nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

Landbouwrapport 2012
03.01.2013  Landbouwrapport 2012

Het Landbouwrapport, kortweg LARA, is aan zijn vierde editie toe. Zoals de vorige uitgaven, bevat het LARA opnieuw een schat aan informatie over de Vlaamse land- en tuinbouw, het beleid en de keten. De focus ligt ditmaal volledig op duurzaamheid. Het rapport brengt de duurzaamheid van de verschillende land- en tuinbouwsectoren in kaart op economisch, ecologisch en sociaal vlak en het schetst, rekening houdend met de context, de innovatie en de eerste aanzetten tot transitie. Visserij vormt het onderwerp van een afzonderlijk rapport (VIRA).

Het tweejaarlijkse Landbouwrapport tracht de Vlaamse land- en tuinbouw zo accuraat mogelijk te beschrijven. Om een goed landbouwbeleid te voeren, is het noodzakelijk te beschikken over een betrouwbaar, op cijfers en onderzoek gebaseerd referentiekader. Dit rapport is daarom in de eerste plaats bedoeld voor de beleidsbetrokkenen, maar wil ook voldoende toegankelijk zijn voor de geïnteresseerde burger. In de vierde editie van LARA staat duurzaamheid centraal. Op basis van alle beschikbare informatie geeft het rapport invulling aan het concept duurzame ontwikkeling voor de land- en tuinbouw.


Schaalvergroting en toenemende specialisatie

Uit het LARA 2012 blijkt dat Vlaanderen in 2011 25.982 landbouwbedrijven telde, waarvan 73% met beroepsmatig karakter. Het aantal landbouwbedrijven is ten opzichte van 2001 met een derde teruggelopen. Dat betekent een daling van 4% per jaar. Vooral de kleinere bedrijven stopten. In tien jaar tijd is de gemiddelde oppervlakte cultuurgrond met 46% gestegen tot 23,6 hectare. De schaalvergroting laat zich ook voelen in de gemiddelde veebezetting per bedrijf. In 2011 telde een gemiddeld rundveebedrijf telde 111 dieren, een varkensbedrijf 1.700 en een pluimveebedrijf 42.606.

De land- en tuinbouw wordt daarnaast gekenmerkt door een sterke specialisatiegraad. Bijna negen op de tien bedrijven waren in 2011 gespecialiseerd in een van de drie subsectoren. 56% had als specialisatie veeteelt. Daarna volgen akkerbouw met 19% en tuinbouw met 13%.

Sociaal-economisch relevante sector

De land- en tuinbouw realiseerde in 2012 een eindproductiewaarde van 5,7 miljard euro. Daarvan was 60% afkomstig van de veeteelt. De vijf belangrijkste producten qua productiewaarde zijn varkensvlees met 1,6 miljard euro, rundvlees met 687 miljoen euro, groenten met 670 miljoen euro, zuivel met 631 miljoen euro en sierteelt met 531 miljoen euro. De productiewaarde steeg met 12% ten opzichte van 2011.

De toename doet zich voor bij akkerbouw, veeteelt en tuinbouw. De kosten voor veevoeders, energie en meststoffen lagen in 2012 opnieuw hoger, waardoor het intermediaire verbruik een nieuw record vestigde met 4,2 miljard euro. De groei van de productiewaarde compenseerde in 2012 de kostenstijging. Daardoor nam de netto toegevoegde waarde per arbeidseenheid toe met 47% ten opzichte van het crisisjaar 2011. Het globaal inkomen herstelde en bereikt bijna opnieuw het niveau van 2010.

In 2011 waren er 51.530 personen regelmatig tewerkgesteld in de Vlaamse land- en tuinbouw. Omgerekend naar voltijdse arbeidskrachten – dat betekent minstens 38 arbeidsuren per week of 20 arbeidsdagen per maand – en rekening houdend met de niet-regelmatig tewerkgestelden in de sector, waren dat 40.828 voltijdse arbeidskrachten.

België had in 2011 een handelsoverschot van 3,1 miljard euro in de handel in landbouwproducten. Zowel de invoer als de uitvoer steeg. Enkele belangrijke exportproducten zijn diepvriesgroenten, varkensvlees, aardappelen en aardappelbereidingen, fruit en chocoladeproducten. Ons land prijkt op de vierde plaats in het EU-klassement van agro-exporteurs, na Nederland, Frankrijk en Duitsland. Vlaanderen neemt 81% van de Belgische landbouwexport voor zijn rekening.

Milieudruk van landbouw vermindert

De eco-efficiëntie van de landbouw wordt gemeten door een aantal milieudrukindicatoren te plaatsen tegenover een economische indicator. Voor de meeste milieu-indicatoren was er een daling tussen 2001 en 2008, terwijl de eindproductiewaarde steeg. Drijvende krachten daarachter zijn het gevoerde mestbeleid en de conjunctuur, die een afname van de veestapel veroorzaakten. Ook schaalvergroting versterkte de dalende trend van emissies en brongebruik, net als rationeel energiegebruik en de omschakeling naar aardgas in de glastuinbouw. Vanaf 2009 was er opnieuw een lichte stijging van een aantal milieudrukindicatoren: verzurende emissies, broeikasgassen en fijn stof. Dat heeft onder meer te maken met de opnieuw groeiende veestapel.

Het directe energiegebruik van de landbouw bedroeg in 2010 28.800 terra joule. De glastuinbouw is met 56% veruit de grootste energiegebruiker en is dankzij het toenemende aantal warmtekrachtkoppelingsinstallaties (WKK’s) ook een belangrijke energieproducent geworden. Het aandeel van aardgas steeg van 21% in 2007 tot 45% in 2010, terwijl het aandeel petroleum (LPG, benzine en stookolie) in dezelfde periode daalde van 60% tot 42%. Het gebruik van biomassa, inclusief biogas en hout, neemt jaarlijks toe.

Gewasbeschermingsmiddelen dienen om de oogst veilig te stellen. De hoeveelheid die gebruikt wordt, is de resultante van het teeltareaal, weersomstandigheden, wetgeving en technologie (producten en machines). In 2010 zakte het gebruik van gewasbescherming naar 2,6 miljoen kg actieve stof. Een betere indicator voor het meten van de milieudruk is de Seq-indicator, die een maat is voor de druk van gewasbeschermingsmiddelen op het waterleven. Die Seq-indicator daalde met 44% tussen 2005 en 2010.

Opnieuw betere toekomstverwachting

Twee keer per jaar berekent de Vlaamse landbouwadministratie op basis van een enquête bij een 700-tal land- en tuinbouwbedrijven de landbouwconjunctuurindex. Uit de laatste enquêteronde in het najaar van 2012 blijkt dat de landbouw zich geleidelijk aan herstelt na het barslechte jaar 2011. De conjunctuurindex is na twee negatieve rondes opnieuw positief en bedraagt nu +1. De economische evolutie van de laatste zes maanden wordt als minder negatief ervaren dan in het voorjaar en klimt van -9 naar -4. De landbouwers blijven ontevreden over de situatie van het bedrijf, maar er is een lichte verbetering van -18 naar -13. De toekomstverwachtingen stijgen sterk en zijn uiterst positief te noemen: +14.

Uit een enquête bij de deelnemers van het Landbouwmonitoringsnetwerk (LMN) blijkt dat 64% van de ondervraagde land- en tuinbouwers tevreden tot zeer tevreden is. 25% is matig tevreden en 11% is ontevreden. Een relatief hogere tevredenheid constateerden we in de akkerbouwsector. In de varkenshouderij bleken de ondervraagden relatief minder tevreden. Een pijnpunt is stress, want 52% heeft hoge tot zeer hoge stress. De gemiddelde inkomenstevredenheid bedraagt ook maar 4,5 op tien.

Innovatie wint aan belang

Uit een andere enquête bij de Vlaamse land- en tuinbouwbedrijven blijkt dat 52% van de respondenten de voorbije vijf jaar één of meerdere innovaties doorvoerde. In de tuinbouw is dat zelfs 64%. Daarna volgt de intensieve veehouderij met 56%. In de rundveehouderij, akkerbouw en bij de gemengde bedrijven is het percentage innoverende bedrijven iets lager dan de helft. In vergelijking met 2007 is het percentage innoverende bedrijven in alle sectoren sterk gestegen.

Bedrijven innoveren in 2012 vooral in procesinnovaties: verbeteringen in het productieproces op het bedrijf. Daarna volgen vermarktingsinnovaties, organisatorische innovaties en productinnovaties. Concrete voorbeelden van innovatie zijn nieuwe of aangepaste stallen, automatisering, de installatie van WKK’s, investeringen in zonne-energie, de oprichting van een landbouwvennootschap, kwaliteitsverbeteringen en het starten met thuisverkoop of een webwinkel. De voorbeelden tonen aan dat het vooral gaat om vernieuwingen op het niveau van de bedrijven en minder voor de volledige sector.

Duurzaamheid en transitie

Het LARA onderneemt op basis van de beschikbare gegevens een eerste duurzaamheidsmonitoring van de Vlaamse land- en tuinbouw. De gehanteerde indicatoren maken het mogelijk om cijfermatig tendensen en doelstellingen weer te geven, maar zijn nog niet geschikt om het gehele systeem en om duurzaamheid in alle mogelijke facetten te beschrijven. Ondanks de beperkingen is het belangrijk om de duurzaamheidsbril nu al op te zetten. Het concept duurzame ontwikkeling wordt pas concreet als de landbouwers er mee aan de slag gaan.

Het huidige landbouw- en voedselsysteem kan een indrukwekkend palmares voorleggen, maar de houdbaarheid op lange termijn komt onder toenemende druk te staan. Veranderingen naar meer duurzaamheid gaan niet altijd even snel, maar het streven naar meer duurzaamheid is ondertussen algemeen aanvaard. De transitie is al bezig en is zichtbaar in bestaande niches zoals stadslandbouw, biologische landbouw, anders eten en nieuwe productieparadigma’s. Ook in de traditionele landbouw is de dynamiek merkbaar in de zoektocht naar nieuwe en positieve manieren om in te spelen op economische, ecologische en maatschappelijke uitdagingen.

 

Meer info: download hier het Landbouwrapport 2012

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via