nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

Melk-economen IFCN
13.06.2016  Herstel van de melkprijs? Wanneer hangt af van wereldfactoren

Onderzoekers en analisten van het International Farm Comparison Network (IFCN), een globaal netwerk en een denktank voor de economische aspecten van melkproductie, zijn het erover eens dat het einde van de dalende curve van de melkprijs in zicht is. Volgens de meest optimistische scenario’s gaat de melkprijs al stijgen tegen eind dit jaar. Volgens pessimisten zal de kentering nog meer dan een jaar op zich laten wachten. Het IFCN organiseerde zopas zijn jaarlijks congres, voor de 17de keer. Dit jaar kwamen de 70 ‘melk-economen’ uit 40 landen voor het eerst bijeen in Gent. Onderzoeksinstituut ILVO was daarom medeorganisator. Met ILVO-onderzoeker Erwin Wauters, die België vertegenwoordigt in IFCN, overlopen we de belangrijkste observaties, conclusies en berekende voorspellingen.

Op basis van welke positieve tekenen zeggen de economen dat er licht aan het eind van de tunnel schijnt?
Erwin Wauters: De wereldwijde productie begint – eindelijk – af te remmen als reactie op de lage prijzen. Als de gevraagde en de aangeboden hoeveelheid melk op de wereldmarkt elkaar meer benaderen is dat beter voor de prijs. IFCN maakt altijd voorspellingen van de evolutie van de wereldwijde vraag naar melk. De start van het herstel van de melkprijs hangt voornamelijk af van de groei van de vraag én van beslissingen over de historisch hoge hoeveelheid melk die momenteel in stock wordt gehouden, zowel in publieke als in private voorraden. In afwachting proberen melkveehouders wereldwijd te overleven door de kasstroom te beheren, te besparen op kosten en onderhoud en investeringen uit te stellen. Een belangrijke bevinding tijdens ons congres was ook dat melkveehouders niet enkel aan kasstroom en kosten kunnen werken, maar ook op meerwaarde voor hun melk spelen, afhankelijk van hun productiesysteem en de praktijken van de verwerker waarmee ze samenwerken. Het herstel zou volgens de berekeningen ten vroegste tegen einde 2016 beginnen, mogelijk ook later.

IFCN groepsfoto_geVILT.jpg

De timing van dit 17de jaarlijks congres van het IFCN valt samen met een diepe crisis?
Klopt. Sinds 2014, na een historisch hoogterecord, is de prijs van melk op de wereldmarkt bijna onafgebroken blijven dalen. De IFCN wereldprijsindicator voor april 2016 staat op 22,2 USD voor 100 kg ECM (energie gecorrigeerd melk), en bereikt daarmee bijna het historisch laagterecord van februari 2009, toen de wereldmelkprijsindicator 19,3 USD was. De experten van het IFCN buigen zich enerzijds over de vraag hoe de macro-economische toestand van de markt voor melk zal evolueren, anderzijds over de micro-economische toestand van melkveebedrijven wereldwijd.

Welke oorzaken liggen aan de basis van de lage melkprijs?
Als je terugkijkt naar het recente verleden zie je dat minstens zeven factoren ons gebracht hebben waar we nu staan. 1) Wereldwijd komt de melkprijs uit een piekperiode. In 2012 was er een tekort aan melk op de wereldmarkt door hoge voederprijzen en door slechte weersomstandigheden in een aantal belangrijke productie-regio’s. Dit leidde tot zeer hoge prijzen in 2013 tot begin 2014. 2) Deze hoge prijzen hebben een sterke reactie uitgelokt aan de productiekant. In 2014 steeg de wereldwijde productie met 3,2 procent in 2014, dat komt neer op een toename van 25 miljoen ton melk, een absolute recordtoename. 3) Ten derde stagneerde de wereldwijde vraag naar melk in 2014 en 2015 door verschillende redenen. Voor een deel kwam dat precies door de hogere prijs (een duurdere prijs weegt op de vraag naar een product). We zien ook dat de hoge melkprijs de zoektocht naar alternatieven zoals palmolie heeft gestimuleerd in de verwerkende industrie.

4) De economische situatie in veel regio’s werd minder gunstig dan voordien, getuige hiervan zijn onder meer de wisselkoersdevaluaties, de lagere groei in BNP en de lage olieprijzen. 5) In enkele belangrijke importregio’s, zoals Venezuela en China werd er minder melk dan verwacht melk geïmporteerd. China importeerde in 2015 zo’n 27 procent minder melk in vergelijking met 2014, en dat ondanks een daling van de binnenlandse productie met 5 procent. Dat fenomeen heeft onder meer te maken met de veranderde stedenpolitiek in China: China heeft zijn politiek van urbanisatie deels omgekeerd, waardoor opnieuw meer mensen migreerden van de stad naar het platteland. Op het Chinese platteland ligt de consumptie van melk per persoon substantieel lager dan in de Chinese steden. De Chinese bevolking is zelfs iets onder de verwachte groei gebleven, omdat Chinezen hun geboorteplanning lijken aan te passen aan het Chinese ‘Jaar van de Aap’ (2016).

6) In Europa had je natuurlijk de afschaffing van de quota. De productie nam daardoor sneller en meer dan verwacht toe. We wisten dat zich een structurele verandering van de Europese melkveehouderij aan het voltrekken was (stoppende kleinere bedrijven en minder overblijvende maar grotere bedrijven). Het lijkt erop dat die evolutie zich dubbel zo snel dan voorzien heeft voltrokken. In 2015 was de EU verantwoordelijk voor één derde van de wereldwijde groei van de productie, met een toename in 2015 van 2,3 procent, terwijl de productie in de rest van de wereld met slechts 0,5 procent toenam. 7) De voederprijzen hebben de productiegroei ook nog eens aangewakkerd. De relatief lage voederprijzen maakten dat de gemiddelde productiekost per liter melk daalde, en dat gaf een extra boost aan de melkproductie.

Conclusie: de totale productie wereldwijd steeg in 2014 met liefst 3,2 procent en in 2015 nog eens met 1,8 procent. De vraag naar melk steeg in diezelfde periode naar schatting maar met 1,6 à 2 procent. In 2014 en 2015 overtrof het aanbod bijgevolg de vraag, waardoor de prijzen daalden en er voorraden werden aangelegd. Tussen haakjes, de productiestijging van 1,8 procent in 2015 werd vrij accuraat voorspeld door IFCN tijdens hun vorige bijeenkomst, waar ze een stijging van 1,7 procent voorspelden.

IFCN Erwin Wauters2_geVILT.jpg

Is de wereldmarktprijs echt een dwingende indicator voor de prijs die de boeren in Europa, of in de individuele landen betaald krijgen?
De wereldmarktprijs is een belangrijke indicator voor de meeste landen, dit ondanks het feit dat slechts een minderheid van alle melk verhandeld wordt. Er zijn wel uitzonderingen zoals Brazilië en Canada. Maar de wereldmarktprijs beïnvloedt de prijs in de meeste landen. Ook voor België is dat het geval. Een belangrijke kanttekening is wel dat je in de landen nog een wisselkoerscorrectie (ten opzichte van USD) in de melkprijs ziet. De wisselkoersen bepalen dus in sterke mate hoe de wereldmarktprijs zich vertaalt in een nationale prijs. Zeker de laatste 2,5 jaar waarin we een substantiële devaluatie van veel wisselkoersen ten opzichte van de USD meemaken. Men zou kunnen stellen dat de situatie voor de melkveehouders in veel EU-landen nog minder gunstig had kunnen zijn zonder deze devaluatie. Zo was recent, in maart 2016, de gemiddelde prijs over alle EU-landen 8,3 USD hoger dan de wereldmarktprijs, terwijl die een jaar eerder, in maart 2015, gemiddeld 1 USD lager was. Wisselkoersen hebben dus een sterke invloed op de prijstransmissie van de wereldmarkt naar het nationale niveau.

Wanneer gaat de melkprijs weer aanzwengelen, volgens de internationale melk-economen?
Op basis van een hele reeks gevalideerde assumpties over onder andere olieprijzen, groei van de vraag, wisselkoers op lange termijn en economische groei berekent IFCN het toekomstig lange termijn prijsniveau waarbij de wereldvraag en het wereldwijde aanbod in evenwicht zijn. Voor de periode 2016-2025 voorspelt IFCN een wereldprijs van 41 USD/100 kg energie-gecorrigeerd melk, wat gegeven de verwachte wisselkoers op lange termijn neerkomt op een melkprijs van 35 euro per 100 kg melk. Let wel: Dit gaat uit van een scenario waarin de vraag naar melk een normale stijging kent van gemiddeld 2,3 procent per jaar (toename van de wereldbevolking van 1,2 procent per jaar en een stijging van de consumptie per persoon van 1,1 procent).

In bovenstaande voorspelling is niét gerekend op een grote impact van de trend dat sommige consumenten door een veranderde voorkeur dierlijke vetten gaan vervangen door plantaardige vetten. Het scenario gaat voorts uit van normale geopolitieke en economische omstandigheden. Als die laatste twee invloedrijke omstandigheden anders uitdraaien, dan krijgen we andere scenario’s, en een ander verloop van de melkprijs. Volgens IFCN is een wereldprijs van 41 USD/100 kg energie-gecorrigeerd melk dus de prijs die ondernemers gemiddeld voor ogen moeten houden bij het budgetteren van hun bedrijfssysteem.

Zo’n voorspelling op lange termijn van een melkprijs van 35 euro per 100 kg mag natuurlijk niet doen vergeten dat er op korte termijn grote schommelingen mogelijk zijn rond dit evenwicht, zoals we nu ook ervaren. Het lijkt ook wel een optimistische voorspelling gezien we de afgelopen acht jaar toch minstens twee ernstige crisisperiodes hebben meegemaakt (in 2009 en de huidige crisis) waarin dit niveau absoluut niet gehaald werd. Anderzijds, als je de periode van 2007 tot nu in zijn totaal bekijkt qua gemiddelde melkprijs, dan zit het gemiddeld prijsniveau sinds 2007 substantieel hoger dan de jaren voordien. De EU heeft tussen 2007 en 2015 zijn productie verhoogd met 11 proce,t of zo’n 16,5 miljoen ton melk meer, wat neerkomt op een extra hoeveelheid melk in de EU van meer dan vier keer de Belgische productie van 2015. Dit werd in grote mate gedreven door een toename in de vraag van gemiddeld 2,3 procent per jaar en bijbehorende prijzen die de productie stimuleren.

melkrobot.geVILT.jpg

Wat gaat er de eerstkomende maanden gebeuren met de melkprijs?
De vraag is inderdaad wannéér we terug richting dat evenwicht zullen evolueren. Binnen IFCN maken we ook elk jaar een korte termijn vooruitblik van 18 maanden op de wereldmarkt, een oefening die moeilijker is dan de lange termijn vooruitblik. Volgens IFCN is het mogelijk dat de melkprijs nog dit jaar (2016) terug zal aanzwengelen. Er zijn al tekenen van herstel. Zo zijn de melkprijzen op de futuremarkten voor dit najaar substantieel hoger. Bovendien blijkt de productie in de EU – eindelijk – te reageren op de aanhoudend lage prijzen. Waar de EU in 2015 nog een productietoename van 2,3 procent kende, tegenover 0,5 procent in de rest van de wereld, zien we een productietoename in de EU van gemiddeld nog steeds 2,5 procent in het eerste kwartaal van 2016, maar daalde dit naar 1,5 procent in april en 1,2 procent in mei. Onder de assumptie van een normale groei van de vraag in 2016 en 2017 verwacht IFCN in zijn meest optimistische scenario dat het herstel van de melkprijs een aanvang kent in het derde kwartaal van 2016 en het lange termijnevenwicht van 40 USD bereikt in het tweede kwartaal van 2017. Onder het pessimistische scenario is de bodem mogelijk nog niet bereikt, en start het herstelproces ten vroegste aan het einde van dit jaar, of zelfs pas begin in 2017. In dit scenario zal de melkprijs pas na 2017 zijn evenwichtsprijs van 40 USD bereiken.

Wat maakt precies het verschil tussen het optimistische en het pessimistischere scenario?
Ten eerste zit er een verschil in de inschatting van de respons van de productie. Er zijn tekenen dat de producenten afremmen. Maar hoe fel is die rem op de toename van de productie? Als hij slechts tijdelijk blijkt te werken, dan is de kans groter dat we in het pessimistische scenario terecht komen. Ten tweede is er de respons van de vraag. We verwachten dat de lage melkprijs de consumptie per persoon zal doen toenemen, vooral in importerende landen. Indien dit niet het geval is vergroot opnieuw de kans om in het pessimistische scenario terecht te komen. Ten derde is er de invloed van stocks. Doordat in 2014 en 2015 de productie groter was dan de vraag zijn er onder meer in de EU, de US, Nieuw-Zeeland en China zowel private als publieke voorraden aangelegd. Officiële cijfers over de totale voorraden wereldwijd zijn er niet, maar IFCN schat dat deze zeker zes miljoen ton kunnen bedragen. Dan kunnen we het eenvoudig als volgt stellen: in 2016, door de rem op de productietoename, zullen we een tekort hebben van zes miljoen ton productie in vergelijking met de extra vraag. Als de beschikbare voorraden massaal worden vrijgegeven wordt dat tekort onmiddellijk opgevuld en zien we geen effect op de prijs, het pessimistische scenario dus. Wanneer de voorraden echter worden aangehouden kunnen we nog in 2016 de start van het herstel van de melkprijs meemaken.

milcobel tankwagen_gevilt.jpg

Wat zijn de effecten wereldwijd van de huidige lage melkprijs voor de melkveehouderijen en voor de verwerkingsbedrijven?
Volgens veel experten van IFCN versnelt de lage wereldprijs voor melk drastisch de structurele verandering in de melkveesector (minder bedrijven, meer koeien per bedrijf). In de EU kunnen we andersom ook stellen dat een versnelde structurele verandering in de melkveesector als anticipatie en reactie op het verdwijnen van de quota ervoor zorgde dat de productie zo snel toenam en dit ondanks de lage prijzen.

De individuele landbouwbedrijven zitten al meer dan een jaar in een pijnlijke tang. Gedurende nu reeds meer dan 14 maanden is de economische situatie, uitgedrukt door de IFCN-indicator die de melkprijs vergelijkt met de voederprijs, meer dan 10 procent lager dan zijn gemiddelde waarde. Wereldwijd zien we dat landbouwers tal van manieren vinden om met de crisis om te gaan. Zo proberen ze hun kasstroom te beheren zowel aan de inkomsten als aan de uitgavenzijde, door private uitgaven uit te stellen, investeringen en onderhoud uit te stellen. In tijden van lage melkprijzen is het meer dan ooit belangrijk om een robuust productiesysteem te hebben, en om te streven naar economische efficiëntie.

Besparen op kosten, hoever kan een melkveehouder daarin gaan?
Ludwig Lauwers (ILVO): Je moet als bedrijf bij dergelijke beslissingen vooral goed kijken naar de invloed op je competitiviteit. Binnen het Europese project SOLIDairy heeft ILVO de verschillen in competitiviteit bestudeerd tussen hoge-input en lage-input melkveebedrijven. Over de EU-landen heen zijn hoge-input melkveebedrijven significant groter. Ze zijn ook productiever, vooral als de productiviteit uitgedrukt wordt in liters per koe per jaar, maar ook in termen van land-, arbeids- en kapitaalsproductiviteit. België vertoont hierbij een vergelijkbaar patroon als het Europese, al zijn de verschillen in bedrijfsgrootte minder uitgesproken.

Wegens de hogere productiviteit bij hoge-input bedrijven, scoren lage-input bedrijven alvast op deze indicator van competitiviteit slecht. Maar, vanuit de productietheorie weten we ook dat maximale productiviteit niet noodzakelijk tot een bedrijfseconomisch optimum leidt. In de praktijk blijken de biologische en de lage-inputbedrijven heel wat competitiever te zijn dan hun productiviteitsachterstand laat vermoeden. Omdat ze minder afhankelijk zijn van externe inputs en externe factoren, zijn ze bovendien beter bestand tegen crisisperiodes. In goede jaren blijven de hoge-inputbedrijven, dankzij schaalgrootte en hoge productiviteit uitstekend te presteren, maar doorheen een cyclus van goede en slechte jaren kan een lage-inputbedrijf zich daar zeker mee meten. In België zijn het vreemd genoeg vooral de bedrijven tussenin die het meest competitief zijn. Dat wijst erop dat een grote groep bedrijven te weinig inputs gebruikt, en door de lage output per koe zo aan een hoge kost per liter komt. Aan de andere kant zijn er ook bedrijven die té veel inputs gebruiken, en dus voor de laatste extra liters melk uit een koe eigenlijk te veel kosten maken.

melkkoe_LoonwerkDefour.geVILT.jpg

Kan overschakelen naar bio een manier zijn om een hogere melkprijs te bekomen?
Jo Bijttebier (ILVO): Op ILVO hebben we daar een detailstudie voor uitgevoerd. Het kan inderdaad. Biologische melkveehouders krijgen momenteel een hogere melkprijs. Maar ook de productiekost van biologische melk is hoger. De gemiddelde kostprijs van biologische melk, inclusief arbeid, uitgedrukt per 100 liter melk, lag in 2013 zo’n 6 euro per 100 liter hoger dan de kostprijs van gangbare melk. Hoewel het gemiddelde van de meeste kostenposten iets hoger ligt voor de tien biologische bedrijven die hun cijfers deelden, is het meest opmerkelijke verschil met de gangbare melkveehouderij terug te vinden bij de ruwvoederproductie. Biologische melkveehouders streven naar zoveel mogelijk melk uit ruwvoeder om de aankoop van duur biokrachtvoeder te beperken. Door de lagere productiviteit per ha (l melkkoe/ha), hebben biologische melkveehouders doorgaans meer grond nodig om eenzelfde hoeveelheid melk te produceren. Omdat landbouwgrond in Vlaanderen erg duur is, en deze als pacht of als fictieve kost meegenomen is bij de berekening van de ruwvoederkost, lopen de vaste ruwvoederkosten op die manier snel op.

Hoewel de kost voor productie van biologische melk dus aanzienlijk hoger is dan de kost van gangbare melk, wordt dit verschil gecompenseerd door de hogere melkprijs die biologische melkveehouders op dit moment krijgen. De meerprijs compenseert de hogere kostprijs ten gevolge van de extra ecologische inspanningen die het biologische lastenboek met zich meebrengt. Of deze melkprijs ook kostendekkend is, varieert van bedrijf tot bedrijf en is voor een deel ook afhankelijk van hoe je die kostprijs gaat berekenen. In België, net zoals in een aantal andere landen, zien we sinds 2015 een gevoelige toename in melkveehouders die overschakelen naar bio.

Erwin Wauters: We zien in meerdere landen een groeiende interesse voor alternatieve productiesystemen die meerwaarde kunnen opleveren, zoals biologische productie. Ook speciale waardeketensystemen, waarin melk van hoge kwaliteit of van speciale afkomst, bijvoorbeeld van grasgebaseerde productiesystemen verwerkt en vermarkt wordt, bieden voor een aantal melkveehouders een uitweg via meerwaarde.

En ten slotte, wat beweegt er aan de verwerkingskant?
Erwin Wauters: Dat is de laatste topic waar het IFCN congres veel tijd aan heeft besteed: systemen die afnemers hanteren om de melkprijs aan boeren te bepalen, en de relatie tussen boer en verwerker. Daar kwamen toch een aantal interessante resultaten uit. In de meeste landen en voor de meeste afnemers geldt dat kwaliteit (gemeten door celgetal, kiemgetal, vetgehalte en eiwitgehalte) een verschil maakt voor de melkprijs. Daarnaast maakt het volume en soms ook de frequentie van de levering bij veel verwerkers eveneens een verschil op de ontvangen melkprijs. Opvallend was dat in sommige landen de melkprijs tot 10 eurocent kan verschillen tussen afnemers. Dit wil zeggen dat een landbouwer voor dezelfde melk, afkomstig van hetzelfde productiesysteem, tot 10 eurocent meer waarde kan krijgen per liter melk. Wanneer de melkprijs gemiddeld amper boven de 20 eurocent/l uitkomt is dit een levensbelangrijk verschil. Andere waargenomen verschillen in de melkprijs tussen afnemers vloeien voort uit de mix van zuivelproducten. In meerdere landen zal afhankelijk van deze productmix ofwel het vetgehalte ofwel het eiwitgehalte harder doorwegen in de melkprijs. Algemeen is het ook zo dat verwerkers die in hun productmix meer inzetten op producten met een hoge toegevoegde waarde, vaak ook een hogere melkprijs uitkeren. In sommige landen zijn de verschillen in ontvangen melkprijs tussen verwerkers enorm.

Wil dit zeggen dat verwerkers in België meer op deze producten moeten inzetten?
Niet helemaal. Enerzijds is het zo dat in België, waar we zelfvoorzienend zijn voor de meeste productklassen, slechts 19 procent van de kaas die geconsumeerd wordt van Belgische makelij is. In kaas zit er dus wel een zeker groeipotentieel, met vaak toch een hogere toegevoegde waarde. Anderzijds is het zo dat verwerkers de bulkproducten nodig hebben om aan alle melk een waarde te kunnen toekennen. We zien in veel landen dat verwerkers, vooral verwerkers die voornamelijk inzetten op producten met een hoge toegevoegde waarde, melkveehouders hebben afgestoten. Voor veel verwerkers dreigde de toegenomen geproduceerde melk door hun leveranciers-melkveehouders hun capaciteit te overstijgen, veel anderen gaan stilaan richting de grens.

fabriek kaas milcobel_gevilt.jpg

En wat met de trend naar schaalvergroting bij de melkerijen?
Die is er inderdaad, in veel landen. De toestand in België is die van een zogenaamde oligopsonische markt, waarbij de top 3 van de melkerijen tussen 50 en 90 procent van de melk afnemen. Oligopsonie is de marktvorm waarbij het aantal kopers klein is en het aantal verkopers groot. De melkproducenten komen dan met elkaar in concurrentie om hun product te verkopen aan een klein aantal vaak grote en machtige kopers. In sommige landen, zoals Egypte, Noorwegen, Finland en Denemarken is de zuivel zelfs monopsonisch waarbij de top 3, vaak zelfs de top 1, meer dan 90 procent van de melk afneemt. Monopsonie is de marktstructuur waarin slechts één afnemer interageert met vele aspirant-verkopers van een bepaald product. Die ene entiteit bezit als de enige koper veel marktmacht ten aanzien van de verkopers, vergelijkbaar met de grote invloed van een monopolist op de prijs voor de kopers.

Ook wereldwijd zien we een lichte toename van de concentratie. De top 20 grootste zuivelbedrijven verwerken samen 25 procent van de geproduceerde melk wereldwijd. Acht jaar geleden was dit nog maar 21 procent. Uitgedrukt in formele melk (d.i. geproduceerde melk die ook daadwerkelijk afgeleverd wordt aan een zuivelverwerker) is dit 41 procent. De grootste afnemer van melk wereldwijd, Dairy Farmers of America, neemt jaarlijks 28,1 miljoen ton af, meer dan zeven keer de totale Belgische productie, en verhandelt daarmee 3,6 procent van alle geproduceerde melk wereldwijd. Ter vergelijking, Milcobel, de grootste afnemer van Belgische melk, is goed voor zo’n 0,18 procent van alle melk wereldwijd.

Bron: |

Beeld: ILVO / VILT / Milcobel

In samenwerking met: ILVO

Volg VILT ook via