nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

13.12.2018 Landbouwbedrijf vergroot, specialiseert en vergrijst

Het aantal land- en tuinbouwbedrijven daalt jaar na jaar met 3,2 procent zodat er nog 23.225 bedrijven overblijven. Tegelijkertijd zet de specialisatie en schaalvergroting in de sector zich verder. Zo is de gemiddelde oppervlakte per bedrijf de afgelopen tien jaar met een derde gestegen tot 26 hectare. Ook de vergrijzing neemt toe: op tien jaar tijd is de gemiddelde leeftijd gestegen van 50 tot 54 jaar. Dat blijkt uit het zevende Landbouwrapport (LARA) van het Departement Landbouw en Visserij. “De inzichten en cijfers die worden aangereikt in het rapport kunnen mee het debat over de toekomst van de land- en tuinbouw in Vlaanderen voeden”, zegt Patricia De Clercq, secretaris-generaal van het landbouwdepartement.

In tien jaar tijd is het aantal land- en tuinbouwbedrijven met ruim een kwart teruggelopen. In 2017 gaat het om 23.225 bedrijven waarvan 78 procent een beroepsmatig karakter heeft, of met andere woorden een standaardoutput genereert van minstens 25.000 euro. “Als de huidige dalende trend zich voortzet, telt Vlaanderen in 2022 minder dan 20.000 landbouwbedrijven. Het zijn vooral de kleinere bedrijven die ermee ophouden, wat zorgt voor een voortdurende schaalvergroting”, zo vertelt Jonathan Platteau, één van de auteurs van het LARA.

Zo is het gemiddelde areaal per bedrijf vandaag 26,3 hectare en de gemiddelde standaardoutput is 238.000 euro, een stijging van bijna 40 procent in vergelijking met 2007. Een veeteeltbedrijf telt anno 2017 gemiddeld 112 stuks grootvee-eenheden. Op een gespecialiseerd rundveebedrijf zijn er gemiddeld 142 dieren, een stijging van ruim 52 procent in vergelijking met tien jaar geleden. Ook het aantal dieren bij gespecialiseerde varkens- en pluimveebedrijven is op tien jaar tijd sterk toegenomen. Respectievelijk gaat het om een stijging van bijna 47 procent tot gemiddeld 2.121 varkens en van 64 procent tot 55.015 stuks pluimvee.

Naast die voortdurende schaalvergroting is ook een toenemende mate van specialisatie vast te stellen. Vandaag is 88 procent van de bedrijven gespecialiseerd in één van de drie subsectoren: veeteelt (50%), akkerbouw (26%) en tuinbouw (12%). Een andere vorm van specialisatie is de biologische landbouw. Eind 2017 waren er 468 biologische land- en tuinbouwbedrijven actief, inclusief de bedrijven in omschakeling. Het aantal bioproducenten groeit de laatste vijf jaar met gemiddeld 9,4 procent. Ongeveer 1,2 procent van het volledige landbouwareaal wordt vandaag biologisch bewerkt, samen goed voor 7.367 hectare.

Naast specialisatie kiezen ook steeds meer bedrijven voor verbredingsactiviteiten die niet rechtstreeks met productie te maken hebben. Zo zijn er volgens de laatste cijfers 2.952 landbouwers met beheerovereenkomsten voor natuur-, milieu- en landschapsbeheer, 2.002 bedrijven met hoeveverkoop, 857 bedrijven die aan loonwerk doen, 446 actieve zorgboerderijen, 361 landbouwbedrijven met een vorm van plattelandstoerisme en 252 landbouwers die energie produceren bestemd voor verkoop. Op die manier kunnen zij een aanvullend inkomen genereren.

Vorig jaar gebruikte de landbouw 610.971 hectare grond, een daling van 2,1 procent ten opzichte van 2007. Grond is voor veel landbouwbedrijven een sterk beperkende factor, want in het sterk verstedelijkte Vlaanderen is landbouwgrond een schaars goed. Dat vertaalt zich ook in de prijs van grond. De gemiddelde prijs van een Vlaamse hectare landbouwgrond bedraagt vandaag 52.137 euro, een stijging van maar liefst 35 procent in vergelijking met 2014 of een gemiddelde jaarlijkse stijging van 6,2 procent. Al zijn er sterke provinciale verschillen: in Antwerpen en Limburg ligt de gemiddelde hectareprijs rond 65.000 euro, waar in Vlaams-Brabant minder dan 40.000 euro per hectare wordt geboden. Een landbouwers heeft gemiddeld ongeveer 37 procent van de bewerkte oppervlakte in eigendom, al is het aandeel eigendom omgekeerd evenredig met de grootte van het bedrijf.

Ook de vergrijzing zet zich door in de land- en tuinbouw. De gemiddelde leeftijd van een Vlaamse landbouwer is 54 jaar, tien jaar geleden was dit nog 50 jaar. Zo heeft slechts 9,7 procent van de bedrijven een bedrijfsleider die jonger is dan 40 jaar, terwijl 15,7 procent ouder is dan 65. Als aan de 50-plussers wordt gevraagd of ze een opvolger hebben, dan antwoordt slechts 13 procent daar bevestigend op. “De jongere bedrijfsleiders zijn doorgaans wel beter opgeleid. Bij de jongere bedrijfsleiders is het percentage met enkel praktische ervaring slechts 17 procent, terwijl dat voor de oudere landbouwers 48 procent bedraagt. Hoe groter de bedrijven, hoe meer de bedrijfsleiders een hogere landbouwopleiding genoten hebben”, stelt Jonathan Platteau.

Onzekerheid rond het inkomen is volgens het LARA een belangrijke verklaring voor het gebrek aan opvolging bij Vlaamse land- en tuinbouwbedrijven. In 2016 lag het gemiddelde familiale arbeidsinkomen per voltijdse familiale arbeidskracht in de landbouw onder de 30.000 euro. De tuinbouw scoorde opmerkelijk beter met een familiaal arbeidsinkomen van ruim 60.000 euro. Ondanks de soms beperkte verdienste in de sector beleeft acht op tien landbouwers voldoening aan hun job. Meer dan de helft is tevreden tot zeer tevreden. Een op de vijf kampt echter met hoge tot zeer hoge stress en 11 procent kampt met een hoge tot zeer hoge probleemgevoeligheid. “De belangrijkste kopzorgen zijn onzekerheid over het inkomen, administratieve lasten en problemen met het verwerven van bijkomende grond”, luidt het.

Op basis van alle verzamelde cijfers in het LARA formuleerde het Departement Landbouw en Visserij negen uitdagingen. Eén van die uitdagingen is een leefbaar en eerlijk inkomen voor de landbouwer. “Duurzame ontwikkeling in al zijn facetten lukt pas als er een stabiele inkomensbasis is om verder op te bouwen. Een inkomen dat bij voorkeur uit de markt wordt gehaald”, zo zegt secretaris-generaal Patricia De Clercq. Al wijst ze er meteen op dat er voor deze uitdaging geen mirakeloplossing bestaat. “We proberen wel via het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid bij te sturen waar de marktwerking faalt, denk maar aan de directe inkomenssteun en de investeringssteun (VLIF) die landbouwers meer kansen geeft om te investeren, innoveren en nieuwe businessmodellen te ontwikkelen.”

Bovendien bevat het GLB een aantal belangrijke uitzonderingen op de algemene mededingingsregels voor ondernemingen. “Op die manier kan via horizontale en verticale samenwerking een verbetering van de positie in de keten worden bekomen. Dergelijke samenwerkingen tussen individuen, met behoud van autonomie en zelfstandigheid en dus geen integratie, lijken essentieel om de positie van de landbouwer te verbeteren en terug prijszetter te worden in plaats van prijsnemer”, aldus De Clercq.

De komende dagen zoomt VILT verder in op de cijfers over de Vlaamse land- en tuinbouw en op de acht overige uitdagingen waar de sector voorstaat.

Meer informatie: Landbouwrapport 2018

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via