nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

27.06.2017 Doen vossen de inspanningen voor akkervogels teniet?

Na de laatste telling van akkervogels concludeerden natuurbeschermers dat het stuur om moet voor de grauwe gors. Amper 45 broedparen werden er gespot zodat Natuurpunt ijvert voor een soortbeschermingsplan. De inspanningen die landbouwers doen, zoals het aanleggen van akkerranden als voedsel- en schuilplaats voor de broedvogels, brengen volgens de organisatie weinig beterschap. “Te versnipperd en niet op maat van de grauwe gors”, luidde de analyse, zonder dat de vos ter sprake kwam. Lezers van VILT.be opperen dat de opmars van de vos slecht nieuws is voor de kuikens van broedvogels. Kan predatie verklaren waarom beheerovereenkomsten de gorspopulatie niet zichtbaar doen stijgen? We vroegen het aan Hubertus Vereniging Vlaanderen en aan Natuurpunt.

Volgens tellingen van de Werkgroep Grauwe Gors gaat de populatie van deze akkervogel verder achteruit. Vorig jaar werden er 82 broedparen gespot, dit jaar tijdens een nieuw telweekend nog amper 45. De Vlaamse Broedvogelatlas ging nog uit van 850 broedparen in 2003. Na het verdwijnen van de populatie in West-Vlaanderen komt de grauwe gors nog op vier plekken in Vlaanderen voor. Het Haspengouwse leemplateau tussen Hoegaarden en Riemst is de voornaamste plek waar akkervogels het nog naar hun zin hebben zodat vogelbeschermers daar naar toe trekken voor hun jaarlijkse tellingen.

De Werkgroep Grauwe gors en Natuurpunt zijn gealarmeerd door de verdere achteruitgang. Ze stellen vast dat de Vlaamse overheid sedert 2009 het tij probeert te keren met beheerovereenkomsten in functie van akkervogels, maar daar niet in slaagt. “Met subsidies namen landbouwers op honderden hectaren akkers maatregelen om de akkervogels er weer bovenop te helpen. Toch bleef de achteruitgang doorgaan”, constateren ze. Het akkerlandschap is blijkbaar nog steeds niet aantrekkelijk genoeg voor de voortplanting van de grauwe gors. “De grasstroken die door landbouwers aangelegd werden, liggen versnipperd in het landschap en zijn niet op maat van de grauwe gors. Zonder veilige broedplaatsen en een overvloed aan insecten kunnen jonge vogels niet grootgebracht worden”, klinkt het.

Waar vogelbeschermers concluderen dat er maatwerk – lees: een soortenbeschermingsplan zoals er één bestaat voor de grauwe kiekendief – nodig is in het agrarisch natuurbeheer, zijn er lezers van VILT.be die waarschuwen dat predatie de inspanningen in het kader van een beheerovereenkomst kan tenietdoen. Op het terrein constateren landbouwers en jagers dat de vos in opmars is, en deze sluwe snoodaard heeft de kuikens van grondbroeders hoog op zijn menukaart staan. Een moeilijk te beantwoorden vraag is hoeveel schade de vos aanricht, en of dit een verklaring kan zijn voor de achteruitgang van de grauwe gors.

Bij de jagers is te horen dat een tandje bijsteken op vlak van predatiecontrole gelegitimeerd is in het licht van de inspanningen die voor broedvogels gebeuren en de inmiddels erg kleine populatie van de grauwe gors. Dieter De Mets, werkzaam bij het kenniscentrum van Hubertus Vereniging Vlaanderen, verwijst naar een aantal oudere doch relevante onderzoeken die dat ondersteunen. De Mets: “Door predatoren te controleren, toonden Tapper et al (1996), Paradis et al (2000) en Stoate en Sczur (2001) aan dat prooisoortpopulaties als akkervogels hiervan kunnen profiteren, met een plaatselijke stijging van de populatie tot gevolg.” Wanneer een restpopulatie van een prooisoort overblijft, zoals het geval is voor de grauwe gors, dan is de impact op die al kleine populatie van het wegnemen van één exemplaar zeer groot. “Ons inziens is opgevoerde predatiecontrole dan ook gelegitimeerd”, laat Hubertus Vereniging Vlaanderen weten.

Dieter De Mets voegt er wel meteen aan toe dat de achteruitgang van akkervogels voor een groot deel te wijten is aan de veranderingen in het landbouwlandschap, met name het verdwijnen van habitat waarin zij minder nestgelegenheid en voedsel vinden. Landschapswijzigingen zoals het groter worden van akkers, de efficiëntere oogstmethoden en het verdwijnen van hagen en houtkanten verplichten akkervogels om zich aan te passen. De Mets: “Ze moeten hun voedsel op grotere afstand en meer in de open vlakte zoeken. De predatoren passen op hun beurt hun foerageergedrag aan de omstandigheden aan. Wanneer hun kansen vergroten om in het toenemend open landschap prooien te vinden, zal potentieel hun impact op de prooipopulatie toenemen.”

Wat het onderliggende probleem betreft, verschillen de analyses van de jagersvereniging en Natuurpunt weinig van elkaar. Over de zin of onzin van predatorcontrole houden ze er wel andere zienswijzen op na. Beleidsmedewerker en akkervogelexpert Freek Verdonckt: “Predatie en habitatverlies zijn als oorzaken van de achteruitgang inherent aan elkaar verbonden. Predatie is heel zichtbaar, en tegelijk een natuurlijk fenomeen, terwijl de hoofdoorzaak kan liggen bij de sluipende achteruitgang van een populatie door de teloorgang van leefgebied. Als een ecosysteem gezond is, dan vormt predatie geen gevaar voor het voortbestaan van een soort. In Nederland zegt men in dat verband dat de vos slechts de beul is van een landschap in verval. Als een landschap ‘uitgekleed’ wordt, dan krijgen predatoren zoals de vos en de zwarte kraai vrij spel.”

Bij momenten laait de discussie over predatie als oorzaak van de achteruitgang van broedvogels hoog op. “Als aaibare of schaarse soorten waarvoor we inspanningen doen voor onze ogen gegrepen worden, dan hebben we daar moeite mee terwijl we het wel normaal vinden dat een merel wormen pakt of een uil muizen vangt”, verklaart Verdonckt. “In het debat over predatiecontrole moet je twee zaken voor ogen houden. Is de vos de grote boosdoener? En de tweede vraag is of je grondbroeders als grauwe gors, kievit en patrijs kan redden door (alleen) hun predatoren aan te pakken. Je ziet dat de vos het als soort goed doet terwijl er steeds minder akkervogels zijn, maar dat heeft als hoofdoorzaak de intensivering van landbouw die het leefgebied verschraalt en de verstedelijking die het landschap versnippert.”

Hier komen we tot de kern van het meningsverschil tussen natuurbeschermers en jagers dat Dieter De Mets wil toelichten: “De populatie van een voedselopportunist als de vos gaat door habitatverlies niet achteruit. Door toedoen van de mens vindt hij altijd voedsel. Wat hij in de natuur vindt (o.a. eieren van broedvogels) vult hij aan met voedsel uit mesthopen en vuilniszakken, met kippen en andere neerhofdieren. De populatie van voedselopportunisten wordt op die manier kunstmatig hoog gehouden, daar waar ‘cultuurblijvers’ zich niet kunnen aanpassen aan een veranderende omgeving. En dan volgt hetgeen ik eerder stelde: een populatie die onder een kritische drempel zakt, stuikt nog verder ineen wanneer een individu gedood wordt.”

Natuurpunt ontkent niet dat de vos en andere predatoren de broedvogelpopulatie geen deugd doen, “maar ze zijn niet de oorzaak van de slechte staat waarin soorten zich bevinden. Ze geven enkel de nekslag.” Tien van de twaalf maanden kan er al op de vos gejaagd worden. Door de vos nog actiever uit te schakelen, ga je volgens Natuurpunt de akkervogels niet redden. “Wie dat denkt, komt bedrogen uit want er zijn nog zoveel andere predatoren die hun rol spelen in dit verhaal: van huiskatten, over kokmeeuwen, tot zowaar zelfs eekhoorns en bosmuizen die de nesten van grondbroeders leeghalen. Overigens worden bosmuizen op hun beurt bejaagd door de vos. Het verhaal van eten en gegeten worden is met andere woorden eigen aan een natuurlijk ecosysteem”, besluit Freek Verdonckt. Hij zet in de verf dat natuurbeschermers op dezelfde golflengte zitten als de wildbeheereenheden van jagers wat de structurele oplossingen betreft. Beiden werken op het terrein aan het weer gezond maken van populaties broedvogels en het minder aantrekkelijk maken van het landschap voor predatoren.

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: Yennef Vereycken

Volg VILT ook via