nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

27.04.2018 BFA stelt zich vragen bij opkomst ggo-vrij label

De Belgian Feed Association (BFA) stelt zich vragen bij de opkomst van producten met een ggo-vrij label in Duitsland en Frankrijk. “Via lastenboeken van de distributie wordt opgelegd vanaf welke leeftijd dieren geen ggo-voeders meer mogen krijgen opdat hun producten het ‘vrij van ggo-label’ kunnen dragen”, vertelt directeur-generaal Yvan Dejaegher. BFA merkt dat de controle-instanties van dergelijke labels de analyseresultaten vaak heel uiteenlopend interpreteren en de consument eigenlijk een stuk bedrogen wordt. Ook omdat de dieren vaak in de beginfase van hun leven wel ggo-voeder krijgen.

In het buitenland komt steeds meer vlees, zuivel en eieren op de markt dat het label ggo-vrij draagt. In Duitsland maken producten ‘Ohne Gentechnik’ een steile opmars. Lidl heeft bijvoorbeeld beslist om zoveel mogelijk producten met dit ggo-vrij label in de rekken te plaatsen. De controle hierop gebeurt door de lastenboekbeheerder VLOG, waardoor ook wel eens gesproken wordt over het VLOG-label. Ook in Frankrijk komt er steeds meer aandacht voor het ‘non-OGM-label’. Er werd zelfs in de wetgeving opgenomen aan welke eisen zo’n label moet voldoen.

BFA, het vroegere BEMEFA, vindt deze tendens om een aantal redenen problematisch. “Enerzijds gaat het stukje om consumentenbedrog”, zegt Dejaegher. “De lastenboeken bepalen vanaf welke leeftijd het voeder van de dieren ggo-vrij moet zijn. In Duitsland mogen varkens bijvoorbeeld tot 40 kilo ggo-voeder krijgen, nadien moet het non-ggo zijn. Dat is hypocriet en helemaal niet transparant voor de consument.” Volgens voorzitter Frank Decadt is het bio-label op dat vlak een stuk eenduidiger waar een dier gedurende zijn hele levensduur geen ggo-voeder mag krijgen. “De non-ggo-keuze mag geen gevolg zijn van een, al dan niet commercieel getinte, profileringsdrang waar de consument onwetend wordt in meegesleurd”, klinkt het.

Los van het consumentenbedrog plaatst BFA ook vraagtekens bij de technische haalbaarheid. “In 2007 hebben we zelf een test met ggo-vrij voeder gedaan. We stelden daarbij 30 tot 35 procent overschrijdingen vast van de tolerantiedrempel voor ggo’s. Het ging niet om fraude, maar gewoon om niet-intentionele versleping”, aldus Frank Decadt. “Voor ons was dat de reden om collectief te beslissen niet verder te werken aan deze piste.” Ook het Duitse VLOG ziet zich geconfronteerd met overschrijdingen tot 20 procent van de ggo-tolerantdrempel, maar dekt dit volgens de BFA-voorzitter toe met de mantel der liefde.

Dat heeft volgens de veevoedersector ook te maken met een verschil in de interpretatie van de analyseresultaten. “Elk land werkt met andere interpretaties. Ons voedselveiligheidssysteem bepaalt dat wanneer er één ggo-sojaboon in je voeder terechtkomt, je een contaminatie hebt van 100 procent. Duitsland en Frankrijk spreken in dat geval van een contaminatie van 0,001 procent”, vertelt Yvan Dejaegher. Ggo-vrij kan in ons land dus enkel gegarandeerd worden wanneer er exclusieve non-ggo fabrieken opgericht worden. Dat maakt dat Belgische veevoederfabrieken die voeders willen uitvoeren naar Frankrijk of Duitsland niet alleen extra certificering nodig hebben, maar vaak ook over een aparte productie-eenheid moeten beschikken om ggo-vrij voeder te kunnen garanderen.

Vandaag is het verboden om in België het label ‘ggo-vrij’ op het etiket van voedingsproducten te vermelden. “Onze administratie staat niet te springen om ‘vrij van ggo’s’ op te nemen in de wetgeving, als is het enthousiasme voor het label iets groter in Wallonië. De administratie meent dat dit nauwelijks te controleren valt”, weet Dejaegher. Een bijkomend nadeel dat België heeft in vergelijking met bijvoorbeeld Duitsland, is dat de meeste Duitse landbouwproducten bestemd zijn voor de binnenlandse markt, terwijl België een sterk exporterend land is. “Hoe kan je ervoor zorgen dat je de meerkost die met een niet-ggo-label gepaard gaat, dan nog uit de markt kan halen?”, klinkt het.

Tot slot baart BFA zich ook zorgen over de vergoeding aan de producent. “Niet-ggo voeder betekent een meerkost. Wanneer iets een nichemarkt blijft, zoals bio, dan valt een meerprijs veel gemakkelijker af te dwingen. In Duitsland beslaat het VLOG-label intussen al 20 tot 25 procent van de markt. De ervaring leert ons dat de kans groot is dat de bonus die de eerste jaren wordt gegeven voor die bijkomende eisen, nadien wegvalt omdat de distributie voldoende aanbod heeft”, meent voorzitter Decadt. “Diegenen die zich opwerpen als duurzaamheidsridders moeten zorgen voor voldoende garanties voor een duurzame vergoeding van de meerkost.”

De veevoedersector laat weten deze problematiek van nabij op te volgen en een strategiewijziging te overwegen als dat nodig is. “De vraag naar veevoeders die bestemd zijn voor het Duitse VLOG of Franse non-OGM-label moeten we kunnen invullen. Maar we hebben wel nood aan een behoedzame en overwogen strategie op vlak van non-ggo-voeders. Laat ons vooral niet vergeten dat de diervoedersector de laatste schakel is waar controle mogelijk is. Lakse controles en hypocriete lastenboeken kunnen zich tegen ons keren”, waarschuwt de voorzitter.  

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via