nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

In diervriendelijke stalsystemen duiken nieuwe welzijnsproblemen op
23.06.2014  Is dierenwelzijnsonderzoek (nog) nodig?

test
test
Het thema dierenwelzijn roert zich de jongste tijd. In Vlaanderen vraagt men zich luidop af of de (nieuwe) bevoegdheid onder het beleidsdomein Landbouw dan wel onder Leefmilieu of Welzijn moet vallen. Er is de vraag of onverdoofde biggencastratie bij wet dan wel op vrijwillige basis zal verdwijnen. Vier van onze (bijna) buurlanden zetten de Europese gelijkmaking van dierenwelzijnswetten op de agenda. In Nederland verkoopt een warenhuisketen alleen nog kippenvlees van de ‘Volwaard’, een Hollandse lijn die zich trager en in een ruimere en verrijkte loopruimte laat afmesten. Een poging om dierenwelzijn te valoriseren? In een televisiereportage op PlattelandsTV, te bekijken via kanaal 22 op Telenet, verklaart het Vlaams onderzoeksinstituut ILVO zich intussen bereid om ook in de toekomst een belangrijke beleidsondersteunende rol te blijven spelen wat dierenwelzijn van landbouwdieren betreft.

Europa heeft in een aantal sectoren (varkens, kippen, …) meer diervriendelijke huisvestingssystemen verplicht gemaakt. Dat kan de indruk wekken dat we er nu bijna zijn op vlak van dierenwelzijn. Klopt dat?
professor Frank Tuyttens (ILVO): Het is zeker waar dat voor veel landbouwdiersoorten de EU een verregaande normering oplegt. Maar in tegenstelling tot wat je misschien zou denken, nieuwe wetgeving is geen eindpunt voor onderzoek. Wel vaak juist een beginpunt. Nieuwe huisvestingsnormen geven op zich geen absolute garantie op een bepaald niveau van dierenwelzijn. Via doorgedreven onderzoek moet je adviezen maken om de bijbehorende bedrijfsvoering en knowhow van de veehouder op punt te stellen. Ten tweede komen met de omschakeling naar nieuwe (in potentie meer diervriendelijke) huisvestingssystemen soms nieuwe welzijnsproblemen aan het licht. Dat is problematisch voor het dier, en in bepaalde gevallen een verliespost voor de veehouder. Ook daar vraagt men dus dringende oplossingen vanuit het onderzoek.

Nieuwe welzijnsproblemen die opduiken in diervriendelijke stalsystemen? Geef eens een voorbeeld.
Tuyttens: Wij werken momenteel aan drie onderzoekstopics die dat illustreren. Eén over zeugen, één over leghennen en één over konijnenvoedsters. De sociale onrust en agressie bij drachtige zeugen in groepshuisvesting - het systeem is verplicht sinds een dik jaar - blijkt het risico op poot- en klauwproblemen te doen toenemen. Vooral in de eerste dagen dat de zeugen (na hun individuele huisvesting in boxen in de kraamstal en vervolgens in de dekstal) terug in een groepshok worden gebracht, kan het heftig zijn. Wij hebben bij één derde van de door ons gevolgde zeugen op een tiental praktijkbedrijven gezien dat er meer of minder ernstige poot- of klauwletsels optreden tijdens deze dagen. Ik hoef niet te zeggen dat een deel daarvan uiteindelijk blijvend zal sukkelen, en vroegtijdig moet worden afgevoerd. We zien ook dat mankende zeugen gemiddeld iets meer doodgeboren biggen werpen. Via een paar lopende onderzoeksprojecten zoeken we nu oplossingen. We zijn verschillende matten en vloersystemen in de zeugengroepshuisvesting aan het testen. En we kijken of tijdelijke voederadditieven zoals zink een versterkend effect hebben op de teenklauwen. We willen ook graag experimenteren met alternatieve zeugenmanagementsystemen waarbij de bruuske afwisselingen tussen individuele huisvesting en groepshuisvesting zo goed als mogelijk worden vermeden.

varken_geVILT.jpg

Een tweede voorbeeld is wat zich afspeelt in de volières voor leghennen. De klassieke kooihuisvesting in batterijen is verboden sinds 2012. De pluimveehouders konden omschakelen naar verrijkte kooien of naar niet-kooisystemen, waarvan de zogenaamde volière het meest voorkomende type is in Vlaanderen. Volières bieden de hennen een complexe omgeving waar ze meer natuurlijk gedrag kunnen uiten en waar ze veel bewegingsvrijheid hebben. Maar nu stellen we vast dat in dit huisvestingssysteem het borstbeen van opvallend veel hennen een breuk of vervorming vertoont. Van de 2.350 leghennen in 47 Belgische volièrestallen die we gescoord hebben op borstbeenletsels heeft twee op de drie ooit in haar legperiode een breuk in het borstbeen opgelopen.

We vermoeden dat dat gebeurt als de hennen – die slechte vliegers zijn – botsen of vallen als ze van etage naar etage springen of fladderen. Deformaties van het borstbeen van de kip hebben we ook vaak gevonden: 32 procent van de hennen had een milde borstbeenkromming en 28 procent een ernstige kromming. Oorzaak is wellicht de (verplichte) zitstok: wanneer de hennen zich op hun zitstok installeren, steunen ze twee derde van hun gewicht op hun borstbeen. In volières zijn zitstokken ruimschoots aanwezig en er wordt door de hennen veelvuldig en langdurig gebruik van gemaakt. We weten intussen dat de borstbeenletsels de hennen effectief pijn berokkenen. Ze zijn er ook minder mobiel door. Zo vertoeven ze langer in de nesten. Die raken sneller overbevolkt, waardoor mogelijk meer eieren buiten het nest belanden. En we weten dat zowel de productie als de kwaliteit van de eieren vermindert bij hennen met een breuk. Er is dus, ten gevolge van het complexere huisvestingssysteem, wel degelijk een nieuw dierenwelzijnsprobleem en ook een niet te negeren economisch verlies.

Moeten we concluderen dat het volièresysteem voor legkippen dan een verslechtering in plaats van een verbetering heeft betekend qua welzijn?
Tuyttens: Nee, natuurlijk niet. Er zijn voor het dier zeker voordelen aan de volière in vergelijking met de vroegere batterijkooien. Maar het toont wel aan dat het potentieel voor goed dierenwelzijn (en idem dito voor productiviteit) niet steeds volledig gerealiseerd wordt in de praktijk. Dit is in het bijzonder een aandachtspunt bij de introductie van relatief nieuwe huisvestingssystemen waar de bedrijfsvoering complexer is en een goede afstemming tussen dier en omgeving cruciaal is voor het halen van goede resultaten. Wat wij in ons onderzoeksproject als oplossing onderzoeken, is de vraag of leghennen via selectie of aangepaste opfok geschikter zijn te maken voor complexe 3D-omgevingen zoals een volière. Doordat ze bijvoorbeeld minder paniekerig zijn, preciezer kunnen vliegen en landen of sterkere botten hebben. We bestuderen ook mogelijke aanpassingen aan de huisvesting zelf. Wat is bijvoorbeeld het effect van loopladdertjes tussen de volière-etages? De hennen blijven vrij in hun beweging maar hoeven niet meer per se te vliegen als ze van etage willen veranderen.

Bij de konijnen is de overstap naar groepshuisvesting nog bezig. Loopt daar ook nog onderzoek rond?
doctor Stephanie Buijs (ILVO): Het bijzondere is dat de sector hier vrijwillig en in breed overleg stappen zet. Er is een stappenplan uitgewerkt door de sector samen met GAIA. Hierin is vastgelegd dat vanaf 2016 alle vleeskonijnen in parkhuisvesting gehouden worden, weliswaar met een aantal uitzonderingen voor bedrijven die recent geïnvesteerd hebben of de intentie hebben om op korte termijn te stoppen. Vleeskonijnen zaten altijd al in groepen, maar in de parkhuisvesting worden die groepen groter, krijgen de dieren meer ruimte tot hun beschikking en krijgen ze verrijkingsmateriaal aangeboden. Ook is er in het stappenplan de ambitie uitgesproken om de moederdieren van de vleeskonijnen (de voedsters) in groepen te houden vanaf 2021. En jawel, er loopt nog een belangrijk onderzoeksproject. Juist voor de voedsters is het ILVO die eerst en voorafgaand aan een bredere implementatie uittest of dergelijke groepshuisvesting het welzijn wel degelijk verhoogt en of er geen nadelige gevolgen optreden voor de gezondheid of de productie. Want hoewel groepssystemen meer ruimte en mogelijkheid tot sociaal contact geven en er daarom een positief effect op welzijn verwacht zou worden, kunnen er ook nadelige gevolgen zijn. Voedsters kunnen onderling namelijk behoorlijk agressief zijn. Het ILVO onderzoekt onder meer de mate van agressie en of deze verminderd kan worden door andere opfokstrategieën en management.

konijn_geVILT.jpg

Hebt u de indruk dat de schaalvergroting en industrialisering die zich voordoen in de veehouderij en zuivelproductie een impact hebben op het dierenwelzijn?
Tuyttens: Veel burgers associëren schaalvergroting met een vergaande instrumentalisatie van het dier en met minder dierenwelzijn. Het is lastig om zulk een perceptie op wetenschappelijke wijze te bevestigen of te ontkennen. Ik geef een voorbeeld uit de melkveehouderij. We weten dat deze sector de laatste decennia kampt met een toenemende mortaliteit, een stijging van productieziekten en een daling van fertiliteit. Maar ligt de oorzaak daarvan in de schaalvergroting? Of komt het door een (te?) sterke selectie op hoogproductiviteit? Als je als wetenschapper wil verklaren dat de algemene staat van dierenwelzijn verbeterd of verslechterd is tegenover pakweg een paar decennia geleden, dan behoef je historische data. Die zijn er niet of nauwelijks. Dierenwelzijnsonderzoek is een relatief jonge wetenschappelijke discipline. Weet je dat er pas sinds 2009 een Europese standaardmethode is opgesteld om de mate van dierenwelzijn te kwantificeren? Wij hebben deze zogenaamde Welfare Quality® protocollen gebruikt om het welzijn van koeien te vergelijken op traditionele en op moderne (grootschalige) bedrijven. Met ‘traditionele bedrijven’ bedoelen we bindstallen waar de stalinrichting niet aanzienlijk gewijzigd is geweest tijdens de laatste 20 jaar. ‘Moderne bedrijven’ zijn voor ons open ligboxenloopstallen recenter dan 20 jaar. Verrassend misschien, maar we vonden geen verschil in de algemene staat van dierenwelzijn. Het lijkt erop dat de meer beperkende huisvestingscondities op de traditionele bedrijven gecompenseerd werden door een aangepaste bedrijfsvoering zoals de koeien meer beweiding te gunnen.

In de discussie rond schaalvergroting versus dierenwelzijn moet je zeker ook de factor van de toenemende automatisering en het gebruik van technologie meerekenen. Als sensoren en robots goed zijn ontwikkeld en getest, en slim worden gebruikt, dan kunnen ze inderdaad helpen om de bedrijfsvoering te optimaliseren. Het wordt dan mogelijk dat één arbeidskracht veel meer dieren onder zijn hoede neemt zonder noodzakelijkerwijze in te boeten op de mate waarin gezondheid en gedrag van de dieren individueel worden opgevolgd. In een geglobaliseerde markt is dit een belangrijke ontwikkeling zeker voor landen zoals België, waar arbeid duur is. Daarom zet ook ILVO in toenemende mate in op het ontwikkelen en valideren van sensoren en technologieën die veehouders helpen met bijvoorbeeld het detecteren van tochtigheid, pootproblemen of ziekte.

Ligt de consument wakker van dierenwelzijn?
Tuyttens: Het zou nuttig zijn om de objectieve metingen van dierenwelzijn (welzijnsevaluaties) op grotere schaal toe te passen. Bijvoorbeeld om de vicieuze cirkel te doorbreken waarbij enerzijds melkveehouders meerkosten voor extra voorzieningen voor dierenwelzijn moeilijk terugverdienen. En waarbij anderzijds veel consumenten beweren belang te hechten aan diervriendelijke productiemethoden maar hun aankoopgedrag hier niet aan aanpassen. Blijkbaar zijn producten die op extra diervriendelijke wijze zijn geproduceerd moeilijk te vinden. Of de claims hieromtrent op de verpakking worden weinig geloofwaardig gevonden. Wetenschappelijk onderbouwde en onafhankelijke monitoring van dierenwelzijn op veebedrijven zou deze geloofwaardigheid vergroten. Daarom zijn we volop bezig op ILVO om de Welfare Quality® protocollen per diersoort te vereenvoudigen, zodat dierenwelzijnsscores werkbaar, routinematig, op basis van reeds bestaande data (bv. melkcontroles) verzameld worden over deze bedrijven. Dan zou het mogelijk worden om te voorspellen welke bedrijven het meeste kans hebben om zich zowel in negatieve als positieve zin te onderscheiden op het vlak van dierenwelzijn.

Bron: |

In samenwerking met: ILVO

Volg VILT ook via