nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

19.12.2018 Boeren prefereren preciezer boven nog minder bemesten

In Vlaanderen zijn bemestingsvrije stroken langs waterlopen verplicht om verontreiniging van het oppervlaktewater te vermijden. Ongeacht de gebruikte bemestingstechniek, heel precies of ‘mooi van ver’, hebben deze stroken een vaste breedte van 5 of 10 meter. In opdracht van de Vlaamse Landmaatschappij onderzochten ILVO en Bodemkundige Dienst van België of je de breedte van de stroken kan laten variëren in functie van de gebruikte machine. Vraag je aan landbouwers en loonwerkers wat ze zelf het liefste hebben, dan is er een lichte voorkeur voor variabele bemestingsvrije stroken. Daarmee zou het mestbeleid het gebruik van precisietechnieken kunnen stimuleren, anderzijds maakt het de regelgeving complexer. Liever preciezer bemesten dan een nog strenger mestbeleid en dito controles, reageren de meesten.

In het kader van dit onderzoek werd een enquête uitgevoerd bij landbouwers en loonwerkers om een zicht te krijgen op de gangbare bemestingstechnieken in Vlaanderen. De antwoorden kwamen van 562 landbouwers, actief in de diverse deelsectoren, en van 55 loonwerkers uit gans Vlaanderen. Loonwerkers zijn vooral actief in het spreiden van drijfmest en stalmest. Kunstmest toepassen, doen de meeste landbouwers met eigen machines.

De traditionele manier voor het toedienen van mengmest is breedwerpig uitspreiden met een ‘beerton’ die achteraan uitgerust is met een ketsplaat. Enkel op bouwland is dit nog toegestaan op voorwaarde dat de mest binnen twee uur ingewerkt wordt. Aan deze aloude techniek zijn twee nadelen verbonden volgens de onderzoekers: een hoge ammoniakemissie en ongelijke verdeling van de mest, zeker wanneer er een strakke wind waait. Vanwege het gemak en de lage kosten van deze techniek blijft het desalniettemin een veel gebruikte techniek in Vlaanderen. Zo’n 28 procent van de drijfmest wordt nog steeds breedwerpig toegepast.

Bij de emissiearme technieken stellen ILVO en Bodemkundige Dienst (BDB) vast dat zowel landbouwers als loonwerkers de voorkeur geven aan een sleufkouter- of zodenbemester (samen 30% van de drijfmest), die de mest in ondiepe sleuven in de grond verdelen, boven de sleepvoetbemester (8,5%) of de sleepslangbemester (9,5%), waar de mest in stroken bovenop de grond afgelegd wordt. Op akkerland kan de mest ook dieper in de grond gebracht worden met een bouwlandinjecteur (24%).

Vaste kunstmest wordt in acht op de tien gevallen toegediend met een centrifugaalstrooier. Wegens hun robuustheid, grote werkbreedte en de relatief lage kostprijs zijn deze machines zeer populair. Door zijn beperkte werkbreedte wordt de pendelstrooier die vroeger heel populair was vandaag veel minder toegepast (13,5%). Pneumatische strooiers zie je nauwelijks op Vlaamse velden. Dit zijn strooimachines met achter de meststoffenbak een verdeelboom die lijkt op een spuitboom. Aan de randen van een perceel is het strooibeeld scherp afgelijnd, wat milieukundig zeker een voordeel is maar deze machines hebben een vrij hoge kostprijs als belangrijk nadeel.

Bemesten kan ook gelijktijdig met het zaaien of planten gebeuren, tenminste als de maïszaaimachine of aardappelpootmachine daarvoor uitgerust is. Door de plaatsing van de kunstmest in de rij kunnen de planten de stikstof/fosfor/kalium efficiënter opnemen, waardoor er bespaard kan worden op de hoeveelheid meststoffen. Ruim 5 procent van de vaste kunstmest wordt via rijenbemesting toegediend.

Sommige landbouwers verkiezen vloeibare kunstmest boven korrelmeststoffen. Die stikstof in vloeibare vorm wordt dan meestal toegediend met een klassieke spuitmachine, al dan niet uitgerust met speciale spuitdoppen. Daarnaast wordt iets meer dan 3 procent van de vloeibare kunstmest via rijenbemesting toegediend. De meststof wordt hierbij niet blootgesteld aan de buitenlucht, wat minder ammoniakvervluchtiging geeft, en de meststof komt op de gewenste plaats, dicht bij de wortels van de plant, terecht. De meer recente techniek van spaakwielbemesters, waarmee loonwerkers in Nederland vooral grasland injecteren, wordt in Vlaanderen tot op heden bijna niet gebruikt. “Nochtans blijven bij injecteren de verliezen door vervluchtiging of verdamping beperkt die bij het vollevelds toedienen van vloeibare kunstmeststoffen kunnen oplopen tot 20 procent”, merken de onderzoekers op.

Door de strenge bemestingsnormen wordt bemesten hoe langer hoe meer precisiewerk, ook langs de perceelsgrenzen. Worden drijfmest of kunstmest breedwerpig gespreid, dan is de zone van de laatste werkgang tot de perceelsgrens onderbemest. Is dat niet zo, dan heeft de landbouwer zo dichtbij de perceelsgrens gereden dat het risico bestond dat er mest in de naastliggende waterloop terechtkwam. Om perceelsranden toch op een nette manier te kunnen strooien met een klein risico op waterverontreiniging heeft elke fabrikant van meststoffenstrooiers een eigen oplossing bedacht. Dat kan een kantstrooiplaat maar bijvoorbeeld ook een schuinstelcilinder zijn. Bij stalmestverspreiders met verticale walsen of bij schotelstrooiers kan een kantstrooiplaat of -deur gebruikt worden.

Bij bemestingstechnieken met een vaste werkbreedte, zoals mestinjecteurs of pneumatisch kunstmeststrooiers, is de kans volgens de Bodemkundige Dienst en ILVO gering dat er mest naast de werkgang terechtkomt. Kantstrooi-instellingen zijn dan niet nodig. Voldoende afstand houden van de perceelsrand kan ook met technologie ondersteunt worden. Met toenemende werkbreedte wordt het voor de bestuurder immers steeds moeilijker om de afstand tot de waterloop correct in te schatten. Hiervoor kan een GPS-stuursysteem een oplossing bieden. Bij loonwerkers die over een jonger machinepark dan landbouwers beschikken is een hoger aandeel van de machines uitgerust met kantstrooisystemen en GPS.

In de enquête werd aan landbouwers en loonwerkers gevraagd om zelf het risico in te schatten dat er mest in de waterloop terechtkomt bij toepassing van een bepaalde bemestingstechniek. Uit de reacties blijkt dat ze zich bewust zijn van dat risico bij breedwerpige machines zoals centrifugaal- en pendelstrooiers voor kunstmest en beertonnen met een ketsplaat voor drijfmest. Van andere technieken, zoals mestinjectie en rijenbemesting, is geweten dat de kans op ‘mee-mesten’ zeer klein is.

Landbouwers en hun loonwerkers mochten zich tot slot ook uitspreken over beleidskeuzes die volgens hen efficiënt en werkbaar zijn in de praktijk om de waterlopen langs landbouwpercelen schoon te houden. De hoofdrolspelers binnen de sector menen dat een verdere verstrenging van de regelgeving of meer controles op de bemestingsvrije stroken weinig efficiënt zijn. Hoewel een aantal respondenten ook aangeven dat controle noodzakelijk is om de bestaande regelgeving te laten naleven. Inzetten op bemestingstechnieken die de mest preciezer kunnen verdelen, op de plek waar de mest thuishoort, wordt als meest efficiënte maatregel naar voor geschoven.

Er is in de antwoorden een lichte voorkeur voor bemestingsvrije stroken met een variabele breedte afhankelijk van de gebruikte bemestingstechniek, in vergelijking met een vaste bufferstrook. Dit zal de regelgeving complexer maken, maar het mestbeleid zou op deze manier wel het gebruik van preciezere bemestingstechnieken en kantstrooisystemen verder kunnen stimuleren.

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: ILVO

Volg VILT ook via