nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

07.06.2017 Federaal bijenplan onderworpen aan publieksraadpleging

Drie federale ministers, respectievelijk Borsus bevoegd voor landbouw, Marghem (leefmilieu) en De Block (volksgezondheid), werkten samen met hun administraties en de imkerij aan een ambitieus bijenplan. Vorige maand werd dat plan met acht actiepunten wereldkundig gemaakt. Het is gericht op het beter begrijpen van het probleem bijensterfte, het beter beheersen van de risico’s en de imkers daarbij helpen. Twee maanden lang kon iedereen zijn mening kwijt over het plan. Uit de opmerkingen blijkt dat men het jammer vindt dat er anders dan voor honingbijen weinig acties ondernomen worden voor wilde bijen. En men is bang dat verder onderzoek doen naar de oorzaken van bijensterfte een strenger beleid ten aanzien van chemische bestrijdingsmiddelen in de weg staat.

In 2012 implementeerde de federale overheid voor het eerst een bijenplan. Op Belgisch niveau en in samenwerking met alle belanghebbenden wou de overheid wat doen aan de problematiek van bijensterfte. Acties die toen werden uitgerold, hadden tot doel om de gezondheid van de bijenpopulatie te verbeteren en bestuivers aandacht te geven in allerhande beleidsplannen. Ook communiceren over bijensterfte maakte deel uit van het plan, wat onder meer gebeurde via een door de FOD Volksgezondheid geconstrueerde webpagina. 

Op www.info-bijen.be vind je meer informatie over de federale beleidsmaatregelen, wordt de balans opgemaakt van het oude bijenplan en het nieuwe bijenplan voor de periode 2017-2019 voorgesteld. Voor de toekomst wordt ingezet op een verbeterde beschikbaarheid van diergeneesmiddelen voor imkers en meer ondersteuning van imkers door dierenartsen. De mortaliteit van honingbijen wil de federale overheid nog beter opvolgen en begrijpen. Op twee risicofactoren in het bijzonder legt het plan zich toe omdat ze een federale bevoegdheid zijn: bestrijdingsmiddelen en de introductie van invasieve soorten of schadelijke organismen via het handelsverkeer. In dit VILT-artikel wordt een completer overzicht gegeven van alle acties. 

In uitvoering van het bijenplan is een KB in de maak dat een wettelijke basis moet bieden voor de begeleiding van imkers door dierenartsen om tot een meer gerichte bestrijding van de varroamijt te komen. Net zoals in andere Europese landen is in België nagenoeg ieder bijenvolk besmet met de varroamijt. De infectiegraad bouwt zich in de loop van het seizoen op zodat bijen in veel gevallen te verzwakt zijn om de winter te overleven. Bijenteelt is nagenoeg onmogelijk geworden zonder de bestrijding van varroamijt. Imkers doen dat meestal op basis van eigen waarnemingen zodat de federale overheid vermoedt dat het beter kan mits professionele begeleiding. Men ziet daar een rol weggelegd voor de dierenarts, maar het wetenschappelijk comité van het Voedselagentschap heeft daar zijn bedenkingen bij.

Het comité van wetenschappers merkt in een advies over het ontwerp-KB op dat alle aan bijen verstrekte diergeneesmiddelen via residuen in de honing bij de consument kunnen terechtkomen. Daarom, en ook vanwege het risico op resistentieopbouw bij de varroamijt, is het belangrijk dat het geneesmiddelengebruik in de bijenteelt berust op een adequate kennis van de werking en risico’s. “Een professionele diergeneeskundige begeleiding van imkers ter bestrijding van ziekten zoals varroase lijkt dan ook ten zeerste gewenst”, klinkt het. Enerzijds vindt men het dus een goed idee dat dierenartsen de gezondheidstoestand van bijen onderzoeken, imkers advies verschaffen over de behandeling en hen voorzien van een beperkte voorraad geneesmiddelen. Anderzijds weerklinkt de vrees dat dierenartsen zelf te weinig kennis hebben van bijenteelt en hun rol gereduceerd zou worden tot leverancier van geneesmiddelen.

Tijdens de openbare raadpleging over het federale bijenplan werden nog een aantal andere bezorgdheden geformuleerd. De FOD Volksgezondheid registreerde vooral opmerkingen van mensen die het een gemis vinden dat het bijenplan focust op honingbijen, en geen maatregelen neemt specifiek voor wilde bijen en andere bestuivers. Daar hoort vanwege de federale overheid de bedenking bij dat natuurbescherming een bevoegdheid is van de gewesten. De federale bevoegdheden (o.a. diergezondheid, productnormen voor diergeneesmiddelen en gewasbeschermingsmiddelen, …) maken het vooral mogelijk om een invloed te hebben op honingbijen. Onrechtstreeks hebben een aantal maatregelen ook een gunstig effect op wilde bijen, zoals het pesticidenbeleid.

Via de publieksraadpleging hebben verschillende mensen zich lovend uitgelaten over de investering in onderzoek om de factoren van de achteruitgang van de bijenpopulatie beter te begrijpen, of om oplossingen te vinden om eraan te verhelpen. Toch worden vragen gesteld bij de noodzaak van dit onderzoek terwijl de belangrijkste factoren van bijensterfte (o.a. varroamijt, gebrek aan voedsel en het gebruik van bestrijdingsmiddelen) als gekend beschouwd worden. Nog anderen vrezen dat dit onderzoek het nemen van bepaalde maatregelen ten aanzien van pesticiden uitstelt. De FOD Volksgezondheid repliceert daarop dat de achteruitgang van de bijenpopulatie zeer contextafhankelijk is, en onderzoek naar de specifieke omstandigheden in eigen land noodzakelijk is. De studie die de impact van chemische producten op de bijensterfte nagaat, houdt bijvoorbeeld ook rekening met de (kwaliteit van) de voedselbronnen en leefomgeving voor bijen.

Heel kordaat vervolgt de federale overheidsdienst: “Het bijenplan heeft geenszins de bedoeling om dringende beslissingen uit te stellen. Integendeel, het voorziet dat België het ‘Bee guidance’ document van EFSA gebruikt voor de evaluatie van de impact van gewasbeschermingsmiddelen op bijen terwijl de beslissing daaromtrent op Europees niveau nog altijd niet genomen is. Ook zien we dat een Europees besluit omtrent neonicotinoïden moeilijk ligt, terwijl België de conclusies van EFSA analyseert en zo nodig zelf maatregelen treft conform het voorzorgsprincipe. Vanuit de gewasbeschermingsmiddelenindustrie is daarop de opmerking gekomen dat bepaalde onderzoeksmethodes nodig voor de toepassing van dat EFSA-document nog niet voorhanden zijn, of eerst verbeterd moeten worden.

Een aantal opmerkingen, bijvoorbeeld de vraag naar maatregelen ter bevordering van de genetische diversiteit van honingbijen, hengelen naar maatregelen die een gewestelijke bevoegdheid zijn. Ook uit die hoek mag de honingbij hulp verwachten want het federale bijenplan heeft een Vlaams equivalent in de vorm van het bijenteeltprogramma. Het nieuwe en ambitieuze programma is op initiatief van minister Joke Schauvliege in nauw overleg met de sector opgesteld. Het terugdringen van de bijensterfte staat ook in het Vlaamse plan centraal. De belangrijkste hefbomen om dat doel te bewerkstelligen zijn betere imkertechnieken en een wetenschappelijk onderbouwde selectiewerking zodat bijenvolken weerbaarder worden, en beter aangepast zijn aan onze lokale omgevingsomstandigheden. Het programma zet ook in op de kwaliteitszorg voor lokale honing.

In totaal is 750.000 euro beschikbaar voor het Vlaamse bijenteeltprogramma dat loopt tot 2019. De uitvoering is toevertrouwd aan Honeybee Valley, het onderzoeks- en samenwerkingsplatform aan de UGent dat is opgericht op initiatief van professor Dirk de Graaf. Op vraag van VILT geeft de befaamde bijenexpert toelichting bij de (Vlaamse) overheidsmaatregelen voor de honingbij. Daarover lees je aanstaande maandag meer in de wekelijkse duiding op VILT.be.

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via