nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

Landbouwrapport zet landbouwers in de kijker
23.12.2014  LARA 2014

Het Landbouwrapport (LARA) van het Departement Landbouw en Visserij is aan zijn vijfde editie toe. Het rapport staat in het teken van het nieuwe gemeenschappelijke landbouwbeleid. Zoals steeds biedt het LARA een algemene beschrijving van de Vlaamse land- en tuinbouw op basis van de laatst beschikbare cijfers, met specifieke aandacht voor structurele, economische en milieu-indicatoren. Omdat landbouw een schakel vormt in een hele keten van sectoren brengt het LARA ook het agrobusinesscomplex en de volledige keten in beeld. Internationale economische en politieke ontwikkelingen en vergelijkingen met Wallonië komen eveneens aan bod. Het LARA bevat een schat aan cijfers en informatie, maar achter die statistieken gaan mensen van vlees en bloed schuil. Daarom vertelt het rapport ook het verhaal van negen Vlaamse land- en tuinbouwers, die deel uitmaken van het Landbouwmonitoringsnetwerk, een representatieve steekproef van 750 land- en tuinbouwbedrijven. Het zijn boeiende getuigenissen van ondernemers die in tijden van crisis strategieën ontwikkelen om het voortbestaan van hun bedrijf te verzekeren.

Specialisatie, schaalvergroting, verbreding en innovatie
Van de 24.884 landbouwbedrijven in Vlaanderen is 88 procent gespecialiseerd in een van de drie subsectoren, met veeteelt als veruit de belangrijkste specialisatie, gevolgd door akkerbouw en tuinbouw. De specialisatie is regionaal gebonden. De regio’s gespecialiseerd in één activiteit zijn duidelijk herkenbaar: fruit rond Sint-Truiden, glasgroenten ten noorden van Sint-Katelijne-Waver, sierteelt ten oosten van Gent, rundvee in de Vlaamse Ardennen en het Pajottenland en varkens en pluimvee verspreid over West-Vlaanderen. Rond Mechelen is er een streek met overwegend openluchtgroenten.

Het aantal landbouwbedrijven in Vlaanderen daalt gemiddeld met bijna vier procent per jaar. De resterende bedrijven worden steeds groter. Enkele factoren die een rol spelen bij schaalvergroting zijn de continue technologische verbetering, samenwerking met andere schakels in de keten en productieverhoging om het inkomen veilig te stellen en de kostprijs te drukken. De gemiddelde oppervlakte cultuurgrond groeit naar 25 hectare per bedrijf. De gemiddelde grootte van de veestapel bedraagt nu 120 runderen, 1.850 varkens en 47.000 stuks pluimvee per gespecialiseerd bedrijf. Op een bedrijf werkt gemiddeld 1,65 voltijdse arbeidskracht.

Verbredingsactiviteiten zijn activiteiten van landbouwers die niet rechtstreeks met de productieactiviteit te maken hebben, maar waaruit de producent een aanvullend inkomen haalt. Volgens ramingen oefenen 20 à 25 procent van alle producenten minstens één verbredingsactiviteit uit. Voorbeelden ervan zijn zorgboerderijen, hoevetoerisme, loonwerk, hoeveverkoop en energieproductie. Ondertussen stijgt de belangstelling voor lokale voedselproductie om de kloof tussen producent en consument te dichten. Daarbij valt te denken aan korteketeninitiatieven, community supported agriculture en volkstuinen.

Innovatie is belangrijk voor land- en tuinbouwbedrijven om economische ontwikkeling te realiseren en tegemoet te komen aan maatschappelijke uitdagingen. Uit een enquête blijkt dat 43 procent van de bedrijven innoveerde in 2012 of 2013. De tuinbouw scoort het best. Binnen de tuinbouwsector heeft de sierteelt met 62 procent het hoogste aandeel innoverende bedrijven. Bedrijven investeren vooral in procesinnovaties, gevolgd door innovaties in de vermarkting en de bedrijfsorganisatie.

Agrohandel boekt in 2013 handelsoverschot van 4,9 miljard euro
De Vlaamse land- en tuinbouwsector realiseerde in 2013 een eindproductiewaarde van 5,8 miljard euro. Daarvan is 62 procent afkomstig van de veehouderij. Tuinbouw en akkerbouw zijn goed voor respectievelijk 26 en 12 procent. De vijf belangrijkste producten qua productiewaarde zijn varkensvlees, melk en melkderivaten, rundvlees, groenten en niet-eetbare tuinbouwproducten.

De landbouwsector heeft de laatste jaren te kampen met hoge kosten. De veevoeders maken 54 procent uit van het intermediair verbruik, energie 11 procent en meststoffen vier procent. De netto toegevoegde waarde wordt geraamd op 1,3 miljard euro. In 2013 voerde België voor 39,4 miljard euro aan agrarische producten uit. De import bedroeg 34,5 miljard euro. Het handelsoverschot bedraagt 4,9 miljard euro. Vooral de dierlijke producten en agro-industriële producten dragen bij tot het positieve saldo. De voornaamste handelspartners zijn onze buurlanden. In de totale Belgische agrohandel wordt het Vlaamse aandeel geraamd op 80 procent.

Een gemengde milieubalans
Om een beeld te krijgen van de eco-efficiëntie van de landbouw plaatsen we drukindicatoren tegenover een economische indicator. In de periode 2007-2012 blijft de eindproductiewaarde min of meer stabiel. De milieudrukindicatoren evolueren onderling verschillend ten opzichte van de eindproductiewaarde. Voor de emissie van zeer fijn stof, het fosforkunstmestgebruik en de druk door gewasbeschermingsmiddelen is er sprake van een verbeterde eco-efficiëntie. Drijvende krachten achter de sterke daling van het fosforkunstmestgebruik zijn het gevoerde mestbeleid en de stijgende prijzen. De gunstige evolutie van de druk door gewasbeschermingsmiddelen kan verklaard worden door de afname van het gebruik en het uit de handel nemen van de meest toxische producten. De daling van de emissie van zeer fijn stof hangt samen met de omschakeling naar aardgas in de glastuinbouw.

De keten in beeld
Het agrobusinesscomplex omvat ook de agrarische toelevering en tussenhandel, de verzamelende handel, de voedingsindustrie en de groothandel. Het Vlaamse agrobusinesscomplex telt 35.500 bedrijven met een omzet van 61 miljard euro of 15 procent meer dan in 2008. De investeringen bedragen 1,62 miljard euro. Anno 2013 waren er 147.400 mensen tewerkgesteld in de verschillende takken van het agrobusinesscomplex. De netto toegevoegde waarde bedraagt 8,4 miljard euro en nam met 18 procent toe ten opzichte van 2008. De land- en tuinbouw levert het gros van het aantal bedrijven. De voedingsindustrie is de grootste werkgever en levert het grootste aandeel van de omzet, de investeringen en de netto toegevoegde waarde.

Het belang van de voedingsindustrie binnen de Belgische industrie is groot. De voedingssector neemt 17 procent van de omzet, 18 procent van de tewerkstelling en tien procent van de export van de industrie voor zijn rekening. Vier vijfde van de omzet van voedingsproducten, exclusief dranken, werd in 2013 gerealiseerd door ondernemingen in Vlaanderen. De drie belangrijkste subsectoren zijn de vleesindustrie, de vervaardiging van oliën en vetten en de productie van andere voedingsmiddelen zoals chocolade, suiker, koffie en bereide maaltijden. Samen zijn ze goed voor 43 procent van de totale omzet.

De gemiddelde Vlaming geeft 1.855 euro uit aan voeding en 398 euro aan dranken, samen goed voor een aandeel van 15 procent in het totale budget. Daarnaast spendeert de Vlaming gemiddeld 782 euro aan voeding en dranken in horecazaken. De Vlaamse consument koopt verse voeding in de eerste plaats op basis van zijn zintuigen: smaak, versheid en kwaliteit. Veertig procent van de aankoopverantwoordelijken probeert in zijn gedrag rekening te houden met duurzaamheid, voor 16 procent is het een principe waarnaar hij consequent handelt. Het thuisverbruik van de belangrijkste verse agrovoedingsproducten vertoont in vergelijking met 2008 een dalende tendens bij brood, aardappelen, fruit, vlees, vis en zuivel. Een toegenomen verbruik is er bij groenten en eieren.

Hervormd beleid
Het hervormde gemeenschappelijke landbouwbeleid mikt op een versterkt concurrentievermogen, een verbeterde duurzaamheid en een verhoogde doeltreffendheid. Van het totale EU-budget van 960 miljard euro voor de periode 2014-2020 neemt landbouw 40 procent in. Dat percentage is de laatste decennia aanzienlijk geslonken, maar blijft hoog omdat landbouw en platteland een van de weinige beleidsdomeinen is die hoofdzakelijk via de EU worden gefinancierd. Het gezamenlijke budget voor landbouw daalt in de nieuwe programmaperiode.

Binnen de hervormde rechtstreekse steun maken de toeslagrechten in 2015 plaats voor betalingsrechten. Ze geven potentieel recht op de uitbetaling van drie premies: de basisbetaling, de vergroeningspremie en de betaling voor jonge landbouwers. Landbouwers moeten op hun bedrijf drie vergroeningsmaatregelen nemen: gewasdiversificatie, het behoud van blijvend grasland en het aanhouden van ecologisch aandachtsgebied op vijf procent van het akkerbouwareaal. Vlaanderen kiest ervoor om de betaling voor jonge landbouwers maximaal in te vullen: ze ontvangen een vast extra bedrag per hectare voor maximaal 90 hectare. Er blijft gekoppelde steun voor de sectoren rundvlees en vleeskalveren.

Aangezien het budget voor directe steun in Vlaanderen in de nieuwe periode van 1,86 miljard euro slinkt naar 1,69 miljard euro, daalt de gemiddelde steun per landbouwer bij ongewijzigde bedrijfsgrootte tussen 2015 en 2019 aanzienlijk. Daarbovenop komt het proces van interne convergentie waarbij de verschillen in de waardes per betalingsrecht gedeeltelijk worden weggewerkt. Een deel van de middelen voor rechtstreekse steun wordt bovendien overgeheveld naar het plattelandsontwikkelingsbeleid. Uit een impactanalyse blijkt dat dat ruim twee derde van de Vlaamse landbouwbedrijven in 2019 minder directe steun zal krijgen dan in 2013. Circa een kwart van de bedrijven zal winnen bij de hervorming. Bijna 40 procent van de bedrijven verliest tussen 1.000 en 10.000 euro per jaar als gevolg van de hervorming en de budgetdaling.

Het plattelandsontwikkelingsprogramma PDPO III wordt opgebouwd rond vier voor Vlaanderen strategische thema’s: inzetten op jonge landbouwers, investeren in innovatie en opleiding, verhogen van de weerbaarheid en verduurzaming van de Vlaamse landbouwsector en versterken van de kwaliteit en vitaliteit van het platteland. Vlaanderen ontvangt voor de uitvoering van het programma 288 miljoen euro Europese middelen en investeert hetzelfde bedrag. Door de overheveling vanuit pijler 1 komt er, over de gehele periode, nog 119 miljoen euro bij. Ongeveer de helft (49%) gaat naar het Vlaamse Landbouwinvesteringsfonds (VLIF). Investeringssteun zal voortaan meer gericht zijn op milieu, dierenwelzijn en duurzaamheid. Innovatieve initiatieven komen ook in aanmerking. Dertien procent is bestemd voor beheerovereenkomsten en zes procent voor agromilieu-klimaatmaatregelen.

LARA 2014 kan je hier online raadplegen of een gedrukt exemplaar bestellen.

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via