nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

Het veevoeder van de toekomst
19.01.2015  Feed Design Lab

De Belgische veevoedersector staat voor een grote uitdaging. Om de ecologische voetafdruk van onze veehouderij te verkleinen moet het dieet van onze runderen, varkens en kippen fundamenteel herdacht worden. Onze afhankelijkheid van ingevoerde soja moet omlaag, en het gebruik van binnenlandse eiwitrijke inputstromen moet omhoog. Vanuit het Europese en Vlaamse beleid komen steeds meer impulsen in die richting, en de sector zelf lijkt het belang van een duurzame omslag ook in te zien. Zo zette de Beroepsvereniging van de Mengvoederfabrikanten (BEMEFA) zijn schouders onder het Feed Design Lab, een hypermoderne pilootinstallatie waar het veevoeder van de toekomst wordt ontwikkeld. VILT ging er een kijkje nemen.

Vlaanderen telt 1,25 miljoen runderen, 6 miljoen varkens en 30 miljoen kippen, die allemaal hun dagelijkse portie veevoeder naar binnen werken. Om al die magen te vullen produceerde de Belgische mengvoederindustrie in 2012 6,6 miljoen ton veevoeder. 56 procent daarvan was bestemd voor varkens, 21 procent voor pluimvee en 18 procent voor runderen. Meer dan de helft van de grondstoffen voor deze mengvoeders komt uit het buitenland. Dat kan en moet beter.

Gelijke tred houden
Dat besef lijkt overal in de sector te groeien. In 2012 lanceerde de Vlaamse overheid een heus ‘actieplan alternatieve eiwitbronnen’. De verschillende proefcentra werden aangespoord om boeren via veldproeven voor te lichten en te sensibiliseren; het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO) startte rassenproeven met sojaplanten om te achterhalen welke variëteit van de subtropische plant het best gedijt in Vlaanderen. Europa van zijn kant voorziet in het nieuwe GLB flinke premies voor vlinderbloemigen: 450 euro per hectare voor grasklaver en luzerne-gras en 600 euro voor een hectare rode klaver, luzerne, erwten of veldbonen. Bovendien hoef je vanaf 2015 geen veeteler meer te zijn om recht te hebben op de agromilieumaatregel, waardoor akkerbouwers eiwitrijke gewassen kunnen gaan telen voor veehouders.

BEMEFA is als koepel van de veevoedersector perfect geplaatst om de problematiek op te volgen en richtte in 2006 het platform maatschappelijk verantwoorde diervoederstromen op. Drie doelstellingen werden naar voor geschoven: kiezen voor zoveel mogelijk duurzame diervoederstromen, zoals duurzame soja (Round Table for Responsible Soy), op zoek gaan naar nieuwe eiwitstromen en lokale eiwitstromen beter valoriseren. Tussen 2010 en 2014 steeg de import van 'maatschappelijk verantwoorde' soja van 100.000 ton tot 400.000 ton, waarmee de vraag van zowel de binnenlandse markt voor pluimvee en varkens als het totale verbruik voor andere diersoorten als runderen en melkvee, inclusief de export, wordt gedekt.

silo_geVILT.jpg

De veevoedersector is met andere woorden in beweging en is op zoek naar een nieuw elan. De tot nu toe misschien wel meest in het oog springende exponent van die vernieuwingsdrang is het Feed Design Lab, een gesofisticeerde pilootinstallatie die in 2014 z'n deuren opende. Via onderzoek, educatie en het beschikbaar stellen van de proeffabriek voor de hele sector wil het FDL de diervoederindustrie verduurzamen. "Het Feed Design Lab is een proeffabriek waar nieuwe grondstoffen en nieuwe technologieën kunnen getest worden", legt directeur Trudy van Megen uit. "We willen ook werk maken van opleiding, zodat er ook straks nog voldoende jonge mensen in onze branche willen werken. Daarnaast is het ook een netwerk van bedrijven – er zijn inmiddels al 54 partners die willen samenwerken aan vernieuwing."

"Het is Jan Janssen van het Nederlandse Vitelia Voeders die met het idee kwam aanzetten", doet FDL-voorzitter en directeur-generaal van BEMEFA Yvan Dejaegher het verhaal. "Ik was meteen enthousiast. Vandaag moeten veevoederfabrikanten naar Frankrijk, Duitsland of Noorwegen voor een pilootinstallatie met evenveel mogelijkheden. BEMEFA heeft van in het begin zijn schouders onder het project gezet, omdat heel wat familiale bedrijven de knowhow en de kennis niet hebben om individueel zo’n tests uit te voeren. Vergeet niet dat we met BEMEFA in totaal ongeveer 160 fabrikanten vertegenwoordigen. De open pilootinstallatie is belangrijk omdat het door de stijgende consolidatie in de buurlanden hoe langer hoe moeilijker wordt om als fabrikant gelijke tred te houden met onze buren."

Feed-Desing-Lab2_gevilt.jpg

De capaciteit van de verschillende machines ligt tussen de 500 en 1.500 kilogram per uur. De installatie beschikt, net als elke normale veevoederfabriek, over een hamermolen, een menger, verschillende zeven en een pers. "Maar er staat ook een expander/extruder, en vacuümcoater-apparatuur die je nog niet erg vaak tegenkomt in de sector", vult directeur van Megen aan. Maar eigenlijk is het vooral de flexibiliteit die dit concept uniek maakt. Je kan één enkel apparaat gebruiken, maar je kan er ook twee of drie of meerdere in één lijn gebruiken. Het is bovendien ook mogelijk om snel te wisselen tussen verschillende procesinstellingen en verschillende batches, dingen die in andere fabrieken ondenkbaar zijn."

In het Feed Design Lab kan elke fabrikant experimenteren met nieuwe inputstromen, nieuwe procedés en nieuwe technologieën. Hoe gaat dat precies in zijn werk? "Er zijn twee mogelijkheden", legt van Megen uit. "Ofwel weet een bedrijf al heel specifiek wat het wil, en huren ze onze faciliteiten om een eigen proefvoeder te maken, uiteraard steeds begeleid door iemand van de FDL-ploeg. Ofwel wil je als bedrijf een vernieuwende samenstelling uittesten – ik denk bijvoorbeeld aan een proef met insecten. In dat geval roepen we de hulp in van deskundigen en zoeken we samen uit hoe de proef best kan worden uitgevoerd. We hebben al een bedrijf over de vloer gekregen dat voeders voor huisdieren maakt, we hebben al met paddenstoelensubstraat geëxperimenteerd en momenteel zoeken we uit hoe je natte algen in veevoeder kan krijgen."

Out of the box
Innovatie is overduidelijk het sleutelwoord in het Feed Design Lab. Wat zijn de belangrijkste trends? "Als we even terugblikken op de laatste dertig jaar, en als we kijken naar de gebruikte technologieën, het grondstoffengebruik en de samenstellingen, dan kunnen we gerust zeggen dat de diervoedersector een erg conventionele en traditionele sector is", zegt Mia Eeckhout, hoogleraar diervoedertechnologie (UGent) en gastdocente aan het Feed Design Lab. "Daar lijkt verandering in te komen. Het duurzaamheidsdenken begint door te sijpelen, en ook begrippen als energie- en voederefficiëntie hebben ingang gevonden. Grondstoffen die we op eigen bodem – in Vlaanderen of bij uitbreiding in Europa – kunnen telen of kweken staan daarbij centraal. Maar ook recuperatie- en nevenstromen uit de industrie worden steeds belangrijker."

Hoe zit het met nieuwe inputstromen? Voederen we binnenkort algen en wormen aan onze boerderijdieren? "Dat is nog niet voor morgen", tempert Eeckhout het enthousiasme. "Ik denk dat we daar nog minstens twee of drie jaar op moeten wachten. En daar zijn twee redenen voor. In de eerste plaats is er de wetgeving. Het is vandaag nog steeds wettelijk verboden om insecten te gebruiken voor gangbare diervoeders. Die wet zou moeten aangepast worden, maar vergeet niet dat de technologie daarvoor 100 procent op punt moet staan en we zeker moeten zijn van een consistente kwaliteit, voederveiligheid, enzovoort. Bovendien is het wachten op Europa en mogen we niet zomaar zelf het heft in handen nemen."

Buffalo-wormen_geVILT.jpg

"Stel dat je in de samenstelling van het veevoeder drie à vier procent soja wil vervangen door insecten of algen, dan moet je als veevoederfabrikant ook zeker kunnen zijn van je inputstroom", gaat Eeckhout verder. "Zowel voor algen als voor insecten spreken we van een volledig nieuwe teelt of kweek, waarbij nog heel wat teelt-technische vragen onbeantwoord blijven. De tarweteelt hebben we perfect onder controle, maar de teelt van insecten bijvoorbeeld is een ander paar mouwen. Hoe maak je daar een vermarktbare grondstof van? Dat is de hamvraag. Het is uiteraard aan onderzoeksinstellingen of pilootinstallaties als het Feed Design Lab om het nodige praktijkbewijs aan te leveren en overheden te overtuigen om hun wetgeving aan te passen."

"Op alle niveaus moet out of the box worden gedacht", denkt Eeckhout. "Ook wat technologie betreft. Bijvoorbeeld: hoe krijg je het vocht uit natte inputstromen? Want heel wat van de zogenaamde nieuwe inputstromen bestonden twintig of dertig jaar geleden ook al, en ook toen al was het grootste obstakel het hoge vochtgehalte. Je kan die natte stromen drogen – daar bestaat voldoende technologie voor – maar dan gaat je energieverbruik stevig stijgen. Als je met deze nieuwe grondstof een conventioneel voeder wil maken met dezelfde houdbaarheid als het voeder dat we vandaag kennen, dan is de grote uitdaging om een technologie te ontwikkelen die al dat water op een efficiënte manier verwijdert."

De kers op de taart
Sinds de dioxinecrisis is het voor de mengvoedersector vooral zaak geweest om zijn oubollig imago van zich af te schudden. Wil het frisse concept van het FDL definitief komaf maken met de spoken uit het verleden? "We hebben van de dioxinecrisis een opportuniteit gemaakt om onze reputatie van gesloten, niet-transparante en niet-communicatieve sector achter ons te laten", bevestigt Dejaegher. "Eerst en vooral hebben we destijds onze regelgeving omtrent voedselveiligheid op punt gesteld. Dat was toen de prioriteit. Daarna zijn we gestart met een open communicatie rond milieu en duurzaamheid. We hebben ook verschillende convenanten afgesloten. De opening van het Feed Design Lab in april 2014 was de kers op de taart, een belangrijk signaal dat we naast voedselveiligheid ook inzetten op duurzame eiwitstromen en opleiding van jonge mensen. Ik ben ontzettend blij met de pilootinstallatie en het opleidingscentrum, maar droom nog van een labo voor onze voedselveiligheidsprogramma’s."

soja-close-geVILT.jpg

"Als je bijvoorbeeld naar traceerbaarheid kijkt, dan heeft de sector sinds 1999 (het jaar van de dioxinecrisis, nvdr) grote stappen gezet", bevestigt Eeckhout. "1999 was het kantelpunt. Als je kijkt naar het GMP-lastenboek, dan zie je dat het vlak van traceerbaarheid erg streng is. Je mag gerust zeggen dat de diervoedersector op dat vlak gepionierd heeft voor de volledige voedingsindustrie. Vandaag is de situatie enorm verbeterd. Als er vandaag een gelijkaardige crisis zou losbarsten, dan is de sector veel beter voorbereid om economische en imagoschade te voorkomen. Op voorwaarde dat de sector scherp blijft, de kwaliteit nog probeert te verhogen, en inzet op verduurzaming. Daar ligt de toekomst van de veevoeders."

Waar eindigt het verhaal van het Feed Design Lab? "Een project als het FDL is natuurlijk nooit klaar", zegt van Megen. "We zijn er nog maar pas aan begonnen, maar we durven zeker ambitieus naar de toekomst kijken. "We hebben bewust gekozen voor een gefaseerde opstart, precies om een snelle start te kunnen maken. Amper een jaar na het begin van de werken hebben we onze deuren al geopend. In 2015 gaan we ons onder meer toeleggen op het verwerken van natte reststromen, wat meer dan waarschijnlijk gepaard zal gaan met investeringen in nieuwe apparatuur. Hou ons in de gaten!"

Bekijk ook VILT TeeVee over het veevoeder van de toekomst in Boerenstebuiten op PlattelandsTv, dagelijks om 20u30, of in onze videozone.

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via