nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

Schaalvergroting in de veehouderij: oorzaken, gevolgen en risico’s
08.12.2014  “Hoe je groeit is belangrijker dan groeien op zich, en management wordt daarbij steeds belangrijker”

Dat de schaal waarop veehouders werken steeds groter wordt, is een feit. Het aantal bedrijven neemt af, het gemiddeld aantal dieren per bedrijf neemt toe. Dit heeft allerlei gevolgen voor de bedrijfsvoering. Want heeft de veehouder nog tijd om met zijn dieren en het veldwerk bezig te zijn? Moet hij niet eerder met zijn personeel, zijn administratie en zijn strategie bezig zijn? Welke competenties heeft hij nodig om zijn bedrijf te managen, en welke technologieën zijn er voorhanden om hem daarbij te helpen? Allemaal vragen die tijdens de recentste studiedag van ie-net op de site Plant van ILVO te Melle besproken werden: ‘schaalvergroting in de veehouderij – oorzaken, gevolgen en risico’s’.

In elke dierlijke sector is er de laatste jaren sprake van schaalvergroting, in die zin dat de concentratie toeneemt en de bedrijven die overblijven groter worden. Maar met die exponentiële groei van de blijvers (in termen van veefabrieken en megastallen) valt het wel mee. Dat stelt Bart Van der Straeten van de afdeling Monitoring en Studie (AMS) van het Departement Landbouw & Visserij. De groei van de sectoren in hun geheel is immers groter dan de groei van de overblijvers. Slechts een beperkt aantal van hen kiest voor sterke groei, de meerderheid blijft stabiel of groeit slechts licht.

“Groei is er, maar minder dan gedacht op individueel bedrijfsniveau” – Bart Van der Straeten (AMS)

Van der Straeten baseert zich daarvoor op een analyse van een representatieve sample veebedrijven (uit alle sectoren) tussen 2001 en 2013. In de melkveehouderij bijvoorbeeld nam het aantal bedrijven tijdens die periode af met 41,9 procent en het aantal dieren met 17,9 procent. Het gemiddeld aantal dieren op de bedrijven nam bijgevolg toe met 41,3 procent. Hallucinante cijfers, die een wat vertekend beeld schetsen, omdat de vele kleine bedrijven die verdwijnen het gemiddelde sterk omhoogduwen. De evolutie van de overgebleven bedrijven is veel minder uitgesproken: het gemiddeld aantal dieren op de overgebleven bedrijven nam (slechts) toe met 19,3 procent. Een pak minder dan dat sectorgemiddelde van 41,3 procent.

koestal_geVILT.jpg

Nog wat cijfers: in de melkveehouderij is 42 procent van de bedrijven tussen 2001 en 2013 helemaal niet gegroeid of zelfs kleiner geworden en is 40 procent licht gegroeid (tot 20 koeien extra). Het aandeel bedrijven dat sterk is gegroeid (20 tot 50 koeien extra) bedraagt 14 procent en het aandeel bedrijven dat meer dan 50 koeien is uitgebreid, bedraagt slechts 4 procent. De evolutie in de varkenshouderij (vleesvarkens) is gelijkaardig: 37 procent is helemaal niet gegroeid of zelfs kleiner geworden, 18 procent is nauwelijks gegroeid (tot 100 varkens extra), 38 procent is licht gegroeid (100 tot 750 varkens extra) en slechts 7 procent is hard gegroeid (meer dan 750 varkens extra).

“Grotere bedrijven presteren beter, maar groeien op zich volstaat niet” – Bart Van der Straeten (AMS)

Groei blijkt bovendien geen zaligmakend recept voor succes. Wat je uitgangspositie is (technische en economische resultaten) en hoe je groeit, is belangrijker dan groeien op zich. Voor deze stelling baseert Van der Straeten zich op een analyse van resultaten van 166 melkveebedrijven tussen 2006 en 2013. De grotere bedrijven uit deze sample presteren technisch en economisch beter, en schaalgrootte (in aantal koeien) is een positieve factor bij de vergelijking van het bruto saldo per koe tussen de bedrijven, net als andere kengetallen zoals productiviteit en leeftijd van de koe bij de eerste kalving. Maar schaalvergroting (in aantal koeien) heeft géén effect op het bruto saldo per koe binnen de bedrijven, terwijl andere factoren zoals productiviteit en vervangingspercentage wel een rol spelen.

mest_geVILT.jpg

Daarenboven is het effect op de resultaten van de sterkste groeiers (+3.500 liter melk) uit de sample (bijna) even slecht als de bedrijven die helemaal niet groeiden. Vóór de groei scoorden zij beter dan gemiddeld op bruto saldo, arbeidsinkomen en cash flow per 100 liter. Hun economische uitgangssituatie was dus beter. Maar na de groei scoren zij slechts ‘even goed’ – het netto effect van de groeibeweging op hun resultaten is meer negatief dan bij de lichtere groeiers. Sommige grote bedrijven die sterk groeiden (+43% melkkoeien), scoren nadien zelfs slechter dan gemiddeld op diezelfde indicatoren (bruto saldo, arbeidsinkomen en cash flow per 100 liter). “Groter worden doet je bedrijf dus niet zonder meer beter presteren”, besluit Van der Straeten.

“Ook grotere bedrijven kunnen in de problemen komen” - Riccy Focke (Boeren op een Kruispunt)

Een verhaal dat min of meer bevestigd wordt door Riccy Focke, directeur van Boeren op een Kruispunt. De veehouders die bij zijn organisatie aankloppen voor hulp, hebben niet alleen kleine bedrijven. Bijvoorbeeld: 11 procent van de adviesvragers met een zeugenbedrijf, tellen meer dan 250 zeugen. “Ook grote bedrijven kunnen dus in de problemen komen”, klinkt het.

zeug_geVILT.jpg

Bepalend voor het succes van groei, in termen van welzijn in plaats van welvaart, is volgens Focke onder meer de motivatie voor groei. Wordt die extern aangedreven of intern? En was de grootte een bewuste keuze of eerder iets dat organisch gegroeid is? Mogelijke externe motivaties zijn nieuwe beperkingen in de wetgeving (‘het is je laatste kans’) en het buurman/schoonbroer-effect (‘als hij het kan, waarom ik niet?’).

Interne motivaties zijn onder meer ‘goesting om te ondernemen’, maar ook ‘geen goesting om slimmer te gaan ondernemen’. Daarenboven bestaat er volgens Riccy zoiets als een krediet- en arbeidshefboom, die bij pech snel verandert in een krediet- en arbeidsboomerang. “Allemaal zaken waarvoor je moet oppassen, want ze geven je een vals gevoel van bescherming.”

“Je bedrijf managen is vandaag belangrijker dan op je tractor zitten” – Riccy Focke (Boeren op een Kruispunt)

Nog belangrijker dan motivatie zijn volgens Focke de capaciteiten, verwachtingen en de draagkracht van de veehouder en zijn gezin. Kan hij de managementeisen aan die bij groei komen kijken? En heeft hij wel zin om zich bezig te houden met bedrijfsmanagement, personeelsbeleid en risicobeheer? “Want wie liever in zijn tractor zit of in de stal tussen zijn dieren, dan tussen zijn papieren en vreemd personeel, kan beter twee keer nadenken voor hij in de sector begint of uitbreidt”, klinkt het. Wat je niet kan of wil, moet je immers inkopen. En arbeid inkopen kan vandaag goedkoop – goedkoper dan je die arbeid zelf kan presteren en goedkoper dan het inkopen van management.

serre_geVILT.jpg

Moeten we dan niet bang zijn dat onze voedselproductie niet meer zal worden dan een kwestie van management, zonder passie en liefde voor de boerenstiel? “Neen, want zonder passie en liefde begin je als ondernemer niet in de landbouwsector. In dat geval kan je meer geld verdienen in een andere sector. Wat je absoluut nodig hebt om vandaag succesvol te boeren, is goesting, kennis, visie en strategie, rust, vertrouwen en kapitaal. Grond kan je pachten en arbeid kan je inkopen. Verder moet je beroep kunnen doen op voorlichters en je landbouworganisatie, want alleen kan je het niet. En als je aan al die zaken overschot hebt, zal je automatisch groeien”, besluit Focke.

“Technologie kan een hulpmiddel zijn, maar kan de alertheid van de veehouder niet vervangen” – Annelies Van Nuffel (ILVO)

Dat veehouders door hun grotere bedrijven steeds minder tijd hebben om zich bezig te houden met de dieren in hun stal, is iets wat ook beaamd wordt door Annelies Van Nuffel, onderzoeker bij het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO). Het antwoord van de technologische en onderzoekswereld hierop is ‘management by exception’: met de hulp van allerlei sensoren en slimme algoritmen wordt de veehouder attent gemaakt op mogelijke problemen bij bepaalde dieren, zodat hij sneller kan ingrijpen en de dieren niet allemaal elke dag even grondig moet monitoren.

biogas_geVILT.jpg

Voorbeelden zijn stappentellers die de vruchtbaarheid van koeien meten, matrassen die beginnende kreupelheid bij koeien opsporen, sensoren in melkrobotten die mastitis opsporen en een elektronische ID die allerlei factoren zoals water- en voederopname van varkens in kaart brengt. Dergelijke technologieën worden momenteel nog volop ontwikkeld en onderzocht, maar zouden in de toekomst een hulpmiddel kunnen zijn voor veehouders met steeds meer dieren en steeds minder tijd.

“Ze kunnen helpen om tijdig en beter geïnformeerd beslissingen te nemen, maar het zijn geen wondermiddelen”, stelt Van Nuffel. Alertheid blijft belangrijk. “Een melkveehouder bijvoorbeeld die al veel bezig was met bronstdetectie bij zijn koeien, kan dankzij sensoren nog iets beter worden. Maar een melkveehouder die er al niet veel mee bezig was, en denkt dat hij er dankzij sensoren helemaal niet meer mee hoeft bezig te zijn, zal er niet beter door worden. Het zijn geen oplossingen voor slecht management of slechte kengetallen. Bovendien zijn de kosten en baten van deze technologieën nog niet in kaart gebracht, en is dus nog niet duidelijk of en vanaf wanneer de investering opbrengt”, besluit ze.

“Uitbreiden of starten wordt vergunningsgewijs steeds complexer. Ook dat moet gemanaged worden” – Jan Meykens (SBB)

Zal groeien in de toekomst ten slotte nog wel mogelijk zijn, gezien de steeds strengere eisen die aan een vergunning worden gesteld? Volgens Jan Meykens van adviesbureau SBB zijn er inderdaad veel onzekerheden, en neemt het aantal aspecten dat in rekening wordt genomen steeds toe. Ook de instandhoudingsdoelstellingen (IHD) die dit jaar werden goedgekeurd, zullen hun effect niet missen. Bij elke aanvraag zal onderzocht worden wat de impact is op het Europees habitatrichtlijngebied, al wordt momenteel nog gezocht naar een passende beoordeling daarvan.

kalf.melkveehouderij_geVILT.jpg

Het beoordelingskader op basis waarvan veehouders onlangs een groene, oranje of rode PAS-brief hebben gekregen, is nog voorlopig. Meykens waarschuwt dan ook dat veehouders die net binnen de groene categorie vielen, er volgens het definitieve beoordelingsschema gemakkelijk net buiten kunnen vallen, en omgekeerd. Een lichtpuntje is daarentegen het nieuwe kaderdecreet dat de hele vergunningsprocedure administratief moet vereenvoudigen. Voortaan moet slechts één aanvraag worden ingediend bij één instantie met één openbaar onderzoek, één adviesronde en één beslissing. De bijbehorende ‘omgevingsvergunning’ zou bovendien van onbepaalde duur zijn, “al zijn er waarborgen ingebouwd voor de bescherming van mens en leefmilieu – een soort stok achter de deur”.

“Ook vergunningen en vergunningsaanvragen zullen dus steeds meer moeten worden gemanaged”, vat voorzitter van ie-net Bart Sonck samen. “Net als personeel en alle andere factoren die bij het runnen van een bedrijf komen kijken. Een goed manager zijn, wordt met andere woorden belangrijker dan een goed dierverzorger zijn. En voor je kan groeien als bedrijf, moet je groeien als manager. Want groeien op zich is niet voldoende, hoe je groeit is belangrijker.”

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: VILT / Loonwerk Defour

Volg VILT ook via