nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

Koeien melken in een land waar zuivel de nationale trots is
29.06.2015  New Zealand Dairy Careers

Je bent jong en je wil wat, koeien melken als het even kan. Zonder boerenafkomst en een familiebedrijf om over te nemen, wordt dat in Vlaanderen een moeilijke opdracht. Niet iedereen laat zich daardoor afschrikken. Neem nu Stieven Blancke uit het Oost-Vlaamse dorp Lotenhulle (Aalter). De zoon van een garagehouder studeerde agro- en biotechnologie, bekwaamde zich verder in landbouw aan de UGent en is nu net terug uit Nieuw-Zeeland. Daar werkte én dacht hij 18 maanden lang mee met de bedrijfsleiders van twee grootschalige melkveebedrijven met elk een slordige 1.000 koeien. Stieven had persoonlijke redenen om terug te keren want eigenlijk had hij het er best naar zijn zin als ‘assistent herd manager’. Een manager? Op een melkveebedrijf? Inderdaad, de bedrijfsuitbating is er heel anders georganiseerd. Nog meer dan bij ons ligt de focus op lage kosten – “een kiwi (Nieuw-Zeelander, nvdr.) brengt het voeder niet naar de koe maar de koe naar het voeder”. Veel eigenaars van een Nieuw-Zeelands melkveebedrijf besteden het management helemaal of deels uit. Vooral de functie ‘share milker’ spreekt tot de verbeelding van de West-Europese jongeren die naar ginder trekken. Via kapitaalinbreng biedt het de kans om uit het niets (mee) te bouwen aan een melkveebedrijf.

Na een opleiding agro- en biotechnologie op de hogeschool VIVES in Roeselare en een master Toegepaste bio-ingenieurswetenschappen aan de Universiteit Gent wekte een advertentie in het vakblad Veeteelt de interesse van de pas afgestudeerde Stieven Blancke. In de advertentie richtte ‘New Zealand Dairy Careers’ zich tot jongelui die de boerenstiel willen leren en een carrière willen uitbouwen in Nieuw-Zeeland, waar volgens het uitzendbureau ’s werelds beste melkveehouders actief zijn. Voor we ons tot Stieven richten, vragen we Sjoerd van der Klei wat voor organisatie ‘New Zealand Diary Careers’ precies is. “Zie het als een privaat wervings- en selectiebureau met veel ervaring in het rekruteren van jonge boeren. De werkloosheid in Nieuw-Zeeland is laag en de vraag naar gekwalificeerde arbeid vanuit de melkveehouderij zodanig groot dat er ‘uitzendkantoren’ opgericht werden in Nederland en Ierland”, aldus Sjoerd.

Erasmusprogramma voor melkveehouder in spe?
New Zealand Dairy Careers (NZDC) heeft een tweejarig programma opgezet voor jongeren die er in de melkveehouderij aan de slag willen. “Een slechte voorbereiding en heimwee deden in het verleden veel jonge mensen vroegtijdig afhaken. De Nieuw-Zeelandse boeren waren dus zelf vragende partij om de immigranten beter te begeleiden.” Sjoerd en co proberen de juiste profielen aan te trekken en waken erover dat de jongens en meisjes niet het gevoel hebben dat zij aan hun lot overgelaten worden. Ter plekke staat een vertrouwenspersoon klaar die indien nodig hulp kan bieden, bijvoorbeeld wanneer het niet goed zou boteren tussen de boer en zijn trainee. Ook de meer praktische zaken, zoals de zoektocht naar een wagen, worden geregeld. Toch is ingesteldheid alles, zo laat Sjoerd van der Klei verstaan: “Nieuw-Zeeland is een mooi land maar de jongelui gaan niet op vakantie, er moet (hard) gewerkt worden, tot wel 60 uur per week. Daarom rekruteren we liefst kandidaten die ervaring hebben met de boerenstiel.”

Nieuw-Zeeland8_StievenBlancke.jpg

Door de regiokantoren in Nederland en Ierland geniet het uitzendprogramma vooral in deze twee landen bekendheid. “Belgen zijn ook gewild in Nieuw-Zeeland omdat ze net zoals mijn landgenoten bekendstaan om hun werklust”, vertelt Sjoerd. “De Ieren zijn vaak gelukzoekers die in eigen land onvoldoende carrièremogelijkheden zien.” Eens de jongelui in Nieuw-Zeeland zijn aangekomen en hun draai op de boerderij hebben gevonden, wil de boer waarvoor ze werken hen graag zo lang mogelijk houden. Daartoe biedt hij hen interessante functies aan en een behoorlijk loon. Volgens Sjoerd kan zo’n carrière in de melkveehouderij best hard gaan. Hij geeft het voorbeeld van een kandidaat die wordt weggeplukt om een tweede melkveebedrijf van dezelfde eigenaar te runnen. “Maar dat speel je normaal gezien na een jaartje in het programma nog niet klaar.”

Jonge Vlaming maakt de oversteek
De eerste Vlaming die intekende op het NZDC-programma, Stieven Blancke, was ginds actief als ‘assistent herd manager’. Over het loon en de huisvesting had Stieven geen klagen, maar het waren vooral de carrièremogelijkheden die hem aantrokken. “Als de eigenaar niet op het melkveebedrijf actief is, runt een loontrekkende ‘farm manager’ de boel. In Nieuw-Zeeland werken ze ook met ‘contract milkers’ en ‘share milkers’, de eerste krijgt een afgesproken vergoeding voor de geproduceerde volumes terwijl de tweede kapitaal inbrengt en deelt in de opbrengsten en kosten van het melkveebedrijf. Sjoerd legt uit dat er jongens zoals Stieven zijn die met hun spaarcenten een dozijn koeien kopen en ze onderbrengen op een bestaand melkveebedrijf. Als ‘share milker’ melken ze dan zowel de eigen koeien als de koeien van iemand anders en delen ze in de omzet. “Melkveehouder worden is nergens gemakkelijk, maar in Nieuw-Zeeland kan het dus nog als je het ondernemen in je hebt.” De sterke grondprijsstijging van de jongste jaren – maal drie tot vier volgens Stieven – maakt van aandeelhouderschap meestal het hoogst haalbare.

Nieuw-Zeeland3_StievenBlancke.jpg

Vooraleer elke jonge Vlaamse melkveehouder in spe zijn geluk in Nieuw-Zeeland wil beproeven toch even zeggen dat New Zealand Dairy Careers 15.000 euro als ‘fee’ aanrekent, retourticketje niet inbegrepen. "Dit is de kostprijs van het tweejarig programma maar één jaar kan ook", aldus Sjoerd. Hij verduidelijkt graag wat allemaal in de prijs inbegrepen is: "De kandidaat zijn visum en vliegtuigticket is geregeld en in Nieuw-Zeeland wacht hem een volledig verzorgd introductieprogramma van twee weken. De 'juiste' boerderij werd geselecteerd en met het geld voorzien we ook in studiemateriaal en colleges (inclusief overnachting), een ipad of computer zodat de kandidaat contact kan houden met het thuisfront, een gsm, een wekker om zeker niet te laat te komen voor de vroege melkbeurten en 1.000 dollar op een bankrekening voor de eerste boodschappen en andere kosten.

Stieven is ondertussen terug in het land, heeft besloten om hier werk te zoeken in de agrovoedingsindustrie maar koestert wel de herinneringen, de kennis en praktijkervaring die hij overhoudt aan zijn reis. “De kiwi’s blinken uit in melk produceren tegen lage kosten”, start Stieven zijn verhaal. “De filosofie ginder is dat je het voeder niet naar de koe brengt, maar de koe naar het voeder. ’s Morgens startte mijn werkdag al vroeg met een rit op de quad of crossmoto, op zoek naar de koeien. Kwestie van je hoofd erbij te houden want in de mist en het sterk heuvelachtige landschap is een ongeluk gauw gebeurd. Staan de koeien op de verste weide, dan moet je erg vroeg uit de veren om de dieren op te halen zodat je om pakweg vijf uur kan starten met melken.

Koe ‘graast’ in de winter op bietenakker
Op een bedrijf dat volop inzet op weidegang en lage kosten hebben de koeien een naar onze normen bescheiden jaarproductie van 4.000 tot 6.000 liter. De Holstein- en Jersey-koeien die in Nieuw-Zeeland (in een carrousel of visgraatmelkstal) gemolken worden, zijn frêle gebouwde dieren en dat kan je ook zeggen van de amper 400 à 450 kilo wegende ‘kiwi-cross’, de in Nieuw-Zeeland populaire kruising van beide rassen. Als we Stieven vragen wat hij bedoelt met ‘seizoensmelken’ legt hij uit dat op 31 mei de droogstand ingaat voor alle koeien. In deze niet-productieve periode verhuizen de dieren vaak voor een maand of twee naar het bedrijf van een collega-landbouwer, meestal een akkerbouwer die de dieren laat grazen op een akker met voederbieten, rapen of kool. Daar winnen de drachtige koeien aan conditie met het oog op de kalving. De 12 kilometer tussen het externe akkerbouwbedrijf en het melkveebedrijf waar Stieven actief was, hebben de honderden koeien zelf overbrugd via de openbare weg.

Nieuw-Zeeland2_StievenBlancke.jpg

Als blijkt dat de dieren na inseminatie niet drachtig worden, aarzelt de boer meestal niet om ze af te voeren naar het slachthuis. Alleen de voor de genetica van de veestapel heel interessante dieren mogen een jaartje overslaan en krijgen een nieuwe kans op dracht. Een minderheid van de Nieuw-Zeelandse melkveehouders past geen collectieve droogstand toe maar gaat door met ‘wintermelken’ van juni tot en met augustus. Ze ontvangen in die periode een iets hogere melkprijs van Fonterra.

Kiwi’s zijn lage-kosten-kampioenen
Stilaan zie je in Nieuw-Zeeland een tweedeling van ‘high’ en ‘low input’ bedrijven, met nog een brede range daartussen naargelang het aantal uren weidegang. Weidegang is bepalend voor de voederkost maar drukt de kosten nog op andere manieren. “Bedrijven die continu weidegang toepassen, hebben erg lage vaste kosten door een minimum aan stallen en rollend materiaal”, weet Stieven. “Een melkstal en een wachtruimte voor de koeien, meer huisvesting is er op die bedrijven niet. Schuilen voor de weersomstandigheden kan dan alleen onder de bomen. Ondanks een ‘code of welfare’ die beschutting voor de dieren adviseert, verdwijnen veel van die bomenrijen uit het landschap omdat ze lastig zijn bij beregening met een pivotinstallatie die cirkels maakt.” De investeringen in tractoren en machines zijn bescheiden omdat het areaal meestal alleen uit grasland bestaat en werkzaamheden zoals bekalken en bemesten met minerale meststoffen uit handen gegeven worden aan een loonwerker. De zuinigheid van de kiwi’s merk je ook aan hun manier van onkruidbestrijding: niet een ganse weide bespuiten maar plaatselijk de Schotse distel bestrijden met een handsproeier. Die hebben de medewerkers bij zich als ze met de moto of quad de koeien gaan ophalen.

Nieuw-Zeeland4_StievenBlancke.jpg

Hoewel gras in de winter niet wil groeien, houden bedrijven met weidegang consequent vast aan het kostenefficiënte principe dat je de koe naar het voeder brengt. Stieven toont foto’s waarop de koeien staan te grazen op een perceel voederbieten van een akkerbouwer. Met behulp van een schrikdraad wordt stripbegrazing toegepast op de akker. Het rantsoen van bieten, rapen of kolen ‘vers van het veld’ wordt aangevuld met stro of gedroogd gras. Zo’n akker wordt wel eens herschapen tot een modderpoel in wintermaand juli, maar van wat aarde in het rantsoen ligt men niet wakker. Over het algemeen mogen de Nieuw-Zeelandse melkveehouders niet klagen over de weersomstandigheden. Stieven ervoer het als “een Belgisch weertje maar zonder de extremen van meer dan 30° in de zomer en de vriestemperaturen in de winter”.

Semi-optimale productieomstandigheden
Landbouw staat in Nieuw-Zeeland vooral synoniem voor melkvee, vleesvee en schapen. In mindere mate verdienen boeren ook de kost met hertenhouderij, akkerbouw, hout- en wijnproductie en uiteraard met de kiwi’s waaraan ze hun bijnaam ontlenen. Nieuw-Zeeland telt 4,8 miljoen melkkoeien, iets meer dan het aantal inwoners op het Noorder- en Zuidereiland die samen met een aantal kleinere eilanden Nieuw-Zeeland vormen. Op iets minder dan 12.000 landbouwbedrijven worden er koeien gemolken, waarbij de gemiddelde veestapel 400 melkkoeien telt. Op het Zuidereiland, waar Stieven vertoefde, zijn de bedrijven fors groter dan op het Noordereiland.

Nieuw-Zeeland1_StievenBlancke.jpg

Zes maanden werkte Stieven op een bedrijf dat 1.150 koeien houdt op 330 hectare grasland in de heuvels van Waimate. Vooral de lange melkbeurten zullen hem bijblijven. Door de tijd die het kost om de koeien op te halen maar vooral door de melkinstallatie die niet aangepast was aan de omvang van de veestapel werd er iedere dag urenlang gemolken. Na een korte terugkeer naar België ging Stieven aan de slag op een bedrijf met 930 koeien in de regio Canterbury. “De melkveestreek bij uitstek”, aldus Stieven, die zijn woorden kracht bijzet door enkele foto’s te tonen. We krijgen een beeld van de huiskavel van 240 hectare, in één blok rond het bedrijf en opgedeeld in weiden van 6 tot 12 hectare groot. In het verstedelijkte en verkavelde Vlaanderen kan een melkveehouder daar alleen maar van dromen. De foto’s zijn daarom best confronterend voor een Vlaamse boer. Ook Stieven maakt zich zorgen over de Vlaamse situatie nu hij gezien heeft welke enorme oppervlakten in Nieuw-Zeeland voor landbouw beschikbaar zijn. “Gelukkig zijn wij sterker in kwaliteitscontrole van de melk en heeft Belgische zuivel een hogere toegevoegde waarde dan Nieuw-Zeelandse melkpoeder.”

Milieuwetgeving is in Nieuw-Zeeland nauwelijks een zorg
Als het een troost kan wezen, niet alles is voor een melkveehouder in Nieuw-Zeeland makkelijker en beter. Zo draaien beregeningsinstallaties continu hun rondjes tijdens het weideseizoen. Op het tweede bedrijf van 240 hectare werkte men met vijf beregeningsinstallaties die tien dagen nodig hebben om het ganse areaal te besproeien met water, daarna beginnen ze weer van voor af aan. “Aan de westkust van het Zuidereiland valt meer neerslag, maar aan de oostkust zou de grasgroei zonder beregening niet volstaan voor een melkveebedrijf. Vroeger beregende men niet, maar toen werden in de streek van Canterbury schapen en vleesvee op een extensieve manier gekweekt.” Beregening is ook niet zo’n probleem als het water haast gratis is. “Voor oppervlaktewater uit de rivier is een kleine vergoeding verschuldigd maar beperkingen op het gebruik van grondwater kent men er niet”, aldus Stieven.

Nieuw-Zeeland6_StievenBlancke.jpg

Het is niet de enige keer dat het Stieven opviel dat de milieuwetgeving er veel soepeler om niet te zeggen onbestaande is. De met veel water verdunde mest wordt opgevangen in de wacht- en melkruimte en vervolgens gestockeerd in een open silo. Met behulp van de beregeningsinstallaties wordt dat goedje over het gras gesproeid. Dat is niet bepaald wat je ammoniakemissiearme aanwending kan noemen, maar ook daar zie je dat inzichten veranderen. Zo wordt er momenteel naar een manier gezocht om de stikstofuitspoeling te meten. Stieven vermoedt dat dat een voorbode is van mestwetgeving zoals wij ze al 20 jaar kennen. Op het ogenblik van zijn verblijf was de impact daarvan nog niet in te schatten. Zorgen zijn er in Nieuw-Zeeland ook over de toenemende afstand tussen de bevolking en hun voornaamste exportproduct, namelijk melk. Nochtans zijn zuivelproductie en toerisme de twee steunpilaren van de plaatselijke economie. Boeren zijn best trots op ‘hun’ zuivelcoöperatie Fonterra maar maatschappelijk is melkveehouderij niet te best meer verankerd.

Hondenstiel of uitdagende en gevarieerde job?
Dat Nieuw-Zeelandse boeren geen landgenoten meer bereid vinden om het werk te doen, is een teken aan de wand voor de afkalvende maatschappelijke verankering. Al moet gezegd worden dat het niet de meest comfortabele jobs zijn. “Zelf werkte ik in een regime van zes dagen werken en twee dagen vrij zodat mijn weekend steeds verschoof. Voor de kiwi die op zondag rugby wil spelen, is dat niet ideaal. In Nieuw-Zeeland zijn de werkroosters erg divers, zo kan je er ook elf dagen werken waarna drie vrije dagen volgen.” Stieven lijkt er evenmin een probleem mee te hebben dat hij vaak voor dag en dauw uit zijn bed moest klauteren om in de mist op zoek te gaan naar de koeien, maar we kunnen ons goed voorstellen dat er comfortabeler jobs zijn voor Nieuw-Zeelanders. “De aard van het werk schrikt af”, geeft Stieven toe. Het resultaat is dat melkveehouders Indiërs en latino’s aantrekken als ‘arbeiders in de melkstal’ en jongeren uit het buitenland lokken met functies die een mooie mix zijn van mee werken en mee nadenken over de bedrijfsuitbating.

StievenBlancke.jpg

Het enthousiasme waarmee Stieven vertelt, verraadt dat hij genoten heeft van zijn tijd in Nieuw-Zeeland. Dat was zeker het geval op het tweede bedrijf in Canterbury, waar hij meer deed dan koeien ophalen en melken, de afrastering opknappen en de beregening aan de praat houden. Hij kreeg er de kans om mee na te denken over de bedrijfsvoering. Sommige zaken die hij er opstak, vindt Stieven nuttig voor de Vlaamse landbouwpraktijk, andere minder. “De huiskavels rond melkveebedrijven zijn hier te klein om het Nieuw-Zeelandse lage-kosten-systeem dat gestoeld is op begrazing te kopiëren. Maar dat neemt niet weg dat we iets kunnen leren van de wijze waarop grasland ginds wordt uitgebaat. Ook de managementstructuur van de melkveebedrijven ginder lijkt me een sterk punt. Hier hoopt men dat zoon of dochter het bedrijf wil voortzetten omdat een derde de overname onmogelijk kan financieren. In Nieuw-Zeeland kan je als ‘share milker’ aandelen kopen en geleidelijk groeien in een bedrijf. Misschien is dat wel de oplossing voor de Vlaamse familiale landbouwbedrijven die door de toegenomen schaalgrootte en investeringen almaar moeilijker over te nemen zijn?”

Bekijk hier nog meer foto's die Stieven in Nieuw-Zeeland maakte.

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: Stieven Blancke

Volg VILT ook via