nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

08.05.2019 Commissie stemt nieuw mestactieplan na tweede lezing

Na een tweede lezing van het decreetvoorstel in de commissie Leefmilieu van het Vlaams Parlement werd het nieuwe mestactieplan (MAP6) meerderheid tegen oppositie goedgekeurd. Dinsdag had de oppositie de hakken in het zand gezet, en daags nadien waren ze er nog altijd van overtuigd dat het mestbeleid het algemeen belang niet dient. Een absurd voorbeeld daarvan is volgens Bruno Tobback (sp.a) de afkoopregeling voor vanggewassen. Waar de waterkwaliteit slecht is, moeten landbouwers in het najaar meer vanggewassen zaaien na de oogst van de hoofdteelt. Tenzij, de landbouwer in kwestie een collega vindt die de verplichting wil overnemen. Ook onafhankelijk parlementslid Hermes Sanctorum kan dit niet vatten. Toch rijmt het met de gebiedsgerichte werking van het mestbeleid, zo benadrukt commissievoorzitter Tinne Rombouts (CD&V).

Waar SALV en Minaraad in een consensusadvies het nieuwe mestbeleid een kans geven, heeft de oppositie in het Vlaams Parlement zich tot het laatste moment verzet. Dinsdag zou het voorstel van decreet gestemd worden in de commissie Leefmilieu. De meerderheid stuurde de tekst op een aantal punten nog bij en ook vanuit de oppositie werden nog amendementen ingediend. Meer dan 30 artikels werden één voor één gestemd. Tot een finale stemming over het gehele decreet kwam het echter niet. Oppositiepartijen sp.a en Groen vroegen een tweede lezing. Woensdag kwam de commissie opnieuw samen en toen werd het decreetvoorstel in zijn geheel meerderheid tegen oppositie goedgekeurd. Voor de plenaire stemming komt er een extra vergadering van het Vlaams Parlement in de week voor de verkiezingen van 26 mei. Eerder lukt niet omdat Groen "als protest tegen de brutale besluitvorming" een reflectienota aankondigde.

Groen-parlementslid Bart Caron greep de bespreking in de commissie aan om de besluitvorming rond MAP6, die hij omschrijft als achterkamerpolitiek, in vraag te stellen. "Het advies van Minaraad en SALV leest als een schreeuw voor beter beleid, voor meer wetenschappelijke onderbouwing en meer overleg. De kritiek van de milieubeweging op wat voorlag, is in het overlegcomité gewoon genegeerd." Persoonlijk stoort het hem dat de inbreng van het parlement niet groter is. De verkozenen nemen volgens hem pas kennis van de nieuwe krijtlijnen van het mestbeleid wanneer er achter gesloten deuren reeds een deal met de landbouworganisaties is gesloten.

In 2020 volgt een tussentijdse evaluatie van het nieuwe mestbeleid. De Vlaamse adviesraden penden al neer wat ze daarvan verwachten. Caron vermoedt dat volgend jaar al duidelijk wordt dat MAP7 mirakels zal moeten verrichten omdat de landbouwsector het probleem van de slechte waterkwaliteit voor zich uitschuift. Volgens het erg kritische parlementslid verklaart de nabijheid van het evaluatiemoment, samen met de hoogdringendheid van de derogatie voor aanwending van dierlijke mest, waarom de adviesraden mild zijn geweest over MAP6.

Onafhankelijk parlementslid Hermes Sanctorum denkt dat de meerderheid de kritiek onderschat die schuilt in de adviezen van SALV en Minaraad enerzijds en Raad van Stare anderzijds. "Zij zijn erg kritisch, maar hun eindoordeel is mild uit pragmatische overwegingen. We kunnen het nieuwe mestbeleid niet eindeloos voor ons uitschuiven. Wat opvalt, is dat niemand zich durft uitspreken over de vraag of de maatregelen voldoende zullen zijn. Neem dat ter harte, want bij de bespreking van MAP5 hadden we een soortgelijke discussie tussen meerderheid en oppositie over de effectiviteit van het mestbeleid."

Sp.a-parlementslid Bruno Tobback windt er geen doekjes om: "Het parlement is in deze procedure met de rug tegen de muur gezet, net als de adviesraden. Het advies van de Raad van State bulkt van de verwijzingen naar hoe jammer het is dat de tijd die ze kregen voor zo'n technische materie zo kort was. Met als gevolg dat niemand zijn handen in het vuur durft steken voor de effecten van dit beleid. Kijken we daarom naar het verleden, dan stellen we vast dat opeenvolgende mestactieplannen geen grote stappen vooruit hebben gezet. Er zijn nog altijd gebieden met meetresultaten die in de verste verte de doelstellingen uit MAP4 niet halen." Ook hij vreest dat de grootste inspanning naar de toekomst doorgeschoven wordt.

Eén van zijn punten van kritiek is dat een reeds erg complex en moeilijk controleerbaar mestbeleid nog ingewikkelder wordt door MAP6. Dat is niet nieuw volgens Tobback: "Meer ingewikkelde regeltjes hebben telkens tot doel dat de vereiste aanpassing op het terrein zo klein mogelijk blijft. De enige betrokkene die niet een eigen artikeltje in het Mestdecreet heeft, is de bevolking die erop rekent dat het probleem met de waterkwaliteit in landbouwgebied opgelost geraakt. Dat is klaarblijkelijk niet de bedoeling van dit mestbeleid."

Bij de bespreking van het decreet kwamen technische aspecten van MAP6 aan bod, zoals de verplichting voor landbouwers om meer vanggewassen te zaaien indien ze actief zijn in een gebied met een slechte waterkwaliteit. Wat de oppositie hieromtrent erg stoort, is dat de overheid in een soort van afkoopregeling voorziet. Een landbouwer kan een overeenkomst sluiten met een collega en de Mestbank laten weten dat die laatste zijn verplichting tot het zaaien van een vanggewas overneemt. Volgens de voorzitter van de milieucommissie, Tinne Rombouts (CD&V), doet dit geen afbreuk aan de effectiviteit van een mestbeleid dat de problemen gebiedsgericht wil aanpakken. Ze legt uit dat het vanggewas dat door een ander bedrijf geteeld wordt zich moet situeren op een perceel van hetzelfde gebiedstype.

Partijgenoot Bart Dochy valt haar bij: "Ik begrijp niet waarom hier zo zwaar aan getild wordt. In de praktijk zal een Limburgse landbouwer geen vanggewas telen voor een collega uit West-Vlaanderen." De maatregel is volgens hem bedoeld om een oplossing te bieden aan bedrijven die de teelt van een vanggewas niet kunnen organiseren binnen hun teeltrotatie. Hij geeft het voorbeeld van aardappeltelers van wie het werkgebied zich door seizoenpacht van percelen soms over een ganse provincie en meerdere afstroomgebieden uitstrekt.

Tobback en Sanctorum blijven argwanend tegenover de regeling: "De uitwijkmogelijkheid voor een vanggewas had minstens beperkt moeten worden tot een perceel in hetzelfde afstroomgebied. Als je dat principe verlaat, geef je het telen van vanggewassen gewoon op." De keuze voor het gebiedstype in plaats van de afstroomzone is ingegeven door de handhaafbaarheid door de Vlaamse Landmaatschappij, repliceert Rombouts. En ze zet de puntjes op de i: "Er wordt gebiedsgericht gewerkt. Eén van de maatregelen, het zaaien van gewassen, trekken we open om het ingezaaide areaal in Vlaanderen te kunnen verhogen. Met de verplichting wordt enkel geschoven binnen een gebiedstype waar het nitraatgehalte vergelijkbaar hoog is. Het voor de waterkwaliteit minder interessante alternatief was een uitzondering op de verplichting wegens het niet inpasbaar zijn van een vanggewas in een bedrijfsvoering."

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via