nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

"Het is nog maar de vraag of boeren zonder de quota beter af zullen zijn"
16.03.2015  Melkquotum ruimt baan voor de vrije zuivelmarkt

In 1984 stond Europa voor de keuze: de gegarandeerde melkprijs drastisch laten dalen ofwel de productie afremmen. Het werd dat laatste. Melkquota werden ingevoerd om het totaal ontspoorde aanbod te beteugelen. De overschotten blijven dumpen op de wereldmarkt was budgettair niet langer houdbaar en het verstoorde het normale handelsverkeer. In vergelijking met de woede die de boeren in 1971 in Brussel etaleerden, lieten ze zich deze keer gemakkelijker in het keurslijf van de melkquota wringen. Melkveehouder op rust André Leroy herinnert zich nog dat het gemor achteraf kwam, wanneer boeren ondervonden dat hun bedrijf op slot zat. Zelf houdt hij er geen al te slechte herinneringen aan over. “Het quotumsysteem behoedde de markt voor bokkensprongen.” De melkquota werden ingesteld voor 5 jaar, maar hielden uiteindelijk 30 jaar stand. Sommige boeren geraakten eraan gehecht, anderen gruwelden van de investering in een vodje papier om (meer) te mogen melken. “Zonder die hele quotageschiedenis zouden de financiën van mijn bedrijf alleszins rooskleuriger ogen”, meent Kurt Smets, een jonge melkveehouder die vooral de nadelen ervaren heeft.

De boterberg en melkplas waren begin jaren ’80 een haast legendarisch voorbeeld van het falen van het Europees landbouwbeleid. Al lijkt ‘falen’ een misplaatste woordkeuze voor een beleid dat er op korte tijd in geslaagd was om West-Europa na de Tweede Wereldoorlog van voldoende en betaalbaar voedsel te voorzien. Onder het motto ‘nooit meer honger’ investeerde de toenmalige EEG in de productiviteit van landbouwbedrijven. Boerderijen werden groter en moderner, de boeren beter opgeleid. Maar de door Europa gegarandeerde minimumprijzen voor granen, melk en rundvlees lokten meer productie uit dan er vraag was op de EU-markt. Overschotten kocht de EU jarenlang zelf op, om ze vervolgens met behulp van exportsubsidies kwijt te geraken op de wereldmarkt.

Dat kon niet blijven duren want de exportsubsidies verstoorden de markten in het Zuiden, de opkoopregeling kostte de belastingbetaler handenvol geld en de milieudruk steeg snel door de productiewedloop. In 1984 gooide Europa het roer om. Het melkquotum is de eerste in een reeks maatregelen die de productie moeten beperken. Er zouden er nog veel volgen: de vrijwillige en later verplichte braaklegging om het graanoverschot weg te werken, een forse daling van de garantieprijs voor rundvlees, rooipremies in de fruitteelt en wijnbouw enz. In de plaats van prijsondersteuning voor landbouwproducten komt er rechtstreekse inkomenssteun vanaf 1992. Eerst is dat nog à rato van het productievolume, vanaf 2005 zijn de meeste landbouwsubsidies losgekoppeld van productie.

melkvee_LoonwerkDefour.geVILT.jpg

De melkquota werden op 1 april 1984 ingevoerd. Oorspronkelijk zouden de quota vijf jaar gehandhaafd worden, maar het systeem werd keer op keer verlengd zodat het uiteindelijk 30 jaar lang zijn stempel op de melkveehouderij zou drukken. Iedere lidstaat kreeg een nationaal productieplafond opgelegd. Alle melkveehouders in ons land kregen een individueel quotum zodat zij precies zouden weten hoeveel melk ze mogen produceren om geen superheffing te riskeren. Met de superheffing wordt de boete (actueel 28,66 euro per 100 kg melk) bedoeld die overijverige boeren oplopen bij een overschrijding van hun quotum. Voor je je afvraagt waarom iemand een boete zou riskeren die aardig in de buurt van de melkprijs komt, moet je weten dat individuele ‘overschrijders’ het geluk kunnen hebben dat de totale melkplas onder het nationale productieplafond blijft. Er zijn namelijk altijd melkveehouders die minder melk produceren dan ze in feite mogen. In ons land hebben Vlaamse ‘overschrijders’ veel profijt gehad van de dalende melkproductie in Wallonië.

Boeren protesteerden wel tegen het quotum, maar tegelijk begrepen ze dat de overproductie voor Europa niet vol te houden was

Bij de invoering van het quotum waren er ongeveer 47.000 Belgische boeren die koeien molken. Same produceerden ze 3.819 miljoen ton melk. Daarvan was 3.089 miljoen ton, afkomstig van 40.000 melkveehouders, bestemd voor de melkerij. Twee derde van de leveringen aan melkerijen kwam uit Vlaanderen. De 70-jarige André Leroy is één van de Vlaamse melkveehouders die het pre-quotumtijdperk nog meegemaakt heeft. Hij begon zijn carrière als landbouwambtenaar, maar de liefde voor de boerenstiel won snel het pleit. In 1973 nam hij een gemengd bedrijf in Pepingen, hartje Pajottenland, over. Toen de quota opdoken, was hij nog volop bezig met de omschakeling van zijn veestapel van wit-blauwe dubbeldoelkoeien naar ‘echte’ Holstein melkkoeien. Het boerenprotest tegen de quota was behoorlijk fel, maar verstomde in ons land vrij snel. “Vlaamse landbouwers begrepen wel dat het oude systeem door de grote overproductie niet vol te houden was. Toch zorgde het Europese ingrijpen voor enkele stormachtige vergaderingen bij het Algemeen Boerensyndicaat”, aldus André. De discussie over de melkquota lag mee aan de basis van de afscheuring en oprichting van het VAC.

Leroy.geVILT.jpg

André Leroy rolde als vanzelf in het syndicalisme, om uiteindelijk 30 jaar Vlaams-Brabants ABS-voorzitter te blijven en 12 jaar lang ondervoorzitter van de organisatie te zijn. De evoluties in de sector volgde hij dus vanop de eerste rij. Kort voor het quotum waren er nog heel wat boeren die slechts een handvol koeien molken en van geen stoppen wilden weten. Zij hadden er zoals zo vele andere niet de brui aan gegeven bij de invoering van de btw in 1971. Geen zuivelfirma geraakte van hen verlost door hogere kosten op te leggen aan de kleine producenten. Geen overheid kon hen met financiële vergoedingen motiveren om te stoppen met melken. Uiteindelijk werd het lot van deze kleine boeren bezegeld door de invoering van het melkquotum.

Het zijn zotten die geld geven om te mogen werken

Tot 1987 was het melkquotum alleen verhandelbaar bij een overdracht van het melkveebedrijf en de bijbehorende landbouwgrond. Toen daar verandering in kwam, reageerden veel boeren dat je wel gek moet zijn om geld uit te geven aan een vodje papier om te mogen werken. In de streek van André Leroy schakelden heel wat landbouwers van melkvee over op vleesvee, of ze combineerden beide bedrijfstakken. In de beginjaren van het melkquotum zag je een gelijkaardige verschuiving van de bedrijfsactiviteiten elders in Vlaanderen. Het meest uitgesproken is misschien wel de overschakeling op varkenshouderij in de Noorderkempen. Anderen, zoals André Leroy, namen de quota voor lief en kochten geregeld productierechten om een normale bedrijfsontwikkeling mogelijk te maken. “Eind 1988 kocht ik een eerste keer quotum en het zou niet de laatste keer zijn. In totaal kwam er 300.000 liter bij, wat overeenkomt met een investering van om en bij de 250.000 euro.” Het liet Leroy toe om een 50-tal koeien te melken, wat bij een melkquotum van 400.000 liter vrij risicoloos is wat de superheffing betreft.

Boeren die op zoek waren naar extra quotum legden hun oor te luister bij de vertegenwoordigers van de melkerij, gingen te rade in de eigen kennissenkring of sloegen er de advertenties in de landbouwbladen op na. De legende wil dat sommige jonge boeren ‘quotum’ trouwden, maar een insider als André gelooft dat de liefde sterker was. “In de landbouwpers stonden wel oproepen van vrijgezellen die naast een lief ook quotum vroegen maar zo’n advertentie kostte indertijd 20 frank, de prijs van vier pintjes, en was een mooi geschenk voor de verjaardag van een vriend of vriendin”, grinnikt André.

Dankzij het melkquotum moest een melkveehouder geen sprong in het onbekende maken

Voor iemand die productierechten afdoet als “een jute zak waarin je lucht pompt” heeft André Leroy verrassend genoeg geen te kwade herinneringen aan het melkquotum. “Wie zegt dat we dezelfde melkprijs gekend zouden hebben zonder aanbodbeheersing? Grote schommelingen in de melkprijs waren tot over tien jaar ongekend. Melkvee stond gekend als de beste tak op een landbouwbedrijf. Voor mij waren quota een nul-operatie omdat ik mijn boterham kon verdienen dankzij de verloren investering die het melkquotum in feite was. Voor melkveehouders die recenter in de sector gestart zijn, is dat een ander verhaal.” Tussen neus en lippen geeft André te kennen dat de fiscale afschrijving van aangekochte quota een dankbare zaak was om minder belastingen te betalen.

Dat quotum bijkopen erg duur werd, verwijt André de overheid. “Verhandelbaarheid van quota introduceren, bijna op basis van vrijhandel, dat kan niet functioneren in een gereguleerde markt.” De overheid deed meer dan de spelregels voor quotahandel bepalen. Indertijd was de (toen nog federale) landbouwadministratie veel actiever op het vlak van voorlichting. Rijkseconomen waren haast privé-voorlichters van de landbouwers en terwijl de één adviseerde om quotum bij te kopen als je boer wou blijven, remde de ander de boeren in zijn omgeving af. Zo kreeg je behalve het verschil tussen oost en west – melkveehouders in de Kempen kochten gretig quotum terwijl West-Vlamingen er eerder gemengde bedrijven op na hielden – ook regionale verschillen.

melkvee.geVILT_LoonwerkDefour.jpg

Eén van de Kempenaars die zich suf zocht naar quotum is Kurt Smets, opgegroeid in Merksplas maar ondertussen al tien jaar actief melkveehouder in het Hageland. “Het quotum heeft me hier gebracht”, begint Kurt zijn verhaal. “Na mijn afstuderen wou ik in het ouderlijk bedrijf stappen, maar met 450.000 liter quotum liet de schaalgrootte dat niet toe. Ik begon te werken bij een boer in de buurt en zocht tezelfdertijd naar quotum om zelf te kunnen starten. In 2005 kon ik 328.000 liter quotum overnemen van een landbouwer uit Sint-Pieters-Rode. Hij stond erop dat ik ook de gebouwen en de grond zou kopen zodat het bedrijf ter plekke voortgezet zou worden. Het plan om met het quotum op zak terug naar Merksplas te keren, moest dus bijgesteld worden.” Het schrok de toen 20-jarige jongeman niet af, “al wist ik in feite niet waar ik aan begon”.

Met twee kan je drie keer zo veel werk opknappen als alleen

Onder het motto ‘samen sterk’ werkte Kurt samen met zijn ouders en zijn broer aan de verdere groei van het familiale melkveebedrijf. Melkquotum werd eenvoudiger verhandelbaar in 2003 zodat er nog grote en kleinere quotumaankopen zouden volgen bij de familie Smets. Vandaag beschikken ze over bijna anderhalf miljoen liter quotum. “Onze bedrijfsontwikkeling was sterk op uitbreiding in melkquotum gefocust”, beseft Kurt. Dat kostte handenvol geld, Kurt schat toch wel één euro per liter extra quotum terwijl er alles in totaal een miljoen liter is bijgekocht, en was achteraf beschouwd misschien niet de beste keuze. “We hadden de kat uit de boom kunnen kijken door boven ons quotum te melken”, bedenkt Kurt. In de wetenschap dat de Belgische melkveehouders voor het laatst in 2006 de superheffing verschuldigd waren, zou dat inderdaad niet verkeerd uitgepakt zijn. Al houdt Kurt er rekening mee dat de bank en het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds niet zouden zijn meegegaan in bedrijfsgroei zonder quotum.

Smets.geVILT.jpg

Om de zware investeringen in quotum te doen renderen, heeft de familie Smets veel jongvee opgefokt voor een snelle uitbreiding van de melkveestapel. Er is ook een zekere specialisatie ingetreden. Op het ouderlijk bedrijf in Merksplas wordt alleen nog jongvee gehouden, zo’n 160 stuks, terwijl alle productieve melkkoeien, 170 in totaal, in Sint-Pieters-Rode gemolken worden door Kurt en zijn broer Raf. Deze quotumcampagne, die begon op 1 april 2014 en eindigt op 31 maart 2015, stevenen zij af op een melkproductie van 1,6 miljoen liter. Dat moet zo snel mogelijk naar 2 miljoen liter in de nieuwe stal. “Op veel melkveebedrijven in groei gaat men ondanks een slechte melkprijs toch zo veel mogelijk proberen te melken”, voorspelt Kurt.

Melkveehouders die recent niet investeerden, zullen in de huidige omstandigheden minder geneigd zijn om veel melk te produceren. “Voor ons is ‘hard melken’ de enige manier om de kostprijs niet te laten stijgen”, zegt Kurt, “want onze vaste kosten liggen hoog door de overname en de recent gebouwde stal.” Groeien doet financieel altijd een beetje pijn maar grote zorgen over de toekomst maakt Kurt zich niet. Dat ligt ook niet in zijn aard, zo geeft hij zelf toe. “Proberen goed te boeren en verder vertrouwen op onze coöperatieve melkerij en op de breed gedeelde voorspelling dat de vraag naar zuivel wereldwijd toeneemt. Dat de zuivelmarkt zijn ups en downs zal kennen, weten we.” De huidige lage melkprijs heeft volgens Kurt nog een positieve kant. “Het houdt iedereen met de twee voeten op de grond want ook al valt er met het quotum één beperking weg, er zijn nog genoeg andere: grond, mestafzet, kapitaal, enz.

Van het geld dat de superheffing me zal kosten, had ik een nieuwe machineloods kunnen bouwen

Hoewel er veel quotum is bijgekocht, zal de familie Smets deze campagne toch een 200.000 liter melk meer produceren dan het persoonlijke productieplafond. Kurt noemt zichzelf een ‘kleine overschrijder’, maar we schrikken toch van het prijskaartje (circa 50.000 euro) dat aan een overproductie van deze grootteorde hangt. “Voor dat geld zou de nieuwe machineloods er staan”, sakkert Kurt, die ook het geld dat al die jaren in het quotum kroop veel liever in grond of gebouwen geïnvesteerd hard. Op een mooie pensioencent dankzij het quotum kan hij evenmin rekenen. De generatie voor hem verdiende wel goed geld aan de verkoop van melkquotum.

melksysteem.geVILT.jpg

Terwijl Kurt op veilig speelt, zijn er andere melkveehouders in Vlaanderen die zwaar gokken. Ze melken veel meer – ettelijke honderdduizenden liters meer – dan hun quotum. Vorig jaar kwamen ze daar nog nipt mee weg, maar dit jaar lijkt de superheffing die hen boven het hoofd hangt onafwendbaar. “Wie gokt, moet tegen zijn verlies kunnen en niet gaan jammeren bij de overheid”, vindt André Leroy. Tegen groei en normale bedrijfsontwikkeling is hij zeker en vast niet, maar ‘de grootste willen zijn’ was nooit aan André besteed. De techniek in de stal wordt steeds geavanceerder zodat één persoon meer koeien kan melken in dezelfde tijd. Groei is dus een normaal fenomeen, al ziet André ook melkveehouders die zich erin vergalopperen. Het werk groeit hen boven het hoofd zodat ze op den duur sociaal niet meer verantwoord bezig zijn.

Van blinde groei lijkt bij de familie Smets geen sprake, ook al is er een lange weg afgelegd in aantal koeien en liters melk. Kurt: “De ambitie is 220 koeien melken, samen met mijn broer Raf die nu ook naar de boerderij in Sint-Pieters-Rode verhuisd is. Ik ben niet op 500 koeien uit om dan personeel te moeten inschakelen. Dat is een keuze die je maakt tussen zelf boer blijven of bedrijfsleider worden. Anderzijds besef ik zeer goed dat het aangenamer kan zijn om met de hulp van personeel enkele honderden koeien te melken, dan op je eentje dag en nacht werk te hebben aan 120 koeien. Gelukkig kunnen mijn broer en ik het werk onder elkaar verdelen om het sociaal leefbaar te houden.” Zijn visie op schaalvergroting is heel nuchter: “Met een veestapel van 200 dieren heb je reeds schaalvoordelen, daarvoor hoef je geen 500 koeien te melken. Als bedrijf moet je mee groeien met de anderen uit je sector, anders blijf je niet bestaan. Maar groei gebeurt best met mate en het zou er altijd in moeten resulteren dat je je inkomen vergroot.”

Over de hele grote bedrijven wordt het meest gepraat, maar in Vlaanderen komt de meeste melk nog altijd van bedrijven met 100 en minder koeien

Wanneer in april het melkquotum wegvalt, is dat voor Kurt een opluchting maar dus niet meteen een reden om nog meer koeien te melken. Door de nieuwe melkveestallen die we in het landschap zien verrijzen, gaan we er misschien te snel vanuit dat de Vlaamse melkveehouderij een grote groeisprong zal maken in het post-quotumtijdperk. “Ik zie genoeg melkveehouders die niet op groei uit zijn, ook jongeren. Anderzijds heb je oudere melkveehouders die vooruit willen in het besef dat er een opvolger klaarstaat. Niet één bedrijf is hetzelfde en bij het zien van heel grote bedrijven mag je niet vergeten dat meerdere gezinnen in zo’n geval vaak samenwerken om hun boterham te verdienen”, aldus Kurt. Zijn oudere collega André verwacht een plotse toename in de melkleveringen door het verdwijnen van de quota, maar nadien weer even snel een stabiele melkproductie.

melkkoe_LoonwerkDefour.geVILT.jpg

Over de vraag of melkveebedrijven met 60 koeien nog een toekomst hebben, lopen hun meningen niet ver uiteen. Kurt vermoedt dat er nog één generatie is die daarmee goed de kost kan verdienen, wat min of meer beaamd wordt door André: “Niet groeien is uitbollen, wat niet wil zeggen dat je geen leefbaar bedrijf kan uitbouwen door 60 stuks melkvee te combineren met een andere landbouwactiviteit.” Met zulke voorspellingen is het altijd opletten geblazen, weet Kurt. “Tien jaar geleden verklaarde men ons gek als we over 200 koeien spraken. Het evolueert echter snel, en wie weet hoe een melkveebedrijf er zal uitzien over nog eens 10 of 20 jaar. Zolang ons bedrijf in de buik van het peloton blijft zitten, heb ik er een goed oog in. Mijn broer en ik doen nu de investeringen en de opschaling, in de hoop de vruchten te plukken van onze investeringen zodra we 50 zijn.”

Anders dan Kurt Smets zal André Leroy het post-quotumtijdperk niet meer meemaken als actief melkveehouder, maar dat spijt hem niet. “Spijt dat ik ondertussen zo oud geworden ben, dat heb ik wel. Maar verder hou ik ervan om gerust te kunnen slapen. Ik stel namelijk vast dat het geïnvesteerde kapitaal almaar groter wordt terwijl de marge voor de boer krimpt. Melkveehouders zullen in de problemen komen bij grote prijsschommelingen.” Maar de melkveehouderij loslaten, kan André niet want hij steekt momenteel veel energie in de oprichting van een producentenorganisatie bij zuivelverwerker FrieslandCampina. “Boeren moeten weer meer inzicht verwerven in het marktgebeuren want dat is economisch gezien de essentie van elk bedrijf. Vandaag lijken veel landbouwers (goedkope) werknemers van de verwerkende industrie. Ze zouden veel meer met hun afzet bezig moeten zijn. De tijd dat de domste zoon de boerderij overnam, ligt ver achter ons.”

 

Naar aanleiding van de opheffing van het melkquotum organiseren het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO) en het Centrum voor Agrarische Geschiedenis (CAG) op 27 maart in Melle de studiedag '30 jaar melkquotum: begin of einde van een gouden tijdperk'. Wie graag meer te weten komt over de boeiende geschiedenis van de melkquota en de toekomst van de Belgische zuivelsector kan zich hier inschrijven.

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: VILT / Loonwerk Defour

Volg VILT ook via