nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

20.04.2018 ILVO ziet potentieel in agrarische klimaatbuffers

Terwijl in het verleden vooral werd gekeken naar natuurgebieden om overstromingen op te vangen en verkoeling te bieden, ziet het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) ook kansen in agrarische landschappen als klimaatbuffers. “Nu het Vlaamse landbouwareaal sterk onder druk staat, mag het belang van de mogelijke klimaatadaptatiediensten niet onderschat worden”, stelt ILVO. Het onderzoeksinstituut laat ook weten dat het alle informatie over klimaatslimme landbouw en klimaatonderzoek voortaan bundelt op één website.

Eind 2016 werd binnen ILVO het Expertisecentrum voor Landbouw en Klimaat (ELK) opgericht onder impuls van Vlaams minister voor Omgeving, Natuur en Landbouw Joke Schauvliege. Binnen dat expertisecentrum werkt ILVO aan klimaatmitigatie en -adaptatie in de plantaardige en dierlijke sector en aan de ontwikkeling van een koolstofarme economie in Vlaanderen. “Wij hanteren bewust een holistische benadering die kijkt naar alle facetten van duurzaamheid van het volledige landbouwsysteem”, vertelt coördinator Sam De Campeneere.

Eén van de opdrachten van dat centrum is de aanwezige klimaatkennis in de verschillende ILVO-eenheden te bundelen en ter beschikking te stellen van beleid en private stakeholders. Dat laatste gebeurt voortaan op een website. Die bevat alle feiten en cijfers over klimaatverandering en een update van het internationale klimaat- en landbouwonderzoek. Daarnaast biedt het een overzicht van lopende ILVO-onderzoeksprojecten en een lijst van experten per thema.

Naast het ter beschikking stellen van informatie via de website organiseert ILVO ook elk jaar een studiedag waarop de jongste wetenschappelijke inzichten en updates over klimaatonderzoek met betrekking tot landbouw worden gepresenteerd in tien toegankelijke lezingen. Tijdens één van die lezingen werd een lans gebroken voor het idee van landbouwlandschappen als klimaatbuffers in een sterk verstedelijkt Vlaanderen. “Naar analogie met ecosysteemdiensten kan een landbouwgebied op termijn meer bewust een functie krijgen als verkoeler of als waterregulator, mits een klimaatslimmere inrichting en de nodige studies en beleidsmaatregelen”, stelt onderzoeker Jeroen De Waegemaeker.

Door de klimaatverandering wordt Vlaanderen vaker geconfronteerd met extreme weersfenomenen zoals hevige regenval, hittegolven en lange droogteperiodes. “Klimaatadaptatie is een extra argument om de landbouwruimte – 45 procent van Vlaanderen is landbouwareaal – vooral niet verder te verstenen”, klinkt het. “Vandaag behoeden de graslanden langs rivieren de omwonenden bijvoorbeeld al van natte voeten. Toegankelijke akkers in de stadsrand bieden oververhitte stedelingen verkoeling. En via slim peilbeheer van de fijnmazige waterlopen wordt water vastgehouden voor drogere periodes.”

Volgens ILVO ontstaan door deze mogelijke klimaatadaptatiediensten andere prioriteiten per gebied en dus ook andere rurale ‘inrichtingen’. “Waar is de agrarische ruimte absoluut cruciaal en te beschermen voor haar eerste en enige functie voedselproductie? Welk gebied is er in te zetten als waterbuffer? Waar is recreatief medegebruik mogelijk? In de toekomst werkt men best aan een uitgebreide participatie van de landbouwers, aan visievorming en aan een fair financieringsmodel, in het belang van iedereen, boer en burger, platteland en stad”, stelt De Wagemaeker.

Een ander thema dat tijdens de studiedag werd aangesneden was de voorspelling van experts dat koeien binnen afzienbare tijd 30 tot 40 procent minder methaan zullen uitstoten. Die reductie van methaan is mogelijk via voederadditieven en rantsoenaanpassingen. “Maar alleen methaan aanpakken is niet voldoende”, stelt onderzoeker Dorien Van Wesemael. Ze wijst erop dat de koolstofvoetafdruk van het voeder voor alle diercategorieën moet aangepakt worden, niet alleen voor herkauwers.

Volgens Van Wesemael draagt geïmporteerde soja via ontbossing sterk bij aan de broeikasgasuitstoot van de veehouderij, terwijl soja relatief belangrijk is in het rantsoen van de verschillende diersoorten (19% voor vleeskippen, 12% voor legkippen, 5% voor varkens en 4% voor runderen). Thema’s die daardoor hoog op de onderzoeksagenda komen, zijn alternatieve eiwitbronnen, gebruik van aminozuren, fasevoedering voor minder verlies en efficiëntere dieren.  

Meer informatie: Website Expertisecentrum voor Landbouw en Klimaat

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via