nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

12.11.2015 "Melkproductie en reproductie kunnen hand in hand gaan"

In een samenwerkingsverband met de Universiteit Antwerpen en de Universiteit Wageningen wisselde de Universiteit Gent (UGent) onderzoeksresultaten uit over een goed beheer en opvolging van melkvee tijdens de transitieperiode, rond het afkalven. Gedurende deze periode treden namelijk 30 tot 50 procent van alle melkveeaandoeningen op met drastische economische gevolgen voor de melkveehouder. De hamvraag blijft of productie en reproductie ten koste van elkaar gaan. Management op maat van de melkveehouder en de individuele koe lijkt hier het meest aangewezen.

De transitieperiode bij melkvee wordt omschreven als de periode van drie weken voor tot drie weken na het afkalven. Dit is een cruciale fase in de lactatiecyclus van een koe. In een zeer korte tijd krijgt de koe met een groot aantal stressfactoren te maken: het afkalven zelf, rantsoenverandering en een heel sterk stijgende melkproductie. Het is daarom geen wonder dat het een enorme uitdaging is om deze periode optimaal te laten verlopen op een melkveebedrijf. Dit is van groot belang zowel voor de gezondheid en melkproductie van de koe, als voor de vruchtbaarheid van het dier en bijgevolg ook voor de rendabiliteit van het melkveebedrijf.

Verschillende onderzoeken tonen aan dat 30 tot 50 procent van alle aandoeningen bij melkvee optreden tijdens deze transitieperiode, meer bepaald tijdens de eerste weken in lactatie. Zij zijn doorgaans rechtstreeks het gevolg van wat er zich in de omgeving van en in de koe zelf heeft afgespeeld tijdens de laatste weken van de droogstand. Standaard is dit de periode van ongeveer twee maanden voor het afkalven, waarin de koe niet meer gemolken wordt om lichamelijk te kunnen herstellen van de melkproductie en zich voor te bereiden op de nieuwe lactatiecyclus. Deze droogstand garandeert ook een hogere melkproductie tijdens de eerste weken in lactatie. Voorkomen van aandoeningen, zoals kalfsziekte of mastitis, is beter dan genezen en net daarom is een goede opvolging gedurende de transitieperiode en een bijbehorend goed management van cruciaal belang.

Om de mogelijkheden hieromtrent te onderzoeken, stapte de UGent in een meerjarige onderzoeksgemeenschap met de UniversiteitAntwerpen (UA) en de Universiteit van Wageningen (WUR). Dit samenwerkingsverband werd gesponsord door het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek (FWO) en had als doel om de uitwisseling van resultaten te ondersteunen en om mogelijke synergiën te creëren. De gebundelde resultaten werden voorgesteld op een internationale studiedag die voor de gelegenheid georganiseerd werd door het Laboratorium voor Diervoeding en Kwaliteit van Dierlijke Producten (Lanupro) van de faculteit Bio-ingenieurswetenschappen (UGent).

“De hoofdoelstelling van het onderzoek naar monitoring en management van koeien in de transitiefase is om vooraleer er enige symptomen optreden een vinger aan de pols te kunnen houden en een bedrijfsbeeld te verkrijgen om alvorens zich problemen voordoen het management te kunnen optimaliseren en ziekte te vermijden”, zegt professor Veerle Fievez van Lanupro. “Dit FWO-samenwerkingsverband maakte het mogelijk om nieuwe inzichten te bekomen door onderzoeksresultaten van reeds lopende projecten met elkaar te delen en door de complementaire expertise van de verschillende onderzoeksgroepen”.

Goed management van melkkoeien begint bij een goede monitoring om in de eerste plaats inzicht te kunnen krijgen in de effectiviteit van de genomen maatregelen. “Hoe maak je dat een koe gezond en gelukkig is? Door in de eerste plaats te kijken naar haar leefomstandigheden”, vindt professor Jo Leroy (UA). Een ruime plaats om te liggen en aangepast rantsoen zijn hierbij heel belangrijk. Verder is de vruchtbaarheid de beste barometer als het gaat over het fysieke en mentale welzijn van een koe. Maar ook uit de lichamelijke conditie, de maagvulling en de vastheid van de uitwerpselen, kun je volgens professor Leroy veel afleiden. “Ga nooit af op emoties. Dit geeft een verkeerd beeld”, waarschuwt hij.

Daarenboven is een goede monitoring belangrijk, aangezien er aandoeningen zijn, zoals ketose (slepende melkziekte) of subacute acidose, die in grote mate subklinisch – zonder dat je het ziet – voorkomen en die het risico op andere aandoeningen vergroten. Slepende melkziekte bijvoorbeeld is het gevolg van een overmatige afbraak van lichaamsvet ten gevolge van een te groot energietekort in de periode van afkalven, de negatieve energiebalans. “Het testen van koeien op deze aandoeningen kan aan de hand van de aanwezigheid van biomerkers in melk, bloed of urine. Voor elk van deze aandoeningen hebben wij het potentieel van specifieke vetzuren in melk en hun maximale toegestane waarde bepaald om de gezondheid van de koeien nauwgezet op te volgen”, stelt professor Veerle Fievez. “In een latere fase wordt er nu onderzocht hoe deze modellen kunnen omgezet worden in robuuste, betaalbare routineanalyses”.

Aangezien veestapels groter worden, is het meer dan ooit van belang voor een melkveehouder om zijn dieren goed op te volgen. Daarvoor worden steeds vaker hulpmiddelen gebruikt, zoals diagnostische tests of automatische sensoren. Maar op basis van al deze nieuwe, soms tegenstrijdige data moet de melkveehouder zelf nog altijd het bos door de bomen zien en dagelijks bedrijfsbeslissingen nemen en uitvoeren. “Hier kan de ontwikkeling van nieuwe middelen om ‘big data’ in de melkveehouderij te analyseren een oplossing bieden”, vindt dokter Miel Hostens van de faculteit Diergeneeskunde (UGent). Een onderscheid kunnen maken in wat signaal is of ruis en de integratie van de verschillende bruikbare datasets is hierbij van cruciaal belang. “Een melkveehouder wil immers niet voor het minste vals alarm in opperste staat van paraatheid worden gebracht”, aldus Hostens.

In een verdere fase kan door een goede monitoring de melkproductie en reproductie optimaal op elkaar worden afgestemd, zodat de één niet moet inboeten voor de ander, resulterend in gezondere en productievere koeien. Een blijvend discussiepunt is echter of de standaard droogstand moet behouden blijven, ingekort worden of helemaal stopgezet. “Veel dieren hebben op het moment van droogzetten nog een hoge melkproductie van zo’n 20 à 25 liter per dag”, zegt Ariëtte van Knegsel (WUR). “Daarom zijn er boeren die gewoon doorgaan met melken.”

Haar onderzoeksproject ‘Why dry’ toonde aan dat een droogstandsperiode niet per se noodzakelijk is. Dat gaat weliswaar ten koste van de hoeveelheid melk die het dier produceert na afkalven, maar dat wordt deels gecompenseerd in de periode die eraan vooraf gaat. En als je een koe voor korte tijd of helemaal niet droog zet, verbetert dat de energiebalans, gezondheid en vruchtbaarheid van het dier. De nadelen zijn vooral van praktische aard. Het is namelijk arbeidsintensiever. Bovendien is de strategie verschillend voor elke boerderij en ook voor elke koe. “Een droogperiode is niet voor elke melkkoe weggelegd”, zegt melkveehouder Arnold van Dee uit het Nederlandse IJzendoorn in de interactieve workshop. Toch is hij bereid om de extra moeite, geassocieerd met een monitoring en management op maat van de individuele koe, te doen en zet hij zijn koeien al sinds vier jaar niet meer droog. Echter is dat een afweging die elke melkveehouder voor zichzelf moet uitmaken.

Meer informatie: UGent-Crelan leerstoel landbouwinnovatie

Bron: |

Beeld: Faculteit Bio-ingenieurswetenschappen UGent

In samenwerking met: UGent-Crelan leerstoel landbouwinnovatie

Volg VILT ook via