nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

08.01.2018 Melkrobot heeft de voorkeur op bedrijven die investeren

De crisis in 2016 had een grote impact op de investeringslust van melkveehouders. In jaren was de verkoop van melkinstallaties, die daalde met 43 procent tot 120 stuks, niet zo laag geweest. Bij de nieuw verkochte installaties hebben melkrobots een marktaandeel van 45 procent. Ook in het eerste semester van 2017 werden volgens de toeleveranciers vertegenwoordigd door Fedagrim vooral melkrobots (51%) verkocht. Ga je kijken naar alle melkinstallaties die op Belgische melkveebedrijven ingezet worden, dan is het aandeel van robots met 10 procent nog tamelijk bescheiden.

Bij de nieuw verkochte melkinstallaties zijn robots al enkele jaren in de meerderheid. Die trend zette zich in 2017 door want in het eerste semester werden 41 melkrobots verkocht tegenover 20 visgraatstallen en 16 zij-aan-zijmelkstallen. De verkoop trekt weer wat aan na het crisisjaar 2016, maar het niveau van de voorgaande jaren zal waarschijnlijk niet geëvenaard worden.

Melkkoeltanks vinden nog moeilijker een koper want na de terugval met 24 procent in 2016 werden er in het eerste semester in 2017 nog minder melkkoeltanks verkocht. Grote, verticale melkkoeltanks zijn nog niet gebruikelijk maar winnen geleidelijk wel marktaandeel. De keuze voor tanks met een grotere capaciteit dan 10.000 liter is ook merkbaar bij de horizontale exemplaren.

Tot daar de weetjes uit het jaarverslag van de toelevering (Fedagrim), wat door landbouwonderzoeksinstituut ILVO tijdens Agribex aangevuld werd met interessante data uit de milkcontrol-database. Alle melkinstallaties en koeltanks op melkveebedrijven in ons land worden jaarlijks, respectievelijk tweejaarlijks, doorgemeten door erkende technici. Vanwege het dalend aantal melkveebedrijven daalt ook het aantal metingen, om in 2015-2016 uit te komen op circa 8.000 doorgemeten melkinstallaties en koeltanks. Stephanie Van Weyenberg (ILVO) presenteerde de voornaamste bevindingen uit de CONTROL-datavergaring.

Om te beginnen valt op dat nog steeds 22 procent van de melkveebedrijven in België, voornamelijk in Wallonië, uitgerust is met een bindstal. Nieuw worden die niet of nauwelijks meer verkocht zodat dit type stal samen met de meest kleinschalige melkveebedrijven stilletjes zal verdwijnen. Het grootste marktaandeel (39%) bij de bestaande installaties is weggelegd voor de visgraatmelkstal. Melkrobots maken zoals gezegd 10 procent van de markt uit, maar hun aantal stijgt ieder jaar. In 2013 werd er maar op 7 procent van alle bedrijven in ons land automatisch gemolken.

In Oost- en West-Vlaanderen zijn de meeste melkveebedrijven actief, maar de grotere bedrijven opereren in Antwerpen. Eén op de vijf Antwerpse melkveebedrijven beschikt over een robot om de koeien te melken. In de andere Vlaamse provincies ligt dat aandeel tussen 9 (West-Vlaanderen) en 14 procent (Limburg). “Melkveebedrijven in de provincie Antwerpen melken het hardst”, zegt Van Weyenberg, “en dat kan je ook aflezen uit de grootte van de melkkoeltanks.”

Op een kwart van de Antwerpse melkveebedrijven kan er meer dan 10.000 liter melk gestockeerd worden, waar dat elders maar op 10 procent van de bedrijven het geval is. In Limburg beschikt zelfs maar 6 procent van de melkveebedrijven over een koeltank groter dan 10.000 liter. Nochtans investeren de Limburgse melkveehouders wel in melkrobots (14% marktaandeel t.o.v. 10% landelijk gemiddelde). Automatisch melken is dus geen privilege voor de grote bedrijven. Voor de echt grote bedrijven biedt een melkinstallatie van het type carrousel overigens meer capaciteit.

Na het verdwijnen van het melkquotum zijn een behoorlijk groot aantal melkveebedrijven gegroeid. Vanaf een bepaalde schaal wordt weidegang moeilijker realiseerbaar. Volgens Fedagrim-voorzitter Johan Colpaert, zelf actief in de stallenbouw, wordt er bij nieuwbouw de jongste twee à drie jaar vaak gekozen voor het op stal houden van de dieren. “Maatschappelijk ligt dat gevoelig, maar een modern uitgeruste stal laat toe om dieren in topkwaliteit winter en zomer binnen te huisvesten.”

Colpaert geeft het stalcomfort én -volume als voorbeeld omdat beiden enorm zijn toegenomen. “Elke koe beschikt nu over veel meer ruimte dan 20 jaar geleden. Dat zie je bijvoorbeeld aan de looppaden, die 3 tot 4 meter breed zijn. Binnen kan je het klimaat aansturen en zorgen voor een constante voederkwaliteit.” Stephanie Van Weyenberg wijst er nog op dat weidegang moeilijker te rijmen is met een melkrobot dan met een ander type melkinstallatie.

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via