nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

15.12.2016 Landbouwrapport heeft oog voor marktkwalen

Het rapport van de taskforce landbouwmarkten over de positie van de boer in de voedselketen geniet veel aandacht. De Europese landbouwministers hebben op hun beurt een lans gebroken voor eerlijke handelspraktijken. In die context bladeren we in het nieuwe Landbouwrapport van de Vlaamse landbouwadministratie meteen door naar het hoofdstuk ‘marktmacht’. Het is de auteurs van het rapport niet ontgaan dat vanuit de landbouwsector met een beschuldigende vinger naar de supermarkten wordt gewezen. Of het vermoeden van marktmacht (en misbruik daarvan) correct is of niet is naar verluidt moeilijk hard te maken. Er wordt uitgekeken naar de inschatting die het Europese onderzoeksproject SUFISA zal maken aan de hand van gevalstudies.

Als je het arbeidsinkomen van een landbouwer vergelijkt met dat van een werknemer, dan is er een opvallend verschil in het nadeel van de landbouwer. Door de volatiliteit van de prijzen schommelt het landbouwinkomen zeer sterk over de jaren heen. Er zijn jaren bij dat een landbouwer minder dan de helft verdient van de brutowedde van de modale Vlaming. Voor de lage landbouwprijzen wijst de landbouwsector wel eens beschuldigend naar de supermarkten. Zij zouden vanwege hun prijzenoorlog met concurrerende supermarkten en geholpen door machtige inkoopcoöperaties lage prijzen kunnen bedingen bij leveranciers.

Het nieuwe Landbouwrapport (LARA) maakt een analyse van de problematiek maar is voorzichtig met conclusies trekken. De wetenschappelijke literatuur is namelijk niet eensgezind over het vermoeden van marktmacht in hoofde van de supermarkten. Wie marktmacht heeft ten opzichte van wie, hangt onder andere af van het product, het tijdstip en het land. Voor België zijn er nog geen wetenschappelijke gevalideerde resultaten beschikbaar. Het Europese Horizon 2020-project SUFISA wil tegen 2019 een juistere inschatting kunnen maken van marktmacht op basis van 22 gevalstudies. Voor België wordt door projecttrekker KU Leuven gekeken naar de varkenssector, suikerbietenteelt en appel- en perenteelt. In afwachting daarvan bieden de analyses van het Prijzenobservatorium al wel een zicht op de marktwerking binnen de voedselketen.

De analyses van het Prijzenobservatorium voor de suiker-, zuivel- en rundvleeskolom bevestigen dat de marges in alle schakels heel klein zijn, zeker in het begin van de keten. De situatie is voor veel veehouders heel ongunstig, al maken bepaalde bedrijven nog winst en realiseren ze in tegenstelling tot veel sectorgenoten nog wel een vergoeding voor eigen arbeid. De slachthuizen en de uitsnijderijen zijn de minst rendabele schakel stroomafwaarts in de Belgische vleeskolom. Hun netto bedrijfsmarge bedraagt gemiddeld niet meer dan één procent. In de varkenssector zijn op het einde van de keten de marges wat hoger. De marge van de veevoederindustrie houdt het midden tussen die van de slachthuizen en de detailhandel. De vleesverwerkende industrie zit met haar marge ook tussen beide uitersten, maar doet het wel beter dan de veevoederindustrie.

In het algemeen zijn de marges in de vlees- en zuivelsector lager dan het gemiddelde in de voedingsindustrie. In de detailhandel liggen ze het hoogst. Het volgende hoofdstuk uit het LARA beschrijft de uitwegen die landbouwers zoeken voor de krappe marges van het eigen bedrijf. Wie meerwaarde zoekt, moet vaak investeren zodat de medewerking van de bank vereist is om niet vast te komen zitten in een verlieslatende situatie. Binnen de agrovoedingsketen wordt wel gezocht naar oplossingen voor de marktimperfecties. Landbouwers kunnen onderling samenwerken, maar de samenwerking kan ook door de keten georganiseerd worden. Sinds 2009 streeft het Ketenoverleg naar goede partnerschapsrelaties tussen alle partijen. Bij crisismomenten zijn creatieve en tijdelijke oplossingen gevonden, vaak in overleg met en met het akkoord van de mededingingsautoriteit.

Meer info: LARA 2016

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via