nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

12.04.2017 Blijvend grasland verdwijnt maar verschijnt ook weer

De overheid waarschuwde landbouwers dit voorjaar dat het wegvallen van het individueel referentieareaal niet betekent dat blijvend grasland zomaar omgeploegd kan worden. Over het graslandareaal wordt sinds dit jaar gewaakt op Vlaams niveau in plaats van op bedrijfsniveau. Een artikel in De Standaard laat uitschijnen dat de gevarendrempel van vijf procent in vizier komt omdat er in 2015 en 2016 meer dan 5.000 hectare weiden omgezet zijn in akkers. Daarbij heeft men over het hoofd gezien dat er ieder jaar blijvend grasland verdwijnt maar ook bijkomt van zodra een perceel voor het vijfde jaar op rij met gras als teelt opgegeven wordt. Op die manier konden landbouwers grasland scheuren en in de meeste gevallen toch voldoen aan hun individuele referentieareaal dat in 2015 en 2016 nog gold als overgangsmaatregel.

In De Standaard wordt het belang van grasland onderstreept in het licht van koolstofopslag om de klimaatopwarming tegen te gaan, en tezelfdertijd aan de alarmbel getrokken omdat er de voorbije twee jaar in Vlaanderen 5.269 hectare blijvend grasland omgezet werd in akkers. De cijfers die geciteerd worden, komen uit het antwoord dat minister Schauvliege gaf op een schriftelijke vraag van Vlaams parlementslid Bart Caron (Groen). Ze kloppen, maar gaan voorbij aan het feit dat landbouwers niet alleen grasland omgeploegd hebben maar ook nieuw blijvend grasland gecreëerd hebben door de teelt gras vijf jaar lang te handhaven op hetzelfde perceel.

Dat kan je afleiden uit de cijfers die de minister doorspeelde aan het Vlaams parlementslid. In 2015 was er 191.060 hectare blijvend grasland in Vlaanderen volgens de perceelsregistraties. Ga je naar diezelfde percelen kijken in de perceelsaangifte van 2014, dan stond 139.010 hectare toen reeds te boek als blijvend grasland maar was 52.050 hectare tijdelijk grasland of een mengeling van gras-luzerne of gras-klaver. Conform de Europese definitie kregen die percelen het statuut blijvend grasland zodra die teeltkeuze voor het vijfde jaar op rij aangehouden werd. Net doordat er jaarlijks ook blijvend grasland bijkomt, voldeden de meeste landbouwers die grasland scheurden in 2015 en 2016 aan de instandhouding van hun individueel referentieareaal.

Wie het krantenartikel leest, zal denken dat die individuele verplichting al twee jaar overboord gekieperd is maar in werkelijkheid is het individuele referentieareaal pas dit jaar opgeheven. Als een soort van overgangsmaatregel werd het nog twee jaar gehandhaafd na de hervorming van het Europees landbouwbeleid in 2015. De nieuwe regeling waarvan sprake – het behoud van een referentieareaal op Vlaams niveau – vloeit inderdaad voort uit de vergroeningsmaatregel ‘behoud van blijvend grasland’ maar heeft niet de Vlaamse regering als architect. Het betreft een regeling die de Europese Unie uitwerkte en in alle 28 lidstaten van toepassing is. Vlaanderen voert dus uit wat op EU-niveau beslist werd. Opdat landbouwers niet zouden denken dat de overheid na het verdwijnen van het individuele referentieareaal niet langer wakker ligt van een hectare grasland meer of minder stuurde de landbouwadministratie eind februari een niet mis te verstaan persbericht uit. 

De boodschap was dat behoud van blijvend grasland ook in 2017 verplicht blijft, niet meer als een individuele verplichting maar als een collectieve verantwoordelijkheid. Het Departement Landbouw en Visserij maakte ook duidelijk wat de consequenties zijn indien landbouwers er geen normale graslanduitbating op nahouden maar massaal de ploeg uit de schuur halen: “Als de oppervlakteratio blijvend grasland dit jaar met meer dan vijf procent zou dalen ten opzichte van het referentiejaar 2012, dan neemt de EU maatregelen die voor de ganse sector een slechte zaak zijn. In 2017 en 2018 zal het dan voor alle Vlaamse landbouwers verboden zijn om nog blijvend grasland om te zetten naar akkerland. Wie recent grasland scheurde, zal verplicht worden om deze oppervlakte deels of volledig opnieuw in te zaaien met gras.”

De Standaard gaat ervan uit dat de Vlaamse landbouwers in de gevarenzone verkeren omdat tussen 2014 en 2015 1.838 hectare blijvend grasland verdween en een jaar later bijna een dubbel zo grote oppervlakte. “Als de trend zich doorzet, wordt de vijf-procent-drempel eind dit jaar bereikt”, klinkt het. Op die manier wordt niet alleen uit het oog verloren dat er blijvend grasland verdween maar evenzeer nieuw bijkwam, maar de rekenoefening is ook complexer dan ‘een daling van het areaal blijvend grasland met niet meer dan vijf procent’ doet vermoeden. Het is de verhouding tussen het areaal blijvend grasland en het totale areaal landbouwgrond die binnen de Europese tolerantie van vijf procent moet blijven ten opzichte van het referentiejaar 2012, niet het areaal blijvend grasland zelf. Met percelen blijvend grasland die uit landbouwgebruik verdwijnen, houdt de EU logischerwijze geen rekening.

Het kabinet van Vlaams landbouwminister Joke Schauvliege verzekert aan VILT dat de Vlaamse landbouwers die in 2015 en 2016 blijvend grasland hebben omgezet in akkers ruim binnen de tolerantiemarge van vijf procent bleven. Dat een kleine daling van het areaal blijvend grasland voor Europa aanvaardbaar is, heeft te maken met de achteruitgang van de vleesveehouderij. Zowel de productie als de consumptie van rundvlees dalen. Landbouwers houden minder runderen en schakelen over naar akkerbouwteelten zoals granen en aardappelen. Aangezien enkel herkauwers in staat zijn om gras te verteren, voorziet de Europese regeling enige flexibiliteit om de omschakeling van dierlijke naar plantaardige productie niet te dwarsbomen.

Het goede nieuws over grasland dat De Standaard onder de aandacht bracht alvorens zich zorgen te maken over het omploegen van blijvend grasland, is de capaciteit ervan om CO2 uit de atmosfeer te halen en in de vorm van stabiele organische koolstof te stockeren onder de grond. Als je een ton koolstof in de bodem opslaat, haal je bijna vier ton CO2 uit de lucht. Om netto CO2 aan de lucht te onttrekken, moet meer koolstof opgeslagen worden dan er ieder jaar ook wordt afgebroken en weer uitgestoten in de atmosfeer. Belgische en Franse studies toonden aan dat de meeste koolstof opgebouwd kan worden onder grasland, meer dan onder akkerland, en bijna zoveel als onder bos. Hoe langer het grasland blijft liggen, hoe meer koolstof er wordt aangemaakt. Daarenboven kan door het beheer van graslanden (en akkers) aan te passen de koolstofopbouw in de landbouwbodems nog worden verhoogd. Onderzoeksinstituut ILVO legt in de krant uit hoe dat werkt en deed dat eerder ook op VILT.be.

Bron: De Standaard / eigen verslaggeving

Beeld: Hooibeekhoeve

Volg VILT ook via