nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

06.11.2017 Landbouwers kiezen voor productief invullen vergroening

De alumnivereniging van bio-ingenieurs van de KU Leuven (VBI) beloonde de beste bachelor- en masterproeven. De wedstrijd brengt een aantal voor landbouw interessante eindwerken boven water, zoals de toetsing aan de praktijk van de vergroening van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Van de drie vergroeningsvoorwaarden kan vooral de inrichting van ecologisch aandachtsgebied (EAG) een grote meerwaarde hebben voor het milieu. Een landbouwer kan op verschillende manieren vijf procent van zijn bedrijfsareaal vergroenen zodat de impact afhangt van de EAG-keuzes die hij maakt. In de praktijk blijft het potentieel van kleine landschapselementen onderbenut en genieten productieve EAG-types de voorkeur van landbouwers.

Bij de hervorming van het Europees landbouwbeleid in 2013-2014 werd sterk ingezet op de vergroening van het beleid en de bijbehorende inkomenssteun aan landbouwbedrijven. De Europese Commissie tekende drie vergroeningsmaatregelen uit, waaronder de zogenaamde ecologische aandachtsgebieden (EAG). Landbouwbedrijven met een areaal groter dan 15 hectare (uitgezonderd blijvend grasland en permanente gewassen) zijn verplicht om vijf procent van de oppervlakte een groenere invulling te geven. Dat kan op vele manieren, die met elkaar gemeen hebben dat ze bijdragen aan een hogere biodiversiteit en ecosysteemdiensten leveren zoals het voorkomen van erosie en nutriëntenuitspoeling. Wie het nalaat, riskeert een vermindering van de subsidies.

Aan de faculteit Bio-ingenieurswetenschappen van de KU Leuven hebben studenten voor hun bachelorproef nagegaan hoe het ecologisch aandachtsgebied in de praktijk ingevuld wordt. Onder begeleiding van professor Jos Van Orshoven en doctoraatstudent Sam Ottoy penden Jordy Knoops, Karel van Brantegem, Jef van Dessel en Bill Smeets hun bevindingen neer in een wetenschappelijk artikel. Vanuit het standpunt van de landbouwer is het begrijpelijk dat hij kiest voor een EAG-invulling die goedkoop of gemakkelijk is, maar als keerzijde een beperkt ecologisch voordeel heeft. Sowieso is het meten van de potentiële milieu-impact van een welbepaald EAG-element lastig vanwege een gebrek aan consensus of wetenschappelijk bewijs.

De bio-ingenieurs voerden een literatuurstudie uit en maakten met behulp van via Geopunt Vlaanderen vrij verkrijgbare geodata een terreinanalyse van het bekken van de Mark. Daarbij werd het 12.583 hectare grote bekken als één groot landbouwbedrijf beschouwd om de oefening niet te complex te maken. De studenten vonden effectief een toename in het areaal EAG na de beleidshervorming in 2013, maar – en dat is opvallend – deze is onvoldoende om het beoogde doel van vijf procent te bereiken. “Het bekken van de Mark behaalt slechts één procent EAG van de totale oppervlakte”, schrijven ze.

Over een verklaring is ook nagedacht: “Dit cijfer is niet representatief voor de Belgische landbouw want volgens de EU-statistieken haalt België gemiddeld 5,3 procent. Het kan verklaard worden door een intensieve en grootschalige vorm van landbouw in het bestudeerde bekken van de Mark, en door de onvolledigheid van de gebruikte datasets.” Zo moeten EAG-elementen alleen aangelegd en in stand gehouden worden door bedrijven groter dan 15 hectare. Landbouwstatistieken geven aan dat in Vlaanderen circa 30 procent van de grondgebonden bedrijven groter is dan 15 hectare en zij samen 70 procent van het landbouwareaal innemen.

“De beleidsvorming op Europees niveau had een zichtbaar doch te klein effect om het beoogde doel van vijf procent ecologisch aandachtsgebied te behalen”, concluderen de bio-ingenieurs. “Tot dusver krijgt een landbouwer geen directe sanctie bij het niet voldoen aan de verplichte EAG-oppervlakte. Wel zal zijn vergroeningspremie kleiner zijn door de afname van de subsidiabele oppervlakte en dreigt een bijkomende administratieve sanctie. “Het lijkt erop dat deze maatregelen vooralsnog onvoldoende blijken om boeren actief te laten participeren aangezien het streefdoel helemaal niet wordt behaald. De Vlaamse landbouw staat economisch sterk onder druk en deze bijkomende ecologische maatregelen bovenop reeds lopende milieuwetgeving zijn dan ook geen evidentie”, merken de studenten van KU Leuven op.

Op Europees niveau stapt landbouw wel makkelijk over de drempel van vijf procent ecologisch aandachtsgebied, en is het met circa 10 procent zelfs het dubbele van wat wettelijk voorgeschreven is. Goed om weten is dat de extensieve landbouwsystemen in dunbevolkte gebieden dit gemiddelde sterk omhoog trekken. Waar intensiever aan landbouw gedaan wordt, zoals in eigen land, kiezen landbouwers voor de meest productieve EAG-invullingen zoals groenbedekkers na een hoofdteelt en stikstoffixerende gewassen. Verschillende kleinschalige landschapselementen hebben meer potentieel op vlak van biodiversiteit en klimaatregulatie zodat landbouwers hiertoe aangezet worden door de overheid. Die gaat aan bijvoorbeeld houtkanten een groter soortelijk gewicht toekennen dan aan groenbedekkers.

“Een doorslaggevend effect op de keuze van landbouwers lijkt dit niet te hebben”, zo staat te lezen in het artikel. “Het vastleggen van extra voorwaarden zoals een minimum aantal verschillende EAG-types per bedrijf zou kunnen helpen. Tot slot lijkt de vijf procent op Europese schaal moeilijk haalbaar voor dichtbevolkte West-Europese landen met intensieve landbouw terwijl dunbevolktere gebieden met extensieve landbouw dit percentage zonder enige ingreep behalen. Een flexibel percentage dat lokaal varieert zou kunnen zorgen voor een eerlijkere verdeling van de inspanningen.”

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via