nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

Wat weten we over de impact van IHD op landbouw?
05.05.2014  Instandhoudingsdoelstellingen voor natuur

Met acht concrete vragen van ongeruste landbouwers in het achterhoofd verdiepte VILT zich in de instandhoudingsdoelstellingen (IHD) voor natuur. Door de complexiteit van dit dossier verliep de zoektocht naar antwoorden niet zonder slag of stoot. Niet dat we ons gewonnen gaven, maar de hulp van de studiedienst van Boerenbond bleek zeer welkom. Zelfs met informatie uit de eerste hand was het niet evident om de impact van IHD op landbouwbedrijven in te schatten. Een honderdtal bedrijven zal niet opnieuw vergund worden bij het aflopen van hun huidige milieuvergunning. Maar wat moeten de meer dan 23.000 andere Vlaamse veeboeren zich aantrekken van IHD, SBZ en PAS? Wij voorspellen dat de vreemd klinkende afkortingen die in dit artikel continu opduiken weldra bekender en beruchter zullen zijn dan het MAP…

Door het gegoochel met afkortingen zoals IHD en SBZ ben ik het noorden kwijt. Kan iemand mij vertellen wat er op de landbouwsector af komt?
Daarvoor moeten we terug in de tijd duiken, naar de Europese Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Die bepalen dat de lidstaten gebieden moeten afbakenen voor het behoud of het herstel van voor de natuur waardevolle habitattypes, dier- en vogelsoorten. Vlaanderen heeft 24 vogelrichtlijngebieden en 38 habitatrichtlijngebieden aangeduid en aangemeld bij Europa, die elkaar deels overlappen. In totaal zijn er dus 62 zogenaamde speciale beschermingszones (SBZ). Samen vormen zij het 166.000 hectare grote Natura 2000-netwerk in Vlaanderen. We spreken van een ‘netwerk’ omdat er in gans Europa wel 26.000 dergelijke gebieden zijn, die in totaal 18 procent van de oppervlakte van de EU uitmaken.

De op Vlaams niveau aangeduide beschermingszones zijn belangrijk voor tientallen habitattypes (waardevolle bossen, heiden, natuurlijke graslanden, enz.), diersoorten (hamster, kamsalamander, verschillende vleermuizen, enz.) en vogelsoorten (bruine kiekendief, slechtvalk, ooievaar, enz.) die Europa in bescherming neemt. Voor elke habitat en elke soort werd nagegaan of zij bedreigd worden door ‘externe’ invloeden. Anders gezegd, bevinden zij zich in een gunstige staat van instandhouding of is dat door de aanwezigheid van de mens en de gevolgen van diens activiteiten niet het geval? Helaas is dat laatste waar voor het merendeel van de habitats en soorten. Daarom formuleerde Vlaanderen doelstellingen om het tij te keren, zie daar de instandhoudingsdoelstellingen (IHD).

Heel het verhaal doet denken aan de Groene Hoofdstructuur uit de jaren ’90. Fel boerenprotest verwees die plannen naar de prullenmand. Waarom komen de boeren niet opnieuw op straat?
Met de Groene Hoofdstructuur wou de Vlaamse overheid 335.000 hectare natuur afbakenen in de wetenschap dat planten en dieren nood hebben aan grotere en meer aaneengesloten natuurgebieden. Indertijd werd het realiseren van dergelijke ecologische verbindingen gepromoot door Europa, maar van een verplichting voor de lidstaten was geen sprake. Daar zit het grote verschil met IHD. Op termijn moet Vlaanderen de gunstige staat van instandhouding bereiken voor alle Europees beschermde habitats en soorten die hier voorkomen. Vlaanderen stelt zich tot doel om dat tegen 2050 klaar te spelen. Niets doen, is geen optie want dat zou de EU niet pikken. Een lidstaat die niet in de pas loopt, mag zich na een vermaning aan sancties verwachten.

Gelet op de onafwendbaarheid van de natuurdoelstellingen ging het middenveld zeven jaar geleden in overleg met het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB). Al die tijd hebben de landbouworganisaties aan de onderhandelingstafel, Boerenbond en ABS, de ingrijpende natuurdoelstellingen proberen te verzoenen met de socio-economische realiteit van het Vlaamse platteland. Net voor Pasen zag het er even naar uit dat de Vlaamse regering deze legislatuur niet tot een akkoord over IHD zou komen. Europa door uitstelgedrag op de tenen trappen, zou de marge kleiner gemaakt hebben om een Vlaams IHD-beleid uit te stippelen dat een zo minimaal mogelijke impact op landbouw heeft. Daarom stuurde Boerenbond, ondanks de zware gevolgen van IHD voor heel wat landbouwbedrijven, aan op een akkoord.

kalmthoutse-heide_gevilt_TPA.jpg

Gaat er weeral landbouwgrond sneuvelen voor natuur, en weten we al waar?
De overheid en de natuurverenigingen zullen als ‘sterkste schouders’ de zwaarste lasten dragen door het beheer in hun bossen en natuurgebieden beter af te stemmen op de Europese instandhoudingsdoelstellingen. Alleen volstaat dat niet. Vooral met de 46 habitattypes is het niet goed gesteld want slechts drie ervan verkeren in goede toestand. De om die reden noodzakelijke (en door de politici afgesproken) uitbreiding van de Europees beschermde natuur bedraagt 47.715 hectare. Driekwart daarvan wordt gerealiseerd door de omvorming van bestaande ‘Vlaamse’ natuur. Een gekend voorbeeld van zo’n omvorming is het kappen van de naaldbomen in de Merodebossen in Averbode zodat heide zich er opnieuw kan ontwikkelen.

Voor een kwart van de uitbreidingsdoelstelling wordt er ruimte gezocht buiten de bestaande natuur. Het ruimtebeslag op landbouwgrond ligt dus in de grootteorde van 10.000 hectare. Vooral de ruim 30.000 hectare cultuurgrond in habitatrichtlijngebied heeft een precair statuut. Vroeg of laat gaat de natuursector veel van deze versnipperde percelen nodig hebben om aan de Europese doelstelling, een gunstige staat van instandhouding van alle habitattypes tegen 2050, te kunnen beantwoorden. Een beheer gericht op deze Europese natuurwaarden zal meestal onverzoenbaar zijn met een economisch rendabele landbouwuitbating van de grond. Het ruimtebeslag is grotendeels toe te schrijven aan de doelen voor bosuitbreiding, die niet volledig gerealiseerd kunnen worden binnen SBZ. Tegen 2019 zullen er nieuwe zoekzones worden afgebakend, ook buiten SBZ, waarbinnen deze bosuitbreiding gerealiseerd moet worden.

Wat mij nog ongeruster maakt dan het grondverlies is de onduidelijkheid over de hervergunning van veebedrijven. Misschien moet ik mijn bedrijf wel stopzetten, zo lees ik in de krant!
Noem de impact op het vergunningenbeleid gerust de breinbreker van het IHD-dossier. Het verhaal begint bij de ‘passende beoordeling’ in de Habitatrichtlijn en het Natuurdecreet die elke vergunningsplichtige activiteit in de speciale natuurbeschermingszones (SBZ) of in de omgeving ervan toetst op het mogelijke effect op de aanwezige natuur. Veroorzaakt een project een significante aantasting van de natuur (door ammoniakemissie, ruimtebeslag, licht- of geluidsverstoring, daling grondwatertafel, enz.), dan mag het niet gerealiseerd worden. Dat schept een sterke band tussen het natuurbeleid en het milieu- en vergunningenbeleid. De passende beoordeling is niet nieuw (°2002) maar door de gebiedsgerichte vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen verstrengt het beoordelingskader. Bij de vergunningverlenende overheden zal het dus steeds zwaarder doorwegen.

De beleidsmakers leken in eerste instantie nogal licht over de impact van IHD op het vergunningenbeleid heen te stappen zodat Boerenbond VITO inschakelde om dat te onderzoeken. De VITO-studie opende ogen want zelfs het uitschakelen van alle verzurende emissies uit Vlaamse veestallen zou onvoldoende zijn om de natuurdoelstellingen te realiseren. Gaat geen veebedrijf in de omgeving van SBZ dan nog (her)vergund worden in de toekomst? Toch wel, maar het zal meer voeten in de aarde hebben dan in het verleden. Het effect van een varkens-, pluimvee- of rundveestal op de natuur in een speciale beschermingszone mag niet significant zijn, of het alleszins niet meer zijn na het nemen van milderende maatregelen. Dat geldt voor bedrijfsuitbreidingen maar evenzeer bij hervergunning. Misschien volstaat een luchtwasser op de nieuwe varkensstal om de ammoniakemissie ‘minder dan significant’ te maken. Mogelijk moet ook de oude stal vernieuwd en met een luchtwasser uitgerust worden om het nabij gelegen habitat- of vogelrichtlijngebied niet met een significante hoeveelheid stikstof op te zadelen. Een veehouder kan op voorhand onmogelijk inschatten welke maatregelen hij bij hervergunning of uitbreiding moet nemen want ieder dossier zal apart beoordeeld worden.

De aanvrager van de vergunning moet daartoe zelf een studiebureau aan het werk zetten. Daarom verlangt Boerenbond van de overheid dat zij zich klantvriendelijk opstelt door gegevens, voorbeelden en rekenmodellen vlot ter beschikking te stellen en de ‘passende beoordeling’ opnieuw te herleidentot zijn essentie. De initiatiefnemer kan zijn centen naar verluidt beter in milderende maatregelen steken dan in een dure studie. Landbouwers die van zo’n passende beoordeling het ergste vrezen vanwege de korte afstand tussen hun bedrijf en een speciale natuurbeschermingszone kunnen niet anders dan geduld uitoefenen. De programmatische aanpak stikstof – waarover zo dadelijk meer – komt namelijk trapsgewijs (overgangsregeling, voorlopige PAS en definitieve PAS in 2019) tot stand. Voor elk veebedrijf afzonderlijk de impact in kaart brengen, is daardoor op de dag van vandaag onmogelijk, zelfs voor de landbouworganisaties en de overheid.

pluimvee-stal_gevilt_hooibeekhoeve.jpg

Decennialang had de overheid er geen probleem mee dat mijn boerderij naast een natuurgebied ligt. Waarom zou mijn bedrijf plots ongewenst zijn?
Van ruim 100 veebedrijven staat nu al vast dat zij gedwongen worden tot stopzetting bij het aflopen van hun huidige milieuvergunning. Rekening houdend met de overgangstermijn die de landbouworganisaties uit de brand sleepten, zal de eerste veehouder die het slachtoffer wordt van IHD zijn bedrijf niet eerder dan 2017 moeten sluiten. Naargelang de einddatum van hun milieuvergunning volgen in de jaren daarna de andere pechvogels van wie het bedrijf ‘ongelukkig’ gelegen is. Een veehouder die recent een milieuvergunning kreeg, kan dus nog 20 jaar voortdoen.

Dat bedrijven die decennialang rechtmatig uitgebaat werden tot stopzetting gedwongen worden, heeft alles te maken met de slechte toestand van de natuur in Vlaanderen. In vrijwel alle speciale beschermingszones krijgt de natuur te veel stikstof te verwerken en is de gunstige staat van instandhouding daardoor ver zoek. De kritische depositiewaarde voor stikstof is overschreden, heet dat dan. De vele Vlaamse veeboeren in de buurt van een SBZ vormen een probleem omdat de ammoniakemissie uit een stal neerslaat in de nabije omgeving. Dat probleem stelt zich niet alleen in de rijkelijk met SBZ bedeelde provincies Antwerpen en Limburg, maar door het grote aantal veehouders ook in West-Vlaanderen. Aangezien het aandeel van landbouw in de stikstofdepositie in SBZ in de kustprovincie het grootst is, moet de West-Vlaamse veehouderij een ammoniakreductie realiseren die navenant groot is.

Als jonge melkveehouder wil ik de gunstige teneur op de zuivelmarkt aangrijpen om meer koeien te melken. Zal ik nog kunnen uitbreiden met zo’n habitatrichtlijngebied in mijn achtertuin?
Eerlijkheidshalve moeten we de jonge melkveehouder vertellen dat de kaarten momenteel het slechtst liggen voor de rundveehouderij. Anders dan in de pluimvee- en varkenshouderij zijn er voor een rundveestal geen best beschikbare technieken bekend en erkend om de ammoniakemmissie te verlagen. Indien het studiebureau dat de jonge melkveehouder onder de arm moet nemen voor de passende beoordeling hem vertelt dat zijn nieuwe stal een significant milieueffect heeft op het habitatrichtlijngebied (SBZ), dan moet hij zijn plannen opbergen. Er bestaan immers geen milderende maatregelen waarmee hij de overheid van het tegendeel kan overtuigen.

Toch is er nog hoop voor de jongeman in kwestie. Het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO) test technieken en voederrantsoenen en wisselt ervaringen uit met Wageningen Universiteit in Nederland om zo snel mogelijk met een oplossing te komen voor rundveestallen. Als daaruit blijkt dat bijvoorbeeld emissiearme stalvloeren of aangepast voeder voor de koeien effectief kunnen zijn, dan krijgt het melkveebedrijf uit ons verhaal weer ontwikkelingskansen.

melkvee-stal_gevilt_hooibee.jpg

Deelt de veehouderij als enige sector in de klappen?
Neen, maar het scheelde niet veel. De noodkreet van Boerenbond over het vergunningenbeleid in Vlaanderen dat op slot zou gaan, ligt nog fris in het geheugen. De overheid wou het stikstofoverschot in natuurgebied volledig afwentelen op de vergunningsplichtige activiteiten veehouderij en industrie. Billijk kan je dat bezwaarlijk noemen aangezien een belangrijk deel van de ammoniakuitstoot niet toegewezen kan worden aan een stal of fabriek, maar afkomstig is van het verkeer of komt aanwaaien uit het buitenland. Alleen al die zogenaamde achtergronddepositie overschrijdt in veel gevallen de ‘kritische depositiewaarde’ van een natuurbeschermingszone.

Het gebrek aan onderbouwing gedurende het besluitvormingsproces werd in de laatste rechte lijn rechtgezet dankzij het werk van de ‘taskforce PAS’, met Jan Verheeke en Ward Verhaeghe als gedreven stuurlui. VITO, INBO en VMM kregen van de taskforce de opdracht om de impactanalyse die VITO voor Boerenbond opleverde verder te verfijnen. Zij slaagden daar op korte tijd wonderwel in. Hun studiewerk maakte bijvoorbeeld duidelijk dat het aandeel van de veehouderij in de ammoniakdepositie in SBZ kan variëren van goed 50 procent in het West-Vlaamse Heuvelland tot amper 13 procent in de Voerstreek, waar de nabijheid van het Rührgebied voor een veel hogere stikstoflast zorgt. Door de veehouderij de rekening te laten betalen voor de andere sectoren zou men dus nooit tot een oplossing zijn gekomen.

Omdat de landbouwsector, via het vergunningenbeleid, in zwaar weer terecht zou komen, was het voor de landbouworganisaties cruciaal dat landbouw op termijn de rekening voor de andere sectoren (mobiliteit, industrie en huishoudens) niet moet betalen. Een doorbraak kwam er via de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Deze aanpak vat alle relevante socio-economische activiteiten (landbouw, industrie, verkeer) en gaat de vooropgestelde ammoniakreductie billijk verdelen over deze sectoren. Zodra er een duidelijke taakstelling is – hoe groot moet de reductie van de ammoniakemissie uit stallen redelijkerwijze zijn – kan de veehouderij aan de slag. Hoe zwaar die taakstelling wordt, hangt af van de noden van de natuur. Terwijl er hard gewerkt wordt aan de vermindering van de milieudruk moeten er ook extra inspanningen gebeuren om de achteruitgang van de bestaande natuur zo snel mogelijk te stoppen. Daarvoor rekent de Vlaamse regering op de natuurbeheerders die met specifieke beheermaatregelen (maaien, plaggen, verhogen grondwatertafel, enz.) de natuur als het ware kunnen leren om meer stikstof te verdragen.

Gaat het herstructureringsbeleid waarvan sprake is mij de kans geven om elders opnieuw te beginnen indien mijn bedrijf bij de gedwongen stopzetters behoort?
De Vlaamse overheid zal veehouders compenseren die hun correct vergund bedrijf moeten stopzetten omdat het een significant effect heeft op een nabij gelegen SBZ. Tegen 2015 moet het herstructureringsbeleid uitgetekend zijn. De Vlaamse Landmaatschappij neemt die taak waar. Gelet op de automatische verlengingen van vergunningen tot en met 2016 is er dus minstens één jaar tijd om samen met de bedrijfsleider naar oplossingen te zoeken. Denk daarbij aan een herstructurering van het bedrijf, een bedrijfsverplaatsing, een stopzetting die financieel vergoed wordt, enz. De aandacht gaat prioritair uit naar landbouwbedrijven met een zware impact op de stikstofdepositie in SBZ. Daarnaast zullen ook bedrijven die minder hinderlijk zijn voor de Europees beschermde natuur ondersteund worden indien hun economische leefbaarheid door bijkomende milieuvoorwaarden of ruimtebeslag ernstig in het gedrang komt.

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: Vlaams Ruraal Netwerk / Toerisme Provincie Antwerpen / Hooibeekhoeve

Volg VILT ook via