nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

28.02.2018 EFSA blijft bij negatief oordeel over neonicotinoïden

Na een omvangrijke literatuurstudie, de tweede in vijf jaar tijd, bevestigt de Europese autoriteit EFSA dat insecticiden van het type neonicotinoïden schadelijk zijn voor bijen. Het doet dat daags voordat er in het Europees Parlement gedebatteerd wordt over bijen en daags nadat een 30-tal biologen verenigd in de Task Force on Systemic Pesticides claimen dat er minder schadelijke alternatieven voorhanden zijn. Daarover spreekt EFSA zich niet uit, maar bij bieteninstituut KBIVB vernemen we dat de alternatieven volop in onderzoek maar alleszins niet meteen voorhanden zijn wat de teelt van suikerbieten betreft.

Neonicotinoïden hebben een kwalijke naam vanwege hun vermeend schadelijk effect op bijen. Daaraan moet nu niet meer getwijfeld worden want EFSA blijft er bij dat het landbouwkundig gebruik van clothianidin, imidacloprid en thiamethoxam risico’s inhoudt voor honingbijen, hommels en wilde bijen. Vijf jaar geleden waarschuwde de voedselveiligheidsautoriteit daar een eerste keer voor, waarna de Europese Commissie het gebruik van deze insecticiden sterk aan banden legde. Maïs en bijvoorbeeld ook koolzaad moeten het sindsdien zonder extra bescherming bij de zaai stellen. Als zaadomhulling voor suikerbieten, een gewas dat niet bloeit en dus ook geen bijen aantrekt, bleven neonicotinoïden beschikbaar. Ook in wintergranen en in de afgeschermde omgeving van een glastuinbouwbedrijf zijn deze middelen nog toegelaten.

Amper twee jaar na de literatuurstudie begon EFSA reeds opnieuw met het verzamelen van relevante data. Het deed daarvoor een beroep op nationale autoriteiten en universiteiten, maar ook op ngo’s en landbouworganisaties en de fabrikanten van neonicotinoïden. Meer dan 1.500 studies werden aangeleverd zodat EFSA op zoek ging naar de wetenschappelijke consensus binnen de soms uiteenlopende visies en onderzoeksresultaten. De eindconclusie luidt dat het risico van de drie beoordeelde neonicotinoïden voor bijen vaststaat. Daarbij werd uitgegaan van een in de praktijk realistische blootstelling via de omgeving.

Bij gebruik in open lucht is er volgens EFSA voor elk van de drie werkzame stoffen een hoog risico voor minstens één van de drie blootstellingsroutes. Vaak blijkt het risico voor honingbijen relatief klein, maar zijn het hommels en solitaire bijen die meer risico lopen op een schadelijke blootstelling. Bijen kunnen via de nectar en pollen van de behandelde gewassen in aanraking komen met neonicotinoïden. Bij gewassen die niet in bloei komen of niet bestoven worden door bijen zit daar het risico niet, maar wel bij de schadelijke stofwolk die vrijkomt bij het zaaien van met neonicotinoïden omhulde zaden. Residuen van de drie werkzame stoffen worden ook aangetroffen in het water (zowel oppervlaktewater als het vocht dat planten verdampen en bijen drinken, nvdr.) en in de bodem.

Deze wetenschappelijke risicobeoordeling door EFSA wordt niet automatisch vertaald in een totaalverbod op neonicotinoïden in de EU. Oordelen over de markttoelating van gewasbeschermingsmiddelen komt alleen de Europese Commissie en de nationale autoriteiten toe. De Europese Commissie stelde vorig jaar voor van deze insecticiden te verbieden, behalve in serres. De EU-lidstaten zouden hier in december over stemmen maar dat werd uitgesteld naar eind maart. Eerst werd EFSA de kans geboden zijn studie af te ronden.

Door het moratorium dat de Commissie in 2014 reeds uitvaardigde, werden de gewassen geviseerd die in bloei komen en door bijen bestoven kunnen worden. Er werd daarbij geen onderscheid gemaakt tussen behandelde gewassen die effectief aantrekkelijk zijn voor bijen (b.v. koolzaad) of dat helemaal niet zijn (b.v. maïs). Wanneer bijen een behandeld gewas bezoeken, is het risico op blootstelling aan neonicotinoïden het grootst. Ook de voor bijen aantrekkelijke (wilde) planten in de onmiddellijke omgeving van een landbouwperceel zijn niet ongevaarlijk indien er bij het zaaien stof is verspreid dat sporen van de zaadomhulling bevat. Een minder groot maar niet ondenkbeeldig risico is dat veelvuldig gebruik van neonicotinoïden zijn sporen nalaat in de bodem zodat er ook in de volgteelt, die misschien anders dan het behandelde gewas wel aantrekkelijk is voor bijen, residuen aantoonbaar zijn in de pollen en nectar.

“Geen van de onderzochte blootstellingsroutes is op suikerbieten echt van toepassing.” Die kanttekening plaatst Jean-Pierre Vandergeten, directeur van bietenonderzoeksinstituut KBIVB. “In vergelijking met andere teelten is het risico van de inzet van neonicotinoïden in suikerbietenteelt klein. Bieten komen niet in bloei, het insecticide zit in een stevig zaadomhulsel en de stofvorming bij de zaai is beperkt in de wetenschap dat 80 procent van de bieten gezaaid worden met een mechanische machine zonder luchtdrukondersteuning. De volgteelt is meestal wintergraan, dat net zomin als bieten aantrekkelijk is voor bijen. Ook het fenomeen van guttatie (druppelvorming door de bladeren) is in suikerbieten bijna onbestaand. De luchtvochtigheid zou al uitzonderlijk hoog moeten zijn.”

Omdat neonicotinoïden secuur en in kleine hoeveelheden toegepast worden in de teelt van suikerbieten blijft Vandergeten, en met hem de hele suikersector, hopen op een verlenging van de uitzondering. Sowieso dit jaar zullen alle bietenpercelen ingezaaid worden met klassiek omhuld zaad. De bestellingen van de suikerbietenzaden zijn immers afgerond want reeds in maart start de uitzaai. Op de vraag of de fabrikanten van suikerbietenzaden andere werkzame stoffen achter de hand houden, antwoordt Vandergeten ontkennend. “Alternatieven zijn er op dit ogenblik niet. Bestaande producten zoals pyrethroïden (dat vollevelds gespoten zou moeten worden, nvdr.) kampen met grote resistentieproblemen. Bij bladluizen, die de gevreesde vergelingsziekte overbrengen, meten we 80 procent en meer resistentie.”

Een erge aantasting van een bietenperceel door de vergelingsziekte kan een opbrengstverlies van 40 procent veroorzaken. “Bovendien moet je ook rekening houden met teeltschade door bodeminsecten, wat de opbrengst gemiddeld met zeven procent doet dalen.” Omdat EFSA erkent dat het risico voor bijen bij neonicotinoïdengebruik in bieten kleiner is dan in andere teelten blijft het bieteninstituut achter het gebruik ervan staan. Wat niet wegneemt dat de zoektocht naar alternatieven ingezet is. Vandergeten: “Alleen vraagt dat tijd, een vijftal jaar in het geval van chemische middelen en nog langer voor de andere bestrijdingsmethoden, bijvoorbeeld resistentie inbrengen in de plant. Samen met de toeleveranciers van de landbouw en de onderzoeksinstituten in de buurlanden zoeken we naar alternatieven, maar op korte termijn zie ik geen oplossing wanneer neonicotinoïden zouden verdwijnen.”

Bekijk hier neonicotinoïdenstudie van EFSA en hier de videosamenvatting die EFSA maakte van de verschillende oorzaken van bijensterfte. 

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via