nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

05.12.2016 Meer details over ammoniakbeleid dat Vlaanderen voert

Vorige week heeft de Vlaamse regering knopen doorgehakt in het dossier van de Europese natuurdoelstellingen en de bijbehorende problematiek van de stikstofuitstoot door veehouderij. Uit de reacties van de landbouworganisaties konden we al opmaken dat het aantal ‘oranje bedrijven’ gereduceerd wordt en er een flankerend beleid komt voor veehouders die hun toekomst belemmerd weten door de interactie tussen natuurbescherming en de daarvoor nadelige stikstofuitstoot. Meer details zijn terug te vinden in de conceptnota die de regeringsbeslissing vergezelde. Het flankerend beleid zal er voor de veehouders met code oranje bijvoorbeeld niet hetzelfde uitzien als voor de zwaarst getroffen (rode) bedrijven. Tegen 1 januari 2017 weten we op welke compensatiemaatregelen zij kunnen terugvallen indien de passende beoordeling ongunstig uitdraait voor hun bedrijf.

Met ongeduld keken de landbouworganisaties uit naar een beslissing van de Vlaamse regering omtrent de instandhoudingsdoelstellingen (IHD) en de programmatische aanpak stikstof (PAS). Midden vorige week was er dan eindelijk witte rook en verschafte de regering duidelijkheid hieromtrent, samen met de goedkeuring van het nieuwe Beleidsplan Ruimte Vlaanderen. De beslissing om een programmatische aanpak stikstof te ontwikkelen, dateert al van 23 april 2014. Toen werden 38 speciale beschermingszones voor natuur in Vlaanderen vastgesteld, evenals de Europese natuurdoelstellingen die daar gehaald moeten worden. In iedere beschermingszone wordt, voor minstens één habitattype dat er voorkomt, de kritische depositiewaarde voor stikstof overschreden. Dat bemoeilijkt het realiseren van de natuurdoelen.

Voor de schadelijke stikstofuitstoot in natuurgebied zijn verschillende sectoren verantwoordelijk. De bijdrage van een bepaalde sector verschilt sterk van het ene tot het andere natuurgebied. Algemeen gesteld bestaat de vermestende depositie voor twee derde uit ammoniak en voor één derde uit stikstofoxiden. De ammoniak is hoofdzakelijk afkomstig van landbouw (92%), terwijl de stikstofoxiden verschillende bronnen hebben, voornamelijk transport (65%), industrie (15%) en energie (8%). De grootste brok stikstof (45%) komt aanwaaien vanuit het buitenland.

In de conceptnota staat letterlijk: “Het is niet mogelijk de kritische depositiewaarde te bereiken door een beleid te voeren gericht op de impact veroorzaakt door één sector.” Dat zinnetje verklaart de teleurstelling van ABS en Boerenbond want voor hen is het onbegrijpelijk en onverteerbaar dat landbouw de enige sector is die opgezadeld wordt met een doelstelling die meer inspanning vergt dan ‘business as usual’. Voor elk van de sectoren werd namelijk bekeken hoeveel zij historisch en actueel uitstoten, en met welke maatregelen zij de uitstoot de afgelopen jaren reeds terugschroefden. Door het huidig beslist beleid te projecteren op 2030, berekende men de verwachte evolutie van de stikstofemissies.

Dit scenario, ‘business as usual’ gedoopt, leert dat de algemene trend in de stikstofuitstoot de komende decennia neerwaarts blijft. Uitgesplitst per sector valt op dat industrie en energiesector hun stikstofuitstoot lichtjes zien stijgen, terwijl de natuur tegen 2030 veel minder last gaat hebben van stikstofdeeltjes die afkomstig zijn van het verkeer (-36% uitstoot). De milieu-impact van de transportsector verkleint door de vernieuwing van het wagenpark.

Om de prognose voor de landbouwsector te maken, is uitgegaan van een constante veestapel en een groeiend aandeel ammoniakemissiearme stallen. In 2013 was 79 procent van de legkippenstallen emissiearm, 16 procent van de braadkippenstallen en 22 procent van de varkensstallen. Tegen 2030 verwacht de overheid enkel nog emissiearme stallen in de leghennenhouderij, 84 procent emissiearme stallen in de braadkippenhouderij en 56 procent in de varkenshouderij. Op die manier zal de ammoniakemissie dalen van de huidige 41,9 kiloton naar 37,7 kiloton in 2030. Ter vergelijking: in 1990 ging het nog om 86,2 kiloton.

Om niet voor verrassingen komen te staan, heeft de Vlaamse regering deze prognoses per sector vastgeklikt en er een doelstelling van gemaakt. Anders dan voor transport, industrie en energie is de doelstelling voor landbouw niet het normaal te verwachten scenario voor 2030. Van de veehouderij wordt er een bijkomende inspanning verlangd zodat de ammoniakuitstoot daalt tot 39,3 kiloton in 2020 en 36,7 kiloton in 2025. Vergeleken met de uitstoot in 2015 komt dat neer op een emissiereductie met meer dan 11 procent, in plaats van de normaal te verwachten negen procent in tien jaar tijd.

Belangrijk in dit verband is dat je de emissie van een sector niet mag gelijkstellen met diens depositie in natuurgebied. Ammoniak uit stallen slaat kort bij de bron neer terwijl de stikstofoxiden afkomstig van industriële bronnen over een grotere afstand verspreid wordt. Dit heeft onder meer te maken met de hoge schouwen van fabrieksgebouwen terwijl de ammoniak uit een stal op lage hoogte ontsnapt.

Aanvullend op deze sectorale doelstelling is er de brongerichte aanpak die focust op de veebedrijven met code rood, dat wil zeggen een aandeel groter dan 50 procent in de stikstofdepositie in een beschermingszone. Door bedrijfsontwikkeling niet vergunbaar te maken, laat de overheid ze uitdoven of de switch maken naar plantaardige productie zodat het nabijgelegen natuurgebied veel minder stikstof krijgt te verwerken.

Tijdens de overgangsperiode is gebleken dat het significantiekader voor ammoniak in de praktijk ongewenste resultaten gaf voor de categorie van oranje bedrijven. Bovendien week de onderste drempel voor een significante depositie van ammoniak (3%) af van deze voor stikstofoxiden (5%). Beide vaststellingen worden verholpen door de jongste regeringsbeslissing in dit dossier. Een veebedrijf krijgt maar de stempel ‘oranje’ bij een aandeel tussen 5 en 50 procent in de stikstofdepositie in een natuurgebied. Daardoor daalt het aantal ‘oranje veebedrijven’ van 700 naar 500.

Als één van die 500 veehouders een (her)vergunning aanvraagt zonder dat er sprake is van een emissietoename, dan mag hij geen hinder ondervinden van de oranje stempel die op zijn bedrijf kleeft. Dat is bijvoorbeeld het geval bij een uitbreiding van de veestapel wanneer de te verwachten emissietoename gecompenseerd wordt met een luchtwasser op de nieuwe en de oude stal. In het andere geval – de ammoniakemissie stijgt – is een individueel gemotiveerde passende beoordeling nodig waaruit blijkt dat er geen risico bestaat op een betekenisvolle aantasting van de nabijgelegen natuur. De vergunningsaanvrager kan in zijn motivatie verwijzen naar eigen acties, bijvoorbeeld de plaatsing van een luchtwasser, maar evenzeer naar natuurherstelmaatregelen in de beschermingszone die de daar aanwezige natuur beschermen tegen het verrijken van de voedingstoestand van de bodem.

Alleen veehouders voor wie de passende beoordeling negatief uitpakt, en die dus geen uitzicht hebben op een vergunning voor hun plannen, kunnen beroep doen op het flankerend beleid. De nog uit te dokteren compensatiemaatregelen zijn dus maar bedoeld voor een fractie van de in totaal 500 oranje veebedrijven. Tegen Nieuwjaar zouden we moeten weten hoe deze maatregelen er precies gaan uitzien. Nu weten we enkel dat het flankerend beleid voor de oranje bedrijven geen kopie zal zijn van het flankerend beleid voor de zwaarder getroffen, niet vergunbare rode bedrijven (stikstofdepositie > 50%).

Ook voor de oranje categorie bedrijven is een keuzepakket in de maak, waarbij de veehouder zich moet laten adviseren om vervolgens voor één van de voorgestelde opties te kiezen. Die keuze is financieel niet neutraal want de overheid wil het kostenplaatje drukken. De meest logische optie die voortvloeit uit het bedrijfsadvies zal gefinancierd worden. Neemt een landbouwer daar geen genoegen mee en kiest hij bijvoorbeeld voor een duurdere bedrijfsverplaatsing, dan zal hij het verschil tussen beide toekomstpistes zelf moeten financieren.

Wat we nog niet vermeld hebben, is dat voor toekomstgerichte oranje veebedrijven een belangrijke last wegvalt in de vorm van de verplichte reductie van de ammoniakemissie met 30 procent. In afwachting van een programmatische aanpak stikstof hing hun (her)vergunning daarvan af. Dat valt nu weg, wat niet wil zeggen dat de passende beoordeling bij uitbreiding van de veestapel een makkelijke opgave wordt. We gaven hierboven het voorbeeld van een luchtwasser plaatsen op de nieuwe én de oude stal. Voor heel wat varkens- en pluimveehouders zal dat inderdaad de oplossing zijn, maar niet voor hun collega’s die op het moment van hun vergunningsaanvraag reeds uitsluitend actief zijn in nieuwe stallen.

Tot slot nog dit, als uit de jaarlijkse monitoring van de Vlaamse Milieumaatschappij zou blijken dat de ammoniakemissie van de landbouw zodanig toeneemt dat de doelstelling onhaalbaar wordt, dan kan de overheid dit via het vergunningenbeleid bijsturen. Voor de andere sectoren is het in de conceptnota vergeefs zoeken naar een stok achter de deur.

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: provincie Vlaams-Brabant

Volg VILT ook via