nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

19.09.2017 Fors meer pluimvee- en rundermest verwerkt in 2016

Naar jaarlijkse gewoonte peilde het Vlaams Coördinatiecentrum Mestverwerking (VCM) in de sector naar de stand van zaken en evoluties in mestverwerking. Uit de bevraging van de uitbaters van mestverwerkingsinstallaties kwam naar voren dat er in 2016 bijna 41,5 miljoen kilo stikstof uit dierlijke mest werd verwerkt, inclusief export van ruwe mest. In 2014 was dit nog 36,9 miljoen kilo stikstof en in 2015 37,7 miljoen kilo. VCM verklaart de merkbaar grotere stijging (+10%) in 2016 door het pas in werking treden van de bemestingsnormen uit MAP 5 na de voorjaarsbemesting van 2015.

De resultaten van de recent afgeronde bevraging van de mestverwerkingssector werden door VCM voorgesteld in Avelgem, waar een nieuwe biologische mestverwerkingsinstallatie geopend werd door D’Haeye Cleaning. De sector zette zijn groei in 2016 voort, en wel met tien procent ten opzichte van 2016. Er werd bijna 41,5 miljoen kilo stikstof uit dierlijke mest verwerkt. Het grootste gedeelte daarvan werd gerealiseerd door de verwerking en export van varkensmest (42,8%) en pluimveemest (42,7%).

Een analyse van de toegepaste technieken leert dat de stikstofbehandeling via biothermische droging sterk gestegen is, zowel voor pluimveemest als voor de dikke fractie van varkens- en rundermest. Er is meer (+15%) pluimveemest met een hoge stikstofinhoud verwerkt door de groeiende pluimveestapel. Op melkveebedrijven in Vlaanderen wordt de mest vaker gescheiden, wat de stijging met factor zeven van de behandeling van de dikke fractie rundermest verklaart, in combinatie met de sterk gestegen import van de dikke fractie van rundermest uit Nederland.

Het rapport van VCM licht dat nader toe: “Door de gestegen melkveestapel na het wegvallen van de melkquota en door de strengere bemestingslimieten krijgen veel rundveebedrijven het moeilijk om al hun mest af te zetten op landbouwgronden. Veel rundermest wordt bijgevolg gescheiden, waarbij de rundveehouders de dunne fractie gebruiken voor de bemesting van de voedergewassen terwijl de dikke fractie naar een mestverwerkingsinstallatie (biothermische droging) gaat. Op die manier kan meer rundveemest op het land worden gebracht, zonder tegen de bemestingslimiet voor fosfor aan te botsen.”

In 2016 is de gebouwde mestverwerkingscapaciteit met zes procent toegenomen, als gevolg van twee nieuwe installaties (biologie) en vijf installaties die niet meegerekend werden als operationele mestverwerkingsinstallaties in 2015. Toch is een daling (-1,9 %) van de vrije capaciteit waar te nemen. In 2016 was er 23,5 procent vrije capaciteit voor mestverwerking in Vlaanderen, terwijl in 2015 nog 25,4 procent vrij en dus onbenut was. Net als in 2015 bevond deze vrije capaciteit zich voornamelijk in West-Vlaanderen en is het vooral te wijten aan de vrije capaciteit bij installaties voor de biologische behandeling van de dunne fractie.

Hoewel de vrije capaciteit vaak te wijten is aan technische storingen of administratieve redenen (milieuvergunning), zijn er toch 20 uitbaters van de in totaal 121 mestverwerkingsinstallaties in Vlaanderen die aangeven dat de vrije capaciteit een gevolg is van een onvoldoende aanbod van mest. Een jaarlijks weerkerend fenomeen is dat veehouders het afvoeren van de mest richting verwerkers pas tegen het einde van het jaar plannen wanneer ze een duidelijk zicht hebben op hun mestboekhouding. Daarom doen de Mestbank en VLM, zoals elk jaar, een warme oproep aan veehouders met verwerkingsplicht om tijdig te starten met de afvoer van de mest. Vorig jaar ontvingen de mestverwerkers in december 23 procent meer mest dan in de maanden september tot november.

Terug naar de VCM-enquête, waaruit verder nog blijkt dat de export van ruwe varkensmest naar Nederland met 16 procent is afgenomen ten opzichte van 2015. Ook tussen 2014 en 2015 werd reeds een daling van 20 procent waargenomen. Toen was die daling vooral te wijten aan een lagere stikstofinhoud van de mest. De nieuwe daling komt daarentegen overeen met 28.708 ton minder geëxporteerde mest. De export van ruwe pluimveemest is op zijn beurt met zeven procent gedaald ten opzichte van 2015, wat overeenkomt met een daling van 9.661 ton.

Voor de export van Vlaamse mestproducten, hoofdzakelijk biothermisch gedroogde en bekalkte mest, wordt Frankrijk steeds belangrijker als afzetmarkt. Het aandeel in de export van Frankrijk is gestegen van 49 procent (2015) naar 58 procent (2016). De export richting Duitsland is eveneens iets gestegen (van 1% naar 4%); de export naar Nederland is dan weer gedaald, van 42 naar 29 procent. De export naar andere landen (binnen of buiten Europa) blijft stabiel en maakt ongeveer acht procent van de afzet door export uit. In de toekomst wil VCM blijven inzetten op het verkennen van nieuwe afzetmarkten voor mest. Met het oog daarop nam het coördinatiecentrum reeds deel aan een Nederlandse handelsmissie naar West-Polen in 2016 en naar Oost-Duitsland in 2017.

Sinds 2015 polst VCM bij de mestverwerkers ook naar hun verwachtingen voor de toekomst. Een meerderheid verwacht dat de hoeveelheid te verwerken mest in hun installatie gelijk zal blijven, of zal stijgen. Al zijn er ook een vijftal respondenten die verwachten dat er minder mest verwerkt zal worden. In de export van mest hebben de meesten vertrouwen. Binnen de sector gaat men er namelijk van uit dat de hoeveelheid te exporteren mest gelijk zal blijven, en anders wel eerder zal stijgen dan dalen. Van de prijzen voor mestverwerking is de verwachting dat ze gelijk zullen blijven. Om een idee te hebben: de dikke fractie van dierlijke mest verwerken, kost volgens de operatoren 23 euro per ton, exclusief transport.

Meer info: VCM-enquête 2016

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: vzw De Mestverwerkers

Volg VILT ook via