nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

01.02.2018 Melkveehoudersbond oppert "marktresponsabilisering"

De publieke interventie van melkpoeder wordt stopgezet zodat de gestockeerde voorraad in 2018 niet verder meer kan aangroeien. Dat hebben de Europese landbouwministers deze week zo besloten. “Een begrijpelijke beslissing gezien de overvolle stocks en de druk op de melkprijs die daarvan het gevolg is”, oordeelt de European Milk Board (EMB). Die maakt zich toch erg ongerust want als de melkproductie niet gereduceerd wordt, dan overspoelt de zuivelmarkt. EMB herhaalt daarom zijn pleidooi voor een marktresponsabiliseringsprogramma. Je kan het een beetje vergelijken met de vrijwillige en vergoede melkreductie die de EU rond de jaarwisseling 2016-2017 instelde.

Tijdens de Europese Landbouwraad van afgelopen maandag werd overeengekomen om dit jaar geen magere melkpoeder uit de markt te nemen ter ondersteuning van de melkprijs. De Europese Commissie en de lidstaten kunnen moeilijk anders want de huidige 375.000 ton melkpoeder in opslag kost iedere maand handenvol geld en met de verkoop ervan wil het niet vlotten. Europa heeft er volgens melkveehoudersbond EMB fout aan gedaan om met publieke interventie de zuivelcrisis te willen bezweren. “Interventie is niet geschikt als crisisinstrument, maar kan wel gebruikt worden om de seizoensmatige schommelingen in het aanbod op te vangen.” Daarom stelt EMB voor om het interventievolume (109.000 ton per jaar) te verkleinen en de interventieprijs op te trekken.

De melkpoederstocks zullen door de beslissing van de lidstaten niet verder aangroeien, maar daarmee zijn ze nog niet weggewerkt en is de zuivelmarkt nog niet aan de beterhand. Gezien de ouderdom van het melkpoeder en de overvolle markt stelt EMB voor om het als diervoeder te bestemmen. “Ga het zeker niet dumpen in derde landen”, is de boodschap. Het ziet er naar uit dat de melkproductie in Europa de komende maanden nog gaat aantrekken, maar dat vindt EMB onwenselijk. De organisatie hoopt dat beleidsmakers bereid zijn om de volgende stap te zetten en aan te sturen op een productiebeperking. Dat kan naar het voorbeeld van het vrijwillige melkreductieprogramma dat rond de jaarwisseling 2016-2017 een allereerste keer ingezet werd.

De European Milk Board werkte zelf een ‘marktresponsabiliseringsprogramma’ uit dat nog wat vernuftiger in elkaar zit dan het melkreductieprogramma dat in Brussel bedacht werd. Het begint met het monitoren van de zuivelmarkt zodat snel ingegrepen kan worden. Maatregelen moeten in verhouding staan tot de ernst van de marktdip. Zolang de marktindex 100 of meer noteert, is ingrijpen niet nodig want dan zijn alle kosten op een melkveebedrijf nog gedekt. Daalt de index met 7,5 procent, dan gaat er een knipperlicht branden bij de instantie die de markt overschouwt. Zuivelverwerkers krijgen de mogelijkheid om product te stockeren met steun van de overheid en de consumptie wordt aangezwengeld, met kalvermelk als mogelijke uitlaatklep voor het overaanbod.

Van een crisis is volgens EMB sprake zodra de marktindex met 15 procent daalt. Het door Europa ingestelde monitoringagentschap declareert dan officieel dat het crisis is. Vervolgens wordt aan melkveehouders gevraagd om hun productie terug te schroeven ten opzichte van de referentieperiode. Wie dat doet krijgt een bonus die gefinancierd wordt met de heffing die bedrijven betalen die meer melk produceren op een moment dat de markt er geen behoefte aan heeft. Als referentieperiode vindt EMB de 12 maanden die voorafgingen aan de marktcrisis het meest geschikt. Zo hou je immers rekening met seizoenspieken en -dalen in de productie.

Zit de zuivelmarkt echt in het slob, en daalt de marktindex met een kwart of meer, dan wil de melkveehoudersbond dat heel de sector (verplicht) met de handrem op melkt zodat de zuivelmarkt enkele maanden lang 2 à 3 procent minder melk te verwerken krijgt. Wie daar geen oor naar heeft, wordt snel op andere ideeën gebracht want de boete zou 10 à 20 procent meer bedragen dan de uitbetaalde melkprijs. Bovendien zou de heffing aangerekend worden vanaf de eerste liter surplusmelk.

In het geval van een vrijwillige melkreductie stelt zich ook de vraag wie de bonus betaalt en hoe groot die moet zijn. “De bonus kan je betalen uit een fonds dat gespijsd wordt met de boetes voor melkveehouders die hun productie alsnog verhogen, met een crisisbijdrage van de overheid en zo nodig ook met een algemene producentenheffing die enkel in het crisisjaar betaald wordt. Werk met een aanbesteding en stel melkveehouders tijdens de eerste week bijvoorbeeld 30 cent per kilo uitgespaarde melk in het vooruitzicht, en verlaag dat naar 20 en 10 cent tijdens week twee en drie. Dat verzekert een snelle respons”, suggereert EMB. Het is niet de bedoeling dat melkveehouders hun productie met meer dan 30 procent terugschroeven want dan kunnen ze wellicht niet meer voldoen aan hun kredietverplichtingen.

Zonder de hulp van Europa heeft het idee van EMB geen kans op slagen. Het bestaande observatorium voor de zuivelmarkt kan volgens de producentenorganisatie uitgebouwd worden tot een centraal monitoringagentschap. Hoe dat precies moet functioneren, wordt op voorhand vastgelegd. Om melkveehouders te kunnen verplichten hun productie te remmen, is er een wettelijke basis nodig. “Hanteer het principe ‘de vervuiler betaalt’ want de overschotmelk verwerken en stockeren kost onnodig geld. Ze niet produceren is met voorsprong de meest efficiënte oplossing”, motiveert de European Milk Board.

Meer info: Market Responsibility Programme EMB

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via