nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

14.03.2019 De bossen en de bijen, dat matcht!

Kleine bosfragmenten in landbouwgebieden zijn een belangrijke habitat voor bestuivers, dat is de conclusie van de studie van UGent-onderzoeker Willem Proesmans. “Bijen en zweefvliegen in landbouwlandschappen hebben naast landbouwgewassen nog extra voedselbronnen nodig, die hen het hele jaar door van voedsel kunnen voorzien”, zegt de onderzoeker. “Die vinden ze in bosjes en houtkanten. Landschapsbeheerders voorzien dus best in een voldoende diverse habitat voor bestuivers, met niet alleen landbouwgewassen.” We doen er dan ook goed aan om die bosjes te behouden.

In Vlaanderen zijn fruitgewassen zoals appelen, peren en aardbeien grotendeels afhankelijk van insecten. Er blijven echter steeds minder soorten insecten over. “Dat brengt onder andere de bestuiving van deze gewassen in gevaar”, legt UGent-onderzoeker Willem Proesmans uit. “Als voedselbron en leefgebied voor bestuivers vervullen kleine stukjes bos in landbouwgebieden dan ook een belangrijke functie voor de landbouw.”

Bosranden zijn een geliefde omgeving van bijen: ze hebben er toegang tot zonlicht en bijensoorten die in de bodem hun nest maken, vinden er geschikte nestmogelijkheden. “Zonnige bosranden trekken een grotere bijengemeenschap aan”, aldus Willem Proesmans. “Door meer graduele bosranden aan te leggen kan een grotere en diverse bijengemeenschap ontstaan.” Oude bossen met een rijke kruidlaag kunnen dan weer een belangrijke rol spelen als leefgebied en habitat om voedsel te zoeken. “Daarom moeten we in het bijzonder de oudste bosfragmenten beschermen. Ze hebben een unieke diversiteit en zijn onmogelijk te vervangen op korte tot middellange termijn.”

Gewassen in de buurt van zonnige bosranden worden bovendien door meer bestuivers bezocht dan die zonder bosfragment in de buurt, zag Willem Proesmans in zijn onderzoek. Daardoor droegen die gewassen meer vruchten. “Of dit ook een invloed heeft op de kwaliteit van de vruchten en of dit ook geldt op het grotere landschapsniveau, moet evenwel nog onderzocht worden.”

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via