nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

07.05.2019 Mestbeleid doorstaat zonder glans de adviesronde

De Raad van State maakte geen brandhout van het voorstel van decreet rond het nieuwe mestactieplan (MAP6). Het administratieve rechtscollege suggereert wel een aantal verduidelijkingen en bijsturingen, maar lijkt geen onoverkomelijke bezwaren op tafel te leggen. Oppositiepartijen Groen en sp.a en onafhankelijk parlementslid Hermes Sanctorum hadden om advies verzocht en parlementsvoorzitter Jan Peumans (N-VA) stemde toe. Ook de Vlaamse adviesraden SALV en Minaraad bogen zich onvoorzien laat over de bijsturing van het mestbeleid. In het licht van de ‘good governance’ waar het mestbeleid nood aan heeft, benadrukken ze dat politieke besluitvorming landbouwers tijdig de kans zou moeten geven om zich aan te passen aan nieuwe regels. Aan de evaluatie die in 2020 gepland staat, lijken ze veel belang te hechten.

De Vlaamse meerderheidspartijen N-VA, CD&V en Open Vld bereikten enkele weken geleden en in het zicht van de verkiezingen van 26 mei nog een politiek akkoord over een nieuw mestactieplan (MAP6). Dat plan moet de nitraatvervuiling van de Vlaamse rivieren terugdringen. Om het akkoord nog tijdig goedgekeurd te krijgen in het parlement, werkte de meerderheid met een voorstel van decreet dat niet voor advies werd voorgelegd aan de Raad van State en de bevoegde Vlaamse adviesraden. Dat was niet naar de zin van de oppositie. Vlaams parlementsvoorzitter Jan Peumans had oor naar hun verzuchting.

Het advies van de Raad van State is nu klaar. Het rechtscollege heeft maar 30 dagen de tijd gehad en heeft zich daarom naar eigen zeggen moeten beperken tot een “summier onderzoek”. Veelbetekenend in verband met de tijdsdruk die er mee gemoeid was, is de aanhef van het advies: “Uit de vaststelling dat over een bepaling in dit advies niets wordt gezegd, mag niet zonder meer worden afgeleid dat er niets over gezegd kan worden en, indien er wel iets over wordt gezegd, dat er niet méér over te zeggen valt.”

Grote struikelstenen lijkt de Raad van State niet op te werpen. Het rechtscollege dringt wel aan op een aantal verduidelijkingen, maar nergens lijkt de kritiek onoverkomelijk. De Raad van State lijkt zelfs – onder bepaalde voorwaarden – de retroactiviteit van de nieuwe regelgeving door de vingers te zien. Het rechtscollege is nochtans niet happig op regelgeving met terugwerkende kracht. Zo'n retroactieve regels leiden wel vaker tot rechtsonzekerheid. Maar in dit geval bestempelt de Raad van State de retroactiviteit als “toelaatbaar”, onder meer omdat er wordt geargumenteerd dat de retroactiviteit “onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang”.

Bovendien is de inwerkingtreding op 1 januari 2019 een voorwaarde voor het verkrijgen van de derogatie. De mogelijkheid om onder strikte milieuvoorwaarden meer dierlijke mest aan te wenden in Vlaanderen, werd gunstig geadviseerd door de andere lidstaten in het Nitraatcomité maar moet nog toegekend worden door de Europese Commissie. Die derogatie is volgens de overheid uitermate belangrijk voor de landbouwers (voornamelijk melkveehouders, nvdr.) die ze al jarenlang toepassen. Zij dreigen anders van de ene op de andere dag een noodoplossing te moeten zoeken voor een groot mestoverschot dat er in 2020 niet meer zal zijn bij toepassing van de derogatie. Naar verluidt is de terugwerkende kracht niet negatief voor landbouwers omdat de nieuwe maatregelen in MAP6 veelal betrekking hebben op najaarswerkzaamheden zoals het inzaaien van groenbedekkers.

Waar het rechtscollege meer moeite mee heeft, is dat de decreetgever voorziet dat de Vlaamse regering nadere regels zal vaststellen met betrekking tot een behoorlijk groot aantal aspecten van het mestbeleid. De Raad van State ziet liever een striktere afbakening van die bevoegdheid. De repliek van de overheid luidt dat de mestregelgeving een zeer gedetailleerde en technische regeling is, waarvan veel elementen reeds op het niveau van het Mestdecreet vastgelegd zijn.

Ook in het gezamenlijk advies van SALV (Strategische Adviesraad voor Landbouw en Visserij) en de Minaraad (Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen) zit weinig dynamiet. In drie pagina’s zetten ze uiteen hoe een effectief mestbeleid er idealiter uitziet – “consequent, fair, motiverend, handhaafbaar en adaptief” – en wat er verstaan mag worden onder ‘good governance’. De besluitvorming kan naar verluidt nog beter, bijvoorbeeld door in een vroeger stadium via de adviesraden het draagvlak af te toetsen bij het middenveld voor bepaalde oplossingsrichtingen.

De woorden ‘systeemanalyse’ en ‘systeeminnovatie’ verraden hoge verwachtinge ten aanzien van het evaluatiemoment in 2020. De geplande tussentijdse evaluatie kan beter tijdig voorbereid worden volgens SALV en Minaraad: “Sluitende conclusies over de effectiviteit van MAP6 kunnen medio 2020 niet getrokken worden. Op korte termijn kan wel inzicht verschaft worden in wat er goed en fout loopt in het mestbeleid, en welke nieuwe oplossingsrichtingen er eventueel zijn. Een SWOT-analyse laat toe om te doorgronden welke beleidsopties aan de orde zijn na de evaluatie. Het mandaat en de governance van deze onderzoeks- en evaluatieprocessen moeten dusdanig zijn dat de resultaten niet zonder meer terzijde kunnen worden geschoven.”

De commissie Leefmilieu van het Vlaams Parlement buigt zich dinsdag over het dossier. Het is afwachten of het decreet daar groen licht krijgt en of het ook nog voor de verkiezingen van 26 mei plenair kan afgeklopt worden.

Bron: eigen verslaggeving / Belga

Beeld: Vlaamse Landmaatschappij

Volg VILT ook via