Jelle Goossens voor Rikolto

Volg VILT ook via