nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

11.07.2019 Boeren breken zich het hoofd over nieuwe mestactieplan

Tijdens de infosessies die de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) over het nieuwe mestactieplan organiseerde, mochten landbouwers hun vragen na afloop op een briefje schrijven. Voor heel wat toehoorders waren alle nieuwigheden in MAP6 niet op één avond te doorgronden. Zij noteerden daarom geen concrete vraag, maar namen van de gelegenheid gebruik om hun wanhoop uit te drukken over de complexiteit van het mestbeleid. Een ogenschijnlijk simpele beleidsdoelstelling – het areaal vanggewassen moet omhoog – heeft maatwerk nodig om te functioneren op bedrijfsniveau. Resultaat daarvan is een referentieareaal en een doelareaal vanggewassen, en de mogelijkheid om het op een akkoord te gooien met een collega-landbouwer die een deel van de verplichting kan overnemen. Bovendien is een nateelt normaliter niet hetzelfde als een vanggewas, maar hier ligt dat weer even anders. Bent u nog mee?

Om een vervolg te kunnen breien aan de gestage verbetering van de waterkwaliteit die tot 2013 in Vlaanderen gerealiseerd werd, is het instrumentarium van het mestbeleid aangepast. Tijdens de infosessies over MAP6 gaf de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) landbouwers een overzicht van wat blijft (o.a. derogatie en metingen nitraatresidu in najaar), wijzigt en verdwijnt. De belangrijkste wijziging – Vlaanderen wordt naargelang de waterkwaliteit opgedeeld in vier gebiedstypes – hebben we in het eerste artikel over de infosessie in Glabbeek toegelicht. De uitgebreide presentatie (134 slides!) die VLM alle deelnemers aan de infosessies per e-mail toestuurde, verraadt dat landbouwers nog veel meer nieuwigheden onder de knie moeten krijgen. Zo wijzigt de mestuitrijregeling (o.a. na 14 augustus geen drijfmest meer op grasland), maar wordt ze voor gans Vlaanderen gelijk en dat komt de eenvoud wel ten goede.

Eén van de weinige versoepelingen in MAP6 is dat stalmest in de winter opnieuw op de akkers gestockeerd mag worden. Als zo’n hoop stalmest afgedekt wordt zodat regenwater niet kan insijpelen, dan is het risico op uitspoeling van nitraat klein. Daarom krijgt buiten stockeren en afdekken de voorkeur op laat in het najaar nog stalmest uitrijden, op een moment dat de nieuwe teelt weinig behoefte aan voedingsstoffen heeft en de bodemcondities niet altijd meer optimaal zijn. In MAP5 mocht stalmest nog uitgereden en ondergewerkt worden tot 15 november. Voortaan sluit het bemestingsseizoen voor dit type meststoffen twee weken eerder al.

Wat de dosering van meststoffen betreft blijft het goede nieuws voor landbouwers beperkt tot een verhoging van de bemestingsnorm voor grasland dat uitsluitend gemaaid wordt. Op percelen gelegen in gebieden met een slechte waterkwaliteit (gebiedstypes 2 en 3, oranje en rood op de kaart) dienen landbouwers rekening te houden met een jaarlijkse daling van de bemestingsnorm voor werkzame stikstof. In gebiedstype 2 moet er pas volgend jaar 5 procent minder bemest worden, blijft dat zo in 2021 en wordt het 10 procent minder in 2022. Landbouwers met percelen in gebiedstype 3 rekenen hun mestbalans deze zomer best nog een keer na. Daar daalt de bemestingsnorm dit seizoen reeds met 5 procent. In trappen van telkens 5 procent stevent de sector daar af op een verlaging van de norm met 20 procent in 2022. Begin augustus vinden landbouwers via het Mestbankloket een aangepast overzicht van de bemestingsnormen die gelden voor hun percelen.

Tijdens de infosessie in Glabbeek (Vlaams-Brabant) werd lang stilgestaan bij de nieuwe regeling voor vanggewassen. “Ter verbetering van de waterkwaliteit zit de meeste winst op korte termijn in een uitbreiding van het areaal vanggewassen”, argumenteerden de experten van de Mestbank. Het nieuwe mestbeleid zet hier dan ook sterk op in. Vanaf 2019 geldt als basisregel dat er na een hoofdteelt die uiterlijk op 31 augustus geoogst wordt altijd een vanggewas of een nateelt moet volgen. Tenminste voor de percelen die gelegen zijn in de gebiedstypes 1, 2 en 3 waar er nog werk aan de winkel is. In gebiedstype 0 is de goede waterkwaliteit reeds een feit.

Een vanggewas zoals gele mosterd, rogge of raaigras moet voor 15 september gezaaid worden. Kiest een landbouwer voor een nateelt, bijvoorbeeld wintergerst na wintertarwe, dan hanteert hij gewoon het optimale zaaitijdstip. De meeste landbouwers opteren voor een mengsel van soorten (bv. gele mosterd gemengd met bladrammenas) zodat het vanggewas ook als groenbedekker te boek staat in het kader van de randvoorwaarden voor inkomenssteun. In dat geval tellen de ingezaaide hectares namelijk mee voor de realisatie van ecologisch aandachtsgebied (EAG), één van de drie vergroeningsverplichtingen die uitgaat van het Europees landbouwbeleid. Het mestbeleid hanteert voor vanggewassen dezelfde minimale aanhoudperiode als voor EAG-groenbedekkers, namelijk 31 januari behalve voor zware leemgrond die boeren tijdig moeten ploegen.

Meer uitleg behoefde de manier waarop het mestbeleid de beoogde uitbreiding van het areaal vanggewassen wil realiseren. Kristof Merckx, diensthoofd bij de Mestbank voor de regio Oost, kweet zich van die taak. “In gebiedstypes 2 en 3 moet het ingezaaide areaal vanggewassen jaarlijks toenemen. We vertrekken van een referentiepercentage dat het gemiddelde areaal vanggewassen weerspiegelt dat een landbouwer tussen 2016 en 2018 teelde. In gebiedstype 3 moeten er dit jaar 5 procent meer vanggewassen gezaaid worden, en stijgt dat naar 20 procent meer in 2022. Voor gebiedstype 2 is 10 procent meer vanggewassen in 2022 het doel.”

Merckx legt uit dat het begrip ‘vanggewas’ in deze context een ruime invulling krijgt. Tellen allemaal mee: de hectaren waar op 15 september een vanggewas groeit na een hoofdteelt zoals graan die snel het veld ruimde; de hectaren waar na een vroege oogst van aardappelen of maïs uiterlijk op 15 oktober een vanggewas aanwezig is; de hectaren tijdelijk grasland en, tot slot, de hectaren waar een niet-nitraatgevoelige hoofdteelt gevolgd wordt door een nateelt die ook een laag risico op nitraatuitspoeling geeft. Door wintergraan na graan of wintergraan na suikerbieten te telen, kunnen akkerbouwers hun doelareaal dus ook behalen.

Tot onvrede bij veel landbouwers die in Glabbeek de infosessie bijwoonden, telt wintergraan na aardappelen niet mee. De expert van de Mestbank schrijft dat toe aan de hoge nitraatresidu’s die frequent gemeten worden na aardappelen. “Een tijdig gezaaid vanggewas kan die overgebleven stikstof beter benutten dan wintergranen die laat gezaaid worden”, legt hij uit. De meeste landbouwers op de infosessie in Glabbeek tastten nog in het duister omtrent hun referentie- en doelareaal. Dat verklaart voor een stuk de ongerustheid over het niet meetellen van deze vaak voorkomende teeltcombinatie. Kristof Merckx raadde alle landbouwers aan om hun referentieareaal via het Mestbankloket te verifiëren. Hij leek erop te vertrouwen dat de meeste landbouwers die deze zomer hun teeltrotatie opnieuw narekenen tot de conclusie komen dat het beoogde areaal vanggewassen haalbaar is. Zo niet worden de ontbrekende hectaren volgend jaar bij het doelareaal geteld en is dan een extra inspanning nodig. Het alternatief voor een landbouwer is dat hij een vanggewasovereenkomst sluit met een collega die meer vanggewassen kan zaaien dan wettelijk verplicht.

Tot slot geven we nog mee dat de Mestbank belooft rekening te houden met het feit dat landbouwers het nieuwe mestbeleid nog niet kenden toen ze hun teeltplanning voor 2019 opstelden. Bart De Schutter, afdelingshoofd van de Mestbank, verwoordt de coulance als volgt: “MAP6 werd meteen van toepassing in 2019 zodat we de naleving ervan zullen nagaan. Dat wordt van ons verwacht, maar we begrijpen dat veel maatregelen nieuw zijn en zullen niet het onmogelijke verwachten. In het licht van de evaluatie volgend jaar mag het eerste jaar evenwel geen verloren jaar zijn. Bovendien verwachten landbouwers die extra inspanningen doen hetzelfde van hun collega’s.”

Bijvoorbeeld bij de teeltkeuze voor korrelmaïs konden landbouwers dit voorjaar niet voorzien dat ze misschien beter een erg vroege variëteit hadden gekozen of onderzaai van gras uitprobeerden als ze anders hun doelareaal vanggewassen niet halen. Het referentieareaal varieert tussen 20 procent voor bedrijven die in het verleden weinig vanggewassen teelden, tot 80 procent voor bedrijven die deze goede teeltpraktijk volledig omarmd hebben. Een uitgekiende teeltrotatie, aangepaste variëteitenkeuze en betere oogstspreiding moeten landbouwers toelaten om in de nabije toekomst nog meer vanggewassen te telen wanneer ze actief zijn in een gebied met een slechte waterkwaliteit. De vanggewasovereenkomst ziet de Mestbank als een laatste redmiddel: “Een uitkomst voor wie met de verplichte inzaai van meer vanggewassen echt niet weg kan op het eigen bedrijf”. Wellicht denken landbouwers daar hetzelfde over zodra hun collega een financiële vergoeding vraagt voor het overnemen van die verplichting.

Alle nieuwigheden in MAP6 meegeven in het bestek van een VILT-artikel is niet haalbaar. Landbouwers die er het fijne van moeten weten, vinden meer details op de website van VLM. Daar tref je in de rubriek MAP6 ook de presentatie aan die getoond is tijdens de infosessies.

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via