nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

17.11.2017 Entomologen WUR zetten vraagtekens bij insectenstudie

Twee entomologen van Wageningen UR zetten vraagtekens bij de Duits-Nederlandse studie die eerder dit jaar verscheen en waaruit bleek dat de populatie insecten in Duitse natuurgebieden het laatste kwarteeuw met 76 procent is gedaald. “De data waarop de onderzoekers zich baseren, is niet geschikt om dergelijke conclusies uit te trekken”, klinkt het op Kennislink. Om zo’n algemene trend in de tijd te monitoren, hadden de wetenschappers op een groot aantal locaties verspreid over het land elk jaar metingen moeten uitvoeren. “Want het aantal insecten schommelt van nature enorm in plaats en tijd.”

Het onderzoek waarover entomologen Kees Booij en Theodoor Heijerman het in een interview op Kennislink hebben, werd gretig opgepikt in de media wereldwijd. The Guardian sprak zelfs van een “ecologische armageddon” die alle leven op aarde bedreigt. Maar nu blijkt dat er statistisch gezien iets mis is met het onderzoek. Om tot hun conclusie te komen, gebruikten de wetenschappers metingen uit insectenvallen in 63 Duitse natuurgebieden (in de deelstaten Nordrhein-Westfalen en Brandenburg). “Maar het aantal locaties per jaar waarop zij data verzamelden, is te laag voor een goede steekproef”, stellen Booij en Heijerman.

“Om een algemene trend in de tijd te monitoren, hadden de wetenschappers op een groot aantal locaties verspreid over Duitsland elk jaar de vliegende biomassa moeten meten. In het ideale geval hadden ze op alle 63 locaties elk jaar van 1989 tot 2016 insectenvallen moeten plaatsen. Dan krijg je 63 tijdtrends, die je kunt middelen. Maar in plaats daarvan hebben ze op een groot aantal plekken maar één keer gemeten, of twee of drie keer. Wat ze ook hadden kunnen doen, was zo vaak mogelijk op een aselecte, representatieve steekproef van locaties metingen uitvoeren. Maar ook dat hebben ze niet gedaan.”

De onderzoekers hadden oorspronkelijk dan ook niet de bedoeling om een tijdreeks aan te tonen. Ze wilden alleen de biodiversiteit van natuurgebieden in kaart brengen. Het is pas toen ze de indruk kregen dat de biomassa sterk was afgenomen, dat ze beslisten om op sommige locaties opnieuw een val te plaatsen. Maar dit dus op te weinig locaties en niet vaak genoeg. Tot slot geldt het eerste meetjaar 1989 volgens Booij en Heijerman als een “apart geval”. Er werd op acht locaties gemeten, maar de vallen stonden erg dicht bij elkaar. De hoge metingen in die vallen veroorzaken een piek die het hele eerste deel van de tijdreeks omhoog trekt.

“Het is algemeen bekend dat het aantal insecten enorm in plaats en tijd schommelt. De ene locatie of week kan van nature wel tien keer zo rijk zijn aan insecten als een andere. Ook grote jaarlijkse schommelingen zijn heel normaal. Daarom is het zo belangrijk dat de dataset niet alleen voldoende groot is, maar ook voldoende kwalitatief. Door de beperkingen van de beschikbare data op dat vlak, is het goed mogelijk dat de vermeende afname voor een groot deel het gevolg is van tijds- en plaatsafhankelijke effecten.”

Nog volgens de auteurs biedt ander onderzoek een meer genuanceerd beeld van de insectenpopulatie. “Het zou ook niet logisch zijn dat entomologen een daling van 76 niet eerder hadden opgemerkt. En het zou vreemd zijn dat zo’n grote daling geen effect zou hebben op de appeloogst, bijvoorbeeld.” Booij en Heijerman willen met hun opmerking trouwens niet ontkennen dat inspanningen om de insectenpopulatie en biodiversiteit te bevorderen wenselijk zijn. “Die discussie is zeker de moeite waard”, besluiten ze.  

Bron: eigen verslaggeving

In samenwerking met: Boerderij.nl

Volg VILT ook via