nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

21.12.2015 Gebruik reststromen landbouw verhoogt voedselzekerheid

Het gebruik van residuen uit de landbouw leidt tot beperkte indirecte veranderingen van landgebruik en tot een verbetering van de voedselzekerheid. Dat blijkt uit een onderzoek van LEI Wageningen UR naar de effecten van het grootschalig gebruik van oogstresten uit de landbouw voor energie op landgebruik en de voedselzekerheid in 2030. Het gebruik van residuen uit de landbouw zou leiden tot een daling van de prijs van gewassen en een hogere productie en consumptie, wat de voedselzekerheid ten goede komt.

Het gebruik van gewassen voor de productie van energie kan leiden tot indirecte veranderingen van landgebruik, met als gevolg broeikasgasemissies en aantasting van biodiversiteit. Ook kan de extra vraag naar gewassen leiden tot hogere voedselprijzen en verslechtering van de voedselzekerheid. De Europese Commissie besloot daarom eerder dit jaar om in de richtlijn Hhernieuwbare energie het aandeel biobrandstoffen gemaakt uit landbouwgewassen te beperken tot zeven procent van het totale gebruik van transportbrandstoffen. 

Een aantrekkelijk alternatief is het gebruik van afval en andere residuen uit de land- en bosbouw, zoals stro, doppen, schillen en pitten. Diverse studies tonen aan dat er voldoende duurzaam potentieel is om een aanzienlijk deel van de toekomstige vraag naar biomassa voor energieproductie te dekken. Deze studies houden rekening met theoretische, technische en economische factoren die het potentieel van residuen beperken. Ook houden ze rekening met de toekomstige vraag naar afval en residuen voor andere toepassingen, zoals voor de productie van papier en het gebruik als veevoeder. Zo is het bijvoorbeeld wenselijk dat een deel van de oogstresten op het veld achterblijft om de bodemvruchtbaarheid op peil te houden.

Uit de studie blijkt dat het gebruik van residuen uit de landbouw leidt tot een daling van de prijs van gewassen en een hogere productie en consumptie. Deze effecten doen zich vooral voor in landbouwsectoren en regio’s met een hoog residuenpotentieel, zoals de maïsproductie in Noord-Amerika en de productie van palmolie in Zuidoost-Azië en Indonesië. De export van gewassen en bewerkt voedsel uit deze regio’s neemt toe, wat er toe leidt dat ook in andere delen van de wereld de prijzen dalen en de consumptie stijgt.

De stijging van landbouwproductie wordt gerealiseerd door hogere opbrengsten per hectare en door een uitbreiding van het areaal akkerland. De uitbreiding van het areaal akkerland gaat ten koste van grasland en leidt maar in beperkte mate tot verlies van natuurlijke vegetatie. De effecten van veranderingen in landgebruik, met als gevolg broeikasgasemissies en aantasting van biodiversiteit, zijn beperkt. De onderzoekers voegen er wel aan toe dat het rekenmodel nog verder verfijnd moet worden met extra parameters rond gewasspecifieke effecten, regionale effecten en effecten op voedselzekerheid voor diverse typen consumenten en producenten.

Bron: AgriHolland/eigen verslaggeving

Volg VILT ook via