nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

10.12.2015 Jonge boeren geven hun visie op toekomst landbouw

Jonge land- en tuinbouwers vragen meer marktcontrolerende instrumenten, ze denken dat een professionele ervaring buiten het eigen bedrijf hen een betere ondernemer kan maken en ze zijn ervan overtuigd dat een coöperatie hen kan helpen om meer inkomen te verwerven. Dat zijn enkele van de bevindingen die naar voor komen uit AgrOpinion, een enquête die Groene Kring en de Fédération des Jeunes Agriculteurs (FJA) naar aanleiding van Agribex lanceerden. Een panel van vijf experten kreeg de kans om de resultaten van de nodige commentaar te voorzien.

Ruim 70 procent van de jonge boeren die de enquête invulden, vindt het noodzakelijk dat marktcontrolerende instrumenten in gebruik worden genomen om de volatiliteit van de prijzen in de hand te houden. Peter Broeckx, huidig voorzitter van CRV en voormalig ondervoorzitter van Boerenbond, vond het belangrijk om een onderscheid te maken tussen de oude marktcontrolerende instrumenten, zoals quota, en nieuwe instrumenten die de volatiliteit gedeeltelijk uit de markt kunnen halen. “Op bedrijfsniveau kunnen verzekeringssystemen of het afsluiten van contracten helpen om je in te dekken tegen extreme risico’s”, stelt hij.

Ook Jeroen Buysse, professor Landbouweconomie van de UGent, ziet voordelen in dergelijke systemen. Het voordeel is dat de markt blijft werken en dat het inkomen van de landbouwers gestabiliseerd wordt. “Ik zie ook het ketenoverleg als een vorm van regulerend instrument. Een financiële tussenkomst voor de boer afdwingen via dit overleg mag echt wel een krachttoer genoemd worden.” Voor Sam Magnus, jonge landbouwer en ondervoorzitter van Groene Kring, mogen marktcontrolerende systemen niet inhouden dat er geld uit de sector verdwijnt, zoals dat in het verleden het geval was met het melkquotum. Op dat vlak viel er ook een discrepantie op te merken tussen Wallonië en Vlaanderen. De Waalse boeren blijken veel meer voorstander van marktregulatie.

Ruim zeven op tien jonge boeren denkt dat een coöperatie kansen biedt om een beter inkomen te verwerven. De panelleden waren het er wel over eens dat coöperaties moeten gerund worden als andere bedrijven: ook een coöperatie moet de juiste dingen doen en goed gemanaged worden. “Je mag ook niet verwachten dat een coöperatie alle problemen oplost bij een laagconjunctuur”, stelt Broeckx. Hij werd bijgetreden door José Renard, kabinetschef van de Waalse landbouwminister. “Als je lid wordt van een coöperatie moet je niet verwachten dat je meer winst zal maken. Het doel is om samen sterker te staan”, beweert hij. “Landbouwers moeten daarbij ook hun verantwoordelijkheid opnemen. Je moet weten wat de markt verwacht en daarop inspelen”, aldus Sam Magnus. Al is het voor hem duidelijk dat er nood is aan een intenser contact tussen boer en coöperatie. “Het is belangrijk dat een coöperatie aangeeft aan zijn leden wat er van hen verwacht wordt.”

Over ggo’s tekende zich een duidelijk onderscheid af tussen Vlaanderen en Wallonië. Vlaamse jonge boeren lijken veel meer bereid om ggo’s te telen dan hun Waalse collega’s. “Onze productiemethode is doorheen de geschiedenis steeds in ontwikkeling geweest. Als dit de voedselproductie kan veilig stellen, lijkt het mij idioot om de ggo-techniek te weren”, reageert Peter Broeckx. Voor Pierre André, de voorzitter van FJA, moet er een duidelijk voordeel voor de landbouwer aan verbonden zijn, zoals bij de plaagresistente aardappel bijvoorbeeld het geval was. “Maar ik vrees dat in veel gevallen enkel de grote multinationals er bij winnen.”

Volgens professor Buysse wijst onderzoek uit dat de winst die er te halen is met ggo-technieken voor 60 procent naar landbouwers gaat en voor 40 procent naar multinationals. “Hier wordt vaak verkeerd over gecommuniceerd. Landen die nieuwe technieken snel overnemen, halen er bovendien meer voordeel uit dan landen die later instappen.” Maar los daarvan vindt hij het vooral belangrijk om te kijken naar wat de consument vindt. Hij werd daarin bijgetreden door Sam Magnus. “Zolang de consument geen ggo’s wil, zal ik die niet produceren”, stelt hij. Al vindt hij wel dat de communicatie naar de consument beter kan. “Ggo’s worden nog te vaak voorgesteld als Frankensteinvoedsel.”

Tot slot waren bijna alle jonge land- en tuinbouwers het erover eens dat een professionele ervaring buiten het eigen bedrijf, zoals een stage, hen zou helpen om een betere agrarische ondernemer te zijn. “Dat geldt niet alleen voor de landbouw, maar voor iedereen”, beweert Jeroen Buysse. Volgens hem kan je alle kennis en kunde die je nodig hebt om een goede landbouwer te zijn, niet alleen bij jezelf of je ouders halen. Ook voor Peter Broeckx is het duidelijk dat je nooit volleerd bent. “Als het bijdraagt aan je eigen persoonlijke ontwikkeling, pluk je er vroeg of laat de vruchten van.”

“Innovatie en kennisoverdracht zijn ontzettend belangrijk in landbouw en zullen alleen maar belangrijker worden”, benadrukt José Renard. Volgens hem zijn de landbouwopleidingen van vandaag nog vaak te technisch gericht. “Je leert hoe je een goede boer moet zijn, maar dat is niet voldoende. Je moet ook een goed manager zijn. Je moet je cijfers door en door kennen.” De laatste raad die de kabinetschef van de Waalse landbouwminister de jonge boeren meegaf, was simpel. “Neem op tijd een paar dagen vakantie. Het leert je afstand te nemen van je bedrijf en de zaken anders te bekijken.”

Meer informatie: AgrOpinion of luister vrijdagmorgen tussen 9 en 10 uur naar Hautekiet op Radio 1.

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via