nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

11.12.2018 Klimaatvoetafdruk melk verklein je via voeder van koe

De productie van voedsel, in eender welke vorm, heeft een impact op het klimaat. Dierlijke maar ook plantaardige voedingswaren kan je niet produceren zonder broeikasgassen uit te stoten. Hou je met de volledige levenscyclus van een product rekening, dan leidt de productie van melk tot 2,9 procent van de wereldwijde emissies. Onderzoek in Vlaanderen leert dat het voeder van de koeien in belangrijke mate de klimaatvoetafdruk van zuivel bepaalt. ILVO onderzocht hoe de milieulast daalt door landbouwgrondstoffen zoals graan en soja in het rantsoen te vervangen door nevenstromen genre bietenpulp en de restproducten van biobrandstoffabrikanten.

De veehouderij is op wereldschaal verantwoordelijk voor 14,5 procent van de door de mens veroorzaakte emissie. Daarbij rekent Wereldvoedselorganisatie FAO met de levenscyclusanalyse die rekening houdt met de uitstoot van de winning van de grondstof, de fabricatie, het gebruik tot de verwerking en definitieve verwijdering op het einde van de levenscyclus. Kijk je uitsluitend naar herkauwers, dan is het aandeel 10 procent. In de brochure ‘Naar een duurzame zuivelsector in Europa’ focust VLAM op de productie van melk en de hieraan gekoppelde vleesproductie. Zo geteld, is de uitstoot van de zuivelsector verantwoordelijk voor 4 procent van de mondiale uitstoot. De productie van melk op zich leidt volgens FAO tot 2,9 procent van de emissie.

Om de milieu-impact van zuivelproductie zo laag mogelijk te houden, is de sector continu op zoek naar rantsoensamenstellingen voor de melkkoeien die de uitstoot kunnen verkleinen. Traditioneel wordt 14 procent organisch-biologische nevenstromen ingemengd in het krachtvoeder dat koeien op Belgische boerderijen krijgen. Landbouwonderzoeksinstituut ILVO uit Merelbeke/Melle onderzocht welke winst daarmee geboekt wordt ten opzichte van een koerantsoen dat uit meer granen en soja bestaat.

In dit onderzoek vergeleek ILVO een Belgisch referentierantsoen voor melkvee met een referentierantsoen zoals dat typisch voorkomt in Centraal- en Oost-Europa en de Balkan: nutritioneel evenwaardig maar laag in nevenstromen (2-3% versus 14% voor ons land). De koolstofvoetafdruk van de voeders wordt uitgedrukt in CO2-equivalenten per ton voeder.

Voor rantsoenen die maximaal of submaximaal zijn ingevuld met organisch-biologische nevenstromen, liggen de waardes dicht bij elkaar: 167 kg CO2-eq/ton (Belgisch melkveerantsoen) versus 169 kg CO2-eq/ton (Europees melkveerantsoen). Reken je de impact van landconversie mee, dan wordt het verschil groter, met 53 kg CO2-eq/ton voer in het voordeel van de Belgische rantsoensamenstelling. Het effect van gewijzigd landgebruik weegt dus sterk door.

Rantsoenen met minder nevenstromen hebben een koolstofvoetafdruk die circa 16 procent hoger ligt per ton voeder, inclusief gewijzigd landgebruik. Als je de koolstofvoetafdruk uitdrukt per liter geproduceerde melk (g CO2 eq/l standaardmelk), dan is er een lichte daling (<10%) door maximaal organisch-biologische nevenstromen te valoriseren in het voeder wanneer je de bijdrage van landconversie meetelt: 40 gram CO2 eq ten opzichte van een gelijkwaardig rantsoen. Zonder het effect van gewijzigd landgebruik in rekening te brengen, is de koolstofvoetafdruk per liter standaardmelk lichtjes hoger bij maximaal gebruik van organisch-biologische nevenstromen.

Meer info: Duurzaamheidsrapport zuivel 2018

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via