nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

28.01.2019 Lagere stikstofnorm net daar waar landbouw intensief is

De waterkwaliteit in landbouwgebied verbetert de laatste jaren niet meer. Om de Europese doelstellingen alsnog te halen, legt de Vlaamse overheid de lat voor land- en tuinbouw opnieuw wat hoger met het zesde mestactieprogramma (MAP 6). Vanwege de grote regionale en lokale verschillen in de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater zet MAP 6 sterk in op de gebiedsgerichte aanpak waarmee de voorbije jaren al ervaring werd opgedaan. Boeren die actief zijn in een gebied waar de waterkwaliteit ondermaats is, bijvoorbeeld de intensieve groentestreek in West-Vlaanderen, gaan hun bedrijfsvoering ingrijpend moeten aanpassen. Ofwel daalt voor hen de maximale bemesting met stikstof stapsgewijs met 20 procent en moeten ze een vijfde meer vanggewassen zaaien, ofwel schikken ze zich naar een pakket equivalente maatregelen.

Voor het mestbeleid in Vlaanderen staan alle seinen op oranje tot rood. De dalende trend van zowel de maximale als de gemiddelde nitraatconcentraties in grond- en oppervlaktewater kwam de laatste jaren tot stilstand. Ook het nitraatresidu op het einde van het groeiseizoen, als indicator voor de stikstofverliezen uit landbouwbodems, vertoont geen verdere daling meer. De druk door dierlijke bemesting lijkt nog te dalen, maar de Mestbank merkt een toenemende milieudruk door het gebruik van kunstmest. Het areaal van teelten dat geassocieerd wordt met intensiever gebruik van kunstmest en een hoger risico op uitspoeling van nitraat, is de afgelopen jaren toegenomen. Het gaat dan over aardappelen en groenten.

Met het zesde mestactieprogramma wil de Vlaamse overheid de nutriëntenverliezen uit land- en tuinbouw reduceren om de doelstellingen uit de Europese Nitraatrichtlijn te halen. Er wordt ingezet op het verhogen van de effectiviteit van het bestaande beleid door een betere handhaving en implementatie. De gebiedsgerichte aanpak wordt verder uitgediept, wat wil zeggen dat de maatregelen strenger zijn in gebieden waar een goede waterkwaliteit nog veraf is.

Uit de ontwerptekst van MAP 6 is op te maken dat de afstroomzones in vier gebiedstypes worden ingedeeld op basis van de meetresultaten. Gebiedstype 0 duidt op een goede kwaliteit van oppervlakte- en grondwater. Daar kunnen een aantal bepalingen uit het lopende mestbeleid zelfs versoepeld worden. Omgekeerd zullen bijkomende maatregelen opgelegd worden in gebiedstypes 2 en 3. In gebiedstype 1 zijn de waterkwaliteitsdoelstellingen in zicht en moet het lukken om de eindmeet te halen door nog vaker na de oogst van de hoofdteelt een vanggewas te zaaien.

Het risico op uitspoeling van nitraat aan het eind van het seizoen ligt in een aantal teelten hoger. De drempelwaarde wordt het vaakst overschreden in aardappelen, groenten en sierteelt. Een studie wees uit dat het oordeelkundig telen van vanggewassen een even groot milieuvoordeel oplevert als boeren aanzetten tot een bijsturing van een teeltkeuze. Aardappelen of groenten vervangen door granen of grasland is ook een manier om het probleem aan te pakken, maar economisch is dat moeilijk recht te rekenen.

Op circa 306.000 hectare van het Vlaamse landbouwareaal worden de streefwaarden voor grond- en oppervlaktewater reeds gehaald. Wie daar actief is als landbouwer heeft van MAP 6 niets te vrezen, integendeel zelfs. De situatie is anders voor de landbouwbedrijven die grond bewerken in de 112.000 hectare van gebiedstype 2 en 123.000 hectare van gebiedstype 3. Zij zullen het nieuwe mestactieprogramma als een extra last ervaren. Een groot deel van de provincie West-Vlaanderen kleurt oranje of rood. Ook in de vier andere provincies vind je, zij het dan in mindere mate, de gebiedstypes 2 (oranje) en 3 (rood) terug.

Onder MAP 5 was ruim 237.000 hectare afgebakend als focusgebied. Het gebied waar specifieke en strengere maatregelen van kracht zijn, groeit onder MAP 6 met 56 procent tot ruim 370.000 hectare. Vaak, maar niet altijd, overlapt het oude focusgebied met de nieuwe indeling in gebiedstypes 1, 2 en 3. Verschillen zijn te verklaren door de nieuwe meetmethode, waarbij aan de gemiddelde nitraatconcentraties in oppervlakte- en grondwater meer gewicht wordt toegekend dan aan de piekwaarden.

Waar het niet goed gaat met de waterkwaliteit, worden een daling van de bemestingsnorm en een toename van het areaal vanggewassen of grasland als standaardmaatregelen ingevoerd. Omdat het om twee grote ingrepen in de bedrijfsvoering van een landbouwer gaat, gebeurt dat gefaseerd. In gebiedstype 2 daalt de bemestingsnorm voor werkzame stikstof in 2020 met 5 procent en in 2022 met 10 procent. In gebiedstype 3 wordt dit jaar al een eerste stap (-5%) gezet, en gaat er vervolgens ieder jaar 5 procent af om in 2022 uit te komen op een 20 procent lagere bemestingsnorm. Op een soortgelijke manier moet het areaal bouwland dat een landbouwer inzaait met vanggewassen of gras richting 2022 toenemen met 10 procent in gebiedstype 2 en met 20 procent in gebiedstype 3.

Een landbouwer die bovenstaande maatregelen onverzoenbaar acht met zijn bedrijfsvoering heeft een alternatief. Dat alternatieve systeem moet leiden tot een even grote reductie van de stikstofverliezen. Om vrijgesteld te worden van de standaardmaatregelen is bijvoorbeeld een positieve bedrijfsevaluatie van het nitraatresidu nodig. Naar analogie met de ‘fytolicentie’ komt er een ‘fertilicentie’, die geldt als equivalente maatregel. Voor het behalen van die licentie moet een landbouwer aantonen dat hij het advies opvolgde dat voortvloeide uit een bemestingsaudit.

Om innovatie in de praktijk te bevorderen, wil de Mestbank ook toestaan dat landbouwers individueel of in groep een aantal equivalente maatregelen treffen: perceelsranden, uitgebreide teeltvrije zones langs waterlopen, ruimere teeltrotatie, toepassen van precisiebemesting, aanleggen van bufferbekkens, enz. Om na te gaan of een combinatie van deze maatregelen gelijkwaardig is aan de standaardmaatregelen (minder bemesten en meer vanggewassen zaaien, nvdr.) is een adviescomité van experten samengesteld.

Meer info: ontwerp - MAP 6

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: Loonwerk Defour

Volg VILT ook via