nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

08.10.2018 Krijgen granen weer een sleutelrol in akkerbouwinkomen?

2018 wordt voor akkerbouwers geen jaar dat de rendabiliteit van hun bedrijf zal opkrikken. Eindelijk zijn de graanprijzen aan het stijgen, maar de opbrengst leed onder de droogte. Het tekort aan water deed zich nog harder voelen in andere teelten, aardappelen op kop. “Met de federatie van de aardappelverwerking wordt naar een oplossing gezocht voor telers die hun contract niet kunnen vol leveren”, zegt Mathieu Vrancken, akkerbouwer in Riemst en sectorvakgroepvoorzitter bij Boerenbond. De stijgende olieprijs stemt hem ondanks de duurdere diesel voor tractoren hoopvol, omdat de ethanolindustrie dan ook meer granen koopt. “Een hogere graanprijs kan de contractprijs van andere teelten doen opveren.”

Droge jaren zorgen op akkerbouwbedrijven voor extra stress en slapeloze nachten om de beregeningshaspel draaiende te houden. Achteraf beschouwd zijn het vaak de betere jaren in de boekhouding. Door het uitblijven van neerslag is de ziektedruk laag, wat vooral in aardappelen en grove groenten de kostprijs kan drukken. Bovendien staat droog weer vaak gelijk aan ‘veel zon’, wat positief uitdraait voor de opbrengst van granen en het suikergehalte van bieten. Het kan echter ook te droog zijn, zoals dit seizoen. Boerenbond raamt de omzetdaling in de akkerbouw ten opzichte van 2017 op drie procent. Als gevolg van de hitte en droogte valt de graanoogst zo’n 17 procent kleiner uit. Voor tarwe en gerst viel de oogst al bij al nog mee (-10%), maar de opbrengst van korrelmaïs lijkt ronduit slecht (-30%). Veel planten droegen geen kolven en daarom zijn heel wat percelen korrelmaïs als ruwvoeder voor de koeien ingekuild.

“Tarwe en gerst maken standaard deel uit van de gewasrotatie van een akkerbouwer. Door de stijgende graanprijs worden deze teelten eindelijk wat rendabeler want de afgelopen jaren waren ze economisch nauwelijks verantwoord”, vertelt Mathieu Vrancken, voorzitter van de sectorvakgroep Akkerbouw bij Boerenbond. Op zijn akkerbouwbedrijf in Riemst bleven granen in de rotatie omdat ze ‘rust’ brengen tussen andere gewassen die meer vergen van de bodem. Bovendien ruimen granen vroeg het veld zodat een groenbedekker als nateelt ingezaaid kan worden. Met een indicatieve prijsnotering van circa 180 euro per ton lijken tarwe en gerst dit seizoen ook financieel wat bij te dragen. “Behalve het directe effect van een hogere prijs is ook het indirecte effect van belang want de graanprijs blijft de referentie voor de contractprijs van andere teelten.”

De uitzaai van wintergerst is al ver gevorderd en weldra gaat ook de wintertarwe de grond in. Akkerbouwers dienen nu te kiezen voor granen of voor de meer risicovolle teelt van aardappelen, suikerbieten, grove groenten of cichorei. “Voor elke andere teelt dan granen geldt dat de opbrengst onzekerder is, de investering zwaarder of anders wel de arbeidsbehoefte van een andere grootteorde is”, zegt Vrancken. Graanboerderijen zoals in Frankrijk vind je in Vlaanderen niet. Teelten met een hogere toegevoegde waarde maken op de prijzige Vlaamse grond noodzakelijkerwijs deel uit van de gewasrotatie. “Vooral jonge bedrijfsleiders gaan na een (dure) overname op zoek naar meer omzet per hectare. Op bedrijven met een oudere bedrijfsleider zonder opvolger, maar ook zonder schuldenlast, zie je nog vaak een klassieke rotatie van granen en suikerbieten, en in mijn thuisregio Zuid-Limburg ook cichorei.”

Korrelmaïs heeft op lichte grondsoorten een hoger opbrengstpotentieel dan tarwe. De teelt laat ook veel plantenresten na en is dus interessant om het organische stofgehalte op te krikken. Voor de financiële opbrengst hoeft een akkerbouwer het dit jaar niet te doen. “De opbrengsten zijn erg wisselvallig. Er zal dit seizoen zowel 14 ton als 2 ton van een hectare gedorst worden”, ervaart Vrancken. Gemiddeld belooft het een heel pak minder te worden dan in een normaal jaar. Boerenbond houdt rekening met een schamele 7 ton per hectare. Bij een indicatieve prijs van 110 euro per ton vochtige maïs is het rendement ondermaats.

Heel wat akkerbouwers zijn zich in toenemende mate gaan specialiseren in aardappelteelt. Het aardappelareaal in Vlaanderen bedroeg dit jaar 50.000 hectare. Bij akkerbouwbedrijven met een aardappelspecialisatie geniet contractteelt vaak de voorkeur op de vrije markt. “Jonge bedrijfsleiders zijn op zoek naar zekerheden. De kilo-opbrengst is onzeker onder invloed van de weersomstandigheden zodat een vaste prijs enige houvast biedt.” In een doorsnee jaar werkt die strategie maar 2018 is allesbehalve een normaal seizoen. Door de droogte zijn de aardappelen dit seizoen ondermaats en komen sommige telers in moeilijkheden met het door hen gecontracteerde volume. Zelfs een contract à 30 ton per hectare biedt dit jaar niet altijd de garantie dat het vol geleverd kan worden. Wie 40 of misschien wel 50 ton per hectare contracteerde, kijkt aan tegen een financieel drama.

Boerenbond raamt een productiedaling voor consumptieaardappelen met 36 procent door een kleine areaaldaling en aanzienlijk lagere gemiddelde opbrengsten (-32%). Met de sectorfederatie van de aardappelverwerkers wordt naar oplossingen gezocht, “waarbij het gelijk behandelen van aardappeltelers een belangrijk uitgangspunt is”, aldus Vrancken. Daar raakt hij een teer punt want aardappelen worden zowel vrij als op contract geteeld, en de dood van de één (de contractteler dit seizoen, nvdr.) is nog vaak het brood van de ander (teler met veel vrije aardappelen, nvdr.). In Vlaanderen wordt de laatste jaren zo’n 60 procent van de productie onder contract verbouwd. De overige 40 procent wordt op de vrije markt verhandeld, maar dit jaar zal het volume vrije aardappelen wellicht beduidend lager liggen doordat vrije aardappelen aangewend zullen worden om zo veel mogelijk te voldoen aan de contractuele verplichtingen. Ondanks deze sterke prijsstijgingen op de vrije markt (het drievoudige van 2017) wordt een omzet verwacht op hetzelfde niveau als in 2017.

“Het inkomen van een akkerbouwer groeit buiten, in weer en wind. Sinds het verdwijnen van het suikerquotum zijn er geen zekerheden meer op akkerbouwbedrijven. Gelet op de grote investeringen zoeken bedrijfsleiders daar wel naar. Zo komen ze uit bij contractteelt”, legt Mathieu Vrancken uit waarom contractteelt zo snel aan populariteit won in de aardappelsector. Schommelende kilo-opbrengsten in combinatie met lage prijzen zijn immers een dooddoener voor elk bedrijf.

Wanneer het over lage prijzen gaat, verwijst de sectorvakgroepvoorzitter ook naar de teelt van suikerbieten. Vrancken: “Bij de start van de discussies over het verdwijnen van het suikerquotum waren we bang voor een scenario zoals in de melkveehouderij. De Europese Commissie probeerde ons gerust te stellen, maar een rampscenario voor teler én verwerker voltrok zich kort daarna. Boeren wisten het dus beter dan de economisten van het directoraat-generaal Landbouw. Financieel zo rooskleurig als ten tijde van het quotum wordt het mogelijk niet meer, maar ik vertrouw er wel op dat de situatie zich herstelt. Alleen zal dat tijd vergen. In Europa stagneert de suikerconsumptie, mondiaal stijgt de vraag ieder jaar nog met ruim anderhalve procent. Het aanbod aan riet- en bietsuiker is sterk klimaatafhankelijk.”

Over de verankering van de suikerbietenteelt in eigen land maakt Vrancken zich geen grote zorgen. “De Tiense Suikerraffinaderij en Iscal Sugar hebben bewezen tot de meest performante fabrieken van Europa te behoren. Bovendien realiseren Belgische akkerbouwers topopbrengsten op onze goede gronden in een gematigd zeeklimaat.” Wat hem wel ongerust maakt, is de discussie over neonicotinoïden en andere actieve stoffen die hun nut bewezen hebben binnen een geïntegreerde gewasbescherming. “Desmedifam (Betanal) is een basismiddel voor de onkruidbestrijding in bieten, wordt al decennia veilig gebruikt maar staat nu toch ter discussie als hormoonverstoorder.”

Mathieu Vrancken houdt niet van de heksenjacht op gewasbeschermingsmiddelen: “Mocht naar sporen van geneesmiddelen in het oppervlaktewater gezocht worden zoals naar pesticidenresiduen, dan zouden beleidsmakers en maatschappij grote ogen trekken. Dat gebeurt niet. Waarom niet? Is het makkelijker om een kleine bevolkingsgroep zoals landbouwers te viseren?” Wat de neonicotinoïden betreft, hoopt de akkerbouwer dat het gezond verstand finaal zegeviert: “Op EU-niveau is tot een verbod besloten, maar België heeft net als andere lidstaten de mogelijkheid om een derogatie te beargumenteren. Onder strikte voorwaarden zou een zaadomhulling van suikerbieten met neonicotinoïden kunnen in het kader van de 120-dagen-regeling. Afwachten, want de kogel is nog niet door de kerk.”

Een landbouwbedrijf is geen fabriek waar je start met grondstoffen en eindigt met een vooraf kwantificeerbaar volume aan eindproduct. Het risico van een teeltmislukking door het weer dragen akkerbouwers zelf. “De verwerkende industrie anticipeert daar niet op in de contracten voor aardappelen en evenmin voor groenten, hoewel de producentenorganisaties daar op aandringen”, weet Vrancken. In een hoogst uitzonderlijk jaar als 2018 komt de overheid (wellicht – de beslissing moet nog vallen) tussen via het Landbouwrampenfonds. Zaligmakend is dat volgens de akkerbouwer niet: “Het Landbouwrampenfonds ligt aan het infuus, en het is wachten op een brede weersverzekering met een voor boeren betaalbare verzekeringspremie. Voor de overheid lijkt een rol weggelegd als herverzekeraar om private verzekeringsfirma’s vertrouwen in te boezemen.”

Gevraagd naar de toekomst van de akkerbouw ziet de sectorvoorman geen ‘one-size-fits-all’-oplossing. “Sommige bedrijven zullen opteren voor specialisering en schaalvergroting om hun vaste kosten te drukken. Andere bedrijven zullen verbreden en hun heil zoeken in hoeveverkoop, hoevetoerisme, groene zorg, enz. Voor nog andere kan de teelt van soja, iets totaal nieuws voor onze contreien, een verrijking zijn binnen de gewasrotatie. Aan de slaagkansen van soja wordt getwijfeld maar ik vergelijk soja met korrelmaïs. Twintig à dertig jaar geleden leek maïs ook niet te groeien in onze contreien, maar met aangepaste variëteiten lukte het wel.” Aan het ophemelen van de korte keten doet Vrancken niet mee, maar hij erkent dat het succesvol kan zijn. “Een nevenactiviteit als een hoeveslagerij kan zo’n succes worden dat het de landbouwactiviteit gaat overvleugelen. Toch is het slechts weggelegd voor een beperkt aantal bedrijven binnen eenzelfde regio opdat we elkaar niet zouden dood concurreren. Bovendien is een landbouwer in de eerste plaats nog altijd producent, in zijn hart is hij liefst van al bezig in de stal en op het veld.”

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via