nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

02.03.2017 Manco's in FAVV-controle op zelfcontrole voedselketen

Het Voedselagentschap houdt onvoldoende toezicht op één van de belangrijke instrumenten in het streven naar een veilige voedselketen in ons land: het systeem van autocontrole bij bedrijven. De controle op de zelfcontrole schiet tekort, zegt het Rekenhof. Veel operatoren werden de voorbije jaren weliswaar gecontroleerd op diverse specifieke hygiënevoorschriften, maar "ontsnapten lange tijd aan een controle van hun autocontrolesysteem". Beter zou zijn om bij specifieke controles meteen ook het autocontrolesysteem tegen het licht te houden zodat na verloop van tijd alle operatoren onderworpen zijn aan een autocontrole-inspectie. Federaal landbouwminister Willy Borsus, voogdijminister van het FAVV, is het niet onverdeeld eens met de kritiek van het Rekenhof. Sommige aanbevelingen zouden volgens hem te veel administratieve verplichtingen inhouden.

De verantwoordelijkheid voor een veilige voedselketen ligt in ons land in de eerste plaats bij de landbouwers, voedingsbedrijven, handelaars en andere operatoren. Zij moeten sinds 2005 verplicht een systeem van autocontrole opzetten om te verzekeren dat producten in elk stadium van de primaire productie, verwerking en distributie beantwoorden aan de voorschriften. Tot die verplichte zelfcontrole is besloten in de nasleep van de dioxinecrisis. Het Voedselagentschap moet toezien op de zelfcontrole door de operatoren in de voedselketen. Maar net daar schort het, oordeelt het Rekenhof na een doorlichting.

De audit heeft uitgewezen dat de aanpak van het FAVV het risico inhoudt dat sommige operatoren gedurende lange tijd ontsnappen aan een inspectie van hun autocontrolesysteem terwijl dit bij anderen meermaals geverifieerd wordt. Een welbepaalde periode waarbinnen alle operatoren minstens één keer rond dit thema controle krijgen, is niet vastgelegd. “Louter op basis van de inspectievragen over specifieke hygiënevoorschriften kan niet worden beoordeeld in welke mate het autocontrolesysteem dat de operator heeft ingevoerd, betrouwbaar is”, vindt het Rekenhof. Of nog: “Door zijn inspecties te richten op de hygiënevoorschriften en minder vaak de toezichtmaatregelen van de operator zelf aan te kaarten, concentreert het FAVV zijn controle op de conformiteit op het moment van de inspectie en niet op de goede werking van de procedures die de operator invoerde om de voedselveiligheid te garanderen.”

Het Rekenhof vindt het belangrijk dat de FAVV‐inspecties bij operatoren die geen gevalideerd autocontrolesysteem hebben, en dat is de overgrote meerderheid, ook de zelfcontrole verifiëren. Operatoren kunnen hun autocontrolesysteem laten valideren door een certificeringsinstelling die door het FAVV is erkend, maar slechts 14 procent heeft dat gedaan. Nochtans staan ze dan te boek als operatoren met minder risico dan andere, wat zou moeten resulteren in een lagere frequentie van de FAVV-inspecties. Op vlak van autocontrole is de landbouwsector overigens de beste leerling van de klas want 42,8 procent van de landbouwbedrijven hanteert een gevalideerd autocontrolesysteem. In de voedingsindustrie is dat slechts 21,8 procent van de bedrijven en in de horeca zelfs maar één op de honderd operatoren.

Nochtans doet het Voedselagentschap samen met de sectororganisaties inspanningen om autocontrole ingang te doen vinden in de voedselketen. Het Rekenhof erkent dat ook. Een belangrijk instrument zijn de sectorgidsen die een operator de zekerheid geven dat zijn autocontrole voldoet aan de eisen. Desondanks leven sommige operatoren de autocontroleprincipes niet na. Het is de auditoren niet ontgaan dat het FAVV in zijn businessplan 2012-2014 preciseerde dat een niet te verwaarlozen aantal ondernemingen op dit vlak nog illegaal bezig zijn, waarvan één op vijf in de verwerkende sector.

Wat het aantal inspecties betreft, valt het Rekenhof over de vaststelling dat negatieve inspecties in de distributie- en de primaire sector niet betekenen dat de betrokken operatoren nadien vaker gecontroleerd worden. De Europese Unie heeft nochtans criteria vastgelegd om te bepalen hoe vaak operatoren moeten worden geïnspecteerd: de geïdentificeerde risico’s, de voorgeschiedenis van de exploitant, de betrouwbaarheid van de controles door de exploitant zelf en informatie die zou kunnen wijzen op een inbreuk.

De inspecties moeten inhoudelijk ook beter, merkt het Rekenhof nog op. De vragen over autocontrole moeten met name beter geformuleerd worden om de toezichtmaatregelen bij de operatoren ten volle te kunnen evalueren. Tekortkomingen zijn ook vastgesteld in de manier waarop de informatie uit inspecties meegedeeld wordt aan de FAVV-dienst die de certificeringsinstellingen moet omkaderen. In een reactie op het verslag van het Rekenhof benadrukt het Voedselagentschap dat de situatie op het terrein geëvolueerd is in vergelijking met deze tijdens de audit. “De conclusies van de audit zijn gebaseerd op cijfers van 2013”, zegt Philippe Houdart, woordvoerder van het FAVV. De zienswijze van het Rekenhof en het agentschap verschillen in de zin dat die laatste van oordeel is dat de Europese regelgeving wel degelijk op de juiste wijze en voldoende streng gecontroleerd wordt.

Op alle aanbevelingen van het Rekenhof heeft het FAVV naar eigen zeggen een reactie geformuleerd en voor een aantal ervan stelde het een actie voor. “Er werd aangegeven hoe tussen 2013 en nu de systemen van het FAVV aangepast werden, waardoor een aantal aanbevelingen niet langer van toepassing waren. Voor de aanbevelingen die nog uitgebreidere controles met zich meebrengen of bijkomende administratieve verplichtingen, wat in tegenspraak is met het beleid van de huidige regering inzake administratieve vereenvoudiging, werden in het door het FAVV voorgestelde plan geen acties opgenomen”, alsnog het agentschap.

Ook bevoegd minister Willy Borsus is het niet onverdeeld eens met de kritiek van het Rekenhof. Op zijn beurt laat hij weten dat sommige aanbevelingen te veel administratieve verplichtingen zouden inhouden, “wat indruist tegen de administratieve vereenvoudiging die de regering voor ogen heeft”. Waarop het Rekenhof antwoordt dat een doeltreffende omkadering van de autocontrole net tot minder gerichte controles zou kunnen leiden. Om een idee te geven van het aantal controles dat het FAVV doet: in 2014 waren bijna 157.000 operatoren professioneel actief in de voedselketen. Dat jaar zijn bij circa 74.000 bedrijven, bijna de helft dus, 130.546 opdrachten uitgevoerd. Zo'n opdracht kan een controle zijn maar ook een staalname. Volgens minister Borsus houdt de mathematische analyse van het Rekenhof geen rekening met het voedselveiligheidsrisico voor de consument. Het zou niet passen in de op risico gebaseerde aanpak die in eigen land en in de rest van Europa gehanteerd wordt.

Meer info: Belgisch Rekenhof

Bron: Belga / eigen verslaggeving

Volg VILT ook via