nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

Melkveehouders leren van elkaars voederstrategieën
16.04.2018  Europa ondersteunt melkveehouderij in Frans-Belgisch grensgebied

Als koeboer kan je besparen op aangekocht krachtvoeder door zelf een mengcombinatie van granen met erwten of bonen te produceren. Op zulke mengteelten hoef je minder kunstmest te strooien. Dat weten ze wél uit ervaring op de Noord-Franse melkveebedrijven. In Vlaanderen en Wallonië zijn dergelijke teeltcombinaties veel minder ingeburgerd. Het is één van de vele vaststellingen uit het Interreg-project PROTECOW, waarvoor Inagro en ILVO samenwerken met een aantal boeren, en met onderzoekers uit Wallonië en Frankrijk.

PROTECOW gaat over eiwitautonomie én stikstofefficiëntie, wat bedoelen jullie daarmee?
Leen Vandaele (ILVO): PROTECOW focust inderdaad op beide. Eiwitautonomie betekent dat we inzetten op meer bedrijfseigen of streekgebonden eiwitbronnen in melkveerantsoenen in plaats van vooral te steunen op geïmporteerd sojaschroot. Stikstofefficiëntie betekent een optimale balans tussen maximale melkproductie bij minimale stikstofinput. Daar zoeken we maatregelen om de stikstofbenutting door het dier te verbeteren. Hoe meer stikstof (of eiwit) de koe in melk omzet, hoe minder er nog verloren gaat voornamelijk naar haar urine. Het zijn die verliezen - die stikstofexcreties in de urine - die een ecologisch issue vormen: de stikstof in de urine wordt ammoniak. Minder overtollige stikstof in de stal en op het veld is beter voor het milieu, met name door de lagere emissie van ammoniak. Stikstofexcretie zit dus mee in dit onderzoek: hoe lager we die kunnen houden hoe meer reden we hebben om een voederstrategie gunstig te beoordelen.

Bovendien zijn het de eiwitten in het voeder die duurst worden betaald (dus hoe eiwit-efficiënter een rantsoen, des te goedkoper de liter geproduceerde melk). En heel vaak komen de aangekochte eiwitten (sojaproducten uit Zuid-Amerika, met een hoge en volatiele prijs) ook van vér en scoren ze lager op duurzaamheid. Kortom: wil je ecologische en economische verduurzaming bewerkstelligen via slimmer en preciezer voederen, dan is het logisch om daarbij de volledige stikstofcyclus op een melkveebedrijf te beschouwen. Dus ook de bemesting van voorgestelde voederstrategieën.

Eddy Decaesteker (Inagro): Dit Interreg-project binnen het programma Frankrijk-Wallonië-Vlaanderen biedt melkveehouders over de lands- en taalgrenzen de mogelijkheid om kennis van onderzoeksinstellingen en ervaringen van melkveehouders rond efficiënt omgaan van eiwitbronnen op melkveebedrijven uit te wisselen. De uitgangssituatie in PROTECOW is dan ook dat we vertrekken van de bedrijfspraktijken die er al bestaan. Door de boeren en gespecialiseerde voorlichters uit drie regio’s in contact te brengen met elkaar en hun voederrantsoen in de praktijk te gaan noteren, evalueren en vergelijken, konden we tot direct bruikbare inzichten komen. Wij rekenen erop dat de 18 participerende boeren (waarvan 6 West-Vlaamse) hun nieuwe inzichten nu verder gaan verspreiden bij de naburige collega’s in de regio.

Hoeveel interessante pistes voor het verhogen van de eiwitautonomie hebben jullie onder loep genomen en welke zijn beter dan de andere?
Eddy Decaesteker (Inagro): Tot nu toe hebben we negen volledige of gedeeltelijke voederstrategieën in kaart. Een Franse stagiair onder begeleiding van de IDELE-collega’s en de PROTECOW-partners heeft er overzichtelijke fiches van gemaakt. Bij elke voederstrategie vertellen we of er wordt ingegrepen op vlak van stikstofefficiëntie in het algemeen of eerder op de eiwitautonomie, of het gaat om een ruwvoeder of een krachtvoedermaatregel en of de autonomie speelt op bedrijfsniveau dan wel op regioniveau. In de intensieve contacten met de melkveehouders uit de verschillende regio’s is mij opgevallen hoeveel belang zij hechten aan de randvoorwaarden waaronder ze succesvol een bepaalde strategie (zouden gaan) toepassen op hun bedrijf. Daarom staan die randvoorwaarden mee uitgeschreven. Daarnaast willen de boeren ook duidelijkheid over de impact op de melkproductie en/of op melksamenstelling. En liefst ook over de totale rendabiliteit van hun melkproductie. Telkens is er dus een SWOT gemaakt (troeven, zwaktes, opportuniteiten en bedreigingen) en telkens brengen we in kaart in welke regio’s er welke echte ervaringen en bijhorende bedrijfscijfers te vinden zijn.

melkvee.rantsoen_geVILT.jpg

Valt er nu al te zeggen welke voederstrategieën op ecologische en economisch vlak beter zijn dan de andere?
Eddy Decaesreker (Inagro): Nee, wat beter of slechter is dan het alternatief is moeilijk algemeen te zeggen. Als bedrijf moet je toch kijken naar vb. de bodem- en teeltmogelijkheden van jouw percelen, naar de nabijheid van de weiden en de stal, naar de beschikbaarheid van eiwitrijke nevenstromen uit de energie- of voedingsindustrie, naar de hoeveelheid arbeid die je kan en wil stellen tegenover een (eco)winst voor jouw N-efficiëntie.

Wat zijn na dit eerste projectjaar voorlopig de opvallendste resultaten?
Leen Vandaele (ILVO): Ik heb er twee voor de Vlaamse boeren en twee voor de Franse en Waalse:
1/ De eigen lokale teelt van vlinderbloemingen wordt al in alle regio’s wel in zekere mate toegepast, – terug van weggeweest – maar de grote positieve impact ervan op het rendement en op de duurzaamheidsscore kan bij ons echt nog beter doordringen. De boeren beseffen wel dat je met de teelt van vlinderbloemigen (soja, klaver, luzerne, erwt, boon…) kan besparen op gekochte eiwitten uit soja-houdend krachtvoer. Ze weten ook dat vlinderbloemigen sowieso geen of veel minder kunstmest behoeven. Maar hoe je die teelten in de praktijk tot een succes maakt, de praktische stielkennis, is soms nog afwezig. Wij, onderzoekers zetten rode klaver en luzerne voorop. Rode klaver omwille van het positief effect op de ruwvoederopname in combinatie met andere ruwvoeders. Luzerne biedt anderzijds naast de eiwitaanbreng ook structuur in het rantsoen maar is vooral interessant omwille van de betere resistentie tegen periodes van droogte, zoals we afgelopen zomer hebben meegemaakt. Een voorbeeld van een praktisch weetje dat mee op de fiche staat is: Let er op bij het oogsten van luzernehooi dat je niet te veel schudt, en vermijd zo dat de eiwitrijke bladeren verloren gaan.

2/ De combinatieteelt granen met een ondergroei van erwten of bonen blijft in Vlaanderen relatief zeldzaam. Toch blijkt in Frankrijk dat je, zeker bij vroeg oogsten en inkuilen kunt beschikken over een ruwvoeder met een interessant eiwitgehalte. Op het veld kunnen de granen profiteren van de stikstofopslag door de vlinderbloemigen, waardoor minder bemesting noodzakelijk is. In Frankrijk wordt dit ruwvoeder gemakkelijk ingemengd in het rantsoen van productieve melkkoeien tot zelfs aan een gehalte van 15 tot 30 procent. Daarnaast is het ook een interessant ruwvoeder voor jongvee op het bedrijf. Van de Franse boeren konden de PROTECOW-partners leren hoe je zaait, sproeit, oogst, bewaart en de efficiëntie meet. Het eindplaatje is echt om enthousiast van te worden.

gras-geVILT.jpg

3/ De Franse en Waalse melkveehouders waren dan weer erg enthousiast over de fiche rond vroegtijdig maaien van grasland. Da’s meer een Vlaamse expertise. In Vlaanderen is het tijdig maaien de laatste jaren erg goed ingeburgerd. Op die manier verhoog je zowel het energie- en eiwitgehalte van de eerste snedes. Door het lagere ruw celstofgehalte van dergelijke kuilen zien we ook een positief impact op de voederopname en de melkproductie. En zelfs de totale opbrengst komt op het einde van het seizoen gelijk uit in kilo’s: per maaibeurt haal je wat minder binnen, maar je neemt méér snedes op een gans seizoen.

4/ De meest opmerkelijke uitdaging voor mij als ILVO-onderzoeker is dat ze in Frankrijk beduidend andere parameters gebruiken in hun voederwaarderingssyteem. Toch proberen wij (de Walen en Vlamingen) in dit project voederwaardes uit te wisselen in een gemeenschappelijke taal. De Fransen spreken bijvoorbeeld niet van onbestendig eiwitbalans (OEB), maar zetten dit uit t.o.v. de energiewaarde (UFL-Unité Fourragère Lait). We horen dat, dankzij de uitwisseling van ervaring en kennis in dit Interreg-project, de Franse erfbetreders hun boeren nu meer en meer adviseren om te streven naar een lager gehalte aan onbestendig eiwit in de rantsoenen. Concreet vertellen onze Franse collega’s dat Franse boeren zich bij de hoge melkureumgehaltes in hun tank, gaan afvragen op welke manier er minder eiwit verstrekt kan worden. En er worden bij de testbedrijven ook meer economische rekeningen gemaakt: Minder en efficiënter eiwit voederen leidt in sommige scenario’s tot een besparing van 1,9 euro per 100 liter melk. Op een gemiddeld bedrijf van 600.000 liter komt dit op 11.000 euro per jaar. Conclusie: Excellent ruwvoeder, slimme teeltkeuzes en extra monitoring via vet-, eiwit- en melkureumgehalte via melkcontrole lonen, ook in de portemonnee.

In de vergelijking is er ook aandacht voor de nevenstromen uit de energie- en voedingssector?
Leen Vandaele (ILVO): Ja inderdaad, drie andere belangrijke strategieën om de eiwitautonomie van de volledige grensregio Frankrijk-Vlaanderen-Wallonië te verhogen is nog meer inzetten op onder andere lokaal geproduceerd koolzaadschroot, drafproducten, bijproducten van de bioethanol- en van de zetmeelindustrie. De oorsprong van deze “bijproducten” is heel divers: bier, energie en zetmeel, maar ze hebben één gemene deler: ze kunnen in belangrijke mate sojaschroot in melkveerantsoenen vervangen. Koolzaadschroot is bovendien nog extra interessant omdat het in vergelijking met sojaschroot een interessantere methionine/lysine verhouding heeft, waardoor relatief gezien meer methionine aangebracht wordt. Uit vroeger onderzoek van diverse gedroogde en niet gedroogde bijproducten van de bioethanolindustrie is gebleken dat het aandeel essentiële aminozuren varieert tussen de 31 en 40 procent. Bovendien is een belangrijk aandeel van dit eiwit bestendig en wordt het goed verteerd in de darm (91-94%). Kortom, waardevol eiwitaanbrengers in een melkveerantsoen.

Wat gebeurt er nu verder in PROTECOW?
Uitwisseling, experiment en kennisverspreiding. Binnenkort komen een groep van 25 Franse en 25 Waalse melkveehouders op bezoek naar Vlaanderen bij ILVO en bij één van de Vlaamse betrokken melkveehouders. Dat wordt een goed voorbeeld van peer-to-peer learning: de echte praktijkervaringen uitwisselen, om de eigen gewoontes te evalueren en eventueel te verbeteren. Het komende jaar worden de rantsoengegevens van de 18 deelnemende bedrijven (6 in elke regio) nog verder geanalyseerd en geëvalueerd. De meest succesvolle rantsoenen op vlak van stikstofefficiëntie laten we dan toepassen op een melkveebedrijf in een andere regio. En alle ervaringen samen zullen verder ter beschikking gesteld worden aan de melkveehouders in de drie betrokken regio’s.

Meer info: PROTECOW

Bron: |

Beeld: ILVO / VILT

In samenwerking met: ILVO

Volg VILT ook via