nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

22.02.2018 Meer zeugen- dan vleesvarkenshouders hebben opvolger

Bijna de helft van de bedrijfsleiders met een gespecialiseerd vleesvarkensbedrijf is 50 jaar of ouder en heeft daarenboven geen opvolger. Het gaat vaak om kleine bedrijven, waar de bedrijfsleider en de partner ook buitenshuis werken om aan een leefbaar inkomen te geraken. Heel anders is de situatie op gespecialiseerde zeugenbedrijven, waar de bedrijfsleider een pak jonger is maar vaak een grote investeringslast torst. Tot die vaststellingen komt het Departement Landbouw en Visserij, na een analyse in de diepte van de grootschalige enquête waaraan bijna 1.200 varkenshouders in het najaar van 2016 deelnamen.

Toen het in 2015 echt niet goed ging met de varkenshouderij heeft de Vlaamse overheid een traject opgezet, G30 genaamd, dat zou resulteren in een actieplan. Eén van de actiepunten was het organiseren van een grootschalige bevraging vanuit de overtuiging dat het belangrijk is naar de ideeën en problemen van individuele varkenshouders te luisteren. In de tweede helft van 2016 verstuurde het Departement Landbouw en Visserij een elektronische enquête, waarop de responsgraad zeer groot was. In totaal hebben 1.171 varkenshouders de enquête beantwoord. Het was jaren geleden dat een enquête zo massaal werd ingevuld.

De studiedienst van het departement boog zich een tweede maal over de antwoorden, en focust in een nieuw rapport op de leeftijd van de bedrijfsleiders en de opvolgingssituatie. Op gespecialiseerde zeugenbedrijven zijn de bedrijfsleiders met 42,7 jaar gemiddeld het jongst. Vleesvarkensbedrijven worden door wat oudere landbouwers gerund. Op afmestbedrijven onder contract loopt de gemiddelde leeftijd van de bedrijfsleider op tot 52,5 jaar. Hoewel de pensioenleeftijd stilaan wenkt, is opvolging hoogst onzeker. 43 procent van de bedrijfsleiders van afmestbedrijven zonder contract en 47 procent van de afmestbedrijven onder contract is 50 jaar of ouder maar heeft geen opvolger.

Waar de opvolging precair is, gaat het vaak om bedrijven met een beperkte schaalgrootte. De inzet van externe arbeid is er beperkt, en de bedrijfsleider en diens partner werken vaak zelf buitenshuis om aan een leefbaar inkomen te geraken. Bedrijfsleiders van 50 jaar en ouder die (mogelijk) geen opvolger hebben, zijn beduidend kleiner. Zij hebben respectievelijk 177 zeugen- en 1.090 vleesvarkensplaatsen in het geval van de 50-plusser en 198 zeugen- en 1.291 vleesvarkensplaatsen wanneer het een boer zonder opvolger betreft. Al of niet specialisatie heeft eveneens een zeer grote impact op de bedrijfsomvang. Gespecialiseerde varkensbedrijven zijn een stuk groter en houden gemiddeld 323 zeugen- en 1.959 vleesvarkensplaatsen ten opzichte van 173 zeugen en 927 vleesvarkensplaatsen voor de niet-gespecialiseerde.

De belangrijkste problemen van varkenshouders zijn een mix van economische factoren en overheidsbeleid. De lage marktprijzen staan met stip op één. Andere belangrijke knelpunten zijn de kosten van mestafzet- en verwerking, eisen van de overheid rond bijvoorbeeld milieu en dierenwelzijn, het lage en onzekere inkomen, het veranderend overheidsbeleid, de administratieve lasten en de hoge voederkosten. Verouderde stallen en een te klein bedrijf om leefbaar te zijn, is vooral een knelpunt voor niet-gespecialiseerde bedrijven. De zeugenhouderij heeft volgens de enquête het sterkst te lijden onder lage marktprijzen. Driekwart van de zeugenhouders signaleert dat het lage inkomen een probleem is, bijna zeven op de tien gaat gebukt onder inkomensonzekerheid en ruim vier op de tien kampt met financiële problemen en schulden.

Vier op de tien zeugenbedrijven hebben een betalingsachterstand bij een veevoederfabrikant. Negen op de tien bedrijfsleiders ondernamen al actie om aan de betalingsverplichtingen te voldoen. Ze spreken daarvoor privé- of bedrijfsspaargeld aan, stellen investeringen uit of besparen op privéuitgaven. Zeugenhouders zijn bijzonder kwetsbaar in tijden van crisis. Ze zijn de laatste jaren getroffen door zeer lage biggenprijzen. Daarnaast kampt een aantal, ook als gevolg van de verplichte groepshuisvesting voor zeugen, met een grote investeringslast. Vleesvarkenshouders onder contract lijken minder bezorgd omtrent hun financiële toestand dan collega-zeugenhouders.

Het vertrouwen van varkenshouders in de toekomst van de sector en het bedrijf varieert. De negatieve reacties overheersen licht. Bedrijfsleiders van 50 jaar en ouder met een opvolger en bedrijfsleiders jonger dan 35, zijn het meest positief. Bedrijfsleiders van 50 jaar en ouder met opvolger hebben een groter en meer leefbaar bedrijf en maken dat klaar voor de generatiewissel. Bij een aantal van de bedrijfsleiders jonger dan 35 jaar zijn de ouders nog actief en betrokken bij het bedrijf, en dat heeft een positieve impact.

Hoewel vleesvarkenshouders onder contract zorgelozer leken omtrent hun financiën, zijn zij het meest negatief over de toekomst. Ruim vier op de tien ziet de toekomst van het eigen bedrijf somber in en heeft geen vertrouwen in de toekomst van de Vlaamse varkenshouderij. Dat onrendabele bedrijven de sector beter zouden verlaten, willen ze daarom niet gezegd hebben. Bedrijfsleiders die zeugen fokken of varkens vetmesten zonder contract zijn opvallend vaker die meteen toegedaan dan de contractmesters. Uit de antwoorden op de afsluitende open vraag blijkt dat veel varkenshouders zich de zwakke schakel in de keten voelen. Ze vinden dat de marges niet gelijk verdeeld zijn en dat ze geen eerlijke vergoeding ontvangen.

Meer info: Departement Landbouw en Visserij

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via