nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

13.03.2019 Boeren produceren (veel) meer maar verdienen minder

In het nieuwe nummer van de digitale uitgave Trefpunt Economie ontleedt de FOD Economie de langetermijnevoluties in de Belgische landbouw. We zoomden reeds in op de verschuiving van toegevoegde waarde uit de landbouwactiviteit naar verwerking en commercialisering enerzijds en toelevering anderzijds. Deels wordt dat gecompenseerd door Europese subsidies. Landbouwers hebben ook zelf gereageerd op het krimpend aandeel van voedselprijzen dat hun kant op komt. Ze deden dat door in te zetten op productiviteit en bedrijfsgroei. Tussen 1960 en 2015 is de productiewaarde van een boerderij met factor 24 toegenomen. Het inkomen van een landbouwer daarentegen ligt in reële waarde en in een gemiddeld jaar tegenwoordig lager dan 25 jaar geleden.

De afgelopen 50 jaar is de productiviteit in de landbouw sterk gestegen. Waar een gemiddelde tarweoogst begin jaren ’60 nog 3,9 ton bedroeg, was dat tijdens de periode 2013-2017 gestegen naar 8,7 ton per hectare. Een koe produceerde in 1970 3.600 kilo melk en in 2015 nagenoeg 9.000 kilo gemiddeld. Qua geslacht gewicht van volwassen runderen is er ook een toename, van karkassen die gemiddeld genomen 300 kilo wogen begin jaren ’70 naar ongeveer 410 kilo nu.

In Trefpunt Economie legt de FOD Economie uit dat landbouwers zich zijn gaan specialiseren in één diersoort of één type teelt. Met uitsluiting van de tuinbouwbedrijven pur sang werd in 1980 nog meer dan een derde van de landbouwbedrijven als niet-gespecialiseerd beschouwd. In 2015 is dit nog slechts 23 procent. Van bijvoorbeeld de bedrijven die akkerbouw en tuinbouw combineerden, zijn er tussen 1980 en 2010 een groot aantal verdwenen. Ook gemengde veebedrijven verloren terrein, van 12 naar 4 procent van alle landbouwbedrijven. Omgekeerd is het aandeel sterk gespecialiseerde bedrijven toegenomen van 29 procent in 1980 naar 43 procent in 2015.

Naast deze specialisering vormt de concentratie van productiemiddelen een andere structurele dynamiek waar je volgens de economen van de federale overheid niet naast kan kijken. In Vlaanderen groeide de omvang van een varkensbedrijf van minder dan 400 varkens in 1995 tot nagenoeg 1.500 twintig jaar later. In dezelfde periode verdubbelde de gemiddelde oppervlakte landbouwgrond per boerderij en is het aantal runderen meer dan verdrievoudigd.

Geleidelijk verdwenen de kleinere bedrijven. In 30 jaar tijd hield 70 procent van alle boerderijen op te bestaan, tegen een jaarlijks gemiddeld tempo van -3,7 procent. Ook de oppervlakte landbouwgrond vermindert, zij het dan aan een duidelijk trager tempo. Gemiddeld ging er tussen 1985 en 2015 jaarlijks 3.000 hectare verloren. Door het dubbele effect van een concentratie van landbouwgrond en vee bij een kleiner aantal bedrijven en een sterke productiviteitstoename is de gemiddelde productie per boerderij spectaculair toegenomen. Uitgedrukt in geld is de productiewaarde per bedrijf meer dan verdubbeld (+120%) tussen 1980 en 2015, gecorrigeerd voor inflatie en rekening houdend met de inkomenssteun.

Rest nog de vraag of landbouwers er op die manier in geslaagd zijn om hun inkomen op peil te houden. Het inkomen per arbeidsjaareenheid is flink gestegen tot 1990, om vervolgens achteruit te gaan tot 2002. Daarna was er gedurende enige jaren terug een stijging. Volgens de FOD Economie is de arbeidsrendabiliteit gehandhaafd door de vermindering van het totale aantal arbeidskrachten in de landbouw. Kijk je naar het inkomen per hectare, dan is dat sinds begin jaren ’90 fel verslechterd. Opnieuw geldt dat die ongunstige evolutie afgeremd is door de inkrimping van het aantal arbeidskrachten per bedrijf.

De FOD Economie besluit: “De productiviteit neemt in hoog tempo toe, zowel in de plantaardige als de dierlijke productie. Houden we rekening met de vermindering van het aantal werknemers, dan blijkt daaruit een nog snellere evolutie van de arbeidsproductiviteit. Specialisering en de concentratie van productiemiddelen, samen met technische vooruitgang en een verhoogde kapitaalsintensiteit, verklaren die evolutie. De in 1962 aan het Europees landbouwbeleid toegewezen doelstelling – een productiviteitsverhoging in de landbouw om de voedselvoorziening veilig te stellen – is daarmee ruim bereikt. Het GLB had evenwel ook tot doel aan de landbouwers een degelijke levensstandaard te bezorgen. Vanuit dat oogpunt is het lastiger om te stellen dat het GLB een succes is geweest. In iets meer dan 40 jaar tijd daalde het zogenaamde inkomen van de factoren met gemiddeld 60 procent. Enkel door een ononderbroken proces van stopzetting van bedrijven en van beknotting van arbeidskrachten kon de dalende trend van het inkomen per arbeidsjaareenheid worden afgeremd.”

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: Loonwerk Defour

Volg VILT ook via