nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

08.04.2019 Natuurbegrazing doet streekeigen rundveerassen herleven

Het gaat niet goed met dubbeldoelkoeien en andere oude, streekgebonden rundveerassen. Met de dieren is niets mis, maar hun aantallen gaan achteruit evenals het aantal veehouders dat doelbewust kiest voor een robuuste koe in plaats van een ‘topsport-koe’ die blessuregevoelig is. Kurt Sannen en Jarno Vandepoel, twee producenten van ‘natuurvlees’ (vlees van runderen die grazen in natuurgebied, nvdr.) in het Hageland, vertellen waarom oude rassen meer zijn dan levend erfgoed en nog altijd hun plaats hebben in een moderne bedrijfsvoering. Sannen houdt Kempense runderen uitsluitend voor hun vlees. Zijn jonge collega Vandepoel melkt wit-blauwe dubbeldoelkoeien die ronder en gezonder in hun vel zitten dan een magere melkkoe. Beiden extensiveren ze hun bedrijfsvoering door begrazing van natuurgraslanden.

Vlaamse landbouwbedrijven zijn zich steeds meer gaan specialiseren. De meesten dan toch, want een gemengd landbouwbedrijf is voor anderen een bewuste keuze om het marktrisico te spreiden. Een bezoek aan twee rundveehouders uit het Hageland leert ons dat je ook binnen één sporttak van de landbouw voor een gemengde productie kan gaan. In het geval van Kurt Sannen uit Molenstede is dat de mix van vleesproductie en natuurbeheer. Zijn jongere collega Jarno Vandepoel uit Hoeleden voegt daar nog melkproductie aan toe. Beiden spelen dat klaar met één type koe, het Kempens rund op de boerderij van Sannen en het Belgisch wit-blauw dubbeldoelrund bij Vandepoel.

Terwijl de kuddes oude schapenrassen aangroeien zoals het Steunpunt Levend Erfgoed onlangs meldde, dreigen oude rundveerassen te verdwijnen samen met de bedrijfsleiders die meestal al een dagje ouder zijn en geen opvolger hebben. In landbouwonderwijs en praktijkonderzoek ligt de focus nog steeds op opbrengstmaximalisatie. Haast automatisch kom je dan uit bij een Holstein melkkoe of voor vleesproductie bij een wit-blauwe dikbil. Nog te weinig wordt er volgens Kurt Sannen gekeken naar het verkleinen van de afhankelijkheid van externe inputs, soja bijvoorbeeld, en het sluiten van kringlopen op een boerderij.

Bioboeren hebben zich dat kringloop-denken eigen gemaakt. “Ook buiten de biosector zijn er landbouwers actief die hun winst niet halen uit het maximaliseren van opbrengsten”, benadrukt Sannen. De keuze voor oude streekeigen runderrassen is daar een mooi voorbeeld van. Zo zijn er vier die als dusdanig erkend zijn door de overheid en voor de subsidie ter behoud van dit levend erfgoed in aanmerking komen: het West-Vlaams rood rund, het wit-rood ras van Oost-Vlaanderen, het Belgisch wit-blauw dubbeldoeltype en het Kempens roodbont.

Van het Departement Landbouw en Visserij vernemen we dat er dit jaar 75 verbintenissen voor streekeigen rundveerassen lopen. Dat wil zeggen dat een even groot aantal rundveehouders bijdraagt aan de instandhouding van één van de vier oude rassen, en daarvoor een kleine vergoeding per vrouwelijk dier ontvangt dat minstens 75 procent raszuiver is. Voor de subsidiemaatregel moet een landbouwer over minstens 20 zulke dieren beschikken. Gedurende vijf jaar moet hij minstens het aantal vrouwelijke dieren houden waartoe hij zich bij aanvang verbonden heeft. Op een bedrijf kunnen dus nog iets meer koeien aanwezig zijn dan aangemeld bij de Vlaamse overheid, en sowieso zijn er meer dieren want de cijfers laten stieren en kalveren buiten beschouwing.

Anno 2019 hangt de toekomst van het Kempens roodbont af van slechts zeven fokkers die samen over 418 koeien beschikken waarvoor ze de subsidie ontvangen. Van wit-blauw dubbeldoel en het wit-rode rund uit Oost-Vlaanderen telt de (subsidiabele) veestapel 1.749 en 1.603 dieren. Het West-Vlaams rood rund liep in 2012 in de kijker toen het rundvlees van deze dieren erkend werd als Vlaams streekproduct. Vijf jaar later werd bij Europa een aanvraag ingediend voor een beschermde oorsprongsbenaming. In de kustprovincie zijn er nog 18 vleesveehouders voor wie dat veel kan betekenen. Samen houden zij 787 koeien.

Zelf produceert bioboer Sannen hoeve- en natuurvlees met het Kempens rund en een al even oud schapenras, de Ardense voskop. De schapen en runderen grazen in natuurgebied Dassenaarde dat zich uitstrekt van Averbode tot Diest. Een 30-tal kilometer daar vandaan, in de regio rond Tienen, zijn er nog een aantal rundveehouders die het Belgisch wit-blauw dubbeldoeltype in ere houden. Jarno Vandepoel (23) uit Hoeleden is één van hen. Al generaties lang melkt zijn familie dubbeldoelkoeien omdat de dieren hen beter passen dan Holstein-koeien.

Net zoals Sannen kiest Vandepoel voor gezonde koeien, voor “plantrekkers”. Die heb je als boer nodig als je de dieren wil inzetten voor natuurbeheer door begrazing. Vandepoel zet met een gerust hart zijn vee in het natuurgebied dat Natuurpunt hem toevertrouwt. “Een jongvee-opfokstation”, zo noemt hij het zelf, want elke koe die niet gemolken wordt, zoogt twee kalveren en het gras doet de rest. De melk van De Vaerendriesch gaat naar Arla. Melk van dubbeldoelkoeien wordt niet gescheiden opgehaald zoals biomelk zodat Vandepoel de reguliere melkprijs ontvangt. De minder hoge melkproductie van het dubbeldoelras moet dus gecompenseerd worden met de vleesproductie. “Vlees met een meerwaarde, en met een uniek verhaal dat we vertellen in de hoevewinkel”, zegt Vandepoel.

De vleesveesector kreunt al jaren onder slechte verkoopprijzen voor dikbillen want de rundvleesconsumptie daalt sneller dan bij andere vleessoorten. Bovendien kiest de consument steeds vaker voor gehakt en bereid vlees in plaats van duurdere biefstuk. Dat verklaart waarom melkveehouders de crisis op de rundvleesmarkt minder voelen wanneer ze hun oude melkkoeien afvoeren naar het slachthuis. Vandepoel weet zijn verkoopprijzen van levend vee en rundvlees aardig constant te houden. Aan kostenzijde helpt het dubbeldoelras hem om minder geld uit te geven aan de dierenarts en de leverancier van krachtvoeder. “De koeien kalven op natuurlijke wijze, wat mij de kosten van een keizersnede uitspaart”, illustreert Vandepoel.

Het goedkoopste ruwvoeder dat zijn koeien krijgen, is het gras uit het Heibos in Hoeleden. Dat is een 80 hectare groot natuurgebied in beheer van Natuurpunt, bestaand uit grasland en bos. Op 20 hectare daarvan grazen koeien, vaarzen en kalfjes van De Vaerendriesch. “In 2000 was mijn vader één van de eersten om een samenwerkingsovereenkomst met Natuurpunt te sluiten. De 20 hectare natuurbegrazing maakt voor ons het verschil tussen intensief moeten werken of extensief kunnen werken.” Een vaak voorkomend probleem bij natuurbegrazing is dat opbrengst en voedingswaarde van het gras jaar na jaar achteruitgaan omdat er niet bemest wordt. “Dat probleem ervaren wij minder omdat het Heibos oude vetweiden zijn met een rijke bodem die zich niet snel laat uitwinnen.” Op termijn is dat wel de doelstelling van Natuurpunt want het gras moet plaatsmaken voor bloeiende planten.

Aan het extensieve karakter van de bedrijfsvoering zou de jonge boer na de overname van zijn ouders liever niet tornen. Bedrijfsgroei moet vooral haalbaar zijn en kan volgens hem ook op andere manieren dan in aantal koeien. “We hebben zo onze eigen manier van werken. Twee hectare veldbonen telen we bijvoorbeeld om minder eiwit te moeten aankopen via het krachtvoeder. Omschakelen naar bio wordt overwogen, maar is geen uitgemaakte zaak want het zou de onkruidbestrijding op akkers lastiger maken.” Voor de afzet van de melk en het vlees van de dubbeldoelkoeien wil hij zijn voordeel halen uit de toenemende marktdifferentiatie. “Daar liggen kansen voor mijn bedrijf.”

Wat Jarno Vandepoel en Kurt Sannen doen – rundvleesproductie combineren met natuurbeheer –, is in Nederland een vaak voorkomend bedrijfsmodel en kan dat ook hier worden. Van het scheidingsdenken tussen landbouw en natuur zijn beide heren geen fan. De jonge boer droomt luidop van een revival van oude streekeigen rundveerassen die ingezet worden voor natuurbegrazing, “wat ze minstens even goed kunnen als de Galloway-runderen die Natuurpunt daar op veel plaatsen zelf voor inzet.” Al vraagt dat om boeren die natuurbeheer net zo goed in de vingers hebben als koeien houden en gewassen verzorgen. Natuurverenigingen kunnen ons begeleiden, suggereert Vandepoel. Willen boeren voor hun broodwinning wel afhankelijk worden van natuurverenigingen? “Wij hebben hen nodig en omgekeerd, als je ziet dat natuurbeheer handenvol geld kost aan de maatschappij en wij dat veel goedkoper kunnen.”

“Of een runderras deugt of niet moet je volgens Kurt Sannen altijd in relatie tot de bedrijfsvoering zien. “In het klassieke verdienmodel van een melkveebedrijf komt een Holstein-koe beter uit de verf. Diezelfde koe zou het bijzonder slecht doen als je ze laat grazen in natuurgebied en minder krachtvoeder geeft”, legt Sannen uit. “Het is alsof je met een Landrover en een Porsche over een veldweg rijdt en concludeert dat die laatste een slechte wagen is.” Zelf melkt hij zijn Kempense runderen niet, maar gebruikt hij de dubbeldoel-kwaliteit van het ras om de kalfjes lang te laten zogen bij hun moeder zodat ze snel aan gewicht winnen ondanks het schrale grasland waar ze lopen.

Een veehouder met oude streekeigen rassen roeit tegen de stroom in, maar de Vlaamse overheid helpt via het plattelandsontwikkelingsbeleid wel peddelen. Het behoud van lokale rundveerassen wordt ondersteund met een subsidie van 150 euro per rund, of 175 euro wanneer het melken van de dubbeldoelkoeien aangetoond wordt met melkcontrole. Dat is aanzienlijk meer dan de 25 euro per schaap van een oud ras, en toch gaat het in die sector beter met het levend erfgoed. “Twintig jaar geleden werd er meewarig gedaan over andere schapenrassen dan Texels. Vandaag tellen de stamboeken van de oude rassen, samen weliswaar, meer dieren”, weet Sannen.

Zowel Kurt Sannen als Jarno Vandepoel laten verstaan dat de subsidie nuttig is en nodig blijft. “Het dient een maatschappelijk doel, namelijk het behoud van de genetische diversiteit in de veestapel.” Meer ondersteuning is welkom, maar niet per se in de vorm van meer centen. Sannen: “Steun kan je in de brede betekenis van het woord begrijpen. Zo kan het Agentschap voor Natuur en Bos de voorkeur geven aan streekeigen rassen voor het begrazen van natuurgebieden.” Hij ijvert ook voor meer onderzoek naar verdienmodellen die de kwaliteiten van streekeigen rassen beter uit de verf doen komen, en voor studieclubs van bedrijfsleiders met een vergelijkbare bedrijfsvoering.

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: De Vaerendriesch

Volg VILT ook via