nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

03.06.2019 Geen grote veranderingen in verzilting van grondwater

De verziltingsgraad van het grondwater is op een periode van 50 jaar amper gewijzigd. Dat blijkt uit onderzoek van de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) in het kader van het Europese Topsoil-project, dat tot stand gekomen is om de Noordzeeregio beter te wapenen tegen de gevolgen van de klimaatverandering. De nieuwe kaarten vormen de basis om de mogelijkheden tot het ondergronds bergen van water te onderzoeken. Studies tonen aan dat er in het poldergebied een tekort is aan water tijdens de zomer, maar een overschot tijdens de winter. Een deel van dit winteroverschot kan gebruikt worden om de ondergrondse zoetwatervoorraden aan te vullen.

Onze polders hebben van nature zout water in de bodem. Door het insijpelen van regenwater zijn er ook zoetwaterlenzen ontstaan. Deze zoetwaterbellen bestaan uit zoet grondwater dat op zout grondwater drijft. De zoetwaterlenzen zijn schaars. De verdeling tussen zoet en zout water werd in de jaren 60 en 70 al eens in kaart gebracht. Vijftig jaar later is de verziltingsgraad opnieuw gemeten met een sonde die aan een helikopter bevestigd werd. Er is geen indicatie van grote veranderingen in de verzilting van het grondwater, stellen de onderzoekers vast. "Het moet wel duidelijk zijn dat het hier om verzilting van het grondwater gaat. Ook oppervlaktewater kan effecten van verzilting ondervinden", benadrukt VMM.

Tegen het najaar maakt VMM kaarten voor de Westhoek die aangeven of er ondergronds zoetwater geborgen kan worden dat in de winterperiode op overschot is. Nu wordt het overtollige regenwater in de winter zo snel mogelijk naar de zee geleid. De peilen in de polderwaterlopen worden daartoe kunstmatig laag gehouden. In de zomer is de situatie helemaal anders. Door de hoge evaporatie is er geen neerslagoverschot en dalen de grondwaterpeilen, wat tot droogteschade aan landbouwgewassen leidt. Om dit tegen te gaan, wordt water zo veel mogelijk in de waterlopen gehouden zodat het beschikbaar is voor irrigatie. In het centrale deel van de Westkustpolder is er 30 centimeter verschil tussen de streefpeilen in winter en zomer.

Een mogelijke maatregel om het wateroverschot in de winter beter te benutten, is de kreekruginfiltratie die reeds door onze noorderburen wordt toegepast. Hierbij wordt oppervlaktewater geïnfiltreerd in een kreekrug. Deze oude, met zand gevulde zeegeulen liggen als licht verhoogde ruggen boven het omliggende poldergebied, wat hen heel geschikt maakt voor het aanvullen van zoetwatervoorraden. Ook het potentieel van andere maatregelen wordt onderzocht, zoals regelbare drainage en waterconservering met stuwen.

Bron: Belga / eigen verslaggeving

Volg VILT ook via