nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 
  • ILVO onderzoekt opportuniteiten en methoden om grijze garnalen te kweken

    Nu de dagen korter worden en de temperaturen gevoelig zakken, houden de garnalen het voor bekeken...
    Toon detail informatie

      Hoe belangrijk is de grijze garnaal voor de Vlaamse markt?
      De grijze garnaal, in het Latijn Crangon crangon, wordt ook wel eens de “Kaviaar van de Noordzee” genoemd en wordt door veel mensen beschouwd als de lekkerste garnaal ter wereld. Dat weerspiegelt zich in de aanlandingen: jaarlijks wordt er door de Europese vloot van garnaalvissers meer dan 30.000 ton grijze garnaal aangeland met een waarde van 100 miljoen euro. Daarvan is ongeveer 90 procent afkomstig is uit de Noordzee. Ongeveer 850 ton Noordzeegarnalen wordt aangeland door de Belgische garnaalvissers, maar de Belgen nemen wel de consumptie van maar liefst de helft van de totale Europese aanlanding voor hun rekening! Belgen zijn dus garnaalvreters en dat zien we duidelijk in verschillende nationale gerechten, zoals “tomate crevette” en “garnaalkroketten”.

      Als er zoveel wildvang is, waarom zouden we dan garnalen willen kweken?
      Daar zijn eigenlijk veel redenen voor, maar de aanleiding voor het onderzoek was de stijgende vraag naar grote levende garnalen. Levende grijze garnaal wordt al langer aangevoerd en verhandeld in sommige Europese landen, en een vrij groot deel van de door Vlaamse vissers gevangen levende grijze garnaal was bestemd voor de Franse markt. Ondanks het feit dat de vraag groot was naar levende garnaal, werd deze activiteit in Vlaanderen afgebouwd vanwege te beperkt en te arbeidsintensief. De levende grijze garnalen worden namelijk verzameld uit de laatste sleep en moeten manueel gesorteerd worden. Bovendien blijkt het aandeel van grijze garnaal groter dan 70mm in de vangsten maar ongeveer twee procent te bedragen. Er bestaat met andere woorden een nichemarkt voor grote levende grijze garnalen, maar er kan niet aan de vraag voldaan worden door de Vlaamse garnaalvissers. Het is die nichemarkt die we met aquacultuur kunnen opvullen.

      Je zei dat er ook nog andere redenen waren?
      Jazeker, want de kweek biedt een boel mogelijkheden naar diversificatie, kwaliteit en duurzaamheid toe. Doordat de in het wild gevangen garnalen meteen na het vangen en sorteren gekookt worden aan boord, zijn de bewaarduur en de mogelijkheden tot verdere verwerking beperkt. Toch is de weg die de grijze garnaal aflegt tussen het vangen en consumeren vrij lang. De gekookte garnaal wordt namelijk doorgaans gekoeld getransporteerd naar lage loonlanden zoals Marokko om gepeld te worden. Daarna worden ze terug getransporteerd om dan gedistribueerd te worden en nog enkele dagen in de rekken van de winkels te liggen. Om dit traject mogelijk te maken, worden aanzienlijke hoeveelheden bewaarmiddelen en additieven (bvb. benzoëzuur) gebruikt, en die tasten jammer genoeg de smaak van de garnalen aan. Het aanbieden van grote, rauwe garnalen biedt een oplossing voor een groot aantal van die knelpunten.

      visserij_ILVO.geVILT.jpg

      Culinair gezien kan je met rauwe garnalen bijvoorbeeld veel meer doen dan met gekookte: je kan ze rauw opeten als sashimi, of je kan ze stomen, grillen, marineren en bakken. Maar je kan ze uiteraard nog steeds koken, maar dan in sterker gecontroleerde omstandigheden dan aan boord waardoor de bewaarduur van de garnalen nog sterker zal verhogen en er minder bewaarmiddelen nodig zijn. De continue kweek van garnalen kan ook complementair zijn aan de seizoensafhankelijke en jaarlijks variërende wildvangst en kan de visserijdruk op de wilde populaties en op hun leefomgeving verminderen, vooral als de vraag naar garnalen blijft stijgen. Laten we ook de werkgelegenheid niet vergeten, zowel in de kwekerij als bij de voederproducenten. Zelfs dat voeder biedt mogelijkheden. Aangezien garnalen aaseters zijn, kan er voeder ontwikkeld worden op basis van de bijvangst uit de visserij. Die bijvangst mag volgens de recente aanlandingsverplichting niet meer overboord worden gegooid, maar door die om te vormen tot voeder zouden we garnalen kunnen kweken op reststromen.

      Is aquacultuur dan de enige manier om versheid en duurzaamheid na te streven?
      Nee, er zijn ook andere initiatieven. Zo verricht ILVO met enkele garnaalvissers onderzoek naar verduurzaming van de garnalenvisserij, o.a. door gebruik te maken van rolsloffen en elektrische pulsen bij het vissen. In 2008 werd ook het kwaliteitslabel “Purus” in het leven geroepen. De grijze garnaal met dit label wordt door Vlaamse garnaalvissers binnen de 12 uren aangeland en worden binnen de 24 uren verhandeld. Hierdoor is er geen gebruik van bewaarmiddelen en additieven noodzakelijk. De Vlaamse Schelpdier- en Vis Coöperatie ging daarna nog een stapje verder door levende grijze garnaal onder het exclusief label “North Sea Life” aan te leveren, maar zoals gezegd voldoet het aanbod niet aan de stijgende vraag. Aquacultuur is niet de enige manier om op een duurzamere manier kwaliteitsvolle garnalen te bekomen, maar met het opstarten van kweekinstallaties zouden we wel meerdere vliegen in één klap kunnen slaan.

      Is de kweek van garnalen ook praktisch haalbaar?
      Wel, tijdens een eerder onderzoek naar de effecten van TBT (Tributyltin, een giftige stof die vroeger in scheepsverf verwerkt werd om begroeiing van de romp tegen te gaan) op de groei en ontwikkeling van de grijze garnaal bleek dat het houden van de grijze garnaal in gevangenschap niet voor de hand liggend was. Daarom werd een nieuwe onderzoekslijn opgestart waarin de kweekmogelijkheden van grijze garnaal worden onderzocht en geoptimaliseerd. Na een uitgebreide literatuurstudie die meer dan 100 jaar onderzoek op grijze garnaal omvat, hebben we nu een grote zak met puzzelstukjes en het is aan ons om de stukjes in elkaar te passen. Zo blijkt dat de grijze garnaal in het wild een lengte kan bereiken van 80mm in twee jaar tijd. Uit de beschikbare groeidata kon echter opgemaakt worden dat bij een optimale temperatuur (zonder lage temperaturen in de winter) en continu voldoende voedsel de grijze garnaal diezelfde lengte kan bereiken in één jaar tijd. Verder blijkt de voeding een belangrijke rol te spelen.

      garnaal2_ILVO.geVILT.jpg

      In een eerste deel van het onderzoek werd gekeken naar het optimaliseren van het dieet (vers of diepvries), waardoor we in staat waren de grijze garnaal voor verschillende maanden in gevangenschap te houden met een duidelijke groei. In een volgende stap zal gekeken worden naar de ontwikkeling van een artificieel voeder, mogelijks op basis van bijvangst uit de visserij, teneinde de proeven in de toekomst beter te kunnen standaardiseren. Daarnaast werd ook de broedhuistechniek voor de groei van de in de waterkolom levende larven onder de loep genomen. Het ILVO slaagde er in de larven op te kweken tot juvenielen, die in tegenstelling tot de larven op en in de bodem leven. We slaagden er echter nog niet in om de levenscyclus volledig te sluiten, vooral omwille van kannibalisme, en dus moeten de kweektechnieken nog verder geoptimaliseerd worden.

      Hoe willen jullie dat aanpakken?
      Daarvoor willen we verder bouwen op onderzoeksresultaten betreffende de groei van insecten gebaseerd op zogenaamde “nucleaire receptoren (NRs)”. Dit zijn eiwitten die door binding met andere stoffen (liganden) geactiveerd kunnen worden, en die dan specifieke DNA-stukjes in een gen kunnen herkennen. Ze kunnen dan ook gaan binden op dat gen en de expressie ervan beïnvloeden. Nucleaire receptoren kunnen met andere woorden genen aan- en uitzetten, en op die manier een invloed uitoefenen op de groei, ontwikkeling, vervelling en voortplanting van de garnaal. Door in kaart te gaan brengen welke nucleaire receptoren actief zijn in de verschillende levensfases, willen we meer inzicht krijgen in de voorkeur van de grijze garnaal voor parameters zoals temperatuur, saliniteit en voedersamenstelling.

      En dan verwachten jullie garnalen te kunnen kweken in aquacultuurinstallaties?
      Om eerlijk te zijn: dat is nog onzeker. Er is namelijk nóg een factor die waarschijnlijk aan de basis ligt van het moeilijk slagen van de kweek van grijze garnaal en dat is het Crangon crangon Baculo Virus (CcBV). Dit virus is ongevaarlijk voor planten en gewervelden (en dus ook voor de mens), maar het veroorzaakt sterfte bij de grijze garnaal, vooral wanneer de dieren blootstaan aan stress, bijvoorbeeld bij suboptimale kweekomstandigheden. Een bijkomende doelstelling van het project is dan ook om de virulentie van het CcBV stil te leggen via een vaccin op basis van RNA-interferentie (RNAi). Dit komt er op neer dat het overschrijven van het genetische materiaal van het virus wordt geblokkeerd zodat het virus bepaalde eiwitten niet meer kan aanmaken en onschadelijk wordt.

      Als het dan uiteindelijk lukt om garnalen te kweken, wat willen jullie er dan mee doen?
      Voor mij als wetenschapper zal een gekweekte garnaal zeer waardevol zijn als testorganisme in bijvoorbeeld onderzoek naar de invloed van vervuilende stoffen en hormonale verstoorders op schaaldieren, maar qua toepassing mikken we uiteraard vooral op de commerciële mogelijkheden. Het is namelijk ons doel om alle verworven kennis over te maken aan potentiële kwekers, zodat zij op grote schaal garnalen kunnen produceren. Het moet echter wel duidelijk zijn dat een gekweekte grijze garnaal geen concurrentie is voor de gekookte garnaal vanuit de visserij. De commerciële kweek van grijze garnaal kan wél een nichemarkt voor levende grijze garnaal binnen Europa op een continue wijze bevoorraden, en dus een commerciële rol gaan spelen.

      Is er genoeg steun voor dergelijke initiatieven opdat de gekweekte garnalen een succesverhaal kunnen worden?
      Aquacultuur heeft in de loop der jaren een negatief imago gekregen door onder andere antibioticagebruik en het gebruik van vismeel, maar door innovatie en een streven naar duurzaamheid is er veel veranderd. Bovendien wordt de druk op onze wilde populaties van vis, schaal- en schelpdieren steeds groter en moeten we andere manieren zoeken dan wildvang om aan de stijgende vraag te voldoen. Ook de Vlaamse overheid streeft er naar om een marktgerichte aquacultuursector uit te bouwen met het oog op toekomstige behoeften van voeding, energie en natuurlijke hulpbronnen. Ten slotte stelt de consument steeds hogere eisen qua duurzaamheid en kwaliteit. De garnalenkweek kan aan al deze voorwaarden voldoen, dus ja, ik geloof dat er binnenkort gekweekte garnalen op de markt zullen zijn.

      Meer info: Delbare D, Cooreman K., Smagghe G. (2014) Rearing European brown shrimp (Crangon crangon, Linnaeus 1758): a review on the current status and perspectives for aquaculture. Reviews in Aquaculture 6: 1–21

  • "Ambities randvoorwaarden moeten aangescherpt worden"

    Hoe moet het na 2013 met de rechtstreekse inkomenssteun? Moet de overheid straks meer investeren ...
    Toon detail informatie

      Hoe moet Europa de dynamiek en de verdere ontwikkeling van het Europese platteland ondersteunen? Hoe ziet u met name de verhouding tussen de eerste en tweede pijler verder evolueren?

      Johan Devreese: Onze maatschappij staat wereldwijd voor enorme uitdagingen: de klimaatverandering, het verlies van biodiversiteit, watervervuiling, bodemerosie, enzovoort. Deze uitdagingen zijn, naast het garanderen van voedselzekerheid, ook voor de Europese landbouw belangrijk. Vooreerst hebben deze problemen als dusdanig een negatieve impact op de landbouw, die afhankelijk is van deze natuurlijke hulpbronnen. Bijgevolg heeft de agrarische sector er alle belang bij dat er oplossingen voor gezocht worden. Daarnaast hebben niet-duurzame landbouwpraktijken hun steentje bijgedragen tot deze problematiek. Maar het belangrijkste en tegelijkertijd meest hoopvolle is dat duurzame landbouwpraktijken oplossingen kunnen bieden.

      Duurzame landbouw, waaronder biologische landbouw, kan veilig, kwalitatief en gezond voedsel produceren, en tegelijkertijd een gunstig effect hebben op de biodiversiteit en de bodem- en waterkwaliteit beschermen. Onderzoek toont aan dat biologische landbouw een belangrijke rol speelt bij het vastleggen van CO2, en bijgevolg kan bijdragen tot oplossingen voor het klimaatprobleem. Het IAASTD, een consortium van meer dan 400 wetenschappers uit ruim 110 landen, concludeerde recent dat de huidige industriële landbouw, gebaseerd op veel inputs en geglobaliseerde distributie, onvoldoende veerkrachtig is. Uit hun rapport blijkt dat enkel een multifunctionele, duurzame, kleinschalige en agro-ecologische landbouw een antwoord kan bieden op de honger in de wereld en de stijgende vraag naar voedsel.

      Het Europese landbouwbeleid van vandaag houdt onvoldoende rekening met deze uitdagingen. De eerste pijler is overwegend gebaseerd op historische overwegingen, en neemt, zeker in Vlaanderen, het leeuwenaandeel van het budget in beslag. De randvoorwaarden bij de eerste pijler zijn onvoldoende om effectief in te gaan op de hierboven vermelde uitdagingen en dienen te worden aangescherpt. Meer middelen dienen te gaan naar de tweede pijler, die gebaseerd is op het realiseren van concrete doelstellingen en een aantal mogelijkheden biedt om duurzamer te produceren. Ook de demotiverende discriminatie tussen de eerste en de tweede pijler moet worden weggewerkt. De eerste pijler wordt namelijk volledig met Europese middelen gefinancierd, terwijl voor de tweede pijler de lidstaten moeten co-financieren.

      Reageer op dit antwoord

      Moet de komende jaren extra geïnvesteerd worden in kwaliteit, export, ten nadele van rechtstreekse inkomenssteun?

      Investeren in export kan absoluut geen doelstelling zijn van een duurzaam beleid. Exportsubsidies hebben in het verleden een ontwrichtend effect gehad op de landbouwsystemen wereldwijd en staan daarom haaks op duurzaamheid. Investeren in export spoort samen met een verhoogde productie en meer intensivering en industrialisering, waarvan we de negatieve gevolgen, zowel op milieu- als sociaal vlak, reeds kennen. Omgekeerd is het wel noodzakelijk om te investeren in de ontplooiing van de lokale landbouweconomie, waarvan reeds bewezen is dat die heel kwaliteitsvol is. Zo is het bijvoorbeeld veel interessanter om te investeren in de productie van lokale eiwitgewassen in plaats van de massale import van goedkope en niet-duurzaam geproduceerde soja-eiwitten uit Brazilië. Bescherming van de markt tegen invoer van producten die onder bedenkelijke arbeids- en leefmilieunormen zijn geproduceerd mag geen taboe zijn. De internationale handel in landbouwproducten dient op dat vlak grondig te worden herbekeken.

      Investeren in alle facetten van kwaliteit, inclusief in termen van duurzaamheid, is daarentegen de grootste uitdaging voor de hervorming van het Europese landbouwbeleid na 2013. Consumenten willen gezonde en kwaliteitsvolle voeding. Het stellen van ambitieuze randvoorwaarden voor de inkomenssteun is noodzakelijk om een eerlijkere concurrentiepositie van duurzame landbouwsystemen, waaronder biologische landbouw, te bewerkstelligen.

      Reageer op dit antwoord

      Hoe vindt u dat het ondernemerschap van de landbouwers verder kan worden gestimuleerd? Wat is de rol van de overheid hierin in de toekomst?

      Vooreerst moet het voor landbouwers mogelijk zijn om nog een toekomst te zien in hun activiteiten, en moeten ze er een leefbaar inkomen uit kunnen halen. Leefbare bedrijven, ook voor boeren en boerinnen, zijn een essentieel onderdeel van een duurzame landbouw. Om voldoende voedsel te kunnen produceren op een maatschappelijk verantwoorde (duurzame) manier, is ook toegang tot voldoende grond cruciaal. De landbouw moet ook meer mogelijkheden krijgen om z’n eigen grondstoffen – bijvoorbeeld eiwitrijke gewassen – te kunnen telen, in plaats van alles te moeten importeren uit landen waar het op vlak van duurzaamheid vaak nog veel erger gesteld is.

      Een succesvolle ondernemer ziet vooruit en speelt in op de vragen en noden van de maatschappij. Dat is voor landbouwers niet anders. Kennis en innovatiemogelijkheden om rekening te houden met de maatschappelijke uitdagingen zijn cruciaal. Meer middelen moeten worden uitgetrokken naar wetenschappelijk onderzoek in duurzame landbouwsystemen, die minder afhankelijk zijn van dure en schadelijke inputs zoals kunstmeststoffen en pesticiden. De middelen die vandaag gaan naar onderzoek voor biologische landbouw en coördinatie van dergelijk onderzoek zijn een peulschil. Nochtans zijn de resultaten van dergelijk onderzoek ook interessant voor de gangbare landbouw, met het oog op de verduurzaming ervan. Ook de verspreiding van kennis is essentieel.

      Landbouwers kunnen ook onderling veel van elkaar leren. Dergelijke kennisuitwisseling motiveert en stimuleert producenten. Zo heeft men bijvoorbeeld in Nederland in de biologische sector veel ervaring met bedrijfsnetwerken, waar boeren en tuinders zich verdiepen in onderwerpen die zij zelf aanbrengen en belangrijk vinden. Deze biobedrijfsnetwerken doen niet zelf onderzoek maar toetsen wel de resultaten van bestaande onderzoeksprojecten of brengen zelf nieuwe onderwerpen aan voor de onderzoekswereld. Positief is dat met Vlaamse steun bij ons recent een gelijkaardig initiatief is van start gegaan. Ik hoop dat het Vlaamse biokennisnetwerk ook in de toekomst op Vlaamse steun zal kunnen blijven rekenen.

      Reageer op dit antwoord

      Inspelen op veranderende marktomstandigheden is een noodzaak om als sector te kunnen overleven. Wat kan de overheid op dit vlak doen?

      Voedselproductie is te waardevol om zomaar aan de grillen van de markt te worden overgelaten. De landbouw is ook sterk afhankelijk van externe factoren zoals weersomstandigheden, waardoor het niet mogelijk is om snel in te spelen op een stijgende of dalende vraag. En dan is er ook nog de sterke machtsconcentratie hogerop in de keten, waardoor de boer nauwelijks nog impact heeft op de prijs van de landbouwproducten. Interessante ideeën circuleren in Groot-Brittannië omtrent het oprichten van een ombudsinstelling die moet bemiddelen bij geschillen tussen supermarkten en hun landbouwleveranciers over de lage aankoopprijzen. Dergelijke voorstellen zijn zeer interessant om verder te onderzoeken, ook voor Vlaanderen. Daarnaast zijn ook consumenten zich onvoldoende bewust van deze problematiek en zouden ze beter gesensibiliseerd moeten worden over hoe voedselprijzen tot stand komen, en welk beperkt aandeel uiteindelijk bij de boer terechtkomt.

      Maar boeren hebben naast voedselproductie ook belangrijke maatschappelijke taken, zoals het stimuleren van de (agro)biodiversiteit op hun landbouwgrond, het beschermen van oppervlakte- en grondwater, dierenwelzijn, enzovoort. Die taken worden vandaag niet via de prijs van het product vergoed. De markt is dus verre van perfect, waardoor een overheidsoptreden absoluut te verantwoorden is. Boeren hebben het recht op een gegarandeerd en eerlijk inkomen, dat samengesteld wordt uit enerzijds de prijs van hun producten, en anderzijds een faire vergoeding voor de maatschappelijke taken.

      De financiële middelen die vandaag voorzien zijn via de beheersovereenkomsten (perceelsrandenbeheer, weidevogelbeheer, aanleg en onderhoud van kleine landschapselementen, enzovoort) zijn niet in verhouding tot het werk dat de boer moet verrichten om aan de randvoorwaarden ervan te kunnen voldoen. Indien de overheid het meent met de rol van de landbouw bij het realiseren van dergelijke doelstellingen, dan moeten daar ernstige vergoedingen tegenover staan.

      Reageer op dit antwoord

      Moeten de landbouwers zich beter organiseren om problemen gezamenlijk per sector aan te pakken?

      De boer heeft een zwakke onderhandelingspositie in de voedselketen. Als producenten zich verenigen tot een sterke groep die aan één zeel trekt, dan kunnen ze hun positie versterken ten aanzien van ondermeer de afnemers. Daarnaast is er nood aan ondersteuning van coöperatieve samenwerking en van ketenontwikkeling. De Vlaamse biosector gaat zelfs nog een stap verder. Met Bioforum verenigen we boeren en tuinders, verwerkers, verkopers en organisaties actief op het gebied van biologische landbouw en voeding. Hiermee is de volledige ketenkolom in één organisatie verenigd. Alle ketenpartijen met een gezamenlijke doelstelling – namelijk biologisch produceren, verkopen en promoten – zitten samen aan tafel. Op die manier leren ze elkaars problemen kennen, en kan er gezamenlijk naar oplossingen worden gezocht. Hiermee is de biologische sector in Vlaanderen een voortrekker in het samenwerken en streven naar een duurzaam voedselsysteem.

      Reageer op dit antwoord

  • "Boeren moeten opnieuw timmeren aan solidariteit"

    Hoe moet het na 2013 met de rechtstreekse inkomenssteun? Moet de overheid straks meer investeren ...
    Toon detail informatie

      Hoe ziet U de verhouding tussen de eerste en de tweede peiler van het Europees landbouwbeleid verder evolueren? Moet het huidige systeem behouden blijven of is er een alternatief voorhanden?

      Hendrik Vandamme: 'Sinds de ‘health check’ van het huidige landbouwbeleid wordt het steeds duidelijker dat Europa de eerste pijler zoals we die vandaag kennen niet zal behouden. In 2013 zullen de referentiejaren voor de bedrijfstoeslag tien jaar achter ons liggen, we kunnen dan nog moeilijk spreken van een referentie die up-to-date is. Toch moet er een zekere basis van het landbouwinkomen komen uit de eerste pijler, al was het maar om de grootste onzekerheid weg te nemen bij de ondernemende boeren. Land- en tuinbouwers leren wel leven met variabele prijzen, maar enige zekerheid op het vlak van inkomen is onontbeerlijk, al was het maar om de vaste kosten de baas te kunnen.

      Er komt ongetwijfeld een verdere verschuiving richting tweede pijler, aansluitend op de hogere modulatie die doorgevoerd wordt vanaf 2010. In ieder geval moeten we er in Vlaanderen verder voor zorgen dat het VLIF hét doorgeefluik blijft voor de landbouwmiddelen uit de tweede pijler, ook met het groter worden van de bedragen die via de tweede pijler ter beschikking zullen komen. Ervan uitgaand dat de agromilieumaatregelen in het Europese landbouwbeleid na 2013 een nog grotere rol gaan spelen, moet er zeker over nagedacht worden of alle regeltjes die vervat zitten in de huidige randvoorwaarden wel allemaal moeten behouden blijven. Een ruimere tweede pijler is hoe dan ook gebaseerd op stimulerende maatregelen om één en ander te kunnen realiseren op het platteland. Daardoor heeft het nog weinig zin om ‘pestcontroles’ in leven te houden'.

      Reageer op dit antwoord

      Wat is de rol van Europa in de voedselproblematiek op wereldvlak? Moeten we de komende jaren extra investeren in bijvoorbeeld kwaliteit en export ten nadele van rechtstreekse inkomenssteun?

      'Europese land- en tuinbouwproducten, en dan zeker de Belgische, zijn de meest gecontroleerde die je kan vinden. Deze kwaliteitsproducten moet je niet in bulk gaan afzetten op wereldmarkten, daarvoor is ons productieproces te duur. Onze eigen Europese markten moeten het eerste objectief zijn. Dus moeten we de Europese consument nog meer overtuigen van de uitstekende kwaliteit die we bieden. Enkel wat in onze contreien niet geconsumeerd kan worden, moet afzet vinden op de wereldmarkt. En als dat niet lukt, moet je als Europese Unie durven beslissen dat er iets minder moet geproduceerd worden.

      Ingevoerde producten uit derde landen worden veelal niet geproduceerd volgens onze normen en lastenboeken. De Europese overheid moet hierin haar verantwoordelijkheid opnemen en veel strenger toezien op de productieprocessen en kwaliteitsgaranties van die producten. De eerste pijler van het Europese landbouwbeleid kan overigens perfect verantwoord worden als tegemoetkoming voor het dure productieproces van het Europese kwaliteitsvoedsel. We stellen vandaag overigens vast dat Europa vooral bezorgd is om het welzijn van de consument. De voedselvoorziening, die vroeger een even belangrijke doelstelling was als een redelijke consumentenprijs, is nu  ondergeschikt zolang het belang van de consument niet geschaad wordt'.

      Reageer op dit antwoord

      Hoe vindt u dat het ondernemerschap van de landbouwers verder kan gestimuleerd worden? Wat is de rol van de overheid?

      'Het Landbouwinvesteringsfonds moet minstens in zijn huidige vorm verder blijven functioneren. Dit instrument zorgt voor een zekere vorm van houvast bij investeringen op het bedrijf. Pijnpunt is dat de defiscalisering van de investeringssteun er nog altijd niet is, dit zou ook al een duwtje in de rug zijn voor iedereen die ervoor kiest om verder te investeren op zijn bedrijf. Het blijft onbegrijpelijk dat innovatieprojecten onder andere daardoor gehypothekeerd worden. Ook vorming moet in al zijn facetten blijvend ondersteund worden. Waarom trouwens geen economische vormingspakketten aanbieden? Iedere bedrijfsleider van de toekomst moet spelenderwijs balansen en jaarresultaten kunnen interpreteren en erop anticiperen. Een goede boekhoudkundige basiskennis wordt onontbeerlijk om in de toekomst het hoofd te kunnen bieden aan de steeds volatielere markten.

      Reageer op dit antwoord

      Inspelen op veranderende marktomstandigheden is een noodzaak om als sector te kunnen overleven. Wat kan de overheid op dit vlak doen?

      'We hebben reeds meermaals laten blijken dat Europa productiebeperkingen en marktondersteunende maatregelen niet zonder gevolgen aan het afbouwen is. Van de vier poten onder het huidige landbouwbeleid blijven er maar twee meer over: de exportrestituties en de invoerheffingen werden al overboord gegooid, de rechtstreekse steun en de plattelandssteun staan er nog, al is de poot van de eerste pijler nu ook al voor de helft doorgezaagd. Europa moet goed uitkijken dat het zelf niet zorgt voor een sociaal drama op zijn eigen platteland, de tweede pijler ten spijt.

      Ongetwijfeld liggen er ook voor de Vlaamse landbouw kansen op de markt van de biobrandstoffen, ook al hebben we hier niet de ruimte om er massaal op in te spelen. Maar alleen al een deel van de productie, die nu aan dumpingprijzen op de wereldmarkt afgezet wordt, doorschuiven naar de groene energieketen kan ook voor de traditionele kanalen betere prijzen genereren. De verplichte inmenging van biobrandstoffen moet hier uiteindelijk toch wel resultaat opleveren.

      Eén van de cruciale opgaven om te komen tot een betere prijsvorming is een betere afstemming van vraag en aanbod. Hiertoe dienen beiden beter in kaart gebracht te worden, zal men aan aanbodbeheersing dienen te doen en meer producentenverenigingen moeten oprichten voor alle sectoren. Europa laat dit trouwens ook toe'.

      Reageer op dit antwoord

      Moeten landbouwers zich beter organiseren om problemen aan te pakken?

      'Een eerlijke prijs voor onze heerlijke producten is het enige waar een boer of tuinder op rekent. Wij zullen dit moeten afdwingen door acties en onderhandelingen, maar vooral door een sturing van het aanbod. Producentenverenigingen worden ongetwijfeld een belangrijke gesprekspartner in de nabije toekomst, niet alleen om tot correcte afspraken te komen de afnemers, ook bij gezamenlijke aankoop van productiemiddelen en dergelijke kan dit alleen maar voordelen bieden.

      Zeker op het vlak van prijsvorming, maar dus ook in verband met ontvangstvoorwaarden, lastenboeken en dergelijke zullen landbouwers met één stem naar buiten moeten komen. Naast de producentenverenigingen zullen er interprofessionele overlegorganen moeten opgericht worden, zoals de coördinatiecomités en de fabriekscomités van de suikerbietplanters. Meer dan ooit te voren zullen de boeren hun krachten moeten bundelen en werken aan een nieuwe solidariteit. Vóór het Mac Sherry-tijdperk kon je als boer je boterham verdienen, waarom lukt dit nu niet meer in de meeste sectoren?'

      Reageer op dit antwoord

  • "De waarheid omtrent ggo's ligt in het midden"

    De klassieke veredeling van planten is een proces van lange duur. Met genetische modificatie kan ...
    Toon detail informatie

      Haesaert roept op te streven naar een intensieve landbouw die gebruik maakt van wetenschappelijke en technologische verworvenheden waaronder ook ggo’s, maar dat doet binnen ecologisch accepteerbare randvoorwaarden. We moeten leren uit de fouten uit het verleden. “De waarheid omtrent genetische modificatie ligt in het midden, laat je dus niet in één kamp opsluiten”, geeft de professor biowetenschappen als boodschap mee.

      Tegenstanders vereenzelvigen genetische modificatie met het manipuleren van de natuur en prijzen de klassieke veredeling als middel om voor de mens meer nuttige planten te ontwikkelen. “Ook in de klassieke veredeling – die circa 10.000 jaar geleden startte – past de mens plantensoorten aan zodat ze beter bruikbaar worden. Na duizenden jaren van veredelen en selectie is het resultaat evenmin ‘natuurlijk’ in die zin dat veel cultuurplanten niet meer zouden overleven onder natuurlijke omstandigheden en zonder de bescherming van de mens ”, zegt professor Geert Haesaert.

      chrysant onderzoek1.jpg“Klassieke veredeling heeft zijn beperkingen.”

      “Klassieke veredeling vraagt bovendien veel tijd om iets nieuw te creëren”, beweert Haesaert. Veredelaars gaan genen door de kruising van twee planten recombineren tot een nieuw ras met unieke eigenschappen. “Nieuwe populaties moeten hierdoor genetisch stabiliseren”, vertelt Haesaert, “terwijl vaak terugkruisingen noodzakelijk zijn om de ingebrachte eigenschappen niet verloren te laten gaan en deze opnieuw in een waardevolle genetische achtergrond te plaatsen.” Een bevredigend resultaat kan volgens de professor 10 tot 12 jaar op zich laten wachten, op voorwaarde dan nog dat het om éénjarigen gaat en niet om bijvoorbeeld populieren.

      Zo startte Wageningen University & Resaerch Centre (WUR) in 1959 met de ontwikkeling van een plaagresistentie aardappel door resistentiegenen van wilde in gecultiveerde aardappelsoorten in te bouwen. “Pas twee generaties professoren en vele terugkruisingen later, resulteerde dat in de plaagresistente, eetbare variëteiten Bionica en Toluca”, illustreert Haesaert. “Helaas stellen we vast dat de schimmel al na twee jaar de ingebouwde resistentie van Bionica wist te omzeilen.” Een beperkte verspreiding van beide aardappelrassen in combinatie met het opruimen van aangetaste bladeren moet nu erger voorkomen. De veredeling van triticale is een ander treffend voorbeeld. Gestart in 1920, duurde het tot 1966 vooraleer de eerste commerciële variëteit ontwikkeld was.

      Vanwege de beperkingen van klassieke veredeling gaat Haesaert dieper in op de mogelijkheden die biotechnologie en ggo’s bieden. Ggo’s ontstaan door een wijziging van genetisch materiaal welke door voortplanting of natuurlijke recombinatie niet mogelijk is. “Een nuttig gen wordt geïdentificeerd en via biotechnologie overgebracht naar een welbepaalde cultuurplant. Kruisbaarheid is geen noodzaak meer. Het gen hoeft dus niet langer van dezelfde of een verwante soort te zijn”, verklaart Haesaert.

      In de communicatie over biotechnologie gaat volgens Haesaert meer en meer het onderscheid gemaakt worden tussen cisgenese (eigenschappen van verwante planten overbrengen) en transgenese (bijvoorbeeld de eigenschap van een bacterie in een plant brengen zoals bij glyfosaatresistente cultivars gebeurt). “Wettelijk bestaat dit onderscheid (nog) niet, maar misschien kan deze opdeling politiek één en ander doen bewegen”, hoopt Haesaert.

      aardappel ggo1.jpg“Ggo's hebben onmiskenbaar voordelen.”

      “Op vier à vijf jaar tijd zou je een Bintje-aardappel kunnen maken die resistent is tegen de aardappelplaag maar voorts ongewijzigde eigenschappen heeft”, aldus Haesaert. Behalve tijdswinst en het behoud van de smaak- en bewaareigenschappen ziet de professor nog een derde belangrijk voordeel. “We kunnen meerdere resistentiegenen inbouwen op hetzelfde moment zodat de plaagresistentie moeilijker doorbroken wordt door de schimmel.”

      Hij stelt dan ook vast dat elders in de wereld het belang van ggo-gewassen toeneemt en enkel Europa een blinde vlek op de kaart blijft. In circa 25 landen worden thans ggo-gewassen geteeld. Het areaal ggo-soja, maïs en katoen is vooral in de VS, Argentinië en Brazilië aanzienlijk. De landen buiten beschouwing gelaten waar ggo’s (nagenoeg) geweerd worden, is 64 procent van de wereldwijd verbouwde soja een trans- of cisgene variëteit. Dat heeft ook een impact in de EU. “Wat zeldzaam is, kost geld. De voorraad goedkope eiwitgrondstoffen voor Europees veevoeder slinkt met andere woorden”, aldus Haesaert.

      In de VS is 93 procent van de soja resistent tegen glyfosaat. Die ingebouwde herbicide resistentie tref je ook aan bij 78 procent van het ginds geteelde katoen en 70 procent van de maïs. Ook de insecten resistente BT-maïs en katoen maken meer dan 60, respectievelijk 70 procent van de Noord-Amerikaanse markt uit. In Europa wordt de BT-maïsvariëteit MON810 hoofdzakelijk in Spanje geteeld omwille van zijn resistentie tegen de schadelijke maïsstengelboorder. Van het totale Europese MON810-areaal van 95.000 ha is 80 procent terug te vinden in Spanje. Behalve BT-maïs, mag voorts alleen de zetmeelrijke genetisch gemodificeerde industrieaardappel Amflora in Europa geteeld worden.

      kleine plantjes1.jpgKunnen ggo's de milieudruk door de landbouw verlagen? 

      Het beperkte areaal ggo-gewassen in de EU maakt de discussie er niet minder bits op. Wat moeten we geloven van de veel gehoorde voor- en nadelen? Professor Haesaert wil antwoorden op de hamvraag. Gentechnologie kan volgens de biowetenschapper onmiskenbaar de opbrengst van gewassen verhogen. In één adem zeggen voorstanders dat daardoor ook het voedselprobleem opgelost is en de ontbossing zal stokken aangezien er minder landbouwgrond nodig is. “In de praktijk merken we daar weinig van”, stelt Haesaert vast. Al te vaak wordt volgens de professor vergeten dat een ggo geteeld moet worden in een hoogwaardig productiesysteem. “Ook een ggo redt het niet in droog zand”, maakt hij duidelijk. “Bovendien maken sinds de introductie van ggo’s ook biobrandstoffen opmars. Biofuels vergen grote hoeveelheden biomassa zodat de zoektocht naar nieuwe landbouwgronden voorduurt met ontginning van natuur tot gevolg.”

      De pleitbezorgers claimen genetische modificatie ook als oplossing voor de hoge milieudruk van gewasbeschermingsmiddelen. “Wie ggo’s teelt, moet minder pesticiden spuiten door de ingebouwde resistenties en spaart dus het milieu”, luidt het dan. “Op het eerste zicht klopt dit”, bevestigt Haesaert. “Onderzoekers in Wageningen reduceerden het gebruik van fungiciden met 80 procent nadat zij in aardappelen resistentiegenen tegen de aardappelplaag inbouwden. Kleinschalige Chinese boeren spuiten 80 procent minder insecticiden na de introductie van ggo-rijst. Ook het herbicidengebruik kan logischerwijs dalen indien slechts één middel, met name glyfosaat, moet worden ingezet om resistente gewassen onkruidvrij te houden.” Tussen 1996 en 2007 zie je volgens Haesaert de milieudruk door herbiciden en insecticiden ogenschijnlijk consequent afnemen in de teelt van genetisch gemodificeerde soja, maïs en katoen.

      “De adder onder het gras is de resistentie die de voorbije jaren opdook bij verschillende onkruidsoorten”, zegt Haesaert. “Sinds de introductie van glyfosaatresistente gewassen in 1996 steeg het aantal glyfosaatresistente onkruidsoorten in de VS van nul naar zes. Hoe groter het areaal met eenzelfde resistentie, hoe groter de kans dat een onkruid, schimmel of plaag die resistentie doorbreekt. Het gevolg is dat spuitschema’s terug ingewikkelder worden door de aanvulling met andere middelen en de dosis werkzame stof wordt tegelijk verhoogd”, stelt de professor vast. “Op die manier zou het voordeel van een lagere milieudruk op termijn kunnen verdwijnen. Een goed resistentiemanagement blijft met andere woorden even noodzakelijk bij ggo-gewassen.” Economische en marktstrategische belangen kunnen dit volgens de professor wel eens in de weg staan.

      Biotechnologie zou ons toelaten om niet alleen meer, maar ook meer voedzaam te produceren. “In ggo-rijst zit nu al meer caroteen. In de toekomst zullen wetenschappers erin slagen om een gewas meer essentiële vetzuren, meer eiwit of eiwitkwaliteit te laten produceren”, meent Haesaert. “Dat kan voor menselijke voeding, maar evengoed voor diervoeding”, beweert Haesaert. Hij denkt bijvoorbeeld aan het beter verteerbaar maken van voedermaïs voor runderen. Nieuwe ggo’s kunnen voordelen voor boer en consument hebben, maar ook voor de industrie. “Planten kunnen ingezet worden als producent van vaccins en farmaceutica. Dat is een heel nieuw, revolutionair idee dat uiteraard niet kan worden uitgewerkt in de natuur, maar waarom niet in serres,” zegt Haesaert.

      greenpeace1.jpgWat zijn de gevaren van ggo's?

      Soja, maïs, rijst en katoen kennen we al in een genetisch gemodificeerde vorm. “Andere gewassen zullen volgen”, is Haesaert overtuigd. “Zo zit de genetische modificatie van onder meer tarwe, appel, bloemkool, sla, druif en suikerriet in de testfase.” Ook nieuwe eigenschappen zoals resistenties tegen abiotische stress (b.v. droogte) zitten in de pijplijn. Vooraleer die ggo’s op de markt kunnen komen, moeten zij erkend en veilig bevonden worden door de overheid. “Het vaak gehoorde verwijt dat ggo’s toxisch zijn, raakt geen grond”, aldus Haesaert. “Wel moeten we ons bij iedere ggo de vraag stellen of geen nieuwe eiwitten geproduceerd worden die gevaarlijk kunnen zijn.” Het eiwitpatroon van een nieuwe ggo-plant moet dus grondig geëvalueerd worden. “Doe die test want iedere ingebouwde eigenschap is anders”, adviseert Haesaert, “maar ga dus niet beweren dat alle ggo’s giftig of gevaarlijk zijn.”

      Kunnen ingebrachte eigenschappen dan niet ongewild verspreid raken onder verwante soorten in de natuur via pollen of opslagplanten? “Theoretisch bestaat die kans”, verklaart Haesaert, “maar onze cultuurplanten hebben ten eerste erg weinig verwante soorten waarmee ze kruisbaar zijn, en ten tweede neemt de pollenverspreiding snel af met de afstand. Zo ligt bijvoorbeeld bij aardappelen de pollenoverdracht op een afstand van meer dan 25 meter erg laag.” Vaak leiden soortkruisingen tot weinig levensvatbare en steriele nakomelingen. “Als voornaamste bezwaar tegen ggo’s zou je kunnen opperen dat multinationals gaan bepalen wat we telen en eten omdat zij de technologie in handen hebben”, zegt Haesaert. Dit is uiteraard een probleem dat tot monopolisering en afhankelijkheid kan leiden. “Anderzijds dient vermeld te worden dat patenten vervallen en meerdere bedrijven klaar staan met nieuwe introducties zodat concurrentie in de toekomst meer zal spelen. Tevens vergeet men vaak dat er ook heel wat kennis bij wetenschappers verzameld zit en deze kennis ook ter beschikking wordt gesteld van ontwikkelingslanden.”

      ggorijsta.jpgBiotechnologie als mirakeloplossing voor het wereldvoedselprobleem?

      De vraag of ggo-gewassen de oplossing zijn voor voedsel-, gezondheids- en milieuproblemen vergt een genuanceerd antwoord, onthoudt VILT van het relaas van biowetenschapper Geert Haesaert. Net als alle technologieën zijn er voor- en nadelen. “Genetisch gemodificeerde organismen kunnen een positieve rol spelen in het verhogen van de landbouwproductie, maar aandacht voor en onderzoek naar andere productiefactoren blijft noodzakelijk”, verklaart Haesaert. Zo zal de gangbare plantenveredeling een belangrijke rol blijven spelen en zullen ook meer klassieke gewasbeschermingsmethoden verder verfijnd moeten worden. Hij roept op te streven naar een intensieve landbouw die gebruik maakt van ggo’s, maar dat doet binnen ecologisch accepteerbare randvoorwaarden.

      “Het introduceren van ggo’s mag onze strijd voor het behoud van vruchtbare landbouwgronden niet doen verslappen”, meent de professor. De economische, ecologische en sociale impact moet goed bestudeerd worden, weet Haesaert, zodat bij de introductie van een ggo maatregelen kunnen worden getroffen. “De eigenschappen van ggo’s vragen immers om duurzaam management”, aldus Haesaert. “De waarheid omtrent genetische modificatie ligt in het midden, laat je dus niet in het kamp van de voor- of tegenstanders opsluiten”, besluit de professor biowetenschappen. En denk, aldus Haesaert, aan de uitspraak van professor en oud-directeur van het International Rice Research Institute Swaminathan: “Science and technology will not feed the world but farmers do”.

  • "Geen toekomst zonder glastuinbouwzones"

    Om de glastuinbouw te moderniseren, zou jaarlijks 100 hectare serres moeten vernieuwd worden. Ond...
    Toon detail informatie

      Over het economisch belang van de glastuinbouw bestaat weinig discussie. De primaire productiewaarde onder glas wordt geraamd op 650 miljoen euro, wat goed is voor een aandeel van vijftien procent in de totale land- en tuinbouwsector. Op een areaal van 2.158 hectare zorgen de serrebedrijven voor een rechtstreekse tewerkstelling van 8.000 à 9.000 voltijdse arbeidskrachten. Vlaanderen is op mondiale schaal de vierde grootste exporteur van aardbeien, voor sla en tomaten staat ons gewest respectievelijk op de zesde en zevende plaats van de wereldranglijst. Uit een enquête die de landbouwadministratie vorig jaar heeft afgenomen onder de glastuinders blijkt evenwel dat er redenen tot ongerustheid zijn: op slechts 18 procent van de bedrijven met een zaakvoerder die ouder is dan vijftig jaar blijkt de opvolging verzekerd, en driekwart van de glasopstand is ouder dan tien jaar.

      “Aan plannen voor de bouw van nieuwe serres ontbreekt het nochtans niet”, zegt Marc Moons, die daarbij verwijst naar een bevraging die een vijftal jaren geleden georganiseerd werd in de Noorderkempen. “In totaal wilden de ondervraagde tuinders hun areaal uitbreiden met honderd hectare, maar daarvan is tot op heden hooguit vijftien procent gerealiseerd. Alle andere projecten zijn afgeketst op vergunningsdossiers”. Nochtans kunnen glastuinders in principe overal in agrarisch gebied terecht voor de bouw van nieuwe kassen. Is er dan sprake van kwade wil bij de ambtenaren op het departement Ruimtelijke Ordening? Minister Peeters wil collega Van Mechelen niet voor het hoofd stoten: “De noodzakelijke schaalvergroting in de glastuinbouwsector bemoeilijkt de dossiers. Niemand kan ontkennen dat een glastuinbouwbedrijf van pakweg acht hectare wel degelijk een visuele impact heeft voor de omgeving. En het klopt dat de overheid wel eens terughoudend optreedt, maar er moet ook een draagvlak bestaan bij de lokale bevolking. Om potentiële investeerders enig houvast te geven bij hun aanvragen voor een stedenbouwkundige vergunning bestaat al enkele jaren een toetsingskader dat aangeeft wat kan en niet kan. De tijd dat glastuinders grond kopen en er automatisch van kunnen uitgaan dat de nodige vergunningen zullen volgen, is niet meer zo evident als tien jaar geleden”.

      Van slooppremies tot glastuinbouwzones. De voorbije jaren werden diverse maatregelen genomen die de vernieuwing van de glasopstand moeten stimuleren. Zo gebeurt de adviesverlening met het oog op stedenbouwkundige vergunningen niet langer door de milieuadministratie, maar wel door landbouwambtenaren. “Daardoor is er een wat minder eenzijdige focus op het belang van de open ruimte”, legt Peeters uit. Daarnaast is er ook investeringssteun beschikbaar voor de afbraak van oude serres en er werd een verlaging doorgevoerd van de aansluitingskosten voor aardgas. In een aantal gemeenten werden bovendien macrozones afgebakend waar glastuinbouwbedrijven welkom zijn en de Vlaamse Landmaatschappij trok enkele jaren geleden op vraag van de landbouwadministratie al op zoek naar geschikte locaties om er glastuinbouwzones te ontwikkelen. De idee om serres te clusteren is al minstens tien jaar oud, want het staat zwart op wit neergeschreven in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Waarom is er zoveel tijd verloren gegaan? Peeters: “De tuinders hebben lange tijd zelf weigerachtig gestaan tegenover dit concept. Ze hadden schrik dat hierdoor de uitbreidingskansen van de bestaande bedrijven in het gedrang zouden komen. Ook de hogere grondprijzen in een specifieke glastuinbouwzone zorgden voor drempelvrees. En dus vroegen de ruimteplanners van de Vlaamse overheid zich af of er wel voldoende investeerders zouden opduiken na de planologische inkleuring van dergelijke gebieden”. Die patstelling werd pas recent doorbroken nadat de glastuinders aan den lijve ondervonden hebben dat de inplanting van de steeds groter wordende serres voor steeds meer administratieve last en onzekerheid zorgt. Volgens Peeters is de sector nu zelfs enthousiast om mee te werken aan de uitbouw van glastuinbouwzones.

      De minister wil het ijzer smeden terwijl het heet is. Eind september installeerde hij een klankbordgroep die zich moet buigen over de eerste pilootprojecten voor glastuinbouwzones. Dreigen dergelijke initiatieven van minimaal dertig hectare het familiaal karakter van de sector niet te industrialiseren? “Eyecatcher van deze projecten wordt hun duurzaam karakter”, benadrukt Peeters. “In het sterk geïndustrialiseerde Vlaanderen dienen zich kansen aan om de bedrijventerreinen te lokaliseren op plaatsen waar restwarmte en CO2 ter beschikking staan. Milieukundig is dat een schot in de roos, en op het vlak van ruimtelijke ordening is het een verdedigbaar scenario omdat op deze manier een geleidelijke overgang gemaakt wordt van industriegebieden naar agrarische bedrijvenzones, vooraleer terecht te komen in het open agrarisch gebied”. Tegen volgend jaar moeten drie projecten in de steigers staan.

      Industrie als bondgenoot. Consulent Marc Moons denkt niet dat hij voor een onmogelijke opgave staat. “In een glastuinbouwzone is de grondprijs een veelvoud van de gangbare tarieven, maar dat wordt ruimschoots gecompenseerd door de lagere kosten voor de nieuwbouw en de energiekost die minstens gehalveerd kan worden. Op de koop toe genieten geclusterde serres maximale bedrijfszekerheid”, luidt het. Op een bedrijventerrein kunnen glastuinders samenwerken op het vlak van logistiek, transport, commercialisering en energie. Een belangrijke factor is ook het gezamenlijke waterbeheer. “De komende jaren gaan individuele bedrijven het steeds moeilijker hebben om vergunningen te verkrijgen als gevolg van de waterproblematiek, terwijl je in glastuinbouwzones serres zelfs kan aansluiten op het rioleringsnet”. Hoe zit het trouwens met de woningen die bij de serres moeten gebouwd worden? “De klankbordgroep wil bekijken of ook de woonfunctie kan geclusterd worden, ergens in de nabijheid van de glastuinbouwzones. Twee à drie jaar geleden stuitte zo’n voorstel nog op felle tegenkanting bij de tuinders, maar de geesten zijn intussen gerijpt”, weet Moons.

      Het project in Oudenburg, nabij Oostende, is het verst gevorderd. De haalbaarheidsstudie voor de inplanting van een agrarisch bedrijventerrein van 140 hectare in de buurt van de plaatselijke industriezone is bijna afgerond. De mogelijkheid bestaat om er 40 à 50 hectare glasopstand neer te poten, waar zo’n 225 arbeidskrachten tewerkgesteld kunnen worden. De site is verkeerkundig goed ontsloten, werd herbevestigd als agrarisch gebied en er zijn in de directe omgeving weinig of geen fysieke obstakels voor de toelevering van de industriële restwarmte. Van actiecomités is geen sprake en de industrie is zelfs ronduit vragende partij omdat de milieuvergunning van de bedrijven de alternatieve benutting van overtollige warmte vereist. De glastuinbouwzone in Oudenburg kan jaarlijks 15 miljoen kubieke meter gas of 13,5 miljoen liter stookolie uitsparen en voor een CO2-reductie zorgen tot 63.000 ton. Ter vergelijking: de CO2-emissie van een gemiddeld gezin bedraagt negen ton.

      Energiepositief! Moons weet dat een milieuvriendelijke aanpak geen overbodige luxe is: “In Engeland bestaat nu al de verplichting om de CO2-emissie te vermelden op de verpakking van voedingsproducten. In Nederland overweegt men hetzelfde te doen voor tuinbouwproducten, en dus komt het er bij ons vroeg of laat ook wel van. De bedrijven die zich zullen vestigen in Oudenburg moeten er niet van wakker liggen, want door hun CO2-opname zullen ze zelfs emissiepositief kunnen produceren”. De voorbije jaren heeft de glastuinbouwsector overigens al forse energie-inspanningen geleverd. Tegen eind dit jaar zal naar verwachting 150 MWe aan elektrisch vermogen van WKK-installaties geïnstalleerd zijn. Indien die installaties gemiddeld 5.000 uren per jaar draaien, produceren ze voldoende elektriciteit voor 200.000 gezinnen. In vergelijking met de 2.800 MWe in Nederland is dat echter een habbekrats. “Om onze noorderburen enigszins bij te benen, is een clustering van onze glastuinbouwbedrijven noodzakelijk. Het is immers niet realistisch om in iedere uithoek van Vlaanderen aardgasleidingen en elektriciteitsnetten met voldoende capaciteit te voorzien”.

      In Oudenburg zal de intercommunale WVI fungeren als projectontwikkelaar. Zonder tegenslag kunnen de eerste serres eind 2010 gebouwd worden. “Dat eerste project is van cruciaal belang, omdat het als inspiratiebron zal dienen voor anderen”, weet Moons. In Beveren is inmiddels een oriënterende studie opgestart. Daarbij wordt onderzocht welke de meest rendabele energieoplossing is: de recuperatie van restwarmte uit de Antwerpse haven, de bouw van een energiecentrale naast de glastuinbouwzone of de installatie van WKK’s op de individuele serrebedrijven. Het bedrijventerrein zou er een plaats krijgen in een macrozone die de gemeente eerder reeds heeft ingekleurd voor de glastuinbouwsector. Later volgen misschien Roeselare, Sint-Katelijne-Waver, enzovoort Aan kandidaat-glastuinders is er evenmin gebrek. Meer nog, er zijn er zelfs die in hun eentje de hele projectoppervlakte van een bedrijvenzone zouden willen vol bouwen. “Ik sluit niet uit dat er in de toekomst zones komen die ingericht worden voor één enkele tuinder, maar voor het eerste project in Oudenburg is die formule uitgesloten. We mikken op meerdere tuinders met een grote warmtevraag”. Volgens Moons popelen vooral tuinders in West-Vlaanderen en de Noorderkempen om te investeren in glastuinbouwzones, wat te maken heeft met de gemiddelde leeftijd van de tuinders die er actief zijn. “Zelfs in Limburg is er sporadische interesse, en daar is alvast nog genoeg ruimte om bedrijvenzones aan te snijden”.
       

  • "Instrumenten voor marktafscherming blijven cruciaal"

    Moet de eerste pijler met de rechtstreekse inkomenssteun na 2013 overeind blijven? Hoe moet het p...
    Toon detail informatie

      Hoe ziet u de verhouding tussen de eerste en tweede pijler van het Europees landbouwbeleid verder evolueren? Moet het huidige systeem behouden blijven of is er een alternatief voorhanden?

      De werkgroep landbouw van het Vlaams Overleg Duurzame Ontwikkeling is al een aantal jaren de pleitbezorger voor een duurzame landbouw. Dit is een landbouw die binnen de ecologische en sociale draagkracht van onze planeet en maatschappij opereert, en toch economisch leefbaar is. Indien we het landbouwbeleid verder blijven uitbouwen op basis van twee pijlers, maken we een onderscheid tussen twee verschillende landbouwsystemen. Waarbij het ene winstmaximalisatie en versterking van de concurrentiepositie nastreeft, maar op ecologisch en sociaal vlak nauwelijks is aangepast aan de huidige noden. Landbouw is veel meer dan een puur economische sector. De andere pijler zou dan model staan voor een landbouw die verschillende maatschappelijke diensten levert - zoals landschapsonderhoud, natuurbeheer, waterberging en lokale verkoop -, die zoveel mogelijk binnen de ecologische draagkracht én waarbij boeren hiervoor een eerlijke prijs ontvangen.

      Van een dergelijk duaal systeem zijn we zeker geen voorstander. Een duurzame landbouw verschaft boeren in de eerste plaats een volwaardig inkomen, verstoort geen externe markten, brengt voldoende, gezonde en kwalitatieve voeding en grondstoffen voort, die in hoofdzaak afzet vinden op lokale en regionale markten én opereert binnen de ecologische grenzen. We pleiten op lange termijn voor het samensmelten van de twee pijlers. Het op duurzame wijze voortbrengen van een gezonde, kwaliteitsvolle voeding, met afzet op lokale en regionale markten staat hierbij centraal. In dit landbouwmodel is er ook plaats voor verschillende functies op het platteland zoals hoevetoerisme, plattelandsonderhoud, rechtstreekse verkoop, biodiversiteitsbehoud, waterbeheer.

      Reageer op dit antwoord

      Wat is de rol van Europa in de voedselproblematiek op wereldvlak? Moeten we de komende jaren extra investeren in bijvoorbeeld kwaliteit en export ten nadele van rechtstreekse inkomenssteun?

      Vodo vertrekt van het recht op voedselsoevereiniteit waar elke regio, zoals de Europese regio, in staat moet zijn om haar eigen landbouw- en voedselbeleid te bepalen in functie van de verwachtingen en noden van haar bevolking. Handel blijft wel een essentiële rol vervullen, maar de recente voedselcrisis heeft erop gewezen dat een te grote afhankelijkheid van de internationale landbouwmarkten inefficiënt is en leidt tot de verhoging van honger in de wereld. Meer investeren in duurzame familiale landbouw voor de lokale en regionale voedselvoorziening is het antwoord. Wij geloven niet dat het mogelijk is een duurzame landbouw te verzoenen met een landbouw die moet concurreren op de vrijgemaakte wereldmarkt. In de westerse landen moet in dat model de landbouw rechtstreeks of onrechtstreeks ondersteund worden, met onder andere dumping in ontwikkelingslanden tot gevolg.

      Boeren in ontwikkelingslanden, die meestal onder zeer verschillende omstandigheden werken, worden gedwongen de concurrentiestrijd aan te gaan en gaan zich specialiseren in bepaalde exportgewassen. Dit gaat dan lokaal ten koste van voedselzekerheid, tewerkstelling, rechtvaardige toegang tot land, water of krediet, sociale leefbaarheid en milieukwaliteit. Regio’s moeten op wereldvlak in staat worden gesteld om hun lokale en regionale landbouwmarkten te ontwikkelen. Instrumenten om grenzen af te schermen voor landbouwproducten, zowel elders als in Europa, zijn hierbij cruciaal. Europa moet blijven investeren in kwaliteitsvolle producten en duurzame productiemethoden. We pleiten bijvoorbeeld voor een vleesproductie die veel meer lokale eiwitbronnen aanspreekt eerder dan niet-duurzame eiwitbronnen geïmporteerd uit derde landen.

      Om de voedselproblematiek op wereldschaal ten gronde aan te pakken, moet eerst erkend worden dat dit niet zozeer een probleem is van hoeveelheid voedselproductie, maar wel een probleem van armoede en dus toegang tot voedsel. De crisis wordt niet opgelost door een schommeling tussen te hoge prijzen en te lage prijzen, die telkens ofwel de stedelijke armen of arme boeren treffen. Het antwoord op de voedselcrisis gaat gepaard met marktregulering waar nodig om prijzen te stabiliseren en het aanbod te beheersen. De recente invoering van exportsubsidies voor melkproducten en het op termijn opheffen van de productiequota gaan niet in de goede richting.

      Reageer op dit antwoord

      Inspelen op veranderende marktomstandigheden is een noodzaak om als sector te kunnen overleven. Wat is de rol van Europa?

      Het kunnen inspelen op marktomstandigheden is inderdaad belangrijk, maar veranderende marktomstandigheden mogen niet de drijvende kracht zijn om ad hoc het landbouwbeleid te gaan bepalen. Bovendien zijn landbouwmarkten verre van perfect. De landbouwproducten zijn geen goederen als alle andere. Omwille van deze specifieke eigenheid zal een tussenkomst van de overheid noodzakelijk blijven. De hamvraag blijft dan natuurlijk: op welke manier kan de Europese overheid het meest efficiënt de markten gaan organiseren?

      Daarnaast worden de huidige landbouwmarkten gekenmerkt door een steeds toenemende machtsconcentratie van enkele grote bedrijven die steeds meer bepalend worden voor wat en hoe voedsel geproduceerd wordt en aan welke prijs. Ecologische en sociale negatieve neveneffecten worden nauwelijks in de prijzen opgenomen. De consument vraagt gezonde, eerlijke, kwaliteitsvolle producten. Toch is het vandaag voor een consument onmogelijk om na te gaan welke impact zijn gekochte producten hebben. Weerom zijn de ecologische en sociale grenzen belangrijk om de regels van de markt op te heroriënteren. Er is een duidelijke nood aan transparantie en aansprakelijkheid (ketenverantwoordelijkheid) van bedrijven. Tenslotte kunnen we de landbouwontwikkelingen niet meer los zien van het brede plaatje van energiecrisis, klimaatcrisis, de verhoogde druk op natuurlijke rijkdommen, enzovoort. Europa kan en moet hierin een vooraanstaande rol spelen, zowel intern als op wereldvlak.

      Reageer op dit antwoord

      Moeten de landbouwers zich beter organiseren om problemen gezamenlijk aan te pakken?

      Het is duidelijk dat sterke boerenorganisaties een tegenwicht bieden voor de groeiende machtsconcentratie in de voedselketens, noodzakelijk zijn voor het beter kunnen reguleren van de markten. Dat wordt des te belangrijker als de marktregulerende instrumenten van het landbouwbeleid overboord worden gegooid. Toch wordt door boerenorganisaties ook ingezien dat ze zich niet kunnen beperken tot de verdediging van kortetermijnbelangen. Het is cruciaal dat boerenbewegingen ook in dialoog treden met de andere betrokken actoren rond de toekomst van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. We moeten tot een gemeenschappelijke visie komen, die de korte termijn tegenstellingen tussen landbouw en milieu, tussen noord en zuid, tussen conument en producent te kunnen overstijgen.

      Reageer op dit antwoord

      Meer informatie: VODO-memorandum over het landbouwbeleid

  • "Kwaliteit is wat voor de consument belangrijk is"

    Tijdens de jaarlijkse landbouwstudiedag van de UGent werd dieper ingegaan op kwaliteitssystemen i...
    Toon detail informatie

      “Als we kwaliteit willen definiëren, kunnen we vier soorten onderscheiden”, begint professor Verbeke (vakgroep Landbouweconomie UGent) zijn uiteenzetting. Hij legt uit dat er kwaliteit is die op het product georiënteerd is. Die heeft dus te maken met de intrinsieke kwaliteit van het voedingsmiddel. Kwaliteit kan ook op het productieproces slaan. Een derde en subjectieve perceptie van kwaliteit is de gebruikers georiënteerde kwaliteit. De vierde en laatste soort is de kwaliteit die vastgelegd is in normen en standaarden. “Dan komt kwaliteitscontrole op de proppen”, aldus Verbeke, “want die controle gaat na of product en proces aan de consument bieden wat ze beweren te bieden.

      Voor de consument is kwaliteit erg subjectief: “wat ik als consument geschikt acht voor mezelf, dat is kwaliteit”. “Perceptie is dus bijzonder belangrijk”, vertelt de professor, “want het gaat de keuze van de consument aansturen, meer dan de feiten dat zullen doen.” Hij stelt perceptie voor als een spiegel die bepaalde informatie doorlaat, andere elementen tegenhoudt en nog andere verstoort. Waar objectieve feiten zoals de kwaliteit, veiligheid, voedingswaarde en prijs van een product zich aan de éne zijde van de perceptiefilter/spiegel bevinden, is het de subjectieve perceptie aan de andere zijde die de voorkeur en bijgevolg ook de keuze van de consument zal bepalen. “Marketeers beweren daarom dat er slechts één realiteit bestaat, met name de gepercipieerde”, zegt Verbeke.

      “Kwaliteit door de ogen van de consument is niet alleen subjectief, maar ook multidimensioneel. Het is immers de resultante van een bundel kenmerken”, stelt Verbeke. Dat kunnen intrinsieke (veiligheid, gezondheid, smaak) of extrinsieke (verpakking, merk, informatie) kenmerken zijn. Voorts zijn er zoekkenmerken zoals uitzicht, ervaringskenmerken zoals smaak en tot slot is er de geloofwaardigheid van een product, waarvan duurzaamheid een voorbeeld is. Consumenten hebben volgens de professor een bepaalde kwaliteitsverwachting. Die is volgens hem het gevolg van intrinsieke en extrinsieke kenmerken en van de product- en proceskwaliteit, maar wordt ook gevoed door eerdere aankopen. “Consumenten zullen na de aankoop systematisch de ervaring afwegen tegen de verwachting die ze hadden”, legt Verbeke uit. Die dualiteit van verwachte en ervaren kwaliteit vormt de sleutel tot toekomstige aankopen en tot tevredenheid.

      WimVerbeke1.jpg“Nieuws omtrent een voedselcrisis is gratis, werkt snel en wordt lang onthouden. Promotie is daarentegen duur, werkt traag en is snel vergeten.”

      De consument kan een voedingsmiddel aankopen dat zijn verwachting overtreft, wat resulteert in een tevreden klant. De ervaring kan louter voldoen aan de verwachting of daar niet aan voldoen en dan krijgt men te maken met een matig of niet tevreden klant. “Hierdoor schuilt in kwaliteitssystemen het gevaar dat de lat heel hoog wordt gelegd zodat het moeilijk wordt die verwachting te overtreffen”, waarschuwt Verbeke. “Dat betekent niet dat kwaliteitsstandaarden hun eisen moeten temperen, maar men moet wel rekening houden met het risico van een ontevreden consument of producent wanneer het systeem de verwachtingen niet inlost.” Die ontevredenheid resulteert in wantrouwen en negatieve publiciteit, terwijl tevredenheid vertrouwen en herhaalaankopen tot gevolg heeft.

      Om de ernst van negatieve publiciteit te illustreren, toont de professor het resultaat van een onderzoek ten tijde van de BSE-crisis. Uit de simulatie van de impact van negatief nieuws (berichtgeving omtrent dollekoeienziekte) en positief nieuws (promotie voor rundvlees) blijkt dat vijf eenheden positief nieuws nodig zijn om de impact van één eenheid negatief nieuws te counteren. “Generieke promotie is immers duur, werkt traag en wordt snel vergeten”, verklaart Verbeke, “terwijl nieuws omtrent een voedselcrisis uiteraard gratis is, snel werkt en lang onthouden wordt door de consument.”

      Automatisch stelt zich dan de vraag hoe de landbouwsector moet informeren en communiceren over de kwaliteit van voedingsmiddelen. “Informatie moet zin en betekenis hebben, context aanbieden en de onzekerheid doen afnemen”, definieert Verbeke. “Informatie moet dus resulteren in kennis.” Consumenten blijken zowat in alle informatie geïnteresseerd, maar de meeste aandacht gaat toch uit naar indicaties van veiligheid en kwaliteit. “Kijken we naar de traceerbaarheid van producten”, zegt Verbeke, “dan zijn consumenten niet geïnteresseerd in de voor hen betekenisloze productcode. Maar die aanwijzing van traceerbaarheid biedt de consument wel een veiligheidsgarantie die hem geruststelt en het is een aanduiding van kwaliteit.”

      Hij neemt ook het etiket op rundvlees - dat overvol informatie staat - als voorbeeld. “De consument neemt weinig tijd om de informatie te verwerken zodat slechts drie soorten info op een erg ruime aandacht kunnen rekenen: de vervaldatum, het soort vlees en het etiket in het algemeen”, zo stelt Verbeke in onderzoek vast. Als tweede groep van zinvolle productaanduidingen identificeert hij kwaliteitslabels en -garanties en de naam van de controle-instantie. “Bij het zien van nog meer informatie haakt de consument af”, aldus Verbeke. “Een recente studie bevestigt dat de meeste interesse uitgaat naar basisinformatie zoals het soort vlees of vis, de vervaldatum, de prijs en het gewicht.” Hij merkt op dat opnieuw het kwaliteitslabel naar voren wordt geschoven als voornaamste bijkomende informatie.

      “Iedereen ligt wakker van duurzaamheid, weinig mensen willen ervoor betalen.”

      Professor Verbeke besluit met het onderscheid tussen burger en consument. “Als burger ligt zowat iedereen wakker van duurzaamheid, maar slechts een beperkte groep mensen trekt die attitude ook door in zijn koopgedrag”, beweert Verbeke. De professor wordt daarin bijgetreden door André Van den Bossche, directeur afdeling vlees van Colruyt, die een overzicht gaf van de evolutie van de kwaliteitspolitiek van zijn groep gedurende de voorbije 20 jaar. “Mensen staan achter een duurzame productie tot er een prijskaartje aan vast hangt. De consument wordt kritischer, maar hij is eerder bereid om voor gezondheid meer te betalen dan voor dierenwelzijn. Duurzaamheid is nog moeilijker te vermarkten”, meent Van den Bossche.

      Een mogelijk obstakel is bijvoorbeeld het idee dat duurzaam geproduceerde producten moeilijk verkrijgbaar zijn en bijgevolg een inspanning vergen om tot aankoop over te gaan. Verbeke ziet dat die dualiteit ook sterk aanwezig is bij fair trade. “Veel mensen zijn er gevoelig voor, maar slechts weinigen willen de meerprijs voor fair trade producten op tafel leggen”, beseft hij. Ook de externaliteiten die niet in de prijs worden verrekend omdat de consument daar niet voor wil betalen, noemt Verbeke typerend. “Op dat ogenblik moet de maatschappij daarvoor opdraaien en krijg je bijvoorbeeld voorstellen tot het opleggen van een ‘vettaks’ omdat ‘volksgezondheid’ niet verrekend werd in de prijs van een voedingsmiddel”, aldus Verbeke.

      In 2009 peilden onderzoekers naar de houding van de Europese burger ten aanzien van varkensproductie. Burgers mochten hun voorkeur uitdrukken omtrent vleeskwaliteit, aanwezigheid van vet aan het vlees, de milieu-inspanning van varkenshouders, de huisvesting van de varkens en de grootte van het bedrijf. “Bij een vergelijking tussen de antwoorden uit verschillende lidstaten, krijgen we een tegenstelling te zien tussen de verwachting van de consument en het meest toegepaste productiesysteem in dat land”, merkt Verbeke op. In een EU-lidstaat waar de varkensproductie erg gestandaardiseerd is, gaven consumenten de voorkeur aan meer variabiliteit omdat ze dat associëren met een meer natuurlijke wijze om varkens te houden. Een land met een gevarieerd productiesysteem, doet een consument dan weer vragen om een meer homogeen product. Dit is volgens Verbeke de variatiegeneigdheid die eigen is aan consumentengedrag onder het mom ‘het gras is steeds groener aan de overkant’. “Eén manier om die tegenstellingen te verzoenen, is de consument meer inspraak geven”, weet de professor. Hij suggereert om bij het opstellen van het lastenboek niet alleen de sectororganisaties te betrekken, maar ook de consument zelf.

      Frans De Wachter1.jpg“Een kwaliteitssysteem is zo sterk als zijn zwakste schakel.”

      “In een kwaliteitssysteem is alleszins de ganse keten betrokken”, zegt Frans De Wachter, algemeen directeur van VLAM. “Dat maakt het kwaliteitssysteem meteen zo sterk als zijn zwakste schakel.” In de eerste plaats moet iedereen volgens hem mee in dat kwaliteitsdenken om de geloofwaardigheid van het systeem niet te verzwakken. Daar dienen ook duidelijke afspraken in lastenboeken voor, net als externe controles en sancties bij overtredingen. Volledige ketentransparantie noemt hij een must om het product van producent tot consument (en omgekeerd) te kunnen traceren.

      “Promotie van VLAM geeft landbouwproducten een gezicht.”

      De Wachter legt uit dat VLAM aandacht heeft voor een gedifferentieerd kwaliteitsbeleid. “In de kwaliteitsbewaking speelt integrale ketenbewaking (IKB) een belangrijke rol, net zoals het waarborgen van de productieomstandigheden”, legt hij uit. “Om landbouw uit de bulkproductie te halen en meerwaarde te creëren, geven we producten een gezicht door marktsegmentatie en productdifferentiatie”, zegt De Wachter. Binnen VLAM wordt de promotie aangestuurd vanuit de sectoren, terwijl de kwaliteit bewaakt wordt door (autonome) vzw’s.

      De keuze voor een algemeen of specifiek kwaliteitsbeleid is volgens De Wachter afhankelijk van het doel dat men voor ogen heeft. Een algemeen kwaliteitssysteem resulteert in een sectorbreed resultaat dat meer dan 90 procent van de productie afdekt. Het ultieme doel is dan de volledige productie onder het systeem brengen zodat het label een voorwaarde wordt voor markttoegang en de wettelijke eisen kunnen versterken. “Wie niet aan de normen voldoet, krijgt minder. Wie aan de normen van een specifiek systeem voldoet, krijgt net meer geld voor zijn product”, verklaart De Wachter. In dat laatste geval wordt immers een niche gecreëerd waarmee de producent een toegevoegde waarde kan realiseren.

      Gevraagd naar de knelpunten van kwaliteitssystemen, noemt De Wachter de veelheid aan systemen, het verlies aan individuele vrijheid voor de producent, de conjunctuurgevoeligheid, de extra administratie en investeringen en de garantie die voor de producent ontbreekt dat hij een meerprijs zal ontvangen voor zijn inspanningen. “Slechts zes op de tien aangeboden Meritusrunderen kunnen onder het label vermarkt worden”, illustreert De Wachter. Een opportuniteit die de boer kan overtuigen, is het concurrentieel voordeel van een label in een competitieve markt. Bovendien biedt het label aan de consument extra objectieve (veiligheid, vertrouwen, duurzaamheid) en subjectieve (productiemethode, sensoriek, imago) kwaliteitsgaranties. “Dat creëert zekerheid van afzet en een mogelijke meerprijs, wat in feite de zin is van een kwaliteitssysteem”, geeft De Wachter toe.

      Meritus1.jpg“Labelbekendheid is recht evenredig met de promotie.”

      De bekendheid van een label blijkt recht evenredig met de promotie die ervoor gevoerd wordt. Op dat vlak doen de labels die door VLAM ondersteund worden het bijzonder goed. Zo zijn Certus (varkensvlees), Meritus (rundvlees) en Meesterlyck (vleeswaren) bij circa zes op de tien ondervraagden gekend. Kleine nuance, het gaat hier om de logobekendheid waarbij de consument bij de vraagstelling een duwtje in de rug krijgt. Wanneer hij spontaan gevraagd wordt om kwaliteitslabels van landbouwproducten op te sommen, dan stokt de naamsbekendheid voor alle labels op minder dan 10 procent. Dat geldt echter niet voor het label voor verse groenten en fruit dat ontstaan is in de schoot van de veilingsector. Wanneer daarnaar gepolst wordt, noemt liefst 44 procent van de consumenten spontaan Flandria als keurmerk. De ondervraagden beschouwen Flandria als een garantie op versheid, goede smaak en uitzicht en het wordt bijvoorbeeld ook vereenzelvigd met een goede prijs voor een product uit eigen regio.

      Een kwaliteitslabel van de nodige bekendheid en een goed imago verzekeren, vergt een blijvende inspanning. Dat blijkt uit de respons op het label Belgian Controlled Veal (BCV). Waar het label in 2006 nog een goede naamsbekendheid genoot, doet het na drie jaar zonder promotie bij amper 13 procent van de consumenten nog een belletje rinkelen. “VLAM wil dan ook verder investeren in de bestaande kwaliteitssystemen en ook erkenning buiten onze landsgrenzen bekomen”, zegt De Wachter. “Door marktsegmentatie en productdifferentiatie wordt het aanbod sterker gericht op de vraag. Bovendien voldoet een integrale kwaliteitsaanpak aan het verwachtingspatroon van de hedendaagse consument.” Als voornaamste uitdagingen voor de toekomst noemt de directeur van VLAM het creëren van meerwaarde voor boer en consument en het actualiseren van labels zodat die aansluiting vinden bij maatschappelijke tendensen als ‘van bij ons’ en ‘duurzaamheid’.

      Lees meer over twee weken: In deel 2 gaat ILVO na hoe ver de landbouwer wil gaan in het streven naar bovenwettelijke kwaliteit. Waarop Boerenbond de vraag stelt of de boer vergoed wordt voor de inspanningen die een kwaliteitssysteem van de producent vergen.

  • "Kwaliteitssystemen worden te snel de wettelijke norm"

    Op de jaarlijkse landbouwstudiedag van de UGent ging het Instituut voor Landbouw- en Visserijonde...
    Toon detail informatie

      Het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO) onderzocht hoe ver de landbouwer mee wil in die bovenwettelijke waardecreatie met behulp van kwaliteitslabels. Onderzoeker Koen Mondelaers identificeert vier succesfactoren. De kwaliteitsnorm moet leiden tot het beloofde en gewenste resultaat (effectiviteit). Dat moet op de meest economische manier gebeuren (efficiëntie). Daarbij moeten rechten en plichten billijk verdeeld zijn en moet er een evenwicht zijn tussen waardecreatie en de verdeling van die meerwaarde (gelijkwaardigheid). Tot slot moet een kwaliteitssysteem snel kunnen inspelen op veranderingen in markt en milieu (aanpasbaarheid).

      Om de verschillende kwaliteitssystemen op hun beloftes aan de consument te testen, ontwikkelde ILVO een matrix waarop de verschillende systemen gescoord worden naargelang hun duurzaamheid. Daarvoor werden resultaten toegekend naargelang de prestaties op het vlak van bodemvruchtbaarheid, reductie van de pesticidendruk, waterkwaliteit, biodiversiteit, voedselveiligheid, afvalreductie, enz.

      ILVO onderzocht ook de kosten die een kwaliteitssysteem met zich meebrengt. Zowel fysieke veranderingen aan het bedrijf als duurdere productiefactoren kunnen de landbouwer op kosten jagen. Zo kan de overschakeling naar andere meststoffen, ander zaaigoed of het zuiniger omgaan met water een inspanning vergen. “Van een andere aard zijn transactiekosten die gepaard gaan met het opstarten en implementeren van lastenboeken. Voor een teler gaat het om de administratie of de controles die een label met zich meebrengt”, zegt Mondelaers.

      “Transactiekosten kunnen dalen wanneer de individuele teler de kwaliteit van zijn product niet langer zelf moet bewijzen, maar voor een te klein bedrijf kunnen de transactiekosten bij opstart en implementatie van het kwaliteitssysteem toch hoog uitvallen”, beseft hij. “Bovendien kunnen de transactiekosten ook oplopen als de landbouwer deelneemt aan meerdere certificatiesystemen die niet goed op elkaar afgestemd zijn. Ook controles gebeuren best op een uniforme wijze om onnodige kosten te vermijden.”

      certuslabel.jpg “Extra kwaliteit moet eenvoudig communiceerbaar zijn.”

      “Wie deelneemt aan een kwaliteitssysteem moet rekening houden met verschillen in meerprijs, instap- én transactiekosten”, weet Mondelaers. Een landbouwer zal de meerprijs makkelijker realiseren wanneer de extra kwaliteit zichtbaar en zodoende eenvoudig communiceerbaar is. De prijs staat niet vast, maar is afhankelijk van vraag en aanbod. Het is belangrijk om voldoende van het gecertificeerd product te kunnen aanbieden om de afnemer een constante aanvoer te verzekeren, maar een overaanbod weegt op de prijs.

      Over het afwegen van kosten en baten, wil Mondelaers kwijt dat er bij elk lastenboek bedrijven zijn die niet mee op de kar (kunnen) springen. “Dat kunnen kleine bedrijven zijn, maar ook oudere bedrijven”, weet Mondelaers. “Die laatste categorie wil de investeringen meestal niet meer doen, terwijl een klein bedrijf soms toch voor de zware investering kiest als een kwaliteitslabel een manier is om zich te onderscheiden.” Wie specifieke investeringen doet om te beantwoorden aan de eisen die eigen zijn aan één afnemer, moet wel beseffen dat hij die afnemer in een machtspositie plaatst die bepalend kan zijn voor de prijs.

      “Evolueert de kwaliteitsstandaard, dan is het belangrijk dat een meerderheid van de deelnemers de overgang vloeiend kan maken”, stelt Mondelaers. “Men gaat daarbij na of de verandering technisch haalbaar is en of ze economische en ecologische voordelen oplevert. Is het antwoord positief, dan kan de standaard evolueren naar meer aandacht voor bijvoorbeeld eerlijke handel, seizoensproducten, smaakgerelateerde issues of een verlaging van de CO2-voetafdruk. Drijvende kracht voor die aanpassing kunnen de deelnemers zelf zijn, maar kan ook voortvloeien uit wetgeving, eisen van afnemers of ngo’s, uit nieuwe technieken of wetenschappelijke inzichten. De extra kwaliteitseisen kunnen ook overgaan in een nieuwe bulkmarkt die zich op een hoger kwaliteitsniveau bevindt. “Waarna nieuwe initiatieven ontstaan om bovenwettelijke kwaliteit aan te bieden”, weet Mondelaers.

      Mondelaers_geVILT.jpg “Labels werken in de praktijk niet altijd.”

      Het advies van ILVO aan de beleidsmakers luidt dan ook om een kwaliteitssysteem te laten organiseren door private actoren en daarop enkel supervisie uit te voeren. Om een kwaliteitssysteem in stand te houden, moet de meerwaarde correct verdeeld worden onder de deelnemers. “Helaas wordt een succesvol label vaak gekopieerd door andere zodat het ingehaald wordt door de markt of te groot wordt zodat het vervalt tot een noodzakelijke voorwaarde voor markttoegang”, stelt Mondelaers vast. In de loop van het ILVO-onderzoek werd duidelijk dat er nood is aan een objectief beoordelingsinstrument om de bijdrage van lastenboeken aan kwaliteit en duurzaamheid in te schatten. “Labels zijn een goed vehikel voor consumenten om hun voorkeuren aan te geven”, zegt Mondelaers, “maar in de praktijk werken ze niet altijd. Daarom zijn wij als onderzoeksinstelling van mening dat er een debat nodig is over de inhoud en verschillen tussen labels en de positie van labels in communicatiestrategieën.”

      Hij besluit met de vaststelling dat een kwaliteitssysteem voor de beleidsmakers lagere overheidsuitgaven meebrengt en de weg vrijmaakt voor toekomstige regelgeving die een hoger kwaliteitsniveau waarborgt. Voor consumenten betekent een kwaliteitslabel meer info, meer keuze en een betere bescherming van de kwaliteit van zijn voeding tegen een relatief lage prijs. De deelnemers aan het kwaliteitssysteem kunnen zich verheugen over reputatiewinst en genieten meestal van een meerprijs die hoger is dan de extra kosten. Voor de maatschappij is het van belang dat externe kosten van de voedselproductie meer geïnternaliseerd worden in de verkoopprijs.

      varkensvlees promo1.jpg “Voeding is structureel te goedkoop.”

      Het prijsniveau van voedingsmiddelen is in veel gevallen immers structureel (te) laag. “Bovendien worden landbouwers meer dan vroeger geconfronteerd met prijsschommelingen voor hun producten”, zegt Marc Rosiers, directeur van de Studiedienst van Boerenbond. Gevraagd naar oplossingen, begint Rosiers met te vegen voor eigen deur door het belang te benadrukken van een meer vraaggerichte landbouwproductie. “Differentiëren op basis van gecertificeerde kwaliteitsproducten is een meer vraaggestuurde strategie om de onderhandelingspositie van de producent te versterken”, vervolgt Rosiers. “Landbouwers zijn uiteraard bereid om mee te gaan in dat verhaal”, zegt Rosiers, “voorwaarde is wel dat tegenover het produceren van kwaliteit een meerprijs staat.”

      “Net daar schort het vaak”, weet Rosiers. Hij stelt vast dat kwaliteitssystemen die differentiatie beogen, vaak verglijden in een sluipende verhoging van (product- en proces)standaarden. “De meerprijs blijkt op die manier slechts een tijdelijk fenomeen tot het ogenblik waarop de bovenwettelijke inspanning een noodzakelijke voorwaarde wordt voor markttoegang”, verklaart de directeur van de Studiedienst. Daarom pleitte Boerenbond voor een Europees kader dat er in december 2010 ook is gekomen in de vorm van het zogenaamde kwaliteitspakket. De door Europa opgelegde oorsprongsbenamingen beschouwt hij niet meteen als een voordeel voor een exportgericht land als België. “Een geografische aanduiding kan interessant zijn voor een nicheproduct, maar voor het exporteren van bulkproducten is dit eerder een bedreiging”, beseft Rosiers. Als zeer nuttig beoordeelt hij de Europese richtsnoeren voor certificatiesystemen waarmee men deze op eenzelfde leest wil schoeien.

      Na de oprichting van het Voedselagentschap in 1999 heeft de landbouwsector kennis gemaakt met sectorgidsen voor dierlijke en plantaardige productie die door het agentschap goedgekeurd werden. “Sectorgidsen zijn een puur B2B-gegeven dat niet met labels aan de consument kenbaar wordt gemaakt”, verklaart Rosiers. Met het oog op kwaliteitsbewaking zijn ook de (private) lastenboeken blijven bestaan, onder meer die van de kwaliteitsvzw’s van VLAM en die van de distributie en de verwerkende industrie. “Lastenboeken in de primaire sector bestaan al veel langer dan sectorgidsen en zij bevatten bovenwettelijke voorwaarden”, beschrijft Rosiers. “De opsteller wil superieure kwaliteit aanduiden en dit communiceren naar de consument door middel van een label”, weet Rosiers.

      Rosiers_geVILT.jpg “Boeren hebben recht op een deel van de meerwaarde.”

      Een product afleveren dat voldoet aan de wettelijke kwaliteit en de eisen voor markttoegang, is de taak van de landbouwer. Daarom spant Boerenbond zich in om te garanderen dat de certificatie- en meerkost voor markttoegang zo laag mogelijk wordt gehouden. De organisatie pleit voor een stroomlijning van sectorgidsen en (private) lastenboeken. Ook de werking van de certificerende instellingen kan nog beter op elkaar afgestemd worden. “De sectorgids wordt op die manier een basis- of opstapgids naar de private lastenboeken. Die situeren zich in het luik bovenwettelijke dus commerciële kwaliteit. “Landbouworganisaties willen daaraan meewerken op voorwaarde dat de producent participeert in de gerealiseerde meerwaarde en de bijhorende meerprijs”, zegt Rosiers hierover.

      Door de scherpere scheiding tussen markttoegang enerzijds en bovenwettelijke kwaliteit anderzijds, hoopt Rosiers op een meer transparante wijze te kunnen communiceren met de consument en een vergoeding te bekomen voor de producent. Op dezelfde wijze moeten inspanningen die gekwalificeerd kunnen worden onder duurzaamheid, ook op die manier naar de consument vertaald worden. Rosiers noemt als voorbeelden van duurzaamheid Integrated Pest Management, de bijkomende inspanningen voor de waterkwaliteit in het nieuwe mestactieplan en veestallen die voorop lopen op de normen voor huisvesting van dieren.

      “Bulkproductie die kostenefficiënt moet worden geproduceerd, zal er altijd zijn”, is Rosiers overtuigd. “Belangrijk is dat niches niet te snel evolueren naar markttoegang waarna de wettelijke norm weer naar boven zou opschuiven.” Hij beseft dat de eis zal blijven bestaan om voedsel aan een steeds hogere kwaliteit te produceren. “Als sector zullen we ons moeten aanpassen, want vandaag is een behoefte voldaan en morgen is er al een nieuwe”, weet Rosiers. De vraag is volgens hem met welke snelheid de wettelijke eisen opgetrokken worden. “Er zullen onder de landbouwers altijd voorlopers zijn die proactief inspelen op vragen vanuit de markt. De inspanningen die zij leveren, vertalen zich op termijn in een markttoegang op een hoger niveau. Het is aan ons landbouworganisaties om ervoor te zorgen dat die evolutie stapsgewijs gebeurt”, besluit Rosiers.

  • "Nu al minder graan door klimaat"

    Wat wordt de impact van de klimaatverandering op de wereldvoedselmarkt en de graanprijs? Zullen o...
    Toon detail informatie

      De onderzoekers onderzochten de gegevens over de productie van maïs, graan, rijst en soja. Hiermee heeft hun onderzoek betrekking op 75 procent van alle calorieën die de wereldbevolking tussen 1980 en 2008 opnam. Een van de conclusies is dat vooral de stijgende temperaturen de landbouwproductie beïnvloeden. De factor regenval speelde in de meeste landen veel minder, tenminste zolang er nog watervoorraden beschikbaar zijn. Bovendien werkten de onderzoekers met gemiddelden per seizoen, wat de impact van extreme regen in combinatie met droogte minimaliseert.

      Interessant om weten is alleszins dat de grootste verliezen voor de graanproductie werden opgetekend in Rusland, India en Frankrijk. Voor maïs doen China en Brazilië de slechtste zaak. Bij soja en rijst blijken de effecten van de klimaatverandering volgens het model niet significant. Ook niet onbelangrijk: de onderzoekers houden de afgeremde landbouwproductie verantwoordelijk voor een wereldwijde prijsstijging met 20 procent. Tellen ze het positieve effect van extra CO2 voor de gewasgroei mee, dan komen ze op een klimaatgerelateerde prijsstijging van 5 procent gedurende de afgelopen 30 jaar. Blijft de vraag welke prijs we de komende 30 jaar krijgen…

  • "Op weg naar één sterke landbouwpijler"

    Hoe moet het na 2013 met de rechtstreekse inkomenssteun? Moet de overheid straks meer investeren ...
    Toon detail informatie

      Hoe moet Europa de dynamiek en de verdere ontwikkeling van het Europese platteland ondersteunen? Hoe ziet u met name de verhouding tussen de eerste en tweede pijler verder evolueren?

      Gerda Verburg: ‘Het platteland is zeer divers in de verschillende EU-lidstaten. Elk met een eigen problematiek én met eigen kwaliteiten. Dat zal zich ook moeten uiten in de wijze waarop Europees de ontwikkeling van het platteland vorm en inhoud krijgt. Ruimte voor nationaal en/of regionaal maatwerk is dan ook essentieel. Maar ook duidelijk is dat een vitaal platteland niet kan zonder een vitale landbouw. De Nederlandse en Vlaamse landbouw lijken in dit verband veel op elkaar, want zij hebben beiden grote innovatieve ambities op een beperkt landareaal. Kenmerkend voor het Nederlandse platteland is de naar Europese begrippen hoge bevolkingsdruk, de intensiteit van het grondgebruik en het grote landoppervlak dat de primaire agrarische sector in gebruik heeft. Uit onderzoek blijkt weinig reden tot bezorgdheid over de ontwikkeling van werk en inkomen in de dunner bevolkte gebieden van Nederland. Belangrijk is het behoud van de duurzame kwaliteit van het landschap.

      De uitdagingen waar de Europese land- en tuinbouwsector de komende jaren voor staat, zijn niet beperkt tot een deel van de sector of een deel van het landelijk gebied, maar raken de gehele Europese land- en tuinbouw in alle geledingen en in alle lidstaten. Onze welvaart en de kwaliteit van ons landelijk gebied en landschap hangen daarbij voor een belangrijk deel af van de vraag of de agrarische sector zich krachtig kan blijven ontwikkelen. Met andere woorden, of er stimulansen zijn voor innovatie en diversificatie en wat de mogelijkheden zijn te investeren in de kwaliteit van natuur en landschap'.

      Reageer op dit antwoord

      Moet de komende jaren extra geïnvesteerd worden in kwaliteit, export, ten nadele van rechtstreekse inkomenssteun?

      Gerda Verburg: 'Vanuit het Nederlandse perspectief kan het bestaande instrumentarium van markt- en prijsbeleid en van generieke inkomenssteun verder  worden afgebouwd en worden vervangen door een systeem dat de verdere innovatie, verduurzaming, en marktoriëntatie van de sector stimuleert. Dit in combinatie met een beloning van maatschappelijke prestaties en een compensatie voor aanmerkelijke belemmeringen bij de agrarische bedrijfsuitvoering, dan wel wettelijke restricties die verder gaan dan gebruikelijk voor soortgelijke agrarische bedrijven in de EU.

      De omvorming van het bestaande stelsel van inkomenssteun naar een beloningssysteem voor maatschappelijke prestaties zal leiden tot een sterke vervaging van de nu nog scherpe grenzen van de beide pijlers van het GLB. De uitkomsten van de ‘health check’ laten zien dat deze waterscheiding al wat transparanter worden. Op termijn zie ik dan ook geen aanleiding meer om twee pijlers te onderscheiden, maar wel een noodzaak voor één sterke Europese landbouw- en plattelandspijler.’

      Reageer op dit antwoord

      Wat is de rol van de Nederlandse landbouw in de wereldvoedselproblemtiek?

      Gerda Verburg: ‘Ik vind dat het thema van de mondiale voedselproblematiek de hele Unie aangaat, en niet alleen moet bekeken worden binnen het kader van de Nederlandse landbouw. Het doel van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ten aanzien van voedselzekerheid is opnieuw actueel, zij het in een gewijzigde context. Daar waar tot op heden het doel met name was gericht op voedselzekerheid in Europa, zal de Europese landbouw in de toekomst meer dan voorheen een bijdrage leveren aan de mondiale voedselzekerheid. Dit brengt nieuwe verantwoordelijkheden voor de EU met zich mee. De mondiale demografische ontwikkelingen zijn van grote betekenis voor de wereldvoedselvoorziening. De Verenigde Naties schatten dat de wereldbevolking in 2025 ongeveer 7,8 miljard en in 2050 9 miljard mensen zal tellen. Dat betekent een toename van 50 procent in 50 jaar. De bevolking van Europa neemt niet toe en veroudert. Beide feiten hebben een grote invloed op de toekomstige vraag naar voedsel in de wereld, zowel kwantitatief als kwalitatief. In opkomende economieën zoals China en India neemt de vraag naar hogere kwaliteitsvoedingsmiddelen sterk toe. Wil het aanbod op deze vraag kunnen inspelen dan zal de voedselproductie wereldwijd moeten toenemen en ook veilig dienen plaats te vinden.

      De Europese voedselproductie zal vanwege de demografische ontwikkeling vooral productiever moeten worden door innovatie en verduurzaming, het zorgvuldig benutten van de mogelijkheden op het vlak van ‘groene genetica’ speelt een belangrijke rol. Stijgende prijzen voor voedsel en brandstof raken ons allemaal, maar ze raken de armen en kwetsbaren in ontwikkelingslanden het meest. Internationale afspraken zijn gemaakt over structurele investeringen in de landbouw gericht op productiviteitsstijging en duurzamere productie. Landbouw blijft ook in de 21ste eeuw een fundamenteel instrument voor economische groei en armoedebestrijding, vooral in Afrika. Innovatie en versterking van kennis en onderzoek zijn cruciaal om deze ontwikkeling in ontwikkelingslanden mogelijk te maken. Europa heeft om die reden zowel een verantwoordelijkheid waar het gaat om het bevorderen van de Europese en wereldwijde voedselproductie, met name door middel van het stimuleren van technologie- en kennisoverdracht om de landbouwontwikkeling in ontwikkelingslanden te versterken, maar ook ter versterking van de markttoegang en liberalisering van de handel in agrarische producten. Ook Nederland investeert vanuit deze invalshoek in de ontwikkeling van de landbouw in derde landen.’

      Hoe vindt u dat het ondernemerschap van de landbouwers verder kan worden gestimuleerd? Wat is de rol van de overheid hierin in de toekomst?

      Gerda Verburg: ‘Succesvolle ondernemers maken keuzes met het oog op een goede positie van hun product in de markt, op basis van een visie op wat de ondernemer wil met het bedrijf, het kennen van eigen sterktes en zwaktes en tot slot een gevoel voor en kennis van wat er in de samenleving gebeurt en gaat gebeuren. Om te kunnen blijven innoveren, moeten ondernemers daarom voortdurend over een hoog kennisniveau beschikken, waarbij het van wezenlijk belang is dat ze van elkaar kunnen leren en gemakkelijk toegang hebben tot aanwezige kennis bij instellingen en instituties.

      Toegang tot kennis, advies en demonstratieprojecten moeten daarom extra aandacht krijgen. Nederland vindt het van groot belang dat boeren gebruik kunnen maken van (vernieuwend) onderwijs, kennisverspreiding en informatieoverdracht via onder meer lerende netwerken waarbij ondernemers van en met elkaar leren, om zo de kwaliteit van hun ondernemerschap te vergroten. De rol van de overheid daarbij is en blijft een ondersteunende en faciliterende, in samenwerking met private partijen. Het gegeven dat het ‘op groen gericht onderwijs’ in Nederland onder de verantwoordelijkheid valt van de minister van LNV, bewijst daarin zijn meerwaarde.’

      Reageer op dit antwoord

      Inspelen op veranderende marktomstandigheden is een noodzaak om als sector  te kunnen overleven. Wat kan de overheid op dit vlak doen?

      Gerda Verburg: ‘Krachtige agroketens zijn belangrijk voor economische ontwikkeling, welvaart en werkgelegenheid. Kennis en innovatie zijn daarbij essentieel, nu én straks. Dit is naar mijn oordeel van de allerhoogste prioriteit en daarom de eerste bouwsteen voor het vernieuwde Europees landbouwbeleid dat ik in de Houtskoolschets beschrijf. Innovatie is nodig om in een wereld waarin de Europese landbouw steeds meer op wereldmarktniveau zal moeten concurreren om vitaal en competitief te blijven. En innovatie opent de deuren naar duurzame groei en meer werkgelegenheid en helpt Europa maatschappelijke problemen het hoofd te bieden en uitputting van (natuurlijke) hulpbronnen te voorkomen. Ook een goede kennisontsluiting is daarbij van belang.

      Bij een sterkere marktoriëntatie van de gehele sector mag de rol van de overheid niet te dominant zijn. De overheid stimuleert de ontsluiting van bestaande kennis, de ontwikkeling van nieuwe kennis en ondersteunt innovatieve projecten vanuit het landbouwbedrijfsleven. Het gaat dan zowel om verhoging van de productiviteit, als het inspelen op (niche)vragen uit de markt, bijvoorbeeld om ‘gezondere’ producten, als om vragen uit de samenleving, bijvoorbeeld het sluiten van kringlopen, nieuwe voedselstrategieën of houderijsystemen die milieu- of diervriendelijker zijn.

      Tegelijkertijd kunnen externe omstandigheden zo’n grote invloed hebben dat er serieuze risico’s kunnen optreden voor de concurrentiekracht en de continuïteit van agrarische ondernemers waardoor een vorm van risicobeheer noodzakelijk is. De financiering ervan kan in het gemeenschappelijk landbouwbeleid worden verankerd. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om interventie snel te kunnen inzetten wanneer en zo lang het nodig is. Prijsrisico’s of risico’s die privaat verzekerbaar zijn in de markt, blijven wat mij betreft ook in de toekomst de primaire verantwoordelijkheid van ondernemers en marktpartijen. De overheid moet de totstandkoming van private instrumenten voor risicobeheer stimuleren waar het gaat om productierisico’s als gevolg van crises van klimatologische of fytosanitaire/veterinaire aard.’

      Reageer op dit antwoord

      Moeten de landbouwers zich beter organiseren om problemen gezamenlijk per sector aan te pakken?

      Gerda Verburg: ‘In een ontwikkeling die op kortere of langere termijn onontkoombaar zal leiden tot een verdere liberalisering van de wereldhandel in agrarische producten, is samenwerking tussen producenten en van producenten met partijen verderop in de keten van groot belang: twee kunnen meer dan één. Uiteindelijk zijn zij het die bepalen welke producten op welke manier worden geproduceerd en inspelen op wensen van de markt en waar de samenleving om vraagt. Bijvoorbeeld op het vlak van een diervriendelijker en duurzamere landbouwproductie. Het is daarom van cruciaal belang dat de landbouw- en tuinbouwsectoren de krachten bundelen en op korte en langere termijn een krachtige afzetpositie ontwikkelen op de Europese en wereldmarkt.

      De landbouwsector in Nederland heeft zich hiervoor in de afgelopen decennia een uitstekende uitgangspositie verworven. Als het gaat om innovatiekracht en het ontwikkelen en toepassen van nieuwe kennis zijn de Nederlandse agrosector en het kenniscluster toonaangevend in de wereld. De sector is mondiaal een van de belangrijkste voedselexporteurs en levert producten van hoge kwaliteit. De Nederlandse agrarische sector is daarnaast ook goed en sterk georganiseerd, zowel op het niveau van de primaire producenten als met partijen in de keten van verwerking en handel. Dit bepaalt mede de huidige kracht van de Nederlandse land- en tuinbouw. Alleen bij voldoende georganiseerde samenwerking is de sector in staat deze positie op langere termijn te behouden of uit te breiden.’

      Reageer op dit antwoord

  • "Reserveer tweede pijler grotendeels voor landbouwinvesteringen"

    Moet de overheid straks meer investeren in kwaliteit? We vroegen aan Boerenbond-voorzitter Piet V...
    Toon detail informatie

      Hoe moet Europa de dynamiek en de verdere ontwikkeling van het Europese platteland ondersteunen? Hoe ziet u met name de verhouding tussen de eerste en tweede pijler verder evolueren?

      Het Europese beleid erkent en ondersteunt de rol van de landbouw als ruggengraat van het platteland. De landbouwactiviteit op het platteland trekt andere economische activiteiten aan, creëert bijkomende tewerkstelling en trekt zo mensen aan naar het platteland waardoor de leefbaarheid gegarandeerd wordt. Daarnaast cultiveert de landbouw het platteland en de open ruimte en biedt zo de maatschappelijk sterk gewaardeerde ‘Flower’ en ‘Fun’, zijnde o.a. de recreatiemogelijkheden op het platteland en het onderhoud en toegankelijk houden van de open ruimte.

      Een leefbaar platteland rust op de schouders van een sterke en dus leefbare landbouw. De landbouwsector heeft echter enkele specifieke kenmerken die moeten in rekening gebracht worden om tot een leefbare landbouw te komen. Ze maakt gebruik van de natuurlijke grondstoffen die sterk verschillen van streek tot streek. Ze is onderhevig aan de grillen van de natuur, zowel wat klimaat en weersomstandigheden betreft, als wat de impact van ziekten en plagen betreft. Daarnaast is de landbouwproductie cyclisch. Landbouwmarkten zijn bijgevolg van nature onstabiel wat de landbouwer sterk kan bedreigen. Het landbouwbedrijf heeft weinig ruimte om marktschokken op te vangen. Bovendien is hij de zwakste schakel in de keten waardoor hij vaak tussen hamer en aambeeld terecht komt. Een sterk landbouwbeleid blijft nodig om hierop een antwoord te bieden en de leefbaarheid van de landbouw te verzekeren. Pas dan kan de landbouw zijn rol als sterke schouders voor een leefbaar platteland ten volle vervullen. Voor de Boerenbond blijft een sterke inhoudelijke en budgettaire eerste pijler daarom een absolute noodzaak.

      Toch is de relatie tussen landbouw en platteland niet eenzijdig. Een leefbare landbouw kan immers maar floreren op een leefbaar platteland. De open ruimte, meer bepaald de landbouwgrond, is ons werkterrein en een noodzakelijke ‘grond’stof. Het behoud en de kwaliteit van de open ruimte is dus cruciaal voor een leefbaar platteland en een leefbare landbouw. Daarnaast is het rijke sociale leven op een leefbaar platteland ook voor de boer een belangrijke bron van energie om elke dag opnieuw het beste van zichzelf te geven. Tenslotte is de nabijheid van de consument voor de boer de vinger aan de pols van de steeds evoluerende markt. Het samengaan van plattelandsbeleid en landbouwbeleid is dus onontbeerlijk. Voor de Boerenbond wordt dit gestimuleerd door de tweede pijler van het landbouwbeleid.

      Reageer op dit antwoord

      Moet de komende jaren extra geïnvesteerd worden in kwaliteit, export, ten nadele van rechtstreekse inkomenssteun?

      Het Europese kwaliteitsbeleid wil inspelen op de maatschappelijke verwachtingen rond hoogstaande product- en proceskwaliteit. Door een hieraan gekoppeld promotiebeleid wordt de consument bewust gemaakt van de extra inspanning die de Europese voedselproducenten leveren. Een deel van de consumenten zal hierdoor voor de Europese kwaliteitsproducten kiezen en er een meerprijs willen voor betalen. Europa wil hier de komende jaren heel sterk op inzetten. Logisch, hoe effectiever dit beleid, hoe minder marktcorrigerend beleid en hoe minder directe overheidstussenkomt nodig is om een eerlijke prijs aan de producent te garanderen. Hierdoor worden, de budgettaire kosten van het landbouwbeleid beperkt. Toch zal het overgrote deel van de consumenten zich nog steeds laten leiden door de laagste prijs.

      De Boerenbond is daarom van oordeel dat kwaliteits- en promotiebeleid wel een bijdrage kan leveren om een deel van de meerkost van landbouwproducten geproduceerd met respect voor de Europese eisen en verwachtingen uit de markt te halen via hogere prijzen, maar dat het nooit de volledige oplossing zal bieden. Dergelijk beleid moet dus aanvullend zijn en kan niet tot de kern van het beleid uitgroeien.

      Wat export betreft, moet Europa een stimulerend beleid voeren ten voordele van concurrentiële export. Dit kan door middel van exportkredieten en –waarborgen en via exportpromotie en actieve exportprospectie. Voor de Boerenbond mag het beleid er echter niet meer op gericht zijn om niet-competitieve exportposities in te nemen ten koste van sommige ontwikkelingslanden. Wij blijven evenwel compensaties eisen in geval van competitieve munt devaluaties.

      Ondanks dit stimulerend kwaliteits- en exportbeleid en het marktcorrigerend optreden van de overheid zullen niet alle extra kosten verbonden aan de garantie van voedselzekerheid en het inspelen op maatschappelijke verwachtingen worden gedekt. Wil de overheid deze doelstellingen realiseren dan blijft een directe overheidstussenkomt bij de producent noodzakelijk. Deze steun vormt het sluitstuk om tot een leefbaar inkomen te komen op lange termijn naast de marktvergoeding die uit een gecorrigeerde markt kan worden gehaald.

      Het Europese systeem van bedrijfstoeslagrechten heeft net deze doelstelling. De Commissie stelt dat dit een belangrijk element van het landbouwbeleid blijft, maar dat de historische referentie in een dynamische markt moeilijk houdbaar is. De Boerenbond dringt er op aan om ook in de toekomst aandacht te hebben voor een zinvolle economische invulling van de directe overheidstussenkomst als kostencompenserend instrument. Daarnaast moet elke overgang van het huidige systeem naar een alternatief systeem geleidelijk en over een voldoende lange periode gebeuren.

      Reageer op dit antwoord

      Hoe vindt u dat het ondernemerschap van de landbouwers verder kan worden gestimuleerd? Wat is de rol van de overheid hierin in de toekomst?

      Het garanderen van voedselzekerheid door het opbouwen van een voldoende graad van zelfvoorziening en het inspelen op maatschappelijke eisen en verwachtingen kan niet ten alle prijzen gerealiseerd worden. Een redelijke meerprijs ten opzichte van het vrije marktscenario is noodzakelijk. De overheid en de landbouwsector moeten daarbij continu streven naar de meest efficiënte invulling van deze maatschappelijke doelstellingen. Het ondernemerschap van de landbouwers is hierbij cruciaal.

      De overheid en sector zijn het aan de consument verplicht om, binnen een duurzaam productiekader, continu te streven naar toenemende productiviteit, efficiëntieverbetering en dus versterking van de concurrentiekracht van de land- en tuinbouw. Enkel zo kan rendabele productie aan een redelijke prijs gegarandeerd worden. Het ondernemerschap van de landbouwer moet dus gericht zijn op kostenbeheersing, best practices en excellence. De overheid heeft een belangrijke verantwoordelijkheid om de sector te ondersteunen in dit continu streven naar efficiëntie door een stimulerend en sturend investeringsbeleid. Het VLIF heeft deze rol bij uitstek gespeeld en moet ook in de toekomst naar inhoud en budget een sleutelpositie blijven innemen in het landbouwbeleid. Dit impliceert dat een groot deel van de tweede pijler blijvend moet gereserveerd worden voor landbouwinvesteringen.

      Maar ook de gecorrigeerde markt en het prijssignaal hebben in deze hun rol te spelen. De markt geeft immers aan waar overschotten of tekorten zijn, wat de consument verwacht en blijft zo het best geplaatst om de productie aan te sturen.

      Reageer op dit antwoord

      Inspelen op veranderende marktomstandigheden is een noodzaak om als sector te kunnen overleven. Wat kan de overheid op dit vlak doen?

      Voeling met de markt is cruciaal. De eigenheid van de landbouwsector en van de landbouwmarkt vraagt noodzakelijke marktcorrecties om tot een leefbare landbouw te komen. Maar het gecorrigeerde prijssignaal moet verder zijn rol vervullen en de markt in de gewenste richting wijzen. De overheid kan hier faciliterend en stimulerend optreden door landbouwers en consumenten met elkaar in contact te brengen via promotie en een investeringbeleid dat inspeelt op deze maatschappelijke verwachtingen.

      Vaak is er gewoon geen markt voor dezemaatschappelijke verwachtingen rond landbouw. Hier kan de overheid zelf contracten afsluiten om bijkomende maatschappelijke goederen en diensten te produceren naast landbouwproducten. Dit laatste gebeurt al onder de vorm van beheersovereenkomsten of in de biologische landbouw.

      De landbouw wil zeker inspelen op de brede waaier aan maatschappelijke verwachtingen en is bereid hiervoor inspanningen te leveren. Vaak is evenwel niet duidelijk hoe deze maatschappelijke verwachtingen het best kunnen ingevuld worden. Het is een continu zoeken naar de beste praktijken om de vooropgestelde doelstelling te bereiken op de meest efficiënte manier. Repressief beleid op een voortdurend evoluerende leest geschoeid is contraproductief en zeer frustrerend.

      De Boerenbond pleit voor een stimulerende aanpak waarbij de maatschappelijke verwachtingen als algemene doelstelling worden vooropgesteld en waarbij het de sector toekomt hieraan invulling te geven op een efficiënte manier. Bepaalde investeringpistes kunnen via een stimulerend investeringsbeleid op het voorplan geplaatst worden. Dit beleid past perfect binnen het plattelandsbeleid. Bijkomende maatschappelijke verwachtingen worden dus bij voorkeur via het plattelandsbeleid en op een stimulerende manier opgenomen in het landbouwbeleid veeleer dan ze direct te vertalen naar bindende wetgeving en ze repressief op te nemen in de randvoorwaarden.

      Reageer op dit antwoord

      Moeten de landbouwers zich beter organiseren om problemen gezamenlijk per sector aan te pakken?

      De overheid trekt zich stelselmatig terug uit de markt, met toenemende prijsschommelingen tot gevolg. Daarnaast is er een structureel probleem met het prijsniveau. De beperkte marktmacht van landbouwbedrijven ten opzichte van de zeer geconcentreerde verwerkings- en distributieketen maken het voor de landbouwer moeilijk om stijgende productiekosten door te rekenen. Stijgingen in de kostprijs resulteren pas later en meestal onvolledig in stijgende prijzen voor het eindproduct. Dalende outputprijzen vinden zelden hun weerslag in de eindproducten van de voedingsindustrie. De bedrijfszekerheid en –continuïteit kunnen worden ondersteund door het risico te spreiden in de tijd en in de keten via samenwerkingsverbanden in de schakel en en in de keten.

      Samenwerkingsverbanden kunnen de zwakke positie van de landbouwers in de agro-voedingsketen versterken. De bundeling van aanbod en verkoop en het zelf realiseren van toegevoegde waarde vergroot de onderhandelingsmacht en biedt het potentieel meerwaarde in eigen handen te houden. De Boerenbond wil de mogelijkheden en kansen op dit vlak actief verkennen, zonder evenwel bestaande formules zomaar over te nemen in andere sectoren. De Boerenbond heeft een werkgroep opgericht die samenwerkingsvormen zal onderzoeken die moeten leiden tot markt- en ketenmacht en de bruikbaarheid ervan in de verschillende sectoren zal aftoetsen om tot concrete voorstellen te komen.

      Interprofessionele akkoorden laten toe afspraken te maken doorheen de agro-voedingsketen waarbij rekening gehouden wordt met de eigenheid van de landbouwsector. Deze afspraken zijn complementair aan het landbouwbeleid en versterken de effectiviteit ervan. Europa moet hiervoor een kader creëren waarbinnen de voorwaarden voor aankoop, levering, overname en betaling transparant worden geregeld. Binnen dit kader kunnen bijkomende specifieke afspraken gemaakt worden tussen een afnemer en zijn leveranciers. Een individueel contract tussen koper en verkoper bepaalt uiteindelijk het volume, de kwaliteit en de prijs.

      Reageer op dit antwoord

  • "Restproducten bio-ethanol goed alternatief voor soja"

    Landbouwers doen er goed aan om verder te kijken dan de klassieke producten als ze het rantsoen v...
    Toon detail informatie

      De onderzoeksgroep van De Brabander bestudeert de verschillende bio-ethanol-bijproducten die recent op de markt verschijnen. Het aanbod is immers divers en de nood aan wetenschappelijke kennis groot. Op het ILVO loopt daarom een vierjarig wetenschappelijk project en op praktijkbedrijven worden demoproeven uitgevoerd.

      Bijproducten uit de voedingsindustrie, zoals pulp uit de suikerfabrieken, draf uit de brouwerijen of maïsgluten uit de zetmeelindustrie zijn al jaar en dag gekend bij de boeren. Maar wat voor bijproducten levert de bio-ethanol-industrie precies?
      Daniël De Brabander: Sinds een jaar of twee zien we een snelle ontwikkeling van de zogenaamde eerste-generatie-productie van bio-ethanol in ons land. In de Gentse haven haalt Alco Bio Fuel ethanol uit tarwe, vermengd met maïs, triticale of gerst. Na fermentatie van het graan verkrijgen ze naast bio-ethanol een soort draf en een ingedikt vloeibaar product (solubles). Beide producten die men dan respectievelijk ‘Protistar’ en ‘Protisyr’ noemt, kunnen als dusdanig als veevoeder dienen. Maar het overgrote deel wordt samengevoegd en gedroogd. Men spreekt dan wereldwijd van DDGS (dried distillers grains with solubles). Alco Bio Fuel gaf het de commerciële naam ‘Protifeed’.

      In Aalst heb je de zetmeelproducent Syral (het vroegere Amylum): nadat tarwe ontdaan wordt van de zemelen, wordt uit de bloem de gluten en het zetmeel geïsoleerd. Uit hun minderwaardig C-zetmeel halen ze via fermentatie ethanol. Hier wordt dus een bijproduct van de tarweverwerking gefermenteerd. Wat overblijft, is een vloeibaar voeder dat men bij Syral ‘Alcomix’ noemt en dat onder de naam ‘Tarweferm’ wordt gecommercialiseerd. Een deel van de Alcomix mengen ze met zemelen en drogen ze tot de krachtvoedergrondstof ‘Amyplus 01’.

      Biowanze in het Waalse Wanze haalt ethanol uit de vergisting van tarwezetmeel dat soms gemengd wordt met bietensiroop. Het procédé is gelijkaardig aan dat bij Syral, maar de zemelen gebruiken ze daar wel als brandstof. Bijgevolg is er daar alleen één vloeibaar bijproduct, namelijk ‘ProtiWanze’.

      Hoe belangrijk is de hoeveelheid van deze producten?
      We spreken over een aanzienlijke massa: Alco Bio Fuel uit Gent bracht het jongste jaar 100.000 ton DDGS op de markt. In Nederland staat zelfs een vergelijkbare productie-eenheid die 360.000 ton DDGS commercialiseert. Uit Syral Aalst vertrok in 2010 ruim 30.000 ton Alcomix, dat moet je wel delen door ruim drie als je het uitdrukt in droge stof. En Wallonië (BioWanze) is goed voor maar liefst 250.000 ton ProtiWanze op jaarbasis (ook te delen door drie om het droge stofgewicht te kennen). Daarnaast heeft men nog de andere bijproducten zoals de Protisyr en de Protistar van Alco Bio Fuel en Amyplus van Syral.

      Vergelijk die cijfers met wat de Belgische veevoedermarkt op een jaar nodig heeft van dé traditionele eiwitbron voor krachtvoeder ‘sojaschroot’: dat is 1 miljoen ton. Zoals je weet wordt deze soja ingevoerd, hoofdzakelijk vanuit Zuid-Amerika. In de EU wordt de huidige productie van DDGS op 3,7 miljoen ton geraamd. In de VS draait dat rond 35 miljoen ton. Dan concludeer je dat de bijproducten van bio-ethanol zeer belangrijk worden in dierenvoeding. De kwestie is natuurlijk om te bepalen op welke manier, met welk effect, voor welke diersoorten (éénmagigen of herkauwers), en voor welk percentage van het rantsoen deze producten kunnen aangewend worden in de veehouderij.

      En het resultaat daarvan is?

      Lees ook:
      Brochure 'Bijproducten van de bio-ethanolindustrie voor melkvee'
      Vermits het onderzoek nog volop bezig is, kan ik nu nog geen definitieve conclusies trekken. In de VS zijn al wat interessante studies afgerond, maar dan voornamelijk rond DDGS uit bio-ethanol-industrie op basis van maïs. De voerderwaarde daarvan verschilt natuurlijk met bijproducten die als basis tarwe hebben. In ons onderzoek op Belgische, Franse en Duitse DDGS stellen we nu al een grote variatie in voederwaarde vast. Dit kan te wijten zijn aan de graankeuze bij de bio-ethanolproducenten (uitgangsgraan), aan de mengverhouding van de beide uitgangsproducten (draf, solubles) en aan de droogtemperatuur. Op het ILVO concluderen we dus dat je niet zomaar kan werken met een gemiddelde waarde uit een voedertabel van het algemeen product DDGS. Het is één van de bedoelingen van ons onderzoek een methode op punt te stellen om de voederwaarde van een bepaalde partij, aan de hand van chemische en fysische karakteristieken, met een voldoende nauwkeurigheid in het labo te kunnen schatten.

      Wat we wel al stellig kunnen zeggen, is dat al deze bijproducten, met uitzondering van Amyplus, bijzonder rijk zijn aan eiwit. Het eiwitgehalte varieert (op droge stof basis) ruwweg tussen 26 en 37 procent. Vergelijk dit met tarwe die 13 procent ruw eiwit in droge stof bevat, dan is de conclusie gauw getrokken: de bio-ethanol-bijproducten kunnen zeker gedeeltelijk het sojaschroot in het rantsoen vervangen. Daarenboven hebben de bijproducten een hoge energiewaarde. Dit is deels toe te schrijven aan het feit dat zij tot driemaal meer vet bevatten dan het uitgangsgraan. Ruw eiwit zegt echter niet alles. Belangrijk hierbij is bijvoorbeeld voor rundvee in welke mate en waar (pens/dunne darm) het eiwit verteerd wordt. Bij varkens en pluimvee is het aminozurenpatroon van het eiwit dan weer belangrijk. Zijn er limiterende aminozuren die moeten gesupplementeerd worden om tot dezelfde dierlijke prestaties te komen?

      De wetenschap moet dus verder gaan dan het product ontleden in het laboratorium?
      Inderdaad, we gaan op het ILVO de voederwaarde van alle bijproducten in vivo onderzoeken, dat wil zeggen bij het dier zelf bepalen, zowel bij koeien als bij varkens en pluimvee. Dit betekent een groot aantal verteringsproeven, waarbij we nagaan hoeveel het dier van elke voedingsstof opneemt en hoeveel er met de mest wordt uitgescheiden. We meten dus het verschil tussen wat erin gaat en eruit komt. Voor het eiwit worden nog andere technieken op het dier toegepast en gaan we tot het stadium aminozuur. Nemen we als voorbeeld de bepaling van de eiwitwaarde (darm verteerbaar eiwit) bij koeien. Hiertoe beschikken we over enkele koeien die voorzien zijn van een pensfistel en een fistel die vóór de dunne darm is aangebracht. Om de eiwitvertering in de pens te achterhalen brengen we via de pensfistel een aantal nylonzakjes met het te onderzoeken voeder in de pens. Na 3, 6, 12, 24,… uur worden er enkele zakjes uitgehaald en bepalen we hoeveel eiwit er verdwenen is. Residu na 12 uren verblijf in de pens wordt vervolgens in nylonzakjes in de darmfistel gebracht. Deze worden vervolgens in de mest opgevangen. Zo komen we te weten hoeveel eiwit er vanaf de dunne darm verdwenen - dus verteerd - is.

      En hoe kom je te weten hoever we met die bijproducten in de dierenvoeding mogen gaan?
      Op basis van de eigenschappen van de producten kunnen we ruwweg een idee geven van het aan te bevelen inmengpercentage. We vermoeden dat runderen meer verdragen dan vleesvarkens en deze laatste meer dan vleeskippen. Maar we gaan dit bepalen in proeven waarin verschillende DDGS-niveaus worden vergeleken, zowel bij koeien, vleesvarkens als vleeskippen. Uit de demoproeven die we al achter de rug hebben op de praktijkbedrijven, kunnen we besluiten dat koeien met goed zoötechnisch gevolg 10 kg van de vloeibare bijproducten verdragen, dit komt overeen met 3 kg droge stof. We constateerden ook dat 3 kg droge stof van het inkuilbare product Protistar dezelfde melkproductieresultaten oplevert als dezelfde hoeveelheid bierdraf.

      Het zijn dus goede voedermiddelen, maar zijn ze ook goed voor de portemonnee van de boer?
      Ook dat tracht ILVO wat op te volgen, al zijn we natuurlijk geen economen en kunnen we niet de toekomstige prijsfluctuaties voorspellen. Om een prijs goed te kunnen beoordelen, moeten we een duidelijk zicht hebben op de voederwaarde en op het effect dat die producten uitoefenen op de dierlijke prestaties. Deze aspecten zijn nog volop in onderzoek. Voor DDGS als krachtvoedergrondstof of krachtvoedervervanger kan men op termijn verwachten dat de prijs in evenwicht zal zijn met deze van de andere grondstoffen. Is deze lager, dan wordt de vraag groter dan het aanbod en gaat de prijs bijgevolg toenemen. Gebaseerd op geraamde voederwaarden is de huidige prijs van Protifeed (DDGS) uitgedrukt per voederwaarde-eenheid voor melkvee nog wat lager dan deze van andere courante grondstoffen zoals sojaschroot, tarwe en bietenpulp.

      De vloeibare bijproducten zijn thans veruit het goedkoopst, maar dan moet het landbouwbedrijf wel een investering doen. Een polyvalente silo met pomp en leidingen plaatsen, kost algauw 15.000 euro. De kost van deze investering per kg product is uiteraard zeer afhankelijk van de dagelijks vervoederde hoeveelheid. Een ruwe raming, rekening houdende met de silokosten (afschrijving, intrest) en extra werk, toont aan dat men bij de huidige prijzen en afhankelijk van de verbruikte hoeveelheid aan een kostprijs komt die 55 à 70 procent bedraagt van de krachtvoederwaardeprijs. Dat is dus op voorwaarde dat de prijs van de bijproducten stabiel blijft want we zien dat er een stijgende tendens in de prijzen zit. Er zijn nu al een 100-tal melkveebedrijven in België die deze vloeibare bijproducten gebruiken.

      Zijn er al rapporten over de lopende ILVO studies rond bijproducten van bio-ethanol?
      Niet zoveel. Het onderzoek is nog niet afgerond. ILVO informeert en begeleidt wel boeren die zich vragen stellen over deze vernieuwing. Op 19 januari 2011 organiseren we een infodag waarop ook de veehouders welkom zijn. ’s Ochtends presenteren we alle reeds beschikbare resultaten over de bio-ethanol-bijproducten.

      Geïnteresseerden kunnen zich hier inschrijven.

  • "Schapensector heeft toekomst met veel gezichten"

    Boerenbond raamt het aantal dode schapen door blauwtong op 18.500, goed voor een economische scha...
    Toon detail informatie

      De veehouderijtak met de hoogste aaibaarheidsfactor incasseert flinke klappen. Boerenbond raamt het aantal dode schapen door blauwtong op 18.500, goed voor een economische schade van ruim 4,8 miljoen euro. Sinds het fenomeen massale mediabelangstelling gekregen heeft, wordt er druk gespeculeerd over noodzakelijke maatregelen: een schaderegeling, een vaccinatieprogramma, een erkenning als landbouwramp. Maar hoe belangrijk is de idyllische schapenteelt eigenlijk nog in het verstedelijkte Vlaanderen?

      Mocht deze crisis zich voordoen in de varkens- of kippensector, dan zou ze allicht meer aandacht krijgen. In kringen van schapenboeren was dit de voorbije weken een veelgehoorde opmerking. Vlaanderen telt wel 15.686 ‘beslagen’ die schapen huisvesten, maar slechts op een drieduizendtal bedrijven lopen meer dan tien exemplaren rond. Dan heeft men het al vlug over een ‘marginale’ sector. Amper 137 boerderijen huisvesten meer dan honderd schapen. "Je mag rekenen dat we een 50-tal veehouders hebben die een substantieel stuk van hun inkomen uit de schapenteelt halen. Een tiental boeren is er voltijds mee bezig", zegt Guy Vandepoel (36), die de schapenwerking binnen Boerenbond coördineert.

      Wie er de statistieken op naslaat, stelt vast dat Vlaanderen ruim 148.000 schapen herbergt. "Dat aantal moet je verdubbelen, want het cijfer slaat enkel op de moederdieren", nuanceert Vandepoel. Het is bovendien een publiek geheim dat niet ieder schaap geteld geraakt. Het Voedselagentschap heeft nog maar eens een oproep gelanceerd om alle dieren te registreren. En hoe zit het met de evolutie? "De groeiende administratie weegt loodzwaar op de sector", zegt de Boerenbond-consulent, die het voorbeeld aanstipt van de jaarlijkse heffing die moet betaald worden aan het Voedselagentschap. "Een grote varkenshouder heeft er allicht geen moeite mee om 187 euro neer te tellen. De economische draagkracht van de schapenboeren is heel wat kleiner, maar ze moeten wel hetzelfde bedrag neertellen. Door dergelijke rompslomp heeft tien procent afgehaakt sinds begin dit jaar". Vandepoel geeft toe dat de teruggang ook wel te wijten is aan de vergrijzing onder de schapenkwekers, een fenomeen dat zich ook voordoet in andere landbouwtakken.

      Schapen te huur. Heeft de schapenhouderij op de dure gronden in onze contreien nog wel een toekomst? "Zeker en vast", antwoordt Vandepoel resoluut. "Maar het is wel een nichemarkt waarin elke schapenboer zijn plaats moet proberen te vinden. Velen valoriseren marginale gronden of leegstaande stallen. Toch wordt het steeds moeilijker om een deftig inkomen te puren uit de verkoop van gewoon wat schapenvlees, tenzij die verkoop gebeurt binnen een exclusieve kwaliteitsketen". Terwijl de Vlaamse veehouders de helft van het geproduceerde varkensvlees over de grens moeten slijten, bedraagt de zelfvoorzieningsgraad voor schapenvlees slechts twintig procent. De grootste producenten zijn het Verenigd Koninkrijk en Spanje, die samen ruim de helft van het Europese schapen- en geitenvlees aan de man brengen. Daarnaast wordt jaarlijks 300.000 ton schapenvlees in de Europese Unie ingevoerd, waarvan ongeveer 240.000 ton uit Nieuw-Zeeland. "Vacuümverpakt en tegen een scherpe prijs", beseft Vandepoel maar al te goed.

      Voor de doorsnee consument is lamsvlees overigens een delicatesse, die zeker niet elke dag op tafel belandt. Op jaarbasis verorbert de gemiddelde Europeaan slechts 2,9 kilogram en volgens prognoses van de EU-Commissie daalt dit cijfer tot 2,6 kilogram tegen 2014. Ter vergelijking: de doorsnee Belg eet jaarlijks ongeveer 50 kilogram varkensvlees, zonder de groeiende markt van de vleesmengelingen mee te rekenen. Promotie zou de consumptie van lamsvlees misschien kunnen aanzwengelen, maar veel geld is niet voorhanden. Van hun wol moeten de schapenboeren het al lang niet meer hebben: die brengt nog nauwelijks een eurocent in het bakje. Intussen evolueert de sector wel steeds meer naar een dienstverlenende rol: in Nederland verhuren heel wat boerderijen hun schapen aan bijvoorbeeld openbare besturen en natuurvereningingen, met de bedoeling om bepaalde terreinen gericht te begrazen. "Die trend is ook merkbaar bij ons, al staat ze nog in haar kinderschoenen. Helaas zie je nog al te vaak uitheemse runderen zoals Schotse hooglanders grazen in onze natuurgebieden", aldus Vandepoel.

      Veel vraagtekens. Op korte termijn hebben de schapen andere katten te geselen, meer bepaald de knutten die sinds vorig jaar een gemuteerde versie van het Afrikaanse blauwtongvirus massaal verspreiden in ons land. "Afgaand op de symptomen kunnen we niet uitsluiten dat het virus zelfs al een jaar eerder de schapenkuddes teisterde". Dit jaar zijn bijna alle schapenbeslagen getroffen, ongeveer de helft van de dieren is ziek geworden, 20 à 25 procent heeft de epidemie niet overleefd. Deze massale sterfte is niet voor herhaling vatbaar. "Dit jaar zullen we wel overleven. Maar deze plaag houden we geen drie jaar vol", bevestigt de 26-jarige schapenfokker Stijn Thijs die samen met zijn vader in Vissenaken een gemengd bedrijf runt. Naast wat akkerbouw en vleesvarkens ontfermt de jonge veeboer zich over 130 fokooien, allemaal zuivere Texelschapen volgens de regels van het stamboek. Een honderdtal zijn de voorbije weken besmet geraakt, tien ervan zijn gestorven. Net zoals een twintigtal lammeren en, erger nog, twee van de drie fokrammen. "Voor die dieren mag je toch een prijs rekenen van 2.000 à 2.500 euro per stuk".

      Tegen blauwtong schenkt geen enkele preventieve maatregel bevrediging. Het enige wat getroffen boeren kunnen doen, is de behandeling van secundaire infecties met antibiotica. Vaccinatie lijkt de enige oplossing. Drie farmaceutische bedrijven werken koortsachtig aan een vaccin, dat tegen het voorjaar beschikbaar zou moeten zijn. Momenteel is het nog onzeker of die deadline gehaald wordt en of er voldoende voorraden beschikbaar zullen zijn op het ogenblik dat de knutten in de lente weer actief worden. "En dan moet nog blijken dat het vaccin effectief werkt. Indien het virus muteert, zou dat wel eens kunnen tegenvallen", zegt Thijs. De Europese Commissie heeft zich intussen achter de idee geschaard om te vaccineren, maar het is nog niet duidelijk of die vaccinatie verplicht wordt, hoe het moet gebeuren en hoeveel het allemaal precies zal kosten. Vanaf eind dit jaar zal bij de schapenhouders geld geïnd worden om een sanitair fonds te spijzen. Mogelijk zal dat budget aangewend worden om een deel van de vaccinatiekosten te dekken. Ook de EU denkt eraan om een financieel duwtje in de rug te geven.

      Bang afwachten. Stijn Thijs lijdt niet alleen verlies door de dode dieren, ook de verkoop van fokdieren heeft sinds vorig jaar een forse knauw gekregen. "Ondanks mondelinge overeenkomsten komen mensen hun bestelde dieren niet ophalen. Uit vrees dat blauwtong hun investering in een oogwenk vernietigt". Met een bang hartje kijkt de jonge schapenboer uit naar de volgende weken. De dekperiode staat immers voor de deur, en dan moet blijken in welke mate de ooien die blauwtong min of meer uitgeziekt hebben drachtig zullen raken. "Die dieren lopen er mager en wat stijfjes bij, het blijft dus afwachten. Door het verlies van twee fokrammen zullen we alleszins kunstmatige inseminatie moeten toepassen". Gemiddeld is iedere drachtige ooi goed voor anderhalf lam. Of de blauwtongziekte dat cijfer in de war zal sturen, is eveneens koffiedik kijken.

      Van opgeven wil Thijs geenszins weten. Voor hem is de schapenbusiness immers een passionele hobby die een kleine tien jaar geleden uit de hand begon te lopen. "Toen we op onze boerderij startten met de hoeveslagerij, kon de schapenteelt samen met de verwerking en de verkoop van het vlees uitbreiden", klinkt het. Naar eigen zeggen heeft hij de voorbije jaren veel leergeld betaald. Klagen over de economische rendabiliteit van de schapenfokkerij doet hij echter allerminst. Om zijn vakkennis bij te spijkeren, gaat Thijs wel eens op bezoek bij Nederlandse collega’s. Professionalisme ten top gedreven. Het zou zonde zijn om zoveel gedreven vakmanschap ten prooi te laten vallen aan een nietig virusje.

       

  • "Tweede pijler maximaal vrijwaren voor landbouw"

    Hoe moet het na 2013 met de rechtstreekse inkomenssteun? Moet de overheid straks meer investeren ...
    Toon detail informatie

      Hoe ziet u de verhouding tussen de eerste en tweede pijler van het Europees landbouwbeleid verder evolueren? Moet het huidige systeem behouden blijven of is er een alternatief voorhanden?

      Pieter Van Oost: 'Er is een duidelijk signaal dat Europa een andere weg op wil dan het huidige Vlaamse systeem. Steun met ontkoppelde premies op basis van historische referenties is niet het gewenste systeem waarvoor Europa opteert voor de toekomst. Na de gezondheidscontrole van het gemeenschappelijk landbouwbeleid die eind 2008 vorm gekregen heeft, is het duidelijk dat de evolutie naar een hybride systeem en/of een flate rate bijna onvermijdelijk is. De vraag blijft natuurlijk hoe we hierop inspelen en op welke termijn. Hoe verder we verwijderd geraken van de landbouwhervorming uit 2003, des te minder zullen de toeslagrechten nog kunnen verantwoord worden met een historische referentie. Wel ben ik ervan overtuigd dat iedere verandering gepaard moet gaan met een bijkomende stimulans voor de actieve land- en tuinbouwers. Ik ben bijzonder opgetogen dat de meeste andere landbouworganisaties nu ook inzien dat het niet logisch is dat er jaarlijks nog 20 miljoen euro toeslagrechten uitbetaald worden aan boeren die een pensioengerechtigde leeftijd hebben.

      Wat de tweede pijler betreft, is Vlaanderen gelukkig de beste leerling van de klas, waarbij we maximaal inzetten op het verbeteren van het concurrentievermogen van onze Vlaamse land- en tuinbouwbedrijven. Het Landbouwinvesteringsfonds (VLIF) is het ideale instrument om ook in de toekomst mee verder te werken. Anderzijds is het duidelijk dat na de gezondheidscontrole van het gemeenschappelijk landbouwbeleid er meer geld zal overgeheveld worden van de eerste naar de tweede pijler van het landbouwbeleid. Als deze trend zich verder zet, moeten we er misschien wel voor pleiten om het aantal randvoorwaarden verbonden aan de steun uit de eerste pijler evenredig te verminderen.

      De extra steun die we dan zullen kunnen inzetten uit de tweede pijler zal eerder een stimulerend beleid zijn waarbij in tegenstelling tot de eerste pijler niet direct gedacht wordt aan sanctioneren. Ik ben ervan overtuigd dat we langs deze weg ook heel wat landbouwers gaan kunnen overtuigen om verder te gaan op de goede weg die we reeds ingeslagen zijn. Ik wil hierbij wel nog vermelden dat het uitermate belangrijk is dat de beschikbare steun in de tweede pijler maximaal dient ingezet te worden voor de land- en tuinbouwsector'.

      Reageer op dit antwoord

      Wat is de rol van Europa in de voedselproblematiek op wereldvlak? Moeten we de komende jaren extra investeren in bijvoorbeeld kwaliteit en export ten nadele van rechtstreekse inkomenssteun?

      'Vooral in West-Europa is het zeer moeilijk om te concurreren met landbouwers die kunnen produceren aan zeer lage kostprijs. Daarom is het in de eerste plaats van belang onze producten binnen de Europese grenzen aan de man te brengen. De Europese beleidsmakers hebben de jongste decennia sterk ingezet op de kwaliteit van het productieproces en de kwaliteit van het eindproduct. Land- en tuinbouwers willen graag produceren onder de strengste normen, zodat de voedselveiligheid op geen enkel ogenblik in gevaar komt. Het is belangrijk dat diezelfde normen op het vlak van voedselveiligheid gehanteerd moeten worden voor alle ingevoerde producten. Daar knelt het schoentje, want vandaag strijden we niet met gelijke wapens.

      Op het niveau van de Wereldhandelsorganisatie heeft men het enkel over de kwaliteit van het eindproduct, maar doet het productieproces er niet toe. Ik zou graag hebben dat het Europese beleid daar zijn verantwoordelijkheid opneemt en ervoor zorgt dat respect voor het leefmilieu, dierenwelzijn, arbeidsomstandigheden, enzovoort op de agenda van de wto belanden. Er is zelfs nog veel meer aan de hand, want wij hebben niet de mogelijkheid om onbeperkt ggo’s in onze veevoeders te mengen omdat de lastenboeken het niet toestaan. Ook het gebruik van dierenmeel, hormonen en groeibevorderaars zijn hier niet toegelaten. Zelfs de toegang tot het gebruik van goedkopere gewasbeschermingsmiddelen wordt ons ontzegd. Ik ben dus voor eerlijke concurrentie op voorwaarde dat de lat voor iedereen gelijk ligt. Indien dit niet kan, moeten we ons harder opstellen en aan de alarmbel luiden. Ik vind het ongepast dat de gewone burger niet op de hoogte is van de mondiale context waarbinnen we moeten opereren.

      De consument gaat in de winkelrekken altijd op zoek naar het goedkoopste product. Jammer genoeg moeten we vaststellen dat de consumentenorganisaties niet of nauwelijks communiceren over de verschillende productieprocessen die wereldwijd gehanteerd worden. Ik kan best begrijpen dat niet alle landen van vandaag op morgen kunnen voldoen aan de eisen die wij stellen. Maar er zijn systemen genoeg die ervoor kunnen zorgen dat zij de inhaalbeweging op zeer korte termijn kunnen inzetten. Die landen moeten er natuurlijk toe bereid zijn.'

      Reageer op dit antwoord

      Hoe vindt u dat het ondernemerschap van de landbouwers verder kan gestimuleerd worden? Wat is de rol van de overheid op dit terrein?

      'Met het Landbouwinvesteringsfonds hebben we in Vlaanderen een ijzersterke troef. Onlangs werd ik zelf gecontacteerd door de Nederlandse overheid om hen te informeren over de Vlaamse aanpak. Natuurlijk kan alles beter, maar het is natuurlijk ook zo dat de regelgeving niet om het half jaar kan wijzigen. De defiscalisering van de investeringssteun zou in deze crisistijden wel meer dan welkom zijn. Daarnaast is het systeem van het bedrijfsadvies zeer aantrekkelijk voor jonge landbouwers om kennis te nemen van de complexe regelgeving. Ik blijf het overigens bijzonder jammer vinden dat land- en tuinbouwers op vandaag nog altijd een te beperkte bedrijfseconomische kennis hebben.

      De banken bevestigen ons nog altijd dat landbouwers onvoorbereid een krediet durven aanvragen. Dit is onaanvaardbaar. Daarom moet het beleid de mogelijkheid bieden om via allerlei gesubsidieerde vormingsmogelijkheden kennis kunnen over te brengen aan de individuele land- en tuinbouwers. Hoewel we natuurlijk blij zijn dat de sector een eigen minister heeft, is het wel jammer dat land- en tuinbouwers soms uitgesloten worden voor bepaalde initiatieven ten bate van kmo’s. Dit is wat te kort door de bocht.'

      Reageer op dit antwoord

      Inspelen op veranderende marktomstandigheden is een noodzaak om als sector te kunnen overleven. Wat is de rol van Europa?

      'Groene Kring blijft een sterke voorstander van een marktstabiliserend beleid waarbij eerlijke prijzen voor producenten en consumenten gegarandeerd blijven. We ijveren voor het behoud van een soort permanent vangnet dat het beleid kan activeren wanneer de nood het hoogst is. Anderzijds staan wij open voor het herzien van bepaalde regelgeving, zoals bijvoorbeeld de melkquota. Maar ook in andere sectoren voelen we dat de vrijere markt ervoor zorgt dat de prijzen van landbouwproducten aan sterke schommelingen onderhevig zijn. Dit is iets wat we zeer sterk moeten opvolgen, want in het verleden was de landbouwsector een vrij stabiele sector.

      In dit kader wordt het in de toekomst nog belangrijker dat land- en tuinbouwers de krachten bundelen om samen sterker te staan. Belangrijk is dat we niet afstevenen op een verdoken hernationalisatie van het landbouwbeleid. Groene Kring zal keihard blijven vechten voor het behoud van een gemeenschappelijk landbouwbeleid zodat buurlanden elkaar niet op slinkse manier beginnen te beconcurreren.'

      Reageer op dit antwoord

      Moeten de landbouwers zich beter organiseren om problemen gezamenlijk aan te pakken?

      'Dat is evident. De trend naar nog minder maar grotere bedrijven zal zich ongehinderd voortzetten. Het is niet omdat je bedrijf groter wordt dat het risico afneemt, integendeel. Ik zie een deel van de oplossing in de oprichting van nog meer telerverenigingen. In Vlaanderen hebben we in de groente- en fruitsector zeer goed werkende veilingen. Verder hoop ik dat het ledenaantal van Ingro nog fors zal stijgen. Het is niet altijd vanzelfsprekend om individuele groentetelers voor zo’n initiatieven warm te maken omdat ze nog altijd sterk focussen op het eigen bedrijf. Toch sta je collectief sterker dan alleen, maar iedere boer of tuinder maakt finaal natuurlijk de rekening voor zijn eigen bedrijf.

      Ook de zuivelsector zal zich in de toekomst nog beter moeten organiseren nu het einde van de melkquota in zicht is. Volgens mij moeten we streven naar een interprofessioneel overleg waarbij er nog een zekere vrijheid overblijft voor zowel de landbouwers als de zuivelindustrie. Dit wordt zeker geen eenvoudige oefening, maar het is uitermate belangrijk dat de individuele landbouwers hier hun krachten bundelen om samen sterker te staan. De varkens- en vleesveehouderij gaan in de nabije toekomst nog meer moeten samenwerken om tot meer prijstransparantie te komen. De landbouwsector slaagt er nog redelijk in om met haar directe afnemers in gesprek te gaan, maar ook zijn komen onder steeds meer druk te staan. Een stap verderop in de keten belanden we bij de supermarktketens, waar een prijzenoorlog woedt die nog altijd onderbelicht wordt. Dat de land- en tuinbouwsector hiervan in toenemende mate het slachtoffer wordt, lijdt geen twijfel.'

      Reageer op dit antwoord
       

  • "Veiligheid komt niet per ongeluk"

    In de ongevallenstatistieken staat land- en tuinbouw bovenaan. Daarenboven is de boerenstiel fysi...
    Toon detail informatie

      Een landbouwer is beslist geen angsthaas. Een dekstier naar de weide brengen, een strozolder opkruipen, een klep losmaken in een mestkelder of een machine koppelen aan een tractor van zeven ton … hij doet het meestal zonder stil te staan bij de risico’s. De gevaren op een boerderij zijn nochtans reëel want in de krant lees je jammer genoeg aangrijpend nieuws over een landbouwer die het leven laat in een mestkelder, een kind dat onder een tractor terechtkomt of een grootvader die geplet wordt door een strobaal toen hij een handje wou toesteken vanwege de drukte op het veld. Elk voorval is een menselijk drama.

      Bij gebrek aan een betrouwbare ongevallenstatistiek – registratieplicht is er enkel voor de arbeidsongevallen van werknemers, niet van bedrijfsleiders of familiale helpers – moet het tweekoppige team van de gespecialiseerde preventiedienst Prevent Agri het zelf vaak via de pers vernemen. Robin De Sutter en Mieke Sevenans zijn opgeleid om de gevaren te zien waarvoor land- en tuinbouwers en groenvoorzieners ‘bedrijfsblind’ zijn.

      arbeidsongeval.veiligheid_PreventAgri.geVILT.jpg

      We noemen met opzet ook de groenvoorzieners/tuinaannemers want de acties van Prevent Agri spitsen zich toe op de ‘groene sectoren’. Financieel wordt de werking van de preventiedienst immers mogelijk gemaakt door de sociale fondsen landbouw, tuinbouw én tuinaanleg. De sector brengt met andere woorden zelf het budget van Prevent Agri samen via een afhouding van de RSZ-bijdragen die werkgevers uit de groene sectoren betalen op de lonen van hun werknemers. De financiering door de Vlaamse overheid loopt eind dit jaar immers af. Op initiatief van de werkgeversorganisaties Boerenbond, AVBS (sierteelt), BFG (groenvoorzieners) en de werknemersorganisaties ABVV, ACV en ACLVB neemt Prevent Agri een doorstart.

      Werkgevers betalen mee aan arbeidsveiligheid in groene sectoren
      In het najaar van 2015 werd de opdracht van Prevent Agri afgebakend in een convenant dat ondertekend werd door de sociale partners, de FOD Werkgelegenheid en federaal minister van Werk Kris Peeters. Robin De Sutter vat het convenant samen: “Aan Prevent Agri werd opgedragen om de informatie die voorhanden is over arbeidsveiligheid breder te verspreiden en bedrijven op maat te adviseren. Info verspreiden, doen we via onze vernieuwde website en deelname aan beurzen. Vorming geven aan groepen doen we vooralsnog niet omdat we onze tijd en energie vooral steken in audits die de bedrijfsleider pasklare oplossingen bieden. We ervaren dat maatwerk tijdens een bedrijfsbezoek meer weerslag heeft dan preken voor een groep die luistert en knikt maar verder niets doet.”

      Voor de sociale partners is het financieren van Prevent Agri een weloverwogen keuze. Inspecties door overheidsdiensten op land- en tuinbouwbedrijven kenden immers een teleurstellend resultaat. “Wat wij doen, is proberen de situatie in de sector aan de basis te verbeteren”, licht De Sutter toe. Prevent Agri komt momenteel het vaakst over de vloer bij glastuinbouw- en fruitteeltbedrijven en bij grotere tuinaanlegbedrijven. Een traditioneel gemengd bedrijf is vaak een éénmansbedrijf zodat de noodzaak van een audit daar minder aangevoeld wordt. Prevent Agri komt enkel op aanvraag langs voor een audit.

      veiligheid_PreventAgri.geVILT.jpg

      Dat die preventieve en sensibiliserende aanpak op prijs wordt gesteld, blijkt uit de reacties die Prevent Agri sprokkelde bij landbouwers: “Ik waardeer de gegeven richtlijnen om hun eenvoud. De oplossingen zijn realistisch”, zegt een tuinaannemer. “Ik heb geen tijd om alles te regelen. Risicoanalyse stond me toe de belangrijkste risico’s te identificeren en aan te pakken”, getuigt een preiteler. “Zelfs al heb ik niets te verbergen, ik apprecieer dat alles vertrouwelijk gebeurt”, verklaart een tomatenteler. Hoe nuttig en nodig een audit is, illustreert deze reactie: “Arbeidsongevallen? Hier? Nee, dat gebeurde niet eerder. Of toch. Er heeft een keer iemand met de kettingzaag zijn been geraakt. Tellen jullie dat als een ongeval?” Al komen tijdens audits ook de goede voorbeelden aan het licht. Denk bijvoorbeeld aan de fruitteler die de instructiekaarten naar het Pools vertaalde en werkt met een peter- of metersysteem voor nieuwkomers.

      Continuïteit in de werking van Prevent Agri
      In de praktijk is er dus werk aan de winkel. Het initiatief in zijn huidige vorm ging van start in mei 2015. Mieke Sevenans en Robin De Sutter zijn vandaag de dag het gezicht van Prevent Agri. Nu de banden met onderzoeksinstituut ILVO doorgeknipt worden, deelt Prevent Agri in Nazareth een gebouw met Eduplus dat de vorming van werknemers in de groene sectoren coördineert. Prevent Agri en Eduplus hebben de sociale fondsen gemeen waarvoor ze werken: landbouw, tuinbouw, parken en tuinen en in het geval van Eduplus behoren ook de medewerkers van loonwerkbedrijven tot het doelpubliek. De naam Prevent Agri blijft voor alle duidelijkheid behouden.

      PreventAgri.jpg

      Prevent Agri is geen controlerend orgaan dat bedrijfsleiders met een vermanende vinger op de verplichtingen uit de Welzijnswet wijst. Wat is Prevent Agri dan wel? “De tussenschakel als het over arbeidsveiligheid en welzijn gaat, met aan de ene kant de interne preventieadviseur – in een kleine onderneming is dat de werkgever of een personeelslid dat hij aanduidt – en de externe preventiediensten aan de andere kant. Op het advies van die laatsten moet een bedrijfsleider verplicht beroep doen wanneer hij werknemers in dienst heeft. Minstens één keer per jaar bezoeken zij de onderneming, waarna een advies volgt. Indien er een ernstig ongeval gebeurt op de bedrijfsvloer, onderzoeken de externe preventiediensten dat. Zij onderwerpen alle personeel aan een medisch onderzoek. Een bediende die uren naar zijn computerscherm tuurt, ondergaat een oogtest terwijl een bloedtest meer opportuun is voor een arbeider die in aanraking komt met chemische stoffen.”

      cardan.veiligheid_PreventAgri.geVILT.jpg

      Aan de functie van intern preventieadviseur kleeft veel papierwerk, niet iets waar een werkgever meteen vrolijk van wordt. In een kleine onderneming met minder dan 20 personeelsleden zal hij daar zelf mee belast worden, al mag een bedrijfsleider de taak ook uitbesteden aan een werknemer. Pictogrammen, veiligheidsinstructiekaarten, indienststellingsverslagen voor machines, een evacuatieschema, enz. Al wat je maar kan bedenken inzake veiligheid en welzijn op het werk moet neergepend worden. “Dat geeft de indruk dat de overheid vooral papier wil zien, en minder aandacht heeft voor de toestand op de werkvloer”, zegt Robin De Sutter. “In de groene sectoren helpen wij de bedrijfsleiders op weg, maar we kunnen niet al het papierwerk uit handen nemen”, vult Mieke Sevenans aan.

      Veiligheid wordt een item van zodra een bedrijf met personeel werkt
      Heel wat landbouwers hebben er geen besef van dat de veiligheidsinstructies voor een kleine KMO ook op hen van toepassing worden wanneer zij een medewerker in dienst nemen. Neem nu het indienststellingsverslag van een machine. Dat geldt heus niet alleen voor industriële installaties maar evengoed voor elke machine die je aan een tractor koppelt. Bij aankoop van een nieuwe machine wordt zo’n indienststellingsverslag niet overhandigd zodat een boer of tuinder er zelf voor moet instaan. “Je kan je daar niet gemakkelijk vanaf maken”, waarschuwt De Sutter. Is er bijvoorbeeld geen CE-conformiteitsverklaring voor een machine, dan dient er een conformiteitsonderzoek gedaan te worden aan de hand van minimale veiligheidsvoorschriften. Specifiek voor het indienststellingsverslag zal Prevent Agri een modelverslag aanreiken. Het voorbeeld specifiëren voor iedere machine is de taak van de bedrijfsleider, die desnoods een externe preventiedienst betaalt om bijstand te verlenen.

      Je kan je afvragen of indienststellingsverslagen en veiligheidsinstructiekaarten één ongeval zullen voorkomen als ze in een lade stof liggen te vergaren. Prevent Agri pakt het daarom anders aan en trekt naar de bedrijven met heel praktische adviezen. Hierbij worden de wettelijke verplichtingen besproken en verduidelijkt, en worden eenvoudige oplossingen aangereikt. De Sutter ervaart dikwijls dat men zich met een “minimale inspanning” in regel wil stellen terwijl met een iets grotere inspanning een veelvoud aan arbeidsveiligheid of -comfort te winnen is. Veel geld hoeft dat niet te kosten, zo benadrukt hij.

      verkeersongeval.geVILT_PreventAgri.jpg

      Als voorbeeld geeft hij een zolder die gebruikt wordt voor materiaalopslag. Het risico bestaat dat daar vroeg of laat iemand aftuimelt. Een goedkope en werkbare veiligheidsmaatregel is een verplaatsbaar hek, “vaak gemaakt van recuperatiemateriaal”. Een vaste balustrade zou het onmogelijk maken om met de heftruck nog materiaal op zolder te plaatsen. Zodra ze gewezen zijn op het gevaar van een volledig open zolder tonen landbouwers zich creatief en handig tegelijk. Andere vaak voorkomende problemen zijn de afwezigheid van (voldoende) brandblusapparaten en machines die aangedreven worden door een aftakas zonder plastic beschermkap. “Daar iets aan doen, kost geld terwijl de kosten van het arbeidsongeval dat je er mogelijk door vermijdt niet zichtbaar zijn in de boekhouding”, leggen Robin en Mieke uit waarom ze soms veel overredingskracht nodig hebben.

      Dodelijke arbeidsongevallen zijn de harde realiteit
      De voorbije jaren is het aantal dodelijke ongelukken in de landbouwsector gedaald, maar bij Prevent Agri klopt men zich niet meteen op de borst. “Door de kleine aantallen is een ongeluk meer of minder al snel een significante daling of stijging. De ervaring leert dat er van een dodelijk arbeidsongeval ook een sensibiliserend effect uitgaat, zeker bij de boeren in de buurt. Alleen verwatert dat vrij snel en vervalt men na een tijdje weer in de redenering dat het ‘altijd al goed is gegaan, dus zal het dat deze keer ook wel doen’.” Mieke Sevenans vergelijkt het met een autobestuurder die voor zijn ogen een ongeluk ziet gebeuren, daardoor enige tijd heel aandachtig of zelfs verkrampt achter het stuur zit maar vrij snel vervalt in zijn gewone manier van rijden.

      Als er van een dodelijk arbeidsongeval geen langdurig sensibiliserend effect uitgaat, zou je de vraag kunnen stellen of het werk van Prevent Agri wel een duurzame gedragsverandering kan bewerkstelligen. Robin en Mieke zijn van het gedreven type dat op dezelfde nagel blijft hameren tot de boodschap aanslaat. Tot iedere landbouwer begrijpt dat de strokar nog hoger stapelen geen goed idee is, ook niet als er onweerswolken op komst zijn. En tot elke veehouder het gevaar van mestgassen juist inschat. De gassen in een mestkelder of mestsilo zijn zo verraderlijk dat één ademteug voldoende kan zijn om een volwassen man te vellen. Nog te vaak krijgen Mieke en Robin als antwoord “het duurt maar eventjes” of “we knopen een leeflijn aan de tractor”, maar dat is spelen met je leven.

      mestkelder_PreventAgri.geVILT.jpg

      Mestgassen zijn sluipmoordenaars
      Bestaan er veilige oplossingen voor de weinig benijdenswaardige taak van een veehouder om in visserspak zo nu en dan in de mestkelder te kruipen om een verstopping te verhelpen of inspectie te doen? Boerenbond bedong voor zijn leden betere aankoopvoorwaarden voor meetapparatuur en professionele zuurstofmaskers maar ondanks de korting vielen landbouwers steil achterover van de prijs. Al kan je je natuurlijk de vraag stellen waarom een leuke optie op een nieuwe tractor meer dan 2.500 euro mag kosten en een masker dat levens redt niet. Beroep doen op een externe dienstverlener lijkt niet meteen een alternatief want een prop in de mestkelder moet er nu meteen en niet morgen uit aangezien de loonwerker ongeduldig wacht met de mestinjecteur. Dus toch maar de korte pijn en investeren in de juiste apparatuur om mestgassen op te sporen en zo nodig zelf van zuurstof voorzien te worden?

      Robin De Sutter vreest dat mestkelders onder nieuwe stallen nog gevaarlijker worden dan ze vandaag al zijn. Onder impuls van milieu- en natuurwetgeving wordt er ammoniakemissiearm gebouwd. Een tweesnijdend zwaard, volgens De Sutter: “Milieuwetgeving staat hier haaks op arbeidsveiligheid want een ammoniakemissiearme vloer verhindert dat de mestgassen ontsnappen. Eenzelfde probleem zie je bij fijn stof, ook daar is de wetgeving erop gericht om de emissie naar de omgeving te beperken maar wordt de boer vergeten die dag in dag uit in de stal werkt. Een luchtwasser op een kippen- of varkensstal veroorzaakt een bijkomend gevaar in de vorm van het op het bedrijf aanwezige zwavelzuur. Van een landbouwer wordt verwacht dat hij weet hoe daarmee om te gaan, maar zwavelzuur blijft een stof uit de chemische industrie.”

      gevaar.ongeval_PreventAgri.geVILT.jpg

      Net zoals milieuwetgeving durft ook dierenwelzijnswetgeving het welzijn van de veehouder te negeren. Er wordt bijvoorbeeld meer stof geproduceerd in een kippenstal waar de dieren vrij rondscharrelen dan in een stal uitgerust met verrijkte kooien. Het stoot Mieke en Robin tegen de borst dat de wetgever regelgeving uitvaardigt die de arbeidsomstandigheden van de producent negeert. Bij de toeleveranciers van landbouw vinden ze wel gehoor. Zo is er regelmatig overleg met sectorfederatie Fedagrim opdat de fabrikanten oplossingen zouden bedenken voor de veiligheids- en gezondheidsproblemen van de gebruikers van stallen en machines. Nieuwe staluitrusting heeft het bijvoorbeeld veel veiliger gemaakt om een rund af te zonderen, vast te zetten en te behandelen. Maar lang niet elke landbouwer beschikt over de modernste snufjes op zijn bedrijf. Bovendien zijn er ook problemen waartegen techniek weinig vermag. “Zo zou je water kunnen vernevelen om het stof in een kippen- of varkensstal weg te nemen, maar dan moeten onderzoekers eerst kunnen aantonen dat die nattigheid in de stal geen nadelig effect heeft op de dieren.”

      Je wil niet chronisch ziek worden door je werk
      De professionelen in de groene sectoren beschermen tegen beroepsziekten is zo mogelijk nog een grotere uitdaging dan het voorkomen van ongevallen. “Van een veiligheidsschoen ziet de gebruiker direct het nut in terwijl je een stofmasker draagt om je te beschermen tegen ongemakken die pas na verloop van tijd optreden. Het gaat om fysieke ongemakken die kunnen voortvloeien uit het werken met chemische gewasbeschermingsmiddelen, het inademen van stallucht die verontreinigd is met ammoniak en fijn stof, asbest in de stal, maar evengoed het herhaaldelijk verrichten van erg belastende handelingen, enz. “Heel wat landbouwers hebben de slechte gewoonte om hun spuittoestel te vullen zonder hun handen te beschermen met handschoenen. Het toppunt van onvoorzichtigheid op dat vlak is de oude boer die met zijn blote hand de inhoud van een rugsproeier roerde…”

      chemie.gewasbescherming.gezondheid_PreventAgri.geVILT.jpg

      Minder ernstig maar nog altijd onvoorzichtig is dat veel boeren geen spuitoverall dragen wanneer ze het spuittoestel vullen met chemische gewasbeschermingsmiddelen. Of ze vervangen de spuitmaskers voor gebruik in een serre jaarlijks terwijl de gebruiksduur beperkt is tot amper acht uur effectief gebruik. Prevent Agri moet het warm water niet opnieuw uitvinden om boeren en tuinders te beschermen tegen hun eigen zorgeloosheid. De gewasbeschermingsmiddelenindustrie sensibiliseert al jaren zodat Mieke en Robin vooral bijdragen aan de verspreiding van de beschikbare informatie.

      Het hoeft maar één keer fout te lopen
      Bijzondere aandacht in de ongevallenpreventie gaat uit naar landbouwbedrijven waar meer mensen op het erf komen: kijkboerderijen, zorgboerderijen, enz. “Daar kijken we toe op een striktere toepassing van de wetgeving, bijvoorbeeld op de veiligheid van speeltuigen voor kinderen.” Soms moet folklore dan sneuvelen, neem nu de aanhangwagen die met kleine strobalen voorzien wordt van ‘zitbankjes’. “Iedereen vindt dat leuk”, zegt Robin, “tot er iemand van de aanhangwagen valt. Zo’n platte wagen met zitbankjes van stro kan je vergelijken met een toeristentreintje. Waarom zou de één minder veilig mogen zijn dan de ander? Omdat de strowagen maar tweemaal per jaar buitenkomt?”

      Een gelijkaardig probleem kan opduiken wanneer fruittelers plukdagen organiseren voor het grote publiek. Als Robin en Mieke merken dat geïnteresseerden mogen plaatsnemen op de ‘plukkar’, dan slaat de plaatsvervangende schrik hen om het hart. “Stel dat er iets gebeurt, dan zal onderzoek moeten uitwijzen of de verzekering dient tussen te komen. De kans bestaat dat de fruitteler in kwestie als nalatig wordt bestempeld, met alle gevolgen van dien.” Hoe vaak zou het ook niet voorkomen dat een seizoenarbeider die medisch geen keuring onderging toch even plaatsneemt aan het stuur van de heftruck. In 99 van de 100 keren loopt dat goed. Maar die ene keer dat er fruitkisten omvallen en de bestuurder verwonden, gaan de poppen aan het dansen. Prevent Agri kan de risico’s niet genoeg benadrukken. “We blijven daarop hameren tot landbouwers de juiste reflexen kweken. De ervaringen tijdens audits leren dat boeren en tuinders meegaan in ons verhaal als ze merken dat het geen hopen geld kost om veiliger te werken.”

      ruwvoeder.graskuil_PreventAgri.geVILT.jpg

      De opdracht van Prevent Agri zit er nog niet meteen op. Nieuwe technologie zal risico’s uitschakelen op landbouwbedrijven, maar zal er ook nieuwe creëren. Als het van Mieke en Robin afhangt, dan wordt er in de opleiding van starters eindelijk aandacht besteed aan het thema arbeidsveiligheid. Nu gebeurt dat in het bedrijfsadvies dat land- en tuinbouwers kunnen inwinnen, maar het thema zou ook niet misstaan in de starterscursus. “Het mag niet zo zijn dat ongevallenpreventie een totaal nieuw gegeven is voor jongeren die in de groene sectoren aan de slag gaan. Ons voorstel? Laat jongeren stagelopen op een bedrijf dat een audit van Prevent Agri doormaakt. Dat maakt hun werkplek veiliger en de student krijgt op het bedrijf meteen de juiste filosofie aangeleerd.”

  • "Vlaanderen heeft nog ruimte voor hoevelogies"

    In 2004 werd de Vlaamse Federatie voor Hoeve- en Plattelandstoerisme vzw, die al sinds 1989 in de...
    Toon detail informatie

      Vorig jaar liet Plattelandstoerisme vzw een grootschalig klantenonderzoek uitvoeren, als vervolg op een onderzoek uit 2004. Daaruit blijkt dat het aantal uitbatingen tussen 2004 en 2009 met maar liefst 47 procent is gestegen, van 1.028 naar 1.508. Het aantal geboekte overnachtingen steeg eveneens (+35%), van 1.318.300 naar 1.780.600. In totaal kregen kleinschalige logiesuitbaters op het platteland en in de dorpskernen in 2009 674.500 gasten over de vloer. “De vraag volgt de groei in het aanbod”, bevestigt directeur Marleen Vandenplas. “Dit kunnen we toeschrijven aan de vraag van koopkrachtige Vlamingen naar korte vakanties dicht bij huis. Komt daar nog bij dat de klantentevredenheid zeer hoog is, zelfs bij veeleisende gasten, en dat het imago van logeren op het platteland positief is, wat veel mond-tot-mondreclame oplevert.”

      piv6.jpgHet aanbod aan kleinschalige logies die aangesloten zijn bij Plattelandstoerisme lijkt de stijgende vraag vooralsnog te kunnen volgen, maar de verhoudingen tussen hoeve- en plattelandstoerisme zijn de laatste jaren wel verschoven. Vroeger maakten actieve landbouwers het grootste deel uit van de leden van de organisatie, vandaag zijn ze in de minderheid. In 2006 waren er nog evenveel uitbaters op een hoeve (159) als op het platteland (159). Vier jaar later telt de organisatie slechts 3 actieve boerderijen extra (162), ten opzichte van 65 extra logies op het platteland (210) en in de dorpskernen (14).

      “Het wordt inderdaad almaar moeilijker om landbouwers te vinden die logies willen openen. De combinatie met een landbouwbedrijf is immers zwaar, zowel wat tijd en arbeid als investeringen betreft”, erkent Vandenplas. “Mijn vrees is dan ook dat de vraag naar hoevetoerisme uiteindelijk het aanbod zal overstijgen. Want de interesse groeit, in lijn met de maatschappelijke trend ‘back to basics’, maar het aanbod stijgt onvoldoende. De pioniers zijn voorlopig nog actief, maar dat zal geen decennia meer duren, terwijl jonge boeren moeilijk warm te maken zijn voor een logiesuitbating. Nochtans scoren hoevelogies die inzetten op landbouwbeleving erg goed bij het publiek. Mits de juiste investeringen en een goede positionering in de markt, kan het een interessant verbredingsproject zijn voor landbouwers.”piv2.jpg

      Over de rendabiliteit van platteland- en hoevelogies zijn weinig officiële cijfers bekend. Gemiddeld bedraagt de bezettingsgraad van onze logies 36 procent op jaarbasis. “Maar dit is slechts een gemiddelde. Er spelen immers veel factoren mee, zoals de aard van de investeringen en de tijd en arbeid die de uitbater erin steekt. Over het algemeen stellen we dat een uitbater fulltime van zijn logies kan leven, mits hij 7 tot 8 kamers heeft met een bezettingsgraad boven het gemiddelde. Maar ik herhaal: als een uitbater zich duidelijk positioneert en inspeelt op de wensen van de consument, kunnen logies een economische meerwaarde bieden. In een aantal extreme gevallen, bijvoorbeeld op een aantal West-Vlaamse varkensbedrijven, hebben uitbaters zelfs besloten hun landbouwactiviteiten af te bouwen, omdat investeren in de logies meer opbracht dan investeren in nieuwe stallen.”

      piv3.jpgMaar ondanks de vele opportuniteiten die de sector biedt, krijgen uitbaters vandaag af te rekenen met een aantal obstakels. Volgens het nieuwe logiesdecreet dat sinds 1 januari 2010 van kracht is, moeten alle kleinschalige logies in Vlaanderen voldoen aan een aantal basisregels omtrent comfort en hygiëne, wat in sommige gevallen extra investeringen vraagt. Daarenboven moeten alle logies aangemeld zijn bij Toerisme Vlaanderen of een toeristische vergunning bekomen, waarvoor de uitbaters documenten moeten voorleggen zoals een stedenbouwkundig attest en een bestemmings- of functiewijziging. “Maar vakantiewoningen op het platteland waar niemand vast verblijft, kunnen vandaag geen stedenbouwkundig attest krijgen”, legt Vandenplas uit. “Er ontbreekt immers een sluitend wetgevend kader dat de kwestie regelt. Bovendien is het een heikel thema en moet er voorzichtig mee omgesprongen worden, want landbouwgrond is schaars in Vlaanderen en niemand wil dat het door een bestemmingswijziging in handen komt van grote projectontwikkelaars. Voorlopig geldt een overgangsbepaling, die stelt dat uitbaters geen stedenbouwkundig document nodig hebben als ze een toeristische vergunning aanvragen vóór eind 2012. Dit geldt alleen voor kleinschalige logies met maximum 8 verblijven voor 32 gasten, die aan bepaalde voorwaarden voldoen. Maar het is natuurlijk geen structurele oplossing, daarvoor blijven we lobbyen in Brussel.”piv1.jpg

      Omwille van datzelfde logiesdecreet heeft Plattelandstoerisme recent besloten haar naam te veranderen en haar werkingsdomein te verbreden. Voortaan heet de organisatie ‘Logeren in Vlaanderen’ en kunnen ook logies uit kleine steden zich aansluiten, mits ze voldoen aan de traditionele voorwaarden van het lidmaatschap, met name kleinschaligheid, een focus op gastheerschap en kwaliteit. “Die logiesuitbaters waren zelf vragende partij, omdat zij nergens terecht konden voor promotie, informatie en advies. Iets waaraan ze nu meer dan ooit behoefte hebben. De provinciale toeristische organisaties waren meteen akkoord, omdat zij sterk geloven in de vraag naar die ‘short city breaks’. Volgens hen kan het bovendien een meerwaarde betekenen voor de ontwikkeling van het platteland, omdat mensen die een weekendje op vakantie zijn in een kleine stad, vaak op zondagnamiddag graag met de fiets of te voet het platteland rondom verkennen. Die actieve beleving van het platteland werkt immers goed, dat blijkt uit ons onderzoek.”

      De uitbreiding van het werkingsgebied zal zijn weerslag hebben op het promotiebeleid van de organisatie. “Met ‘Logeren in Vlaanderen’ zullen we niet naar buiten treden. Die naamsverandering moest het louter mogelijk maken voor de stadlogies om toe te treden. Maar we zullen wel onze marketingstrategie aanpassen, want ons aanbod en publiek is nu erg divers. Uit het klantenonderzoek blijkt bijvoorbeeld dat een vakantieganger in een vakantiewoning een heel ander profiel heeft dan een vakantieganger in een gastenkamer. Datzelfde geldt voor een vakantieganger in een kleine stad versus op een boerderij. In de toekomst zullen we daar rekening mee houden en onze promotieactiviteiten beter segmenteren. Sommige hoeve-uitbaters vrezen dat ze vergeten zullen worden, maar die vrees is onterecht. We zullen in tegendeel méér de focus leggen op landbouwbeleving, evenals op de andere belevingsaspecten van de verschillende logies, wat in mijn ogen nu nog te weinig gebeurt.”

  • "We zijn steeds gegroeid vanuit de markt"

    Groei is de absolute leidraad in ons huidig economisch systeem, of het nu over het bruto nationaa...
    Toon detail informatie

      1995 wordt op jullie website als referentiejaar voorgesteld; sindsdien is jullie tomatenkwekerij onophoudelijk gegroeid. Stel het bedrijf even voor.
      Paul Stoffels: Het verhaal van Stoffels Tomaten begint inderdaad in 1995. We zijn gestart met 2,2 hectare tomaten. In 1997 is daar 1,3 hectare bijgekomen. Vanaf 2006 zijn we trostomaten beginnen telen, en in 2007 hebben we de omvang van ons bedrijf verdubbeld. In 2011 groeide de totale oppervlakte tot 10,5 hectare, in 2012 hebben we een geconditioneerde inpakhal gebouwd. Sinds januari 2015 staan we zelf in voor de verkoop en de vermarkting van onze producten. Ik herinner me dat de Belgische tomatensector halfweg jaren ’90 in een diepe crisis zat. De sector had sterk ingezet op meer productie, wat de kwaliteit van de tomaten niet echt ten goede kwam. Duitse afnemers hadden het over ‘Wasserbombe’. Daar moet ik geen tekening bij maken.

      gezinsfoto Stoffels_Stoffels.jpg

      Petra Veldman: Paul z’n ouders hadden een relatief kleinschalig tuinbouwbedrijf en van jongs af aan wist hij dat hij zelf ook een bedrijf wilde opstarten. Dat heeft hij mij altijd ook zo gezegd. Maar ik ben een stadsmeisje en dus antwoordde ik steeds dat dat zonder mij zou zijn. Toen we zelf ook verpakkingen zijn beginnen ontwikkelen en de afzet volledig in eigen handen hebben genomen, ben ik er dan toch geleidelijk ingerold. Ik heb nog enige tijd halftijds gewerkt in de culturele sector, maar werk intussen voltijds in het bedrijf.

      Nu is schaalvergroting zeker geen zeldzaam fenomeen in de glastuinbouw, maar toch is de groei die jullie bedrijf heeft doorgemaakt uitzonderlijk te noemen. Vanwaar die groeistrategie?
      Paul: Groei is nooit een doel op zich geweest. Uiteraard was er wel steeds de gezonde ambitie om te streven naar een bepaalde schaalgrootte om zo efficiënt mogelijk te werken en de productiekost te drukken, maar we zijn vooral gegroeid omdat we marktopportuniteiten zagen, binnen én buiten de Benelux. Om op die opportuniteiten in te spelen zijn we samenwerkingsverbanden aangegaan met collega-tuinders, waardoor we nu ongeveer 30 hectare tomaten verhandelen. De laatste 5 jaar zijn we jaarlijks met ongeveer 20 procent gegroeid.

      "Als je meer kan afzetten dan je produceert, dán moet je aan groeien denken."

      Petra: We kijken in de eerste plaats naar de afzetmogelijkheden. Als je meer kan afzetten dan je produceert, dan moet je aan groeien denken. Plannen maken om een bedrijf van 30 hectare uit te bouwen en pas dan gaan nadenken aan wie je alles gaat verkopen, dat vinden we de wereld op zijn kop. Wij zijn steeds gegroeid vanuit de markt: als er draagvlak is voor wat we doen, dan zetten we een volgende stap. Concreet zetten we sinds enkele jaren fors in op snack- en snoeptomaten. Het was één van de kansen die we zagen. Hoe je dan uiteindelijk de beslissing neemt? In onze jeugdige onstuimigheid hebben we heel wat op buikgevoel gedaan. Dat is deels omdat je weinig te verliezen hebt als starter. Het is pas wanneer je effectief iets hebt opgebouwd dat je beseft dat je ook iets kan verliezen. Uiteraard toetsen we onze ideeën bij verschillende mensen en doe je er zelf ook wel wat onderzoek rond, maar grote marktstudies of consultantbureaus, nee, zover gaan we niet.

      Het Rusland-debacle heeft heel wat exporteurs weer met de voetjes op de grond gezet: veel eieren in dezelfde mand leggen brengt risico’s met zich mee. Hoe ziet de exportportefeuille van jullie bedrijf eruit?
      Paul: Toen we veertien jaar geleden begonnen met onze speciale tomaatjes, was er in dat segment zo goed als niets op de markt in België. De eerste stap was dus sowieso de Belgische retail. Tegenwoordig is het ongeveer 50-50 België-buitenland. Naar Rusland hebben we eigenlijk nooit geëxporteerd. Maar omdat sommige concurrenten wél naar Rusland exporteerden is onze markt wel degelijk verkleind na de importban. We voelen effectief dat de druk op de Europese markt groter geworden is, vooral dan voor de grotere tomaten. Vergeet niet dat tijdens bepaalde periodes 30 tot 40 procent naar Rusland ging. Maar dat soort verschuivingen heb je bij de kleinere tomaten gelukkig nooit gehad. We proberen alleszins om onze afzet op een verstandige manier te spreiden. Het kan soms comfortabel zijn om met één partner te werken, maar het vergroot het risico.

      assortiment tomaten_Stoffels.jpgHet gros van de land- en tuinbouwers concentreert zich quasi volledig op het productieluik. Bij jullie ligt dat enigszins anders?
      Paul: We doen inderdaad veel meer dan produceren alleen. Alles begint met het selecteren van een nieuwe variëteit, wat soms enkele jaren kan duren. Daarna volgt de productie, hier of in samenwerking met collega’s. Om die variëteiten aan de man te brengen bedenken we zelf verpakkingsconcepten waar we in geloven, op basis van de doelgroep die we in gedachten hebben. We zoeken ook zelf onze afzetkanalen. We zijn dus niet meer aangesloten bij een afzetorganisatie of -coöperatie. Heel het verpakkingsproces hebben we daardoor ook zelf in handen genomen.

      "Originaliteit is belangrijk. Als je iets doet wat ook anderen al doen, dan kan je enkel met een scherpere prijs het verschil maken."

      Petra: Daarnaast vertrekt alles vanuit de kwaliteit van een product. Als je bij een afnemer een goed product aflevert, dan gaat het de volgende keer vaak iets vlotter. Ook originaliteit is belangrijk. Als je iets doet wat ook anderen al doen, dan weet je dat je enkel met een scherpere prijs het verschil kan maken en maak je het jezelf een pak moeilijker. Ik denk dat het belangrijk is om verder te kijken dan hetgeen al bestaat en niet zonder nadenken het voorbeeld van collega’s te volgen. Het is hoe dan ook een verhaal van trial en error, en van timing. Een aantal jaar geleden hebben we bijvoorbeeld geprobeerd om iets te doen met oude rassen. Je voelde dat vergeten groenten hip gingen worden, dat hing in de lucht. We hadden ook een partner gevonden die het wilde verkopen, maar we bleken een tweetal jaar te vroeg te zijn. Wat het enorme tomatenaanbod in de supermarkt betreft: ik denk niet dat dat nog groter gaat worden. De consument pikt dat ook niet meer op.

      Tewerkstelling en het vinden van voldoende, geschikte arbeidskrachten is geen evidentie in de sector, en het vraagt bovendien een heus HR-management. Hoe groot is die uitdaging voor jullie?
      Petra: Net zoals we het vanzelfsprekend vinden dat je snoeptomaatjes voor kinderen aflevert zonder residu’s, maakt ook tewerkstelling integraal deel uit van een duurzaam bedrijfsbeheer. Een bedrijf is pas duurzaam als het hele plaatje klopt. Dat wil zeggen: het product, de verpakking, en ook het personeel. Iedereen is er zich hier van bewust dat we allemaal gelijk zijn, of je nu de kantine poetst, tomaten plukt of een topverkoper bent. Elke schakel is onmisbaar. Wij werken met een hele grote groep mensen – zo’n 200 – en hier is eigenlijk amper personeelsverloop. Ook niet onbelangrijk: iedereen heeft doorgroeimogelijkheden. Zorg dragen voor het personeel is een centrale pijler binnen ons bedrijf. Al is het maar om voldoende goodwill te creëren als het net iets langer duurt om een bestelling af te werken. Of om een onverwachte bestelling te verwerken. Op die manier kunnen we onze klanten flexibel bedienen.

      Paul: De laatste jaren zijn we behoorlijk gegroeid, wat ons duidelijk heeft gemaakt dat we moesten gaan nadenken over onze structuren. We zijn intern gaan kijken of iedereen nog op z’n plaats zat en we hebben ieders taakomschrijving duidelijker afgelijnd. Het hele HR-verhaal is best wel een grote uitdaging. Ik ben tomaten beginnen telen omdat ik groene vingers heb, Petra is erbij gekomen omdat ze goed is in marketing. Maar geen van beiden heeft een managementopleiding gehad. Als het bedrijf dan begint te groeien, voel je dat het leidinggeven van het bedrijf nieuwe dimensies krijgt.

      Petra: De groei van het bedrijf heeft ons geleerd dat je niet alles zelf kan doen en dat er maar 24 uren in een dag zijn. Soms moet je dus dingen uitbesteden en vertrouwen geven aan mensen. Ik heb ondertussen een deel van de marketing uit handen gegeven en Paul, die vroeger de teelt van heel dichtbij opvolgde, heeft de eindverantwoordelijkheid over de tomaten ondertussen in de handen van een teeltverantwoordelijke gelegd. Zelf zijn we meer en meer met beleid, strategie en vooral ook klanten bezig. Strategie is héél belangrijk. Waar gaan we met dit bedrijf naartoe? Welke trends zien we passeren? Moeten we onze koers wijzigen? Met wie kunnen we samenwerken?

      Over individuele vergunningsaanvragen voor nieuwe serres struikelen lokale besturen en ook de inplanting van nieuwe glastuinbouwzones verloopt erg moeizaam. Heeft grootschalige glastuinbouw überhaupt wel een toekomst in een volgebouwd lappendeken als Vlaanderen?
      Paul: Er is in België heel lang een weinig gestructureerd beleid gevoerd als het over de inplanting van glastuinbouw gaat. Toen wij startten bestonden er zelfs nog geen glastuinbouwzones. Zo’n zones zijn goed, maar ook voor andere, ‘alleenstaande’ bedrijven die een vergunning hebben gekregen is het belangrijk dat er voldoende rechtszekerheid is. Een tweesporenbeleid is met andere woorden erg belangrijk, anders ontneem je een grote groep toekomstperspectief.

      "Een glastuinbouwbedrijf is sowieso een invasie in het landschap. Je moet je bewust zijn van de impact die je hebt."

      Petra: Een serre is misschien geen varkensstal die voor geurhinder zorgt, maar hoe je het ook draait of keert: onze buurman is zijn zicht op de kerk wel kwijt. Een glastuinbouwbedrijf is met andere woorden sowieso een invasie in het landschap. Als bedrijfsleider kan je de wettelijke grenzen opzoeken van wat kan en wat niet, maar het lijkt ons verstandig om dat vooral niet te doen. Het klinkt misschien raar als je onze grote serres hier ziet staan, maar wij proberen ons zo klein mogelijk te maken. Dan heb ik het over het respect voor de buren, maar ook over duurzaamheid in een bredere betekenis: respect voor de natuur en de planeet. Je hoeft je niet weg te cijferen, maar je moet je wel bewust zijn van die de impact die je hebt.

      serre in landschap_Stoffels.jpg

      Paul: We proberen niet in een conflictmodel terecht te komen. We willen een vlotte relatie met onze buren. Het kost echt geen moeite om naar de buren te stappen om uit te leggen wat je van plan bent en te vragen wat ze ervan vinden. Omdat we de laatste jaren stevig gegroeid zijn is ook het transport naar ons bedrijf gevoelig toegenomen – ongeveer een twintigtal vrachtwagens per dag. We hebben het initiatief genomen om met de gemeente samen te zitten, en in onderling overleg zijn er passeerstroken aangelegd. Verder komen we ook tussen voor beschadigde aanplantingen in voortuintjes, hebben we een geluidswand voorzien en schermden we onze verlichte serre af zodat het ’s nachts niet lijkt alsof er een UFO boven Rijkevorsel zweeft. Heel veel buren zijn hier trouwens al eens op bezoek geweest tijdens een activiteit van het buurtcomité. Daar haalden we erg veel voldoening uit, omdat je hen kan tonen hoe het bedrijf precies werkt.

      Van in Rijkevorsel kan je bijna letterlijk de grens over kijken. Wat kan een Vlaams bedrijf of bij uitbreiding de hele sector van glastuinbouwgrootmacht Nederland leren?
      Paul: Nederland is hét tuinbouwland bij uitstek. Op technisch vlak zijn ze enorm innovatief en dus ook voor ons bedrijf een grote inspiratiebron. Tuinbouw is in Nederland ook veel meer een volwaardige sector dan in België en bovendien zijn Nederlanders toch ook een stuk commerciëler, waardoor ze makkelijker nieuwe markten lijken aan te boren. Ook het beleid zit daar voor iets tussen natuurlijk. Dat onze noorderburen op bedrijfsniveau meer risico’s durven nemen heeft deels te maken met andere financieringsmodellen die toelaten iets meer afstand te nemen van de bedrijfsverantwoordelijkheid en de persoonlijke aansprakelijkheid. Dat laatste maakt ons Belgen misschien toch iets voorzichtiger op investeringsvlak. Qua producten en variëteiten kijken we verder dan Nederland. De Nederlanders zijn sterke veredelaars, maar ook in bijvoorbeeld Japan en Israël worden interessante variëteiten ontwikkeld.

      In de land- en tuinbouw is de familiale structuur van een bedrijf nog steeds met voorsprong de regel. Is dat familiekarakter ook voor jullie heilig of staan jullie eventueel ook open voor een bedrijfsstructuur die daar niet prat op gaat?
      Paul: Die vraag houdt ons wel bezig, ook met het oog op bedrijfsopvolging. We zijn sinds ons ontstaan stevig gegroeid, en dus stelt de vraag zich steeds nadrukkelijker of we dat in de toekomst nog wel op familiaal niveau kunnen blijven doen. We hebben nog geen pasklare oplossing, maar we beseffen wel dat we andere structuren moeten opzetten als we verder groeien. Zijn dat samenwerkingsverbanden of verloopt dat via een aandelenparticipatie? Het zijn allemaal mogelijkheden. Wat wel zeker is: we hebben 20 jaar geknokt om hier te staan, en we zijn dus ook niet zomaar van plan om de autonomie van ons bedrijf uit handen te geven.

      Petra: Bij onze drie kinderen willen we zeker niet al te veel druk leggen. De tijd dat kinderen op hun achttiende in het bedrijf van hun ouders stapten is voorbij denk ik. We hebben liever dat ze hun eigen pad kiezen. Studeren en de wereld leren kennen. Als ze daarna plots toch interesse krijgen in de zaak, dan is dat prima.

      serre tomaten_Stoffels.jpg

      Blijven jullie geloven in de rendabiliteit van glastuinbouw in onze regio? De concurrentie in het buitenland zit niet stil en onze noorderburen helpen nog een handje door ‘kennis te exporteren’ zoals ze dat zelf omschrijven.
      Paul: Die uitdagingen zijn er altijd geweest denk ik. Toen ik afstudeerde als bio-ingenieur heb ik mijn eindwerk gemaakt over de toekomst van de aardbeienteelt in Vlaanderen. Er heerste nogal wat pessimisme destijds en men vreesde dat Spanje de Belgische aardbeientelers kapot zou concurreren. Maar kijk hoe de sector hier opnieuw volledig is open gebloeid! We zijn anderzijds wel realistisch en beseffen dat onze afzetmarkten steeds meer zelfvoorzienend aan het worden zijn, waardoor de markt kleiner wordt. Vlaanderen en Nederland zijn steeds erg afhankelijk geweest van innovatie en export. We concurreren tegen elkaar op een markt die eigenlijk al verzadigd is, terwijl we met onze kennis misschien makkelijker nieuwe buitenlandse markten zouden kunnen creëren. Het is duidelijk, niets is verworven. Soms droom ik van een soort sabbatjaar, waarin je gewoon een heel jaar hetzelfde kan blijven doen. Maar dat kan je je absoluut niet permitteren. Je zou ook over de grens kunnen gaan kijken en internationale samenwerkingen gaan opzetten, maar dan is de vraag: hoe ver wil je gaan en waar leg je de grens? Eén ding is zeker: elke bedreiging is tegelijk ook een kans.

  • "Zoals een boer fier is op het graan dat hij oogst, mag hij ook trots zijn op de veldleeuwerik die hij beschermt"

    Landbouw en natuur leven soms op gespannen voet. Gelukkig zijn er ook raakvlakken die beide kampe...
    Toon detail informatie

      Dankzij de inzet van gedreven vrijwilligers weten we hoe het in de intensieve landbouwlandschappen van de Lage Landen gesteld is met akkervogels: verontrustend slecht. Twee personen zijn bijzonder goed geplaatst om deze analyse te maken: Freek Verdonckt en Ben Koks. Verdonckt is werkzaam bij Natuurpunt en vrijwilliger van het eerste uur bij de Vlaamse akkervogelwerkgroep Grauwe Gors. Koks is voltijds vogelbeschermer in Nederland en staat in Europa bekend als de grote kenner van akkervogels. VILT ontmoet hen op een akkervogelweekend in Hoegaarden (op de foto zie je Freek Verdonckt met collega-vogelbeschermer Remar Erens), waar vrijwilligers uit Vlaanderen en Nederland verzamelen blazen. Zij tellen broedparen van grauwe gorzen en hopen een glimp op te vangen van de grauwe kiekendief, een roofvogel met een voorkeur voor een open landschap. Op het plateau van Hoegaarden scharrelt de kiekendief zijn (muizen)kostje samen terwijl gorzen zich te goed doen aan zaden op en rond de akkers. Beiden zijn fan van graanvelden en worden wat dat betreft op hun wenken bediend door de akkerbouwers uit Hoegaarden.

      akkervogel.gors_FreekVerdonckt.geVILT.jpg

      Het drama van de grauwe gors is dat de populatie krimpt en zijn verspreidingsgebied steeds kleiner wordt. De populatie van deze akkerspecialist is in vrije val: van de 800 à 1.300 broedparen die in 2003 geteld werden, blijft vandaag een schamele 15 procent over. De naar schatting 100 à 150 broedparen trokken zich terug in de graanakkers tussen Hoegaarden in Vlaams-Brabant en Riemst in het zuiden van Limburg. Anders dan de kiekendief die overwintert in Afrika, is de gors een standvogel. “Je kan dus ingrijpen op wat er in zomer en winter misloopt”, zegt Freek Verdonckt.

      De focus lag in het verleden vaak op wintermaatregelen omdat je daar het makkelijkst op kan inspelen. Tijdens strenge winters waren ‘intensieve zorgen’ nodig en strooiden vrijwilligers met een hart voor vogels granen, tot er zich in het voorjaar ander voedsel aanbood. Zogenaamde ‘vogelvoedselgewassen’ hebben als meer structurele oplossing het strooien van granen vervangen. Landbouwers sluiten een beheerovereenkomst met de Vlaamse Landmaatschappij waarna ze een vergoeding ontvangen voor het vrijwillig uit productie halen van een akkerrand. Ingezaaid met het juiste zadenmengsel zorgen die randen zowel voor voedsel als voor beschutting.

      Vogelbescherming is kennisintensief
      In de streken waar nog akkervogels vertoeven, kunnen landbouwers sedert 2008 intekenen op zo’n beheerovereenkomst. Ondanks de toegenomen beschikbaarheid van wintervoedsel houdt men bij de Werkgroep Grauwe Gors het hart vast. Een aantrekkelijke zomersituatie met veilige broedplaatsen en een overvloed aan voedsel voor het grootbrengen van jongen wordt daar immers niet mee gegarandeerd. Net die factoren bepalen het broedsucces van akkervogels, of het nu over een grauwe gors of een patrijs gaat.

      De gorzenpopulatie is al enkele decennia in vrije val en heeft het kritisch niveau bereikt waarop het plots gedaan kan zijn. In een poging het tij te keren, verdiepen de vrijwilligers van de werkgroep zich in ‘rechttoe rechtaan’ herstelmaatregelen. Daarvoor gaan ze te rade bij onze Noorderburen. Ben Koks en zijn werkgroep Grauwe Kiekendief maakte van de provincie Groningen namelijk één groot openlucht-labo waar grauwe kiekendieven het goed doen en in hun zog ook andere akkervogels zoals de gele kwikstaart en de leeuwerik. Hun succes komt er niet door het van nature geschikte landschap, maar door toedoen van de mens die het intensieve landbouwgebied met een doordachte inrichting en gepast beheer ‘vogelvriendelijk’ maakte.

      natuur.landschap_FreekVerdonckt.geVILT.jpg

      In de buurt van Groningen en Flevoland zijn er in totaal wel 450 hectare vogelakkers ingezaaid. Nederlandse akkerbouwers kijken er niet vreemd meer van op dat vogelliefhebbers naar hun percelen turen. Zij ervaren dat als een vorm van maatschappelijke waardering en zijn fier als een vogelnest op hun perceel gespot wordt. In Vlaanderen heeft de argwaan bij landbouwers plaats gemaakt voor een gezonde belangstelling. Vogelbeschermer Freek Verdonckt gaat er prat op dat de Werkgroep Grauwe Gors “warme contacten onderhoudt met boeren”.

      Landbouwers zijn naar verluidt aandachtige luisteraars wanneer natuurbeschermers over akkervogels vertellen, foto’s tonen en anekdotes opdiepen. Omgekeerd steekt de werkgroep ook heel wat op van de landbouwers. “Met wederzijdse leergierigheid kom je een heel eind ver”, zegt Verdonckt. Als een samenwerking dan uitmondt in broedsucces zijn ook boeren best wel blij, dat hebben we al vaak mogen ondervinden. . Verdonckt prijst ook de verbindende rol die Regionale Landschappen en de bedrijfsplanners van de Vlaamse Landmaatschappij spelen. “Ook de plaatselijke jagers delen onze bezorgdheid over de achteruitgang van akkervogels.”

      Grauwe gors en veldleeuwerik blijven het slechter doen

      Aan het akkervogelweekend in Hoegaarden in juni van dit jaar nam een Nederlandse delegatie deel, waar onder heel wat experten van de Werkgroep Grauwe Kiekendief. De Vlamingen waren maar wat blij met hun komst, want iemand als Ben Koks geniet groot aanzien bij vogelbeschermers. Koks rust kiekendieven uit met zenders, volgt hen tot in Senegal en is niet vies van prooi-onderzoek. Door zijn inspanningen is er een schat aan gegevens beschikbaar die het toelaat om akkervogelbescherming wetenschappelijk te benaderen.

      Verdonckt benijdt de Nederlanders omdat zij veel sterker zijn in het opvolgen van de resultaten. “Zij weten exact wat het effect van een maatregel op het broedsucces is en steken op die manier de perfecte beheerovereenkomst in mekaar. Dat maakt het mogelijk om met een krap budget de middelen zo efficiënt mogelijk in te zetten. Wat niet werkt, wordt geschrapt of aangepast, en zo hoort het ook. De beheerovereenkomsten in Vlaanderen missen die wetenschappelijk onderbouwing. Het resultaat is dat ze de voorbije tien jaar de achteruitgang van akkervogels wel vertraagd hebben, maar er niet in geslaagd zijn om de trend te keren. We kunnen er gewoonweg niet omheen dat de grauwe gors en de veldleeuwerik het slechter blijven doen, ook in gebieden waar BO’s worden afgesloten.”

      graanrand.akkervogel_FreekVerdonckt.geVILT.jpg

      Volgens Verdonckt is het bij soortenbeleid ontzettend belangrijk dat de juiste maatregel op de juiste plek genomen wordt en continu goed opgevolgd en aangestuurd wordt. “Als een krimpende populatie zich terugtrekt in een kleiner verspreidingsgebied, dan moeten we overschakelen naar ‘intensive care’. Ook de versnippering van het leefgebied speelt parten: “hoe groter de afstand die een vogel moet afleggen op zoek naar voedsel, hoe kleiner zijn broedsucces.” Met de ervaringen die in Nederland zijn opgedaan met ‘vogelakkers’ kijken Vlaamse vogelbeschermers reikhalzend uit naar de introductie van deze maatregel in onze regio.

      Minister Schauvliege stelde onlangs nog in de Commissie Leefmilieu dat ze er alles aan zou doen om dit jaar al landbouwers te overtuigen voor de aanleg van een vogelakker. De bestaande beheerovereenkomsten voor akkervogels blijven daarnaast gewoon bestaan. Wie voor een vogelakker kiest, richt een perceel in met afwisselend stroken luzerne en kruidenrijke grassen. De luzerne kan tot drie keer per jaar geoogst worden, en vormt dus een welgekomen extra voor veevoeder.

      De kennis rond die vogelakkers is de voorbije jaren geperfectioneerd: hoeveel kiekendieven strijken neer, in welke mate vergroot het broedsucces van de veldleeuwerik, hoe vaak mag de luzerne gemaaid worden, welke zadenmengsels onderdrukken onkruid in de natuurbraakstrook, enz. Discussies gaan nu niet meer over de maatregel zelf maar over de vergoeding die er moet tegenover staan. Ben Koks heeft agrarische collectieven rond natuurbeheer bij hun oprichting met raad en daad bijgestaan hoe ze met een eerlijke vergoeding van 1.500 à 1.700 euro per hectare knappe resultaten konden halen. Ondertussen ziet hij met lede ogen aan hoe de maatregel aan inflatie ten onder gaat. Sommige collectieven trokken de vergoeding op tot zelfs 2.850 euro per hectare, waarvan een aanzienlijk deel verdwijnt als overheadkost aan het collectief. In plaats van aan administratie ziet hij dat geld liever besteed aan meer vogelakkers.

      Agrarisch natuurbeheer als opstapje naar de natuur-inclusieve boerderij
      Vandaag staan tegenover inspanningen rond agrarisch natuurbeheer vergoedingen vanwege de overheid. Op de lange termijn –Verdonckt en Koks denken in termen van 20 jaar – is een model dat steunt op subsidies niet meer haalbaar. De Nederlander is ervan overtuigd dat agrarisch natuurbeheer een tussenstap is richting het ‘natuur-inclusief’ maken van boerderijen. Nu al doen de landbouwscholen jongeren nadenken over bloemenrijke akkerranden. Volgens Freek Verdonckt, beleidsmedewerker bij Natuurpunt, moeten de denkpatronen binnen én buiten de landbouw wijzigen.

      Een eerste voorwaarde is dat het Europees en Vlaams landbouwbeleid afstapt van “beproefde en falende recepten” en actief het pad naar natuur-inclusieve landbouw toont. “Daarnaast heeft net als in de discussie rond voedselprijzen ook de burger/consument een belangrijke rol te spelen. Verdonckt: “Als mensen een leefbaar en natuurrijk platteland verkiezen, dan zullen zij die keuze ook in de supermarkt moeten maken om op die manier garant te staan voor een eerlijk en leefbaar loon voor de natuur-inclusieve boer die er zijn nek voor uitsteekt.”

      blauwekiekendief_FreekVerdonckt.geVILT.jpg

      In Nederland is men al eerder tot die conclusie gekomen, getuige de weidemelk die een hevig pleitbezorger vindt in Milieudefensie, de weidevogelkaas – en melk die FrieslandCampina met de hulp van Vogelbescherming Nederland in het winkelrek probeert te krijgen, het sterrenvlees dat gepromoot wordt door de Dierenbescherming, enz. Binnen Stichting Veldleeuwerik nemen boeren zelf het heft in handen. Veldleeuwerik heeft een eigen duurzaamheidssystematiek die bestaat uit tien pijlers. Zo weten leden-telers op welke tien punten ze hun bedrijf kunnen verbeteren. Ondertussen doen circa 1.000 akkerbouwers mee.

      Door onze Noorderburen wordt het debat over natuur-inclusieve en diervriendelijke landbouw intensief gevoerd. Hier in Vlaanderen wordt er volgens Verdonckt nog te weinig over gepraat. Net zoals in Nederland wordt landbouw in onze regio bedreven op erg dure grond, wat het niet vanzelfsprekend maakt om het maximaliseren van de productie per hectare los te laten. De beleidsmedewerker landbouw van Natuurpunt kijkt nadrukkelijk richting beleidsmakers om de switch in landbouwmodel te faciliteren. “De individuele boer wordt meegezogen in de productiedrift en daar zijn niet alleen de grote spelers van de agro-industrie verantwoordelijk voor. Heel wat beleidskeuzes en -instrumenten maken landbouwers in wezen enkel nog meer afhankelijk van een landbouwmodel dat naast de veldleeuwerik, ook jaarlijks honderden boeren de afgrond in duwt”, verwoordt Freek Verdonckt de kritiek van de natuurbeweging. Hij benadrukt dat Natuurpunt in zijn communicatie soms hard is voor het landbouwmodel, maar de individuele boer niet met de vinger wijst. “Hij zit gevangen in een intensief model waarvoor hij niet verantwoordelijk is.”

      vogelbeschermer.kiekendief_FreekVerdonckt.geVILT.jpg

      Projecten zoals ‘weidevogelboer’ van Vogelbescherming Nederland ziet Ben Koks als een opstapje naar een groen landbouwmodel dat volledig zelfbedruipend is. “Een weidevogelboer is een rundveehouder die één derde van zijn bedrijfsareaal vogelvriendelijk inricht, denk bijvoorbeeld aan ‘plas-dras-zones’ en zones met kruidenrijk grasland”, vertelt Ben Koks. De minder intensieve graslanduitbating laat zich deels terugverdienen door de gezondheidsvoordelen van het voederen van kruidenrijk gras aan de koeien en door de hogere prijs die de consument er in de winkel voor over heeft. Ook vogelakkers hebben landbouwkundige voordelen. Luzerne verbetert namelijk de doorwortelbaarheid van de bodem, voegt als vlinderbloemige stikstof toe en doet het organische stofgehalte in de bodem toenemen. Akkerranden worden ook aangeprezen als thuishaven voor nuttige insecten die plaaginsecten bestrijden. Toch kunnen de meeste projecten die de brug slaan tussen landbouw en natuur vandaag nog niet gebolwerkt worden zonder subsidie. De zoektocht naar het te gelde maken van natuur-inclusieve landbouw duurt dus voort.

      Natuur in landbouwgebied is geen bedreiging

      In Vlaanderen zijn landbouwers op hun hoede als hen gevraagd wordt om de natuur te omarmen. De lugubere boerengrap over de kamsalamander – “sla hem dood in je velden, anders gaat je bedrijf op slot” – is Freek Verdonckt niet onbekend. “De angst voor natuurdoelstellingen in landbouwgebied is overdreven, tenzij je van mening bent dat natuur er niet thuishoort. Voor Natuurpunt hoort biodiversiteit zich niet te beperken tot natuurgebieden. Ze is ook noodzakelijk daarbuiten, niet in het minst voor het functioneren van de landbouw maar evengoed voor het welzijn van de mensen.” In landbouwmiddens zet men de deur op een kier voor ‘boerennatuur’ maar leeft toch vooral de angst dat je natuurbeschermers een hand geeft en ze een arm pakken.

      Tegen die achtergrond moet je bijvoorbeeld het voorstel voor een apart statuut van ‘tijdelijke natuur’ in landbouwgebied begrijpen. Verdonckt ziet het als volgt: “Geef boeren hun vrijheid binnen duidelijk afgebakende ecologische randvoorwaarden. Een waardevolle haag of poel verplaats je niet zomaar, maar een vogelakker, bloemenrand of leeuwerikenvlakje is net zo ontworpen om dynamisch mee te draaien in een teeltrotatie. Akkernatuur hoeft daarom geen bedreiging te zijn. Een kiekendief die landt op een akker levert net publieke appreciatie op.”

      Ben Koks ziet grote parallellen met de discussies in Nederland en benadrukt dat de natuurbeweging niet wil dat landbouwbedrijven op slot gaan. “De hakken gaan nog te snel in het zand. Negatieve aspecten worden erg benadrukt.” Hoe doorbreek je dat? “Als er belastinggeld mee gemoeid is – zoals dat het geval is bij de inkomenssteun aan landbouw –, dan moet de overheid het algemeen belang in acht genomen de regie nemen. Laat landbouw functies combineren. Dwing dat niet af maar beweeg landbouwers daar op een positieve manier toe. Zoek mee naar mogelijkheden voor natuur-inclusieve boerderijen.” Bij onze Noorderburen hebben zogenaamde ‘agrarische collectieven’ de regie overgenomen van de overheid die terugtrad. Intussen houden 39 regionale collectieven en één landelijk collectief zich bezig met agrarisch natuurbeheer. Koks gelooft in de gezamenlijke inzet, maar is toch geen fan. “Er is bureaucratie geslopen in wat nu een duur en rigide systeem is. De boerencollectieven zijn sterk uit op geld om hun eigen voortbestaan te verzekeren.”

      akkervogel.BO_FreekVerdonckt.geVILT.jpg

      Die honger naar subsidies maakt de agrarische collectieven volgens Koks kwetsbaar. Het droombeeld van Ben Koks en Freek Verdonckt is een landbouw die de biodiversiteit omarmt zonder dat de overheid dit bedrijfsmodel financieel moet bijpassen. Beiden benadrukken dat ze de landbouwsector niet terug in de tijd willen flitsen. “Akkerbouw op een grotere schaal kan er net voor zorgen dat een boer eerder geneigd is om een deel van zijn oppervlakte extensief te bewerken. De grotere gezinsbedrijven in Duitsland, met een areaal dat kan oplopen tot 400 hectare, malen niet om een akkerrand”, aldus Koks. Freek Verdonckt maakt de vergelijking met de bijdrage van Hesbaye Frost: “De grote groenteverwerker uit Waremme engageerde zich voor het beschermen van akkervogels. Samen met natuurbeschermers en groentetelers wordt een pilootproject opgezet rond grauwe gors.”

      Verdonckt herinnert zich nog het eerste nest veldleeuweriken dat hij zag, “nadat een gepassioneerde boer het mij aanwees”. Wat dat betreft is er toch wat heimwee naar het verleden omdat landbouwers toen meer met de natuur bezig waren. De vogelbeschermers onder de huidige generatie boeren zijn geen romantische types, zo benadrukt zijn Nederlandse collega. Zij beoordelen akkervogelmaatregelen economisch, en zien dat het plaatje klopt. Op termijn zal de economische meerwaarde van een natuur-inclusieve bedrijfsvoering nog duidelijker worden, menen Koks en Verdonckt.

      Nood aan boeren die rationeel en resultaatgericht aan natuurbeheer doen
      In Vlaanderen merkt Freek Verdonckt nog een zekere schroom om de bedrijfsvoering om te gooien en als boer uit te pakken met natuurbescherming. “Dat een boer fier is op zijn rol als voedselproducent is evident, maar eigenlijk mag hij even trots zijn wanneer hij de veldleeuwerik beschermt. Sterker nog, hij zou er een stuk marktwaarde mee kunnen creëren” Wanneer landbouworganisaties verkondigen dat het boerenlandschap (gratis) te danken is aan landbouw, dan maakt hij zich telkens de bedenking dat deze stelling genuanceerder is dan dat. “Generaties boeren hebben inderdaad ons platteland gekneed, maar niemand kan ontkennen dat dit de voorbije decennia veel te bruut is gegaan. Burgers horen dankbaar zijn voor de bijdrage van de landbouw aan het landschap, maar hun bezorgdheid dat dit landschap en zijn natuurwaarden voor kinderen en kleinkinderen bewaard blijft, is even legitiem.”

      Wie zich verantwoordelijk stelt voor een landschap, moet er volgens Verdonckt ook garant voor staan dat het niet degradeert. “Landbouw heeft daar ook alle belang bij. Landschapszorg en maatregelen voor akkernatuur worden vandaag door het beleid gekoppeld aan subsidies of inkomenssteun aan de landbouwer. In ruil voor deze publieke middelen verwacht de burger naast inspanningen ook concrete resultaten. “Als natuurindicatoren vervolgens blijven wijzen op een achteruitgang van de biodiversiteit in landbouwgebied, dan dreigt het draagvlak voor steun aan agrarisch natuurbeheer af te kalven en maken beleidsmakers komaf maken met agrarisch natuurbeheer. Zo zijn we nog veel verder van huis.”

      natuurliefhebber.landschap_FreekVerdonckt.geVILT.jpg

      Verdonckt en Koks zetten die redenering op met (de vergroening van) het gemeenschappelijk landbouwbeleid in het achterhoofd. Die vergroening kreeg veel kritiek te slikken vanuit de natuurbeweging omdat ze een groen sausje zou gieten over bestaand beleid en ten velde geen verandering hebben teweeg gebracht. Bij Natuurpunt worden ze niet wild enthousiast van gewasdiversificatie en ecologische aandachtsgebieden wanneer beide maatregelen zo laagdrempelig ingevuld worden dat het geen oplossing biedt voor de vrije val van natuur in landbouwgebied. “Reserveer die 30 procent aan inkomenssteun voor landbouwers die resultaatgericht aan natuurcreatie in landbouwgebiedwillen doen en daarvoor geen vergoeding uit de markt kunnen halen”, oppert Verdonckt. “Zo kan de overheid boeren voor haar kar spannen die rationeel kiezen voor natuur-inclusieve landbouw. Zij hebben niet enkel oog voor de subsidie maar beseffen ook dat hun boerderij er veerkrachtiger en klimaat-robuuster door wordt.”

      Die omslag moet naar verluidt veel sterker vanuit het landbouwbeleid gefaciliteerd worden. Zonder medewerking van de hele keten heeft het evenwel geen kans op slagen. De meest succesvolle voorbeelden uit Nederland hebben er ketenpartners, inclusief de burger/consument bij betrokken. “Aan de biodiversiteit in landbouwgebied werk je samen. De juiste aanpak is pragmatisch maar tegelijk resultaatgericht want de natuur heeft harde spelregels. Met goede bedoelingen alleen kom je er niet”, besluiten Verdonckt en Koks in koor.

  • 'Land grabbing'

    Zowel lokale gemeenschappen als het milieu worden in ontwikkelingslanden het slachtoffer van ‘lan...
    Toon detail informatie

      In het rapport 'Africa: up for grabs. The scale and impact of land grabbing for agrofuels' hekelt Friends of the Earth in het bijzonder de groeiende hoeveelheid land die Europese bedrijven in Afrika verwerven om tegemoet te komen aan de groeiende vraag naar biobrandstoffen in de Europese Unie. Volgens de milieuorganisatie moeten bossen en natuurlijke vegetatie wijken voor biobrandstofgewassen als suikerriet, palmolie of jathropa. Ook voedselgewassen die geteeld worden voor de lokale bevolking ondervinden concurrentie van energiegewassen. De ngo dringt er daarom op aan dat de EU zou afstappen van de doelstelling om 10 procent van de transportbrandstoffen tegen 2020 uit biobrandstoffen te winnen. De ngo stelt voor om het energieverbruik voor transportdoeleinden te reduceren en in duurzame landbouw te investeren die voedsel en geen brandstof produceert.

      Milieu-, maar ook sociale impact

      “Friends of the Earth heeft de thema’s milieu, mensenrechten en vrede altijd als verbonden met elkaar beschouwd, vandaar dat het rapport naast de gevolgen voor het milieu ook focust op de sociale impact van ‘land grabbing’ en vandaar ook dat onze organisatie in Vlaanderen een werkgroep heeft die zich met de problematiek bezig houdt.” Aan het woord is Lieve De Kinder, actief voor de werkgroep Inheemse Volkeren van Friends of the Earth Vlaanderen & Brussel. “De inheemse bevolking in ontwikkelingslanden is sterk afhankelijk van de omgeving en van de grond waarop ze leven”, zegt De Kinder. “Exploitatie van de natuurlijke grondstoffen die schade berokkent aan het milieu, is met andere woorden ook nefast voor die mensen hun gezondheid en voor hun culturele en spirituele overleving.”

      Niet alleen ngo’s, maar ook de Verenigde Naties begonnen zich zorgen te maken dat investeringen in landbouwgrond in ontwikkelingslanden tot gevolg zouden hebben dat lokale gemeenschappen door buitenlandse investeerders van hun grond en hun rechten beroofd worden. De Wereldbank hield altijd vol dat buitenlandse investeringen een goede zaak zijn voor de landbouwproductie van arme landen. In het rapport ‘Rising Global Interest in Farmland’ erkent het VN-instituut voor ontwikkelingssamenwerking voor het eerst dat de verkoop van landbouwgrond door arme landen vaak gepaard gaat met een schending van de eigendomsrechten van kleine boeren en dikwijls niet duurzaam is op sociaal, economisch of milieuvlak. Ook al pompt een buitenlandse investeerder geld in de productie van voedsel in plaats van energiegewassen, dan nog is dat voedsel bestemd voor de export zodat de voedselzekerheid van de inheemse bevolking er niet door verbetert. De Wereldbank komt in het rapport dus tot de vaststelling dat in ontwikkelingslanden voedsel wordt geëxporteerd, terwijl er een voedseltekort is.

      ‘Land grabbing’ alleen in Afrika?

      Het rapport van de Wereldbank verscheen enkele dagen na dat van Friends of the Earth Europe. Daarin hekelde de ngo nog het gebrek aan objectief cijfermateriaal over gronddeals in ontwikkelingslanden. Het rapport van de Wereldbank was op dat ogenblik al uitgelekt maar nog niet verschenen, volgens de ngo’s omdat de conclusie geen fraai beeld ophing over de verwerving van miljoenen hectare landbouwgrond in ontwikkelingslanden door buitenlandse investeerders. De Wereldbank stelde vast dat investeerders zich vooral richten op Afrikaanse landen vanwege een gebrekkige handhaving van de wetgeving, maar volgens De Kinder doet het fenomeen zich ook op alle andere continenten voor. “In de Braziliaanse deelstaat Mato Grosso worden bijvoorbeeld de Kaiowa Guaranei-Indianen verdreven voor de teelt van soja voor veevoeder of voor de teelt van suikerriet voor ethanol die in de westerse energiebehoefte moet voorzien. De Kinder ziet ook in landen als India gronddeals gebeuren waartegen lokale actiegroepen ageren en waarop ze eisen dat het subsistentiebeginsel wordt nageleefd. Dat betekent dat de lokale bevolking in eerste instantie gezamenlijk voor haar eigen basisbehoeften instaat.

      “Landrechten hebben in alle ontwikkelingslanden gemeen dat ze niet vergelijkbaar zijn met de eigendomsrechten die wij kennen”, verklaart De Kinder waarom de problematiek zich zowel in Afrika, Azië, Australië als Zuid-Amerika stelt. “Onze grond is niet te koop is een bekend Indiaans gezegde, dat evenwel geen bescherming biedt tegen grondverwerving door buitenlandse investeerders. In plaats van 'eigendom' in de westerse betekenis van het woord, gaat het om ‘leefgebied’. Het zijn gronden die niet permanent gebruikt worden, maar waar het vee nu en dan graast, of waar de bevolking zoekt naar water, kruiden of wilde planten voor hun voeding. Inheemse volkeren zijn met andere woorden cultureel en spiritueel verbonden met hun grond, bewerken die vaak samen als een gemeenschap en raken dan ook ontworteld wanneer ze verdreven worden.”

      Landbouw, een heikel thema

      Friends of the Earth Vlaanderen en Brussel maakt deel uit van de werkgroep Landbouw van het Vlaams Overleg Duurzame Ontwikkeling (VODO). Milieu-, ontwikkelings-, boeren- en consumentenorganisaties maken deel uit van de werkgroep die van landbouw een belangrijk thema maakt in het debat over ontwikkelingssamenwerking. Recent stelde de werkgroep een platformtekst op die aan de Europese beleidsvoerders gericht wordt en waarin zij pleiten voor een sociaal en ecologisch duurzaam Europees landbouwbeleid, waarbij voedselzekerheid en voedselsoevereiniteit, ook elders in de wereld, gegarandeerd worden. “In het verleden werd immers veel beloofd, maar buitenlandse investeringen komen bijna nooit ten goede van de lokale bevolking. In plaats van een gunstige invloed op de voedselproductie, is het resultaat voor de plattelandsbevolking vaak dat zij verdreven worden naar de steden en daar verder verarmen en verhongeren”, zegt De Kinder. “Meer aandacht voor lokale voedselvoorziening kan bovendien het aantal voedselkilometers beperken zodat minder CO2 wordt uitgestoten door transport van voedingsmiddelen.”

      Voor de Wereldbank blijven investeringen in moderne technologie, infrastructuur en het openen van markten niettemin cruciaal om de productiviteit van de kleinschalige landbouw in ontwikkelingslanden op te drijven. De VN-organisatie stelt wel dat het beschermen van plaatselijke landrechten een noodzaak is opdat investeringen de lokale bevolking ten goede zouden komen. Die eigendomsrechten moeten ook beter gedefinieerd worden om een antwoord te bieden op de toegenomen gronddruk. “Maar al staat de lokale wetgeving op punt, de handhaving ervan is op het terrein een nog veel groter probleem”, stelt De Kinder de haalbaarheid in vraag van die oplossing. “In tegenstelling tot Afrika, staat bijvoorbeeld in Brazilië de wetgeving wel redelijk op punt. Het recht van Indianen op hun eigen grondgebied is verankerd in de Braziliaanse grondwet. Er bestaat ook een regeringsorgaan, de National Indian Foundation (FUNAI), dat de rechten van de inheemse bevolking moet verdedigen. Toch is de demarcatie van de leefgebieden van de Indianen op veel plaatsen nog niet gerealiseerd, liggen bedrijven vaak dwars door rechtsprocedures in te stellen of door de grond van Indianen toch te bezetten en hen te verdrijven met privé-milities. De Indianen zijn ontgoocheld in president Lula da Silva omdat hij te weinig onderneemt om bedrijven aan de wet te onderwerpen.”

      Hoe moet het dan wel?

      Anders dan de Wereldbank die buitenlandse investeringen positief acht indien ze aan zeven principes beantwoorden, vreest De Kinder dat de implementatie van goedbedoelde principes problematisch is. “Op papier klinkt het mooi: gronddeals moeten duurzaam zijn op landbouw-, milieu- en sociaal vlak, ze moeten transparant zijn, de voedselzekerheid bevorderen, respect hebben voor landrechten en maar afgesloten worden in dialoog met de plaatselijke gemeenschappen. Maar hoe denkt de Wereldbank de naleving op het terrein te garanderen?” De Kinder vindt het om te beginnen al geen goed idee een Westers ontwikkelingsmodel op te leggen aan inheemse volkeren en landbouwers in ontwikkelingslanden. “Het gebeurt veel te vaak dat een Westers model wordt gedropt dat niet aangepast is aan de lokale, specifieke omstandigheden waarin boeren in de derde wereld aan landbouw doen. Die mensen willen wel ontwikkelen, maar op hun eigen tempo, vanuit hun eigen tradities en ervaringen en met respect voor hun eigen waarden.” De Kinder ziet vaak lokale kennis verloren gaan, wanneer moderne landbouwtechnieken worden toegepast die niet uitgaan van diezelfde kennis en van respect voor de bodem. “Plaatselijke kennis over teelttechnieken zoals mengculturen en agroforestry verdwenen soms door het opzetten van een fout Westers model van monoculturen. De grote ramp is dat daardoor de bodem wordt uitgeput en biodiversiteit verloren gaat.”

      Toch zijn er ook goeie voorbeelden van investeringen in landbouwproductie waarbij de lokale bevolking wordt gerespecteerd en waarmee de voedselvoorziening ter plaatse gebaat is, klinkt het bij Vredeseilanden en Wervel, de Werkgroep voor een Rechtvaardige en Verantwoorde Landbouw. Het uitgangspunt is evenwel gans anders dan bij het verwerven van landbouwgrond met het oog op een hoge return on investment. De nadruk ligt op het uitwisselen van kennis zodat we eerder kunnen spreken van een vorm van ontwikkelingssamenwerking. Zo is er het voorbeeld van Johan D’Hulster, een bioboer uit Schriek, die de aloude Indiase techniek van het composteren opnieuw introduceerde bij een lokale gemeenschap in India. “India kopieert gretig het westerse, materialistische vooruitgangsmodel, terwijl dat in het Westen zelf al gedeeltelijk achterhaald is”, vertelt D’Hulster in zijn boek ‘Conserverende landbouw. Pleidooi voor een overvloedig India’. “Nochtans zijn de mogelijkheden tot vernieuwing in India en het vermijden van onze westerse fouten zoveel groter.” De techniek van het composteren van organisch materiaal werd 100 jaar geleden vanuit India in Europa geïntroduceerd door Albert Howard. De Britse landbouwonderzoeker maakte toen gewag van de vernuftigheid van het Indiase landbouwsysteem dat de bodemvruchtbaarheid beter in stand kon houden dan het Europese landbouwmodel. Dat was in Europa de allereerste aanzet voor de biologische landbouw in een tijdperk waarin kunstmest zijn intrede deed. Ondertussen is men in India die kennis van het composteren grotendeels vergeten en is men westerlingen dankbaar om die kennis opnieuw uit te wisselen.

      De Kinder beaamt dat de aanpak van dergelijke projecten duidelijk anders is. De lokale bevolking wordt in zijn tradities gerespecteerd, de ontwikkeling gebeurt op een manier waar zij zelf achterstaan en er wordt ook opgepast voor negatieve gevolgen op lange termijn zoals bodemuitputting en -uitdroging en verlies van biodiversiteit. Mega-landbouwbedrijven die neergepoot worden met buitenlands geld, zullen zelden of nooit rekening houden met dergelijke aandachtspunten. Friends of the Earth gelooft daarom sterk in het werken vanuit de basis, het versterken van de lokale productie en het ingebed zijn in het sociaal weefsel. “Er zijn een aantal technieken die op kleine schaal hun waarde al bewezen hebben door goed om te gaan met de lokale mogelijkheden. Teelttechnieken zoals mengculturen en de principes van permacultuur moeten daarom verder ontwikkeld en toegepast worden”, aldus De Kinder. Een voorbeeld van permacultuur is het voedselbos, dat ontstaat door met eetbare planten een climaxvegetatie te creëren (de meest stabiele vegetatie die ontstaat wanneer een gebied onaangeroerd blijft, nvdr). Zo ontstaat een veerkrachtig ecologisch systeem dat kan instaan voor de lokale voedselvoorziening, de biodiversiteit waarborgt en erosie en droogte vermijdt. De gehanteerde principes kunnen soepel en creatief aangepast worden aan lokale situaties en er wordt maximaal samengewerkt met de natuur. Elk element heeft meerdere functies in het systeem, zo gaan hoge bomen beschermen tegen windvlagen en met hun bladeren zorgen voor humus. Er zijn voorbeelden waar inheemse volkeren in moeilijke omstandigheden toch voedsel kunnen produceren dankzij zulke wijsheden”, legt De Kinder uit. Zij besluit dat voor Friends of the Earth de oplossing ligt in het stimuleren van de creativiteit van mensen en het samenwerken met elkaar. Alleen door de kennis die aanwezig is in ontwikkelingslanden niet te onderschatten, maar daar creatief mee om te gaan en op gelijkwaardige basis kennis met elkaar uit te wisselen, kan zich een landbouw ontwikkelen die door zijn kleinschaligheid nog kan inspelen op (veranderingen in) de lokale situatie. “Buitenlandse investeerders met grootschalige plannen vergeten daarentegen dat landbouw in ontwikkelingslanden sterk ingebed is in het sociaal weefsel en sterk afhankelijk is van de omgeving.”

  • 'Mijn beste investering ooit'

    Loonwerker Peter Van Hauwaert uit Meulebeke zaait en rooit wortelen en ponst prei. Sinds dit jaar...
    Toon detail informatie

      Het systeem is gebruiksvriendelijk en gemakkelijk in te stellen. Eigenlijk kun je iedereen met de tractor laten rijden – hij zal toch mooi werk afleveren. De gps-aansturing verhoogt bovendien het rijcomfort, zodat je minder snel moe wordt.

      Nog een niet te onderschatten voordeel: als je na een periode van wisselvallig weer extra veel werk moet verzetten, kun je in de schemer of zelfs in het donker blijven doorrijden – je werkt zo lang als je wilt en de rijen blijven keurig recht.

      Het enige nadeel is het kostenplaatje. Het blijft een serieuze investering die je als loonwerker niet kunt doorrekenen aan de klant.’

  • 'Onmisbaar voor grootschalige bioteelt'

    In 2009 begon Damien Depraetere met de steun van zijn ouders zijn akkerbouwbedrijf in Deftinge (L...
    Toon detail informatie

      Vader Guy: ‘We hebben een vast gps-systeem voor de trekker en een mobiele correctieschijfbesturing voor diverse machines. Je hebt de correctie nodig omdat de machine kan afwijken van de trekker. We zaaien en planten op GPS-RTK. De rijen worden automatisch geregistreerd op pc, zodat we later op precies dezelfde rijpaden rijden met een afwijking van 1 à 2 cm. Zo sturen we de schoffelmachine en de wiedeg heel nauwkeurig langs de gewasrij.

      Onze schoffelmachine heeft een werkbreedte van 6 meter. Als een machine maar 3 meter breed is, zoals de plantmachine voor knolselder, planten we met GPS-RTK dus 2 keer 3 meter nauwkeurig naast elkaar. Later kunnen we dan heel precies en snel schoffelen per 6 m. Snel en efficiënt werken is in ons regenachtig klimaat broodnodig.’

      ‘Het was een forse investering, maar als je wat grootschaliger aan biolandbouw wilt doen, heb je geen keuze. Gelukkig teel je als bioboer geen massaproduct, maar producten met een meerwaarde – het financieel rendement ligt normaal een flink stuk hoger.’

  • 10e editie Innovatiecampagne

    Zoals de 100ste editie van de Ronde van Vlaanderen een verdiende winnaar op de erelijst kreeg zo ...
    Toon detail informatie

      Het bruist in de land- en tuinbouw van de goede ideeën. De kunst is om ze boven water te krijgen maar dat kan het Innovatiesteunpunt als de besten. Voor dat doel wordt al voor de tiende keer de Innovatiecampagne georganiseerd voor alle agrarische ondernemers die een vernieuwend project of idee willen realiseren op hun bedrijf. “Innovatie opent nieuwe perspectieven voor het eigen bedrijf, maar innovatieve ondernemers inspireren vaak ook hun collega’s”, weet het Innovatiesteunpunt, dat graag ondersteuning verleent bij de realisatie van ideeën.

      De Innovatiecampagne 2016 richt zich op innovatieve ideeën en projecten van land- en tuinbouwers in de meest ruime zin van het woord. Het kan gaan om product- en procesinnovatie, om verbeteringen van dierenwelzijn en plantengezondheid, om nieuwe concepten voor neventakken op land- en tuinbouwbedrijven, om oplossingen voor milieuproblemen, om zelf ontworpen mechanisatie of technologie of om ideeën voor de toepassing van nieuwe technologieën (zoals smart farming of big data). Deze lijst houdt geen beperking in zodat steengoede ideeën niet het risico lopen dat ze uit de boot vallen.

      Innovatiecampagne_Innovatiesteunpunt.jpg

      Deelnemen doe je door tegen 30 april online in te schrijven. Waarom zou je dat doen? Omdat de tien laureaten beloond worden met 2.500 euro voor de realisatie van hun idee. Daarnaast worden ze begeleid door een Innovatieconsulent. En als je niet bij de laureaten hoort, dan kan je samen met de andere deelnemers genieten van een inspirerende innovatie-avond in de eigen provincie. Niet winnen betekent niet dat een idee rijp is voor de prullenmand. Op de consulenten van het Innovatiesteunpunt kunnen alle Vlaamse land- en tuinbouwers een beroep doen bij de uitwerking van een idee.

      Succes door volharding
      Innoveren is volharden bij de uitwerking van een idee. Vraag het maar aan varkenshouder Marc Bollaert. Als tweevoudig laureaat van de Innovatiecampagne heeft hij goede ideeën op overschot maar de uitwerking ervan is nogal weerbarstig. Zijn jongste project ‘mestscheider 2.0’ staat al even on hold omdat de projectsubsidies (o.a. IWT, het huidige VLAIO) waarop hij een beroep deed, opgesoupeerd zijn terwijl de mestscheider met extra fijne zeef nog niet op punt staat. Door met een fijnere zeef te werken, zullen meer vaste deeltjes uit de vloeibare mest gehaald worden. Daardoor komt er meer fosfor maar ook meer stikstof in de dikke fractie terecht.

      Het lijkt onmogelijk, tot het gedaan is

      Het idee is zo goed dat het niet alleen door het Innovatiesteunpunt bekroond werd maar ook door het Vlaams Coördinatiecentrum voor Mestverwerking. De kersverse laureaat van de Innovatiecampagne won namelijk ook de ‘Ivan Tolpe’ prijs. Marc wil er in ieder geval mee doorgaan. In een bedrijfsloods in aanbouw is de ruimte voor Marc’s eigen mestscheider alvast voorzien. Volharden is dus de boodschap. De gebroeders Wright hebben hun vliegtuig in 1903 ook niet luchtwaardig gekregen zonder eerst een keer flink op hun bek te gaan.

      mestscheider_Innovatiesteunpunt.jpg

      Durven vernieuwen
      Wellicht heb je al een keer gehoord van ‘early adopter’. Dat is iemand die een bepaald product of een bepaalde technologie begint te gebruiken voordat de grote massa dat doet. Het vergt minder inventiviteit dan een geniaal idee maar er is wel een portie durf voor nodig.

      Een goed voorbeeld is innovatielaureaat Kristof Veramme uit het West-Vlaamse Mesen. Hij zou op veilig kunnen spelen en wachten tot de teelttechniek van soja in onze contreien op punt is gezet door de Vlaamse onderzoeksinstellingen. In plaats daarvan heeft hij zelf ervaren dat het een uitdaging is om aan het juiste zaaizaad te geraken, de soja te beschermen tegen duiven en het onkruid te bestrijden zonder erkende herbiciden. De voldoening is niettemin groot als je op het einde van het seizoen dan beloond wordt met 2,5 ton soja per hectare en 2.500 euro als laureaat van de Innovatiecampagne.

      Sommige mensen dromen van grootse dingen, terwijl anderen wakker blijven en ze realiseren

      Een sprong in het onbekende wagen, is ook wat veel laureaten uit de eerste Innovatiecampagnes deden. Boer&Tuinder bracht het bijzondere verhaal van het ‘Land van Ny’. Jos en Bieke van Reeth hadden in 1994 hun melkveebedrijf in Bevel ingeruild voor een enorme kasteelhoeve in Ny, vlakbij Hotton in de provincie Luxemburg. Jos fokte een eigen runderras, laat de dieren grazen zoals de oerkuddes dat eeuwen geleden deden en verkoopt ‘paleo-grasvlees’. Zijn echtgenote leeft zich uit in plattelandseducatie. De middeleeuwse ridderspelen maken deel uit van een aanbod kasteelklassen voor scholen en kinderkampen tijdens de vakantie. Tijdens de allereerste editie in 1998 was het ‘Land van Ny’ één van de 16 bekroonde laureaten.

      verbreding_LandvanNy.jpg

      Twee jaar later werd Luc Goossens uit Ieper laureaat hoewel hij toen geen landbouwbedrijf had, alleen een project dat neergepend was op een A4-tje. Met de financiële en morele steun als welgekomen duwtje in de rug startte hij met het beheer van hoogstamboomgaarden en het persen van fruitsappen. Ondertussen heeft ‘Tuinsappen Lombarts Calville’ 15 hectare biologische hoogstamboomgaarden in eigendom of beheer en levert dat enkele tientallen tonnen fruit op. Er wordt ook fruit geperst in loondienst bij enkele honderden particulieren uit Oost- en West-Vlaanderen, Henegouwen en Frans-Vlaanderen.

      Bijna tien jaar geleden was bioboer Tom Troonbeeckx de eerste om het fenomeen ‘community supported agriculture’ in Vlaanderen te introduceren. De aandeelhouders van de CSA-boerderij plukken hun verse groenten van het veld en delen de opbrengsten. Ze betalen een evenredig deel in de kosten en de risico’s van de boer door bij de start van een nieuwe campagne een oogstaandeel te kopen.

      Strategie is ‘doing the right thing’
      In een interview met VILT hamerde hoogleraar Johan Lambrecht (HUB) op het belang van een ware strategie om succesvol te kunnen ondernemen. Het is immers absurd om op de meest efficiënte manier te doen wat helemaal niet moet gebeuren. “Bepaal eerst wat de juiste zaken zijn om te doen en doe die dan zo goed mogelijk”, zo benadrukt Lambrecht. Terwijl de drie bovenstaande laureaten zich vooral onderscheiden in wat ze doen, heeft de Innovatiecampagne ook oog voor hoe je iets doet. Een goed voorbeeld is het akkerbouwbedrijf Van Elven Agra uit Veerle-Laakdal. Een anoniem product als een aardappel brengen ze herkenbaar in de handel want op de verpakking prijkt een cartoonfiguur van de hand van kunstenaar Herr Seele.

      Er is altijd een mogelijkheid om het verschil te maken

      Sierteeltbedrijf Romberama uit Loenhout werd in 2012 laureaat, niet omdat hun product (amaryllis) herkenbaar anders is maar omdat het productieproces vernuftiger in elkaar zit dan bij de doorsnee sierteler. Met behulp van sensoren meten de broers Raf en Ben Rombouts de stress bij planten. Sierteeltgewassen laten immers minder snel dan groenten blijken dat ze tekort hebben aan water, licht of meststoffen maar het productie- of kwaliteitsverlies is er wel. In dezelfde sector ging de trofee in 2010 naar de Oost-Vlaamse sierteler René Denis. Zijn bedrijf Denis-Plants is Europees marktleider in de kamerplant calathea. Om die positie vast te houden, veredelde Denis een calathea met een dubbele sierwaarde, namelijk met mooi blad én een mooie bloem. De kamerplant kreeg de naam ‘Bicajoux’.

      Crisis is een ‘trigger’ voor innovatie
      Innovatie doet ons ongewild denken aan grote bedrijven die er prat op gaan dat ze miljoenen euro’s pompen in wat zij liefst ‘R&D’ noemen. Je zou je dus kunnen afvragen hoeveel ruimte voor vernieuwing er is in een sector met hoofdzakelijk familiaal gerunde bedrijven die vaker dan hen lief is moeten vaststellen dat ze hard werken om op het einde van het jaar weinig over te houden. Een prettige vaststelling is dat dit geen rem zet op het innoverend vermogen van land- en tuinbouwbedrijven. Het aantal deelnemers aan de Innovatiecampagne blijft immers stijgen en bereikte in 2014 een recordaantal van 150 inzendingen. Ter vergelijking: in de beginjaren boog de jury zich over minder dan 50 vernieuwende ideeën en projecten. De selectie van de laureaten is er dus niet makkelijker op geworden.

      Lege portemonnees houden niemand tegen. Alleen lege hoofden en lege harten kunnen dat

      Ook het crisissfeertje dat nooit ver weg is in land- en tuinbouw verlamt ondernemers niet. “Crisis is net zoals wetgeving geen obstakel maar een stimulans voor innovatie”, betoogt Koen Symons, diensthoofd van het Innovatiesteunpunt. Hij gelooft sterk in de capaciteit van een sector om zich aan te passen aan de omstandigheden. “Een crisissituatie dwingt mogelijk net tot een snellere aanpassing. Bedrijven gaan op zoek naar manieren om kosten te besparen of extra inkomsten te genereren. Een crisis doet bedrijven beseffen dat ze misschien niet kunnen voortdoen zoals ze al jaren bezig zijn”, aldus Symons.

      parkkooi.konijn_Innovatiesteunpunt.jpg

      Zo’n crisis die innovatie uitlokt, kan zich in de portefeuille doen voelen maar evengoed op een andere manier. Een mooi voorbeeld van een landbouwbedrijf dat een ander soort crisis omboog in een opportuniteit is konijnenbedrijf Konzo in de Antwerpse Kempen. In 2009 kreeg het bedrijf ongewenst nachtelijk bezoek van GAIA-actievoerders die filmden in de stallen. Vooraleer er in ons land sprake was van verplichte huisvesting van vleeskonijnen in parken bedachten bedrijfsleiders Yves De Bie en Walter Seghers een diervriendelijk huisvestingssysteem waarbij de metalen draadroosters vervangen werden door plastic biggenroosters. Bijzonder is dat hun zelf bedachte en geknutselde parkhuisvesting, inclusief spelmateriaal voor de konijnen, zowel kan dienen voor de pas bevallen voedsters als voor het afmesten van de gespeende konijnen. Voor de hygiëne is het een voordeel dat de konijnen niet van afdeling veranderen maar er gewerkt wordt volgens een all-in-all-out-systeem.

      Het is de tegenwind die de vlieger doet stijgen

      Ook bij leghennenhouder Paul Geens uit Wortel komt de ‘trigger’ voor de innovatie van de maatschappij. Hij bedacht een nieuw type luchtwasser. Met zijn installatie zal er nagenoeg geen stof of ammoniak nog zijn stal verlaten. De stoffilter die hij ontwikkelde, is opgevat als een droogtunnel waarin hij een filterdoek geïnstalleerd heeft. De filterdoek vangt het stof op en wordt twee keer per dag automatisch afgedraaid waarbij het stof dat zich op het doek verzameld heeft, verwijderd wordt. Zo’n innovatie overstijgt het bedrijfsniveau en kan van belang zijn voor een hele sector gelet op de maatschappelijke gevoeligheid rond stof- en geurhinder.

      leghen.kip_Innovatiesteunpunt.jpg

      Voor de geurhinder van de stal verzon Yves Vryghem, varkenshouder in Outrijve, zelf een oplossing. Hij werd in 2012 bekroond voor de ontwikkeling van een vernevelsysteem op de luchtkokers van zijn varkensstal. Het is een systeem dat vrij courant in andere sectoren wordt toegepast. Yves paste het zelf aan de noden van de landbouw aan. Er zal een product verneveld worden dat de eigenschap heeft dat het de varkensgeur kan neutraliseren.

      Twee (of meer) kunnen en weten meer dan één
      Het zijn niet alleen individuele prestaties die in de kijker van het Innovatiesteunpunt lopen. De machinering van Bocholt schopte het in 2006 tot laureaat en is tien jaar later nog altijd het meest tot de verbeelding sprekende voorbeeld van een machinecoöperatie in Vlaanderen. In tegenstelling tot andere machineringen koopt Agrico Bocholt de machines niet zelf aan maar werkt ze samen met een loonwerker. Loonbedrijf Weltjens uit Bocholt verhuurt zijn machines aan speciale tarieven aan de leden die met een 40-tal zijn. De loonwerker koopt ook nieuwe machines in functie van de vraag van de coöperanten. Agraco onderscheidt zich ook van andere machineringen door de samenaankoop van zaaizaden, brandstof, kuilfolie, enz.

      Alles zelf doen is optellen. Samenwerken is vermenigvuldigen

      Een gelijkaardig voorbeeld in een totaal andere sector is Boweco. Het betreft een samenwerking tussen zes boomtelers die hun producten slijten op de Britse markt. Onderling maakten ze teeltafspraken zodat ze met een uitgebreid en complementair assortiment naar de klanten kunnen stappen. Eén van de telers bouwde de eigen boomkwekerij zelfs een beetje af om zich meer op de handel te kunnen concentreren. De vrijgekomen ruimte wordt opgevuld door de andere vijf telers die er rassen zullen telen die nog niet in het assortiment zitten en die interessant zijn voor de Britse markt.

      boomkwekerij_Boweco.jpg

      Een mooi voorbeeld van een samenwerking van denkers én doeners is Innova Manure. De gedrevenheid van varkenshouder Ivan Tolpe, overleden door een spijtig bedrijfsongeluk, deed hem op zoek gaan naar oplossingen voor het mestoverschot. Hij werkte nauw samen met milieutechnoloog Erik Meers (UGent) voor de ontwikkeling van een economisch en ecologisch verantwoord systeem van mestverwerking. De dikke fractie wordt tot compost verwerkt terwijl de dunne fractie via een ingenieus systeem van ‘constructed wetlands’ trapsgewijs wordt opgezuiverd tot een loosbaar effluent.

      Radicale vernieuwers
      Afsluiten doen we met enkele laureaten van de Innovatiecampagne die bereid zijn om al wat gangbaar is op zijn kop te zetten. Soms is dat nodig om een doorbraak te forceren. Als er niet iemand op het idee van de MP3 gekomen was, dan zou onze stapel cd’s inmiddels niet meer te overzien zijn. Zo leefde bij twee laureaten ook het besef dat je niet eindeloos kan blijven hopen op betere prijzen voor witloof en varkensvlees.

      Johan Sarens en Chris Vertonghen uit Steenhuffel waren niet alleen ontevreden over de prijs van hun product maar ook over de kwaliteit van hun witloof wanneer het in de supermarkt uitgestald ligt. Daarom zijn zij gestart met het op de markt brengen van gestoomd en vacuüm verpakt witloof dat kant-en-klaar is voor gebruik door restaurants en grootkeukens. Het idee van toen is anno 2016 een economisch succesverhaal. Getuige daarvan is de uitnodiging die Chris ontving om de bijzondere ontwikkeling van hun bedrijf toe te lichten op een studiedag van de UGent omtrent nieuwe verdienmodellen in de landbouw.

      Met beide voeten op de grond, kom je geen stap vooruit

      Ook aardbeienteler Willem Dewaele uit Moerkerke-Damme speelde met het idee om extra meerwaarde naar zich toe te trekken. Hij vatte het plan op om zelfgemaakte aardbeiencocktails te commercialiseren op festivals. De verdienste van varkenshouders Peter Vermeire en Els Gille is dat ze één van de eersten waren om een authentiek varkensras in de markt te zetten. Na jarenlange selectie op authentieke varkensrassen, in combinatie met aangepaste voeding en ruime bewegingsvrijheid, lijkt dit ook te lukken. De unieke smaak werd onder meer bevestigd door een smaakpanel, samengesteld door de universiteit van Gent.

      Tien jaar later krijgt hun voorbeeld navolging. Tijdens de studiedag waarvan hierboven sprake is, meldde de Vlaamse landbouwadministratie dat nogal wat varkenshouders zelf een label ontwikkelden voor de commercialisatie van hun vlees. Met ronkende merknamen zoals Brasvar en Duke of Berkshire worden deze varkens herkenbaar anders in de markt gezet.

      Meer inspirerende voorbeelden? Het Innovatiesteunpunt maakte een overzicht van alle oud-laureaten. Inschrijven voor de Innovatiecampagne 2016 kan hier.
       

  • 125 jaar Cera

    Op onze weg naar het interview met Trees Vandenbulcke en Hannes Hollebecq van Cera werden in Leuv...
    Toon detail informatie

      CERA Bank is sinds de fusie met Kredietbank en ABB Verzekeringen tot KBC een oud begrip, maar de coöperatie Cera is springlevend. Bijna 400.000 Cera-vennoten bundelen de krachten en creëren met hun aandeel samen economische en maatschappelijke meerwaarde op drie vlakken. De coöperatie helpt, net zoals Boerenbond, bij het verankeren van de KBC Groep in ons land. Ten tweede genieten de vennoten van unieke voordelen. En ten slotte wil Cera een positieve impact realiseren in onze samenleving. Dat laatste gebeurt zowel via maatschappelijke projectwerking als specifieke dienstverlening: coöperatief ondernemen, BRS en Innovatiesteunpunt.

      Cera vindt zijn oorsprong in het ideeëngoed van Friedrich Wilhelm Raiffeisen, een Duitse burgemeester uit de 19de eeuw. De hongerwinter van 1846-1847 bracht bittere armoede in zijn regio. Raiffeisen stelde vast dat liefdadigheid geen soelaas bracht. Daarom bond hij op zijn manier de strijd aan tegen armoede. Hij koos hierbij voor een resoluut andere aanpak, namelijk zelfhulp, en bracht arme boeren samen om zichzelf en elkaar te helpen. Onderlinge solidariteit op basis van een coöperatieve structuur moest hen uit de armoede halen. In 1892 werd in België, meer bepaald in Rillaar (Vlaams-Brabant), de eerste coöperatie opgericht waaruit later CERA Bank zou groeien.

      Een introductiefilmpje vertelt dat Cera als een boom is: diep geworteld, breed vertakt en met 400.000 bladeren. Cera is zowat in elke gemeente van ons land actief. Van de 400.000 vennoten zetelen er om en bij de 900 in 45 regionale adviesraden. Met één of meerdere vertegenwoordigers per gemeente zijn de adviesraden de lokale antennes van Cera. Elke adviesraad heeft een budget om maatschappelijke projecten in zijn regio te ondersteunen, of activiteiten op touw te zetten om de banden met vennoten en andere geïnteresseerden aan te halen.

      Cera_geVILT.jpg

      Ook op nationaal niveau geeft Cera financiële steun aan maatschappelijke projecten en brengt de coöperatie via medewerkers expertise aan die projectpartners kunnen benutten. Zo werkte Cera al meermaals succesvol samen met het Netwerk Tegen Armoede. Naast deze projectontwikkeling werkt Cera aan specifieke dienstverlening: Innovatiesteunpunt, coöperatief ondernemen en BRS. BRS, die ook zijn 25ste verjaardag viert, wil vooral met deskundig advies microfinancierings- en microverzekeringsinstellingen in Afrika en Latijns-Amerika helpen. Een medewerker van KBC, al dan niet op rust, begeeft zich ter plekke voor advies van bankier tot bankier. En hij of zij kan ook rekenen op ondersteuning van Cera op vlak van organisatieontwikkeling als het coöperatieve instellingen zijn.

      “Cera investeert in welvaart en welzijn”, vatten Trees Vandenbulcke en Hannes Hollebecq samen. Zij zijn onze gesprekspartners naar aanleiding van de 125e verjaardag van de coöperatie, wat op 7 oktober uitbundig in Leuven gevierd werd met het ‘Cera City Festival’. Welvaart slaat niet alleen op het aandeelhouderschap van KBC, maar ook op de samenaankoop ten voordele van de vennoten. “We bieden allerlei producten en diensten extra voordelig aan: van huisgerief tot culturele voorstellingen en andere vormen van vrijetijdsbesteding. Samen met de wintereditie van ons magazine CeraScoop krijgen de vennoten via het voordeelmagazine CeraSelect producten aangeboden van coöperaties van eigen bodem aan een voordelige prijs: Milcobel dat instaat voor de kaaskorf, REO Veiling die de groentemand verzorgt en Ecopower de houtpellets.”

      Cera_geVILT.jpg

      Cera investeert mee in vernieuwing in land- en tuinbouw
      Wie geen vennoot is van Cera, maar actief binnen land- en tuinbouw kent de coöperatie vooral omdat ze mee aan de wieg stond van het Innovatiesteunpunt. “Cera zetelt in de stuurgroep van het Innovatiesteunpunt die inhoudelijk de lijnen uitzet. Collega Lieven Vandeputte was bij de oprichting in 2000 de eerste medewerker, en keerde terug naar Cera nadat hij jarenlang leiding gaf aan een steeds groter wordend team”, weet Trees. Sindsdien is de organisatie blijven groeien zodat het Innovatiesteunpunt inmiddels 27 medewerkers telt. Ondanks die groeisprong blijft het Innovatiesteunpunt sterk in het capteren van ideeën bij de basis, de land- en tuinbouwers, en het uitwerken daarvan tot projecten. Veel andere kenniscentra werken daarentegen top-down.

      In december start bij het Innovatiesteunpunt een consulent die zich zal verdiepen in coöperatief ondernemen in land- en tuinbouw. Algemeen wordt rond acht thema’s gewerkt, van innovatieve concepten en toekomstgericht ondernemen tot duurzame grondstoffen en emissie reduceren. Rond elk van die thema’s zal de nieuwe consulent nagaan hoe door coöperatief ondernemen er nieuwe mogelijkheden kunnen worden gecreëerd om de uitdagingen aan te gaan. Vanzelfsprekend zal er daarbij nauw samengewerkt worden met de bestaande dienstverlening coöperatief ondernemen van Cera. “Meerwaardecreatie in land- en tuinbouw, energie besparen of net duurzaam produceren, het klimaat beschermen, reststromen beter benutten, … dat zijn allemaal zaken die zich lenen tot samenwerking tussen verschillende partijen”, stelt Hannes, die uitkijkt naar het verdiepen van de coöperatieve dienstverlening ten behoeve van de landbouwsector.

      cooperatie.welkom_Cera.geVILT.jpg

      Hannes en Trees zijn binnen Cera beiden actief in de dienstverlening coöperatief ondernemen, die bij de start vijf jaar geleden de naam ‘Coopburo’ kreeg en nu terug haar plaats krijgt onder het merk Cera. Cera informeert, inspireert en adviseert over coöperatief ondernemen. Ze organiseren vorming en ontmoeting rond coöperatief ondernemen. Ieder jaar worden cursussen voor ondernemers en bestuurders van coöperaties georganiseerd, van een starterscursus (Coop Workshop) tot cursussen voor bestuurders van coöperaties en in-company-trainingen rond betrokkenheid van coöperanten. Aanvullend zijn er ontmoetings- en uitwisselingsmomenten voor coöperaties, zoals een bezoek aan het warmtenetwerk van Malempré waarvan VILT in 2015 verslag uitbracht. Jaarlijks brengt Cera ook alle bestuurders en directeurs van de landbouwcoöperaties samen voor een studiemoment. Nieuwe en bestaande coöperaties kunnen bij Cera, onder het label Cera Coopburo, terecht voor advies en begeleiding.

      Voor wie doet Cera de coöperatieve dienstverlening?
      “De rode draad doorheen onze werking is dat we heel het ‘ecosysteem’ rond coöperatief ondernemen willen voeden”, zegt Trees. “Dat begint bij onderzoek en onderwijs en bij het informeren van starters over coöperatief ondernemen. We helpen coöperaties in elke fase, bij de start, de groei en eventueel ook het einde ervan.” Op jaarbasis begeleidt Cera een 40-tal coöperaties, waarvan driekwart nieuw is. “Zeker in de opstartfase is de begeleiding intensief”, aldus Trees. Naar het bredere publiek toe worden coöperaties in de schijnwerpers geplaatst, want lang niet iedereen kent het coöperatieve model, of weet wat het in de praktijk kan betekenen. “In tal van sectoren kunnen een aantal prangende uitdagingen beter samen aangepakt worden”, zegt Hannes.

      Dataverzameling over coöperaties draagt bij tot de informatieopdracht van Cera. Bij het begin van de zomer zette Cera samen met adviesbureau Febecoop in de verf dat België meer dan 25.000 coöperatieve vennootschappen telt met een gezamenlijke omzet van 22,5 miljard euro. Voor de primaire sector kon er uitgepakt worden met een stijging van het aantal coöperaties. Het aantal cvba’s steeg van 109 in 2010 naar 124 in 2015, wat straffer is als je weet dat een aantal landbouwcoöperaties ondergebracht zijn in de sectoren industrie (bv. Milcobel).

      Langemark.zuivel.melkophaling_Milcobel.geVILT.jpg

      Het grote aantal coöperaties in België verdient wel enige nuancering, geeft Hannes toe: “De keuze voor een cvba werd in het verleden ook gemaakt vanwege zijn juridische flexibiliteit. Door de hervorming van het vennootschapsrecht zal de bvba flexibeler worden dan vroeger, en dus eerder in de smaak vallen. Omdat niet alle cvba’s ‘echte’ coöperaties zijn, kunnen die laatste zich als dusdanig onderscheiden door een erkenning voor de Nationale Raad voor de Coöperatie.”

      “We willen ook meer wetenschappelijk onderzoek rond coöperatief ondernemen stimuleren. Hiervoor werken we structureel samen met de universiteiten van Leuven en Luik”, vervolgt Hannes. “Een aantal onderzoekers bekwamen zich daar binnen hun eigen vakgebied al langer in. Het nieuwe motto is onderzoeksinspanningen clusteren en meer over faculteitsgrenzen heen samenwerken. Daartoe heeft KU Leuven samen met Boerenbond en Cera het ‘Kenniscentrum Coöperatief Ondernemen’ opgericht, dat het onderzoek coördineert en specifieke academische opleidingen lanceert. Vanaf het tweede semester kunnen bachelor-studenten Toegepaste Economie aan de KU Leuven het keuzevak ‘Sociaal en coöperatief ondernemen’ volgen. Volgend academiejaar komt er een ‘Postgraduaat coöperatief ondernemen’ voor bestuurders en managers van coöperaties.”

      Coöperatief ondernemen voor dummies
      Zo sterk hoeft een journalist zich niet in een onderwerp te verdiepen want we krijgen van Hannes een spoedcursus coöperatief ondernemen: “Bij het woord coöperatie denken mensen meestal aan burgercoöperaties zoals Cera er één is, en bijvoorbeeld ook Ecopower of een consumentencoöperatie zoals COOP-apotheken. Van uitgeverij Acco beseffen mensen niet altijd dat de klantenkaart eigenlijk een aandeel in de coöperatie is. Maar er zijn nog andere types. Wij onderscheiden er vier, naargelang de vennoten. Zo zijn er ook werkerscoöperaties: ondernemingen in handen van zij die er werken, hetzij zelfstandigen of werknemers, bv. een coöperatie van thuisverplegers in het Leuvense, maar ze duiken in steeds meer sectoren op. Ten derde ondernemingencoöperaties die de bedrijfsvoering op één of meerdere aspecten samen laten verlopen. Denk bijvoorbeeld aan boeren van Au Panier Vert die via een kortere keten hun producten verkopen, aan de telers die de ganse keten willen integreren in hun coöperatie, of land- en tuinbouwers die samen ‘big data’ gaan beheren. Voorbeelden zijn er ook genoeg buiten de landbouw: Doccle, Febelco, elektroketen Selexion, de aankooporganisatie voor zelfstandige doe-het-zelf-zaken Meno group, drankenspecialist Prik&Tik, enz.

      Een vierde, maar ook minder vaak voorkomend model – omdat bepaalde marktconflicten binnen de coöperatie beslecht moeten worden – is de multistakeholdercoöperatie waarin twee of meerdere groepen stakeholders de aandeelhouders zijn. Denk bijvoorbeeld aan de biodynamische boerderij De Wassende Maan, waar niet alleen enkele medewerkers, maar ook tientallen klanten vennoot zijn. De coöperatieve kaasmakerij Het Hinkelspel uit Sleidinge/Gent is ook een voorbeeld. De meeste werknemers zijn coöperant en omdat zij een duurzame relatie willen met hun leveranciers van biologische koe- en geitenmelk kunnen ook zij vennoot worden, evenals de klanten. In tijden waarbij diverse spelers uit de voedingssector op zoek zijn naar duurzamere relaties met diverse spelers in de keten, zijn dit ongetwijfeld inspirerende voorbeelden … ”

      cooperatie.groenteafzet.korteketen_Cera.geVILT.jpg

      In haar dienstverlening ervaart Cera dat ondernemende mensen uit heel diverse sectoren de voordelen van samenwerken ontdekken, al gebeurt dat soms pas wanneer de nood heel hoog is. Hannes verwijst met een knipoog naar de immobiliënsector waar sommige makelaars tot voor kort niet door dezelfde deur konden. “Dat veranderde toen ze zich blauw betaalden om hun immozoekertjes op populaire online platformen zoals Immoweb te plaatsen”, vertelt hij. “Als tegenreactie zijn 70 makelaars anderhalf jaar geleden met hun eigen zoekertjessite gestart: IMMOSCOOP. Ondertussen is het aantal leden van deze coöperatie al aangedikt tot 500. Zo zie je maar, als er echt nood aan is, dan wordt het coöperatieve model een natuurlijke vorm van ondernemen. Dat is uiteraard niet altijd een garantie op een blijvend succes.”

      Lees ook: Is de coöperatie nog 'sexy' in de hoofden van land- en tuinbouwers?

      Bedenk redenen waarom het samen wél kan lukken
      Of Vlaamse boeren en tuinders ‘coöperatiegezind’ zijn in vergelijking met hun Europese collega’s, willen we weten. Hannes vertelt dat hij in de AgroCampus-opleiding voor starters altijd de vraag stelt waarom er in Frankrijk meer machineringen zijn dan bij ons. “Het meest voorkomende antwoord is dat het weer in Frankrijk beter is, en er dus meer tijd is voor de veldwerkzaamheden. Dat laat het delen van machines eenvoudiger toe.” Klinkt logisch, maar het strookt volgens Hannes niet – geheel – met de werkelijkheid. “Een bezoek aan een machinering in Lille leerde dat de ledenaantallen van machineringen in het noorden van Frankrijk niet kleiner zijn dan in het zuiden van het land. In Lille regent het even vaak als in Roeselare, dus kan het weer niet alleen de verklaring zijn.”

      Cuma.machinering.cooperatie_Cera.geVILT.jpg

      Wat speelt er dan wel? Om te beginnen een cultuurverschil, want samenwerken moet je willen en boeren mogen elkaar dan niet (alleen) als concurrenten zien. In Frankrijk wordt lid zijn van de ‘Cuma’ van vader op zoon doorgegeven. Een rationeel verschil is dat er in Vlaanderen meer loonwerkers actief zijn die het werk op het veld kostenefficiënt voor hun rekening kunnen nemen. Over de Fransen wil Hannes nog kwijt dat ze veel chauvinistischer zijn dan de Belgen, en de coöperatie bijvoorbeeld uitspelen als een verkoopargument. “Op het etiket van groenten staat dan aangeduid: ‘fait partie d’une coopérative agricole’. Iets wat je bij ons nooit zal zien. Het keurmerk Flandria benadrukt de kwaliteit van eigen bodem, maar veel minder tot niet dat de verse groenten afkomstig zijn van leden-telers van coöperaties.” Stilaan komt daar volgens Trees verandering in, en zie je bijvoorbeeld dat Veiling Hoogstraten zijn naam wijzigde in Coöperatie Hoogstraten. Ook Vlamingen kunnen dus fier zijn op ‘hun’ coöperatie!

  • 20 jaar VILT

    3 mei 1996. Dat is de datum die op de oprichtingsstatuten staat van het Vlaams Infocentrum Land- ...
    Toon detail informatie

      Stichting Public Relations voor de Landbouw
      Hoewel 3 mei 1996 als datum op de oprichtingsakte van VILT staat, werd de kiem voor de organisatie heel wat vroeger gelegd. “We voelden al langer aan dat het landbouwimago echt niet goed was”, herinnert André Smout, toenmalig PR Officer van Boerenbond en medestichter van de voorloper van VILT, zich. In de jaren ’70 en ’80 waren er dan ook heel wat problemen: de kost van het landbouwbeleid rees de pan uit, er ontstonden melkplassen en boterbergen en de milieudruk van landbouw nam almaar toe. De kloof tussen landbouw en maatschappij was gigantisch geworden.

      Ook Marc De Baeremaeker, toenmalig secretaris-generaal van het landbouwministerie, en René Piot, toenmalig directeur-generaal van de Nationale Dienst voor de Afzet van land- en tuinbouwproducten (NDALTP), deelden het gevoel van André Smout en waren ervan overtuigd dat de sector actie moest ondernemen om zijn imago te verbeteren. Maar in de tijdsgeest van toen was het absoluut niet evident om de neuzen in dezelfde richting te krijgen. Zeker omdat samenwerking vereist dat er ook een stuk autonomie moest opgegeven worden. Daarom werd er eerst jarenlang informeel samengewerkt rond bepaalde initiatieven. Wanneer het imago van de sector verder achteruit gaat, groeit die informele samenwerking uit tot iets structureel.

      Agrinfo_geVILT.jpg

      In 1991 werd de Stichting Public Relations voor de Landbouw opgericht, afgekort kreeg de vzw de naam Agrinfo. Het doel: de vervreemding tussen boer en burger afremmen. Dat moest onder meer gebeuren met brochures over de Belgische landbouw, diamontages en educatieve initiatieven over land- en tuinbouw. Ook de stickercampagne met de slogan ‘Geen landbouw zonder toekomst, geen toekomst zonder landbouw’ is van de hand van Agrinfo. Een ander belangrijk wapenfeit van Agrinfo is de uitvoering van een kwalitatief onderzoek naar het imago van de Vlaamse land- en tuinbouw. Kort na de oprichting, in 1992, worden diverse doelgroepen door Censydiam in de diepte ondervraagd over hoe zij denken over land- en tuinbouw. Hoewel je een kwalitatief onderzoek niet mag veralgemenen, wordt toch al snel duidelijk dat er iets grondig mis is met het imago van de Belgische landbouw: bijna de helft van de ondervraagde Vlamingen percipieert de sector als negatief of zeer negatief.

      De vierde staatshervorming
      De Sint-Michielsakkoorden die in 1993 de vierde staatshervorming regelen, beslisten dat landbouw een regionale bevoegdheid zou worden. Stapsgewijs werden alle landbouwdiensten geregionaliseerd, zo ook Agrinfo. Het Vlaams Informatiecentrum voor Land- en Tuinbouw, kortweg VILT, wordt de Vlaamse invulling van Agrinfo. De organisatie krijgt als missie “met alle middelen inzake informatie en public relations, een betere kennis van en begrip voor de landbouw, in de meest ruime zin van het woord, te bevorderen”. Op 3 mei 1996 wordt VILT boven de doopvont gehouden en volgens de oprichtingsstatuten telt VILT vijf ‘founding fathers’: Camiel Adriaens, toenmalig voorzitter van ABS, Roger Cornelissen als voorzitter van UGEXPO, de voorloper van Fedagrim, Noël Devisch, toenmalig voorzitter van Boerenbond en Alfons Van der Voorde, in die tijd directeur-generaal van Vlaamse Administratie Land- en Tuinbouw. Dat is wat officieel vermeld staat, maar achter de schermen droegen heel wat meer mensen een steentje bij om VILT op de rails te krijgen.

      Eric Van Rompuy was als Vlaams landbouwminister (1995-1999) de eerste voogdijminister van VILT. Hij was overtuigd van het belang van een dergelijke organisatie en gebruikte zijn netwerk en titel om andere organisaties te overtuigen om lid te worden en zo VILT een financieel steuntje in de rug te geven. Van in het begin is VILT een samenwerking tussen publieke en private instanties. Zo kon het op de steun rekenen van onder meer de landbouwadministratie, de vijf Vlaamse provincies, Boerenbond, ABS, BEMEFA, Fedagrim, KBC en het toenmalige Landbouwkrediet. Samen brachten zij jaarlijks om en bij de 11 miljoen Belgische frank of zo’n 275.000 euro bij elkaar om de werking van VILT te ondersteunen.

      Net als zijn voorganger investeert VILT al vrij snel in een imago-onderzoek dat richting moest geven aan toekomstige acties. In het voorjaar van 1997 raakte bekend dat de algemene perceptie van de landbouw bij de Vlaamse bevolking overwegend negatief is. Vooral de manier waarop de landbouwer met zijn dieren omgaat en de impact van de sector op het milieu, zorgen voor de negatieve houding. “Eén ding staat vast, de objectieve informatie die VILT aanbiedt, beantwoordt aan een dringende noodzaak”, schreef Eddy Verbeke, de eerste voorzitter van VILT, in VILT-Info. Deze publicatie werd zes keer per jaar opgestuurd naar 3.000 ‘decision makers’, zoals beleidsmakers, politici, pers, ngo’s, enz., opdat zij een correct beeld zouden krijgen van de hedendaagse land- en tuinbouw. Naast deze VILT-Info ontwikkelde VILT ook een interactieve kindertentoonstelling BOE!!!R. Die was gericht op kinderen van 8 tot 12 jaar en werd gratis uitgeleend aan scholen, bibliotheken en culturele centra.

      Boe!!r mobiele tentoonstelling_geVILT.jpg

      Aanvankelijk draaide de werking van VILT op een administratieve arbeidskracht, Dorien Van de Velde, en op een voorzitter die op vrijwillige basis voor VILT actief was. Een redacteur aanwerven was op dat ogenblik financieel niet haalbaar. Redactionele output werd daarom extern aangekocht, onder meer bij Field Communication waar Jef Verhaeren de stuwende kracht was. Als perschef van Paul De Keersmaeker, staatssecretaris van Landbouw en Europese Zaken in de periode 1982-1990, stond Jef mee aan de wieg van Agrinfo en later ook van VILT. Via Field Communication kon VILT zich verzekeren van goedkope, maar bovenal correcte en objectieve informatie over landbouw.

      Centrum voor crisiscommunicatie
      In het voorjaar van 1999 breekt de dioxinecrisis uit, en net zoals voor zoveel zaken in de landbouw, betekent dit ook voor VILT een kantelpunt. Enerzijds werd duidelijk dat een informatiecentrum zonder eigen redactie niet kort genoeg op de bal kan spelen. Daarom wordt een vacature uitgeschreven en op 1 juli 1999 komt Koen Symons in dienst als informatieverantwoordelijke. De bestuurders hadden toen het idee opgevat dat VILT moest fungeren als centrum voor crisiscommunicatie. Daarvoor moesten er over allerhande thema’s achtergronddossiers worden aangelegd zodat die in geval van een crisis naar media, overheid en het publiek kunnen gecommuniceerd worden. Tegelijk werd VILT naar voor geschoven om bij een crisis de informatie en standpunten van de leden te coördineren en op elkaar af te stemmen. Tussen crises door moest VILT “gepaste, objectieve informatie verspreiden naar de pers”.

      “Dat idee mag je vrij letterlijk nemen”, herinnert Koen Symons zich. Samen met Alfons Van der Voorde, de directeur-generaal van de landbouwadministratie, pluisde hij tijdens zijn eerste werkweken de statistieken uit om een artikel te schrijven over de economische relevantie van de Vlaamse varkenshouderij. “We goten die informatie in een vlot leesbaar artikel met de nodige cijfers over de varkenssector en verstuurden dit naar alle Vlaamse media. ’s Anderendaags bleek echter geen enkele krant het bericht opgepikt te hebben.” Voor Koen maakte deze case pijnlijk duidelijk dat het aanleveren van informatie aan andere media in de hoop dat die overgenomen wordt, niet werkt. “VILT moest zelf een kanaal oprichten en informatie over de sector verspreiden”, klinkt het. De keuze voor een website was in het begin geen evidentie want websites in die tijd waren statisch en weinig gebruiksvriendelijk, maar het was wel de enige juiste. “De snelheid en flexibiliteit van het web zijn van in het begin grote troeven geweest. Wij waren toen ook het enige kanaal dat informatie over landbouw verspreidde via een website.”

      website VILT prototype 2001_geVILT.jpg

      Via nieuwsberichten en duiding over land- en tuinbouw, gekoppeld aan een digitale nieuwsbrief, ging www.vilt.be er op vlak van bezoekerscijfers zodanig op vooruit dat er al snel meer en meer tijd in werd geïnvesteerd. “Want voor alle duidelijkheid, van een dagelijks nieuwsoverzicht zoals we dit nu kennen, was toen nog geen sprake. Gemiddeld werden er twee berichten per dag verspreid en er waren toen ook nog heel wat dagen zonder nieuws”, vertelt Koen. Gaandeweg moest men ook het idee over crisiscommunicatie laten varen, want de ervaring leerde dat bij een crisis de achtergronddossiers die klaar lagen in de schuif, toch geen meerwaarde waren omdat de invalshoek bijvoorbeeld anders was.

      Financiële moeilijkheden
      Waar de dioxinecrisis een nieuwe inhoudelijke koers voor VILT betekende, was het ook het begin van een financieel erg onzekere periode. Wanneer Vera Dua van de toenmalige groene partij Agalev (vanaf 2003 Groen!, nvdr) Vlaams minister van Landbouw en Leefmilieu wordt, schroeft ze de overheidstoelage aan VILT met twee derde terug. Het is onder meer door de niet-aflatende inzet en overtuigingskracht van Roger Cornelissen die van 2001 tot 2005 voorzitter was van VILT, dat de organisatie kon blijven voortbestaan.

      Cruciaal was ook de overeenkomst die hij met Cera wist af te sluiten. Drie jaar op rij zou VILT in opdracht (en met financiering) van Cera telkens uitgebreid aandacht besteden aan een actueel thema: voedselveiligheid, biomassa en dierenwelzijn passeerden de revue. Deze projectwerking, gecombineerd met de toenemende werktijd die de VILT-website vereiste, maakte een nieuwe aanwerving nodig. Griet Lemaire die als licentiaatsstudente aan de Universiteit Gent in 2002 een nieuw onderzoek deed naar het imago van de Vlaamse land- en tuinbouw, wordt halfweg 2003 aangeworven als projectverantwoordelijke. Ze begeleidt naast het Cera-project ook een aantal initiatieven rond landbouweducatie.

      VILT heeft in zijn communicatie steeds gefocust op de opinion leaders en het brede publiek, maar gaandeweg voelt het de noodzaak om ook de land- en tuinbouwers zelf te bereiken. “Enerzijds had de imagostudie uit 2002 uitgewezen dat de boer op veel meer sympathie van de Vlaming kon rekenen dan de sector en dus leek het ons beter om landbouwers in te schakelen in de communicatie over hun sector. Anderzijds voelden we ook aan dat er een kloof was tussen de ‘best practices’ en innovatie die wij volop in onze communicatie aan bod lieten komen en een groot deel van de land- en tuinbouw. We waren ervan overtuigd dat land- en tuinbouwers inspiratie konden putten uit deze goede praktijken. Ook leek het ons belangrijk dat boeren meer aandacht kregen voor wat er leeft in de maatschappij zodat zij daar rekening mee kunnen houden in hun bedrijfsvoering”, motiveert Griet. Gezien de budgettair moeilijke tijden is het wachten tot Yves Leterme in 2005 de taak van minister-president combineert met de bevoegdheid Landbouw. Hij wil het ondernemerschap en verjonging in de sector stimuleren en land- en tuinbouwers terug de nodige fierheid bezorgen over zichzelf. Om die reden versterkt hij de werking van VILT en geeft de opdracht om ook land- en tuinbouwers te benaderen om al deze doelstellingen te realiseren.

      Landgenoten en Buiten Adem
      Buitenkans, het blad dat in opdracht van Vera Dua werd uitgegeven door de Vlaamse landbouwadministratie, verdwijnt en VILT start – met de helft van het budget – met een eigen magazine voor de Vlaamse land- en tuinbouwers: Landgenoten. Vier keer per jaar valt het gratis in de bus van alle boeren. Ondernemerschap, verjonging, marktgerichtheid en beroepsfierheid zijn de vier kernwoorden waar Landgenoten rond draait.

      Landgenoten_geVILT.jpg

      Tegelijk met dit blad vernieuwt VILT ook zijn bestaande blad VILT Info dat nog steeds gericht was naar opinion leaders. Het wordt hervormd naar een folder die de naam Buiten Adem krijgt en gericht is naar een breed publiek. Buiten Adem vol staat met weetjes, tips en boeiende verhalen over de hedendaagse landbouw. Via Landgenoten worden land- en tuinbouwers aangespoord om Buiten Adem te verdelen onder hun klanten, bezoekers, de school van de kinderen, buren, vrienden, enz. Op die manier kunnen zij zelf werken aan het imago van hun sector. VILT heeft immers geen budget om grote mediacampagnes met dat doel op te zetten. Een andere geslaagde actie in dat kader zijn de T-shirts met opvallende slogans die via Landgenoten werden uitgedeeld. Onder meer ‘Dit prachtige lichaam wordt gevoed door onze boeren en tuinders’ of ‘Je mag het allemaal weten mijn papa is boer en zorgt voor je eten’¬¬ waren slogans die menig ‘landbouwlijf’ hebben gesierd.

      Ondertussen groeit de nood aan een extra arbeidskracht. Niet alleen heeft VILT met Landgenoten een nieuw medium dat van inhoud moet worden voorzien, ondertussen kruipt er ook steeds meer energie in het up-to-date houden van de website. De dagelijkse nieuwsbrieven bevatten ondertussen met gemak 10 artikels en André Smout die na zijn beroepscarrière bij Boerenbond nog freelance bijspringt op de redactie van VILT, is stilaan vragende partij om die activiteit af te ronden. In 2006 komt Marijke Pollentier VILT vervoegen en voor het eerst telt de organisatie drie medewerkers.

      Het land van melk en honing
      Een jaar later volgt een nieuw scharniermoment in de geschiedenis van VILT. Een nieuwe imagostudie, opnieuw in samenwerking met de Universiteit Gent, brengt aan het licht dat het imago er nog verder op vooruitgaat. Hoewel de perceptie van de Vlaming over landbouw globaal genomen een heel stuk beter is dan tien jaar voordien, blijft er kritiek op vlak van milieu en dierenwelzijn. Bovendien lijken vooral hoog opgeleide vrouwen uit een meer verstedelijkte omgeving heel kritisch voor landbouw te zijn. Deze vaststellingen doen VILT beslissen om de folder Buiten Adem meer op deze doelgroep te enten.

      website VILT 2009_geVILT.jpg

      In het najaar van 2007 ziet Melk & honing het levenslicht. Als vrouwvriendelijk blad met een hoog infotainment-gehalte wil het de kritische lezer aanzetten om het Vlaamse platteland te gaan ontdekken. Als kers op de taart krijgt ook VILT een facelift. Het bestaande logo met geel, groen en zwart wordt vervangen door een eigentijdser bruin-blauw logo en de naam wordt van Vlaams Informatiecentrum over Land- en Tuinbouw ingekort tot Vlaams infocentrum land- en tuinbouw. Een jaar later wordt ook de website in de nieuwe huisstijl gestoken. In 2010 zet VILT zijn eerste stappen op sociale media zoals Facebook en Twitter.

      Het is onder de leiding van Dirk Lips, ethicus en professor aan de Katholieke Hogeschool Sint-Lieven, dat deze inhoudelijke vernieuwingen plaatsvinden. Hij werd in 2005 als eerste externe verkozen door de raad van bestuur als voorzitter. Na een aantal interne strubbelingen stelt hij zichzelf ook tot taak om VILT als organisatie verder op punt te stellen. Hij vormt daarvoor een tandem met André Smout. De missie en doelstellingen van VILT worden verfijnd en er wordt een redactiestatuut aangenomen dat de redactie moet beschermen van inmenging door beheerders of van buitenaf. Na het vertrek van Koen Symons en Marijke Pollentier wordt Griet Lemaire benoemd tot directeur en worden Wim Fobelets en Nele Jacobs aangetrokken om respectievelijk hoofdredacteur van www.vilt.be en hoofdredacteur van Melk & honing te worden. “Met deze nieuwe, jonge ploeg en een stevige structuur is mijn taak als voorzitter van VILT volbracht”, sprak Dirk in 2011 de raad van bestuur toe. Hij geeft de fakkel door aan professor emeritus Josse De Baerdemaeker.

      Imagostudie 2012 Gino Verleye_geVILT.jpg

      In 2012 volgt, opnieuw vijf jaar na het vorige imago-onderzoek, een nieuwe studie in samenwerking met professor Verleye van de UGent. Die bevestigt de positieve tendensen van de studie van vijf jaar eerder: de bewondering voor landbouwers neemt nog toe, steun vanuit de overheid voor de sector moet kunnen en landbouwers zijn vandaag de dag allesbehalve laag geschoold. Tegelijk blijft er een groep behoorlijk kritisch. Zij zien het liefst van al een landbouw die werkt op het ritme van de seizoenen, liefst helemaal biologisch en zonder ggo’s. Zij willen ook dat het contact met de boer versterkt wordt. Het gaat vooral over hoger opgeleide mensen en ook jongeren.

      Veranderend mediagebruik
      Een combinatie van deze bevindingen en het sterk veranderende mediagebruik doen VILT besluiten dat een magazine als Melk & honing niet de meest aangewezen manier is om deze doelgroep van kritische consumenten te bereiken. Er wordt gekozen voor een multimediaal platform dat de naam Veldverkenners krijgt. De website www.veldverkenners.be beantwoordt vragen zoals hoe milieu- en diervriendelijk zijn landbouwtechnieken, hoe veilig en gezond is ons voedsel en waar kan je van de boerenbuiten en hoevespecialiteiten genieten. Via leuke posts op sociale media wordt de bezoeker naar die website gelokt. Een boekje dat twee keer per jaar gratis verspreid wordt door land- en tuinbouwers biedt achtergrondinformatie over de sector. Er wordt telkens gemikt op een hoge archiefwaarde: wat gebeurt er maand per maand op landbouwbedrijven?, hoe bepaalt de bodem het uitzicht van een bepaalde streek in Vlaanderen?, wat is de toekomst van de landbouw?, enz. Heel wat leerkrachten maken er dankbaar gebruik van in hun lessen.

      Het veranderd mediagebruik is ook de aanleiding om de werking van Landgenoten en VILT.be bij te sturen. Na 9 jaargangen Landgenoten, 36 nummers en drie restylings komt er een beetje sleet te zitten op de formule. Het gebrek aan interactiviteit met de lezer doet VILT afstappen van een printmedium. Met VILT TeeVee wordt er gekozen voor bewegend beeld: zes keer per jaar wordt een tv-uitzending van een half uur gemaakt, opgedeeld in afzonderlijke rubrieken met elk een eigen invalshoek. Die uitzending wordt geprogrammeerd op de digitale zender PlattelandsTV die vanaf eind 2013 een eigen kanaal krijgt bij Telenet. Tegelijk worden alle rubrieken ook op de website van VILT en sociale media geplaatst. Op die manier wordt VILT TeeVee complementair met de bestaande media van VILT. Michiel Van Meervenne wordt als vierde kracht aangetrokken om dit tv-project mee in goede banen te leiden.

      Tot slot wordt ook VILT.be onder handen genomen. Het toenemend gebruik van smartphones en tablets vergt niet alleen een ander soort website, het legt ook een aantal nieuwe inhoudelijke eisen op. “Informatie moet altijd en overal beschikbaar zijn. Het nadeel is vaak dat het moeilijk in te schatten is hoe betrouwbaar die informatie is. Daar is een belangrijke rol voor VILT weggelegd: duiden, nuanceren en dieper graven. Op die manier zorgt VILT ervoor dat iedereen die professioneel betrokken is bij de land- en tuinbouwsector beschikt over objectieve en correcte informatie”, zei Josse De Baerdemaeker bij zijn aantreden als voorzitter.

      VILT op Agribex 2015_geVILT.jpg

      Daarmee worden vandaag drie doelgroepen bediend: de professionele informatiezoeker vindt zijn gading op de website van VILT, Veldverkenners mikt op een breed publiek en met VILT TeeVee bereikt VILT naast de land- en tuinbouwers, ook de andere plattelandsbewoners. “Maar het werk van VILT is geenszins af. De crisis in de sector en de claims die allerhande partijen leggen op landbouw, maakt het belangrijker dan ooit dat iemand verslag uitbrengt van het altijd voortdurende debat over landbouw en voeding . Een taak die VILT bereid is om ook de komende 20 jaar op te nemen”, aldus nog Josse De Baerdemaeker.

      Naar aanleiding van zijn jubileum blikt VILT terug op 20 jaar landbouwactualiteit, vissen we oude foto's opnieuw op en spreken enkele prominente personen zich uit over de organisatie.

  • 2015 is 'Internationaal Jaar van de Bodem'

    In het Internationaal Jaar van de Bodem ontbreekt het niet aan sensibilisering van hogerhand rond...
    Toon detail informatie

      Flevoland wordt de groentetuin van Europa genoemd vanwege zijn vruchtbare bodem. Dit voorjaar kwam vanuit Nederland het alarmsignaal dat de bodemkwaliteit er structureel afneemt. Het liberaliseren van de pacht leidt in Nederland tot steeds kortere pachtperiodes, met hogere pacht- en grondprijzen. Dat verplicht landbouwers tot het telen van de financieel meest aantrekkelijke gewassen. Voor granen die de bodem ‘rust gunnen’, is geen plek meer in de teeltrotatie. Intensieve teelten als wortelen, aardappelen en bloembollen volgen elkaar kort op en dat laat (letterlijk en figuurlijk) sporen na. Zware oogstmachines en de afvoer van rooivruchten met aanhangwagens verhakkelen vooral in natte seizoenen de bodemstructuur.

      Op de bloembollen na lijkt de Nederlandse situatie niet verschillend van die in Vlaanderen. De landbouwbodem heeft het ook bij ons zwaar te verduren en dat heeft vele redenen. Tractoren en machines worden almaar zwaarder. Groter schoeisel (banden, nvdr.) kan in veel gevallen niet vermijden dat landbouwmachines de bodem zwaarder belasten. Bovendien gaat het werk altijd door, in goede en slechte weersomstandigheden. In het voorjaar zijn boer en loonwerker gehaast om drijfmest uit te rijden. Wachten met ploegen tot na de Paasvakantie is lastig want dan zit zoonlief weer op school terwijl je daar zo’n goede hulp aan hebt. En in het najaar is de oogstplanning van de suikerfabriek en de verwerkers van diepvriesgroenten zo strak dat de loonwerker zich geen dag weerverlet meer kan permitteren. De zorg voor de bodem moet dan wijken voor dat ene doel, het gewas van het veld halen.

      aardappelveld.bodemstructuur_LoonwerkDefour.geVILT.jpg

      Aardappeltelers hebben het oogstproces vaak wel in eigen handen maar schaalvergroting vloekt in deze sector met bodemzorg. Wie zelf rooit, heeft meestal geen tijd op overschot en slaat niet graag een week over vanwege de nattigheid. En wie eerlijk is met zichzelf zal toegeven dat de bodemstructuur niet de eerste zorg is bij een seizoenpacht. Van een actieve landbouwer die zelf grond in seizoenpacht voor aardappelen geeft, herinneren we ons volgende uitspraak: “Aardappeltelers betalen zo’n hoge som aan seizoenpacht omdat de vergoeding voor het naar de vaantjes rijden van de grond inbegrepen is.” Na maïs is het met de bodem vaak niet veel beter gesteld, onder meer omdat de teelt relatief laat in het seizoen geoogst wordt en opduikt op nattere percelen waar problemen bij de oogst zich laten voorspellen.

      Bodemverdichting krijgt aandacht op Werktuigendagen
      Of zijn we nu te negatief op basis van eigen waarnemingen? We vroegen het Davy Vandervelpen van de Bodemkundige Dienst van België en trokken het voorbije weekend naar de Werktuigendagen met bijzondere aandacht voor bodemzorg. In Oudenaarde werden we aangenaam verrast door de vele oogstmachines (maïshakselaars, bietenrooiers) die uitgerust waren met een bandendrukwisselsysteem. De eigenaars van deze machines, loonwerkers die oogsten in opdracht van landbouwers, zijn dus bereid om te investeren in de bodem. Ze doen dat op vraag van hun klanten die bezorgd zijn om de bodemstructuur. Op de stand van de Vlaamse overheid in Oudenaarde had een ILVO-onderzoeker het over “een toekomstgerichte investering om het opbrengstpotentieel van een landbouwperceel veilig te stellen”.

      bandendruk.bodem_geVILT.jpg

      Aan de belangstelling voor de demonstratieopstelling van ILVO zal het niet gelegen hebben. Heel wat bezoekers van de Werktuigendagen namen met veel interesse kennis van het effect van het verlagen van de bandendruk. De druk verlagen van 1,9 naar 0,5 bar vertaalde zich voor de zaaicombinatie met een tractor op 90 centimeter brede banden in 37 procent minder bodemdruk per cm² en 27 procent minder insporing. Omdat tractorbanden oppompen of aflaten een tijdrovend werkje is, beschikt de ILVO-tractor over een bandendrukwisselsysteem. Daarmee kan je de bandendruk eenvoudig laten variëren naargelang je het veld of de openbare weg op moet. Praktisch zijn er geen bezwaren, financieel wel want de investering van 7.500 euro laat zich maar op langere termijn terugverdienen. Bij het effect van een gezondere bodem die hogere opbrengsten genereert, mag je weliswaar nog een lager brandstofverbruik tellen bij een optimale bandenspanning.

      Is de toegenomen aandacht op de Werktuigendagen voor de bodemkwaliteit een goede afspiegeling van de praktijk? De Bodemkundige Dienst van België (BDB) lijkt het best geplaatst om op die vraag te antwoorden. Davy Vandervelpen, actief als adviseur bij BDB, staat met twee benen in de praktijk. Hij deelt zijn ervaringen ten velde: “Als je me vraagt of het thema bodem leeft bij de landbouwers, dan moet ik toegeven dat het aantal vragen dat we krijgen in verband met de gewijzigde mestwetgeving veel groter is. Dat neemt niet weg dat we regelmatig de vraag krijgen hoe het organische stofgehalte van een perceel verhoogd kan worden. Landbouwers willen de bodemvruchtbaarheid opkrikken. Die boodschap krijgen ze ook via het landbouwbeleid, maar ze voelen zich soms gedwarsboomd in hun goede intenties door het mestbeleid.”

      stalmest_geVILT.jpg

      Het organische stofgehalte van de bodem is één van de belangrijkste kwaliteitskenmerken van landbouwgronden. Organische stof is zo belangrijk omdat het invloed heeft op zowel de fysische als chemische eigenschappen van de bodem evenals op het microbiële leven van de microflora en -fauna. Organisch materiaal is bepalend voor de bodemstructuur en daarmee samenhangend de drainage en doorlaatbaarheid. Voldoende organisch materiaal gaat verslemping van de bovenlaag tegen, zorgt voor een betere zuurstoftoestand in de bodem en is een wapen tegen erosie. Verder zorgt een hoog organische stofgehalte ervoor dat het waterbergend vermogen verhoogd wordt, wat voornamelijk in lichtere gronden van belang is. Het sorptiecomplex van organisch materiaal zorgt ervoor dat meer nutriënten vastgehouden worden en nadien ook weer geleidelijk beschikbaar gesteld aan de teelt.

      Koolstofgehalte als waardemeter voor bodemvruchtbaarheid
      Door de Bodemkundige Dienst wordt niet het gehalte aan organisch materiaal maar wel het percentage koolstof bepaald op de bodemstalen. Daarbij wordt aangenomen dat het organisch materiaal in de bodem gemiddeld 58 procent koolstof bevat. Davy Vandervelpen vat de meetresultaten samen: “Tot het eind van de jaren ’90 had de helft van de stalen een gunstig koolstofgehalte maar het aandeel bodemstalen met een te laag koolstofgehalte groeide. Na de eeuwwisseling zet de verdere koolstofafname zich door. In 2004-2007 heeft meer dan de helft van de bemonsterde percelen al een te laag koolstofgehalte en worden humusrijke percelen stilaan een zeldzaamheid. Tussen 2008 en 2011 is er opnieuw een verbetering merkbaar. De helft van de percelen zat opnieuw in de streefzone. Het percentage akkers met een koolstofgehalte beneden de streefzone daalde van 52 naar 35 procent. Begin 2016 wordt er een nieuw bodemvruchtbaarheidsoverzicht gepubliceerd over de periode 2012-2015.”

      groenbedekking_geVILT.jpg

      De positieve evolutie wordt door de experten van de Bodemkundige Dienst toegeschreven aan de responsabilisering van de Vlaamse land- en tuinbouwers en het ingeburgerd geraken van maatregelen zoals groenbedekking, het inwerken van teeltresten en niet-kerende grondbewerking. Vandervelpen ervaart dat er in de praktijk een verschil is tussen akkerbouwers en tuinders enerzijds en veehouders anderzijds. “Waar de eerste partij oog heeft voor de bodem en bijvoorbeeld geïnteresseerd is in compost, is een veehouder vooral bezig met de plaatsingsruimte van de dierlijke mest op eigen grond. Bodemzorg durft dan van ondergeschikt belang zijn. Al heb je natuurlijk bij beide partijen boeren die begaan zijn met hun grond en anderen die van de bodemkwaliteit niet wakker liggen.”

      Toch ervaart de BDB-adviseur dat de zorg voor de bodem niet alleen de Vlaamse praktijkcentra tot projecten inspireert maar landbouwers, en dan vooral akkerbouwers, ook tot actie aanzet. De Bodemkundige Dienst wil hen daar graag met raad en daad in bijstaan. Binnenkort verschijnt een brochure over bodemverdichting van de Vlaamse overheid en wie het internet afschuimt, komt al gauw interessante projectverslagen uit Vlaanderen en Nederland op het spoor.

      compost_geVILT.jpg

      Of hij tot slot de landbouwers nog wat goede raad kan geven? Vandervelpen: “Dieper ploegen heeft het koolstofgehalte doen dalen. De laatste jaren wordt de bodem weer wat vaker oppervlakkig bewerkt door de opkomst van niet-kerende grondbewerking. Maar maak niet de fout om bodemzorg te verengen tot niet-ploegen want het is veel meer dan dat. Zorg dragen voor de bodem wil zeggen groenbedekkers telen – wat ondertussen op grote schaal gebeurt onder invloed van het Europees landbouwbeleid en het Vlaams mestbeleid –, de grond pas bewerken als de omstandigheden goed zijn, insporing proberen te beperken bij oogstwerkzaamheden in het najaar, de loonwerker aanmoedigen om niet alleen in machines met een hoge capaciteit te investeren maar ook in een bandendrukwisselsysteem zodat de bandenspanning verlaagd kan worden op het veld, enz.”

      Al die maatregelen hebben met elkaar gemeen dat het even duurt voor je resultaat ziet. Terwijl de ene landbouwer er uit persoonlijke overtuiging werk van maakt, schuift zijn collega een aanpassing van de bedrijfsvoering nog even voor zich uit. Het is de overtuiging van de Bodemkundige Dienst van België dat élke landbouwer baat heeft bij een vruchtbare bodem met een gezonde structuur.

  • 22 adaptatiemogelijkheden

    Hoe kan de Vlaamse land- en tuinbouw zich het best aanpassen aan een veranderend klimaat? De afde...
    Toon detail informatie

      Voor de dierlijke sector:
      1. het voorzien van voldoende schaduw,
      2. je staldak isoleren en het voorzien van een reflectie-coating,
      3. de ventilatie van de stal optimaliseren,
      4. de stal uitrusten met koelingstechnieken,
      5. aanpassingen doorvoeren aan de rantsoensamenstelling,
      6. aanpassingen doorvoeren aan de drinkwatervoorziening,
      7. het selecteren van hittetolerante dierenrassen,
      8. het voorkomen en bestrijden van dierziekten.

      Voor de plantaardige productiesector:
      9. het aanpassen van plant- en oogstdata,
      10. het veranderen van gewas of cultivar,
      11. het ontwikkelen van nieuwe cultivars (variëteiten),
      12. het telen van gewassen voor biomassaproductie,
      13. waterconserverende en gereduceerde bodembewerking,
      14. irrigatie en drainage,
      15. het bestrijden van onkruiden, plantenziekten en -plagen.

      Voor de andere diensten:
      16. wateropslag op het landbouwbedrijf,
      17. het bewaken van de residu’s en emissies van nutriënten en pesticiden,
      18. het aanwenden van meer agrarische biodiversiteit,
      19. landschapszorg,
      20. het vastleggen en vermijden van de uitstoot van broeikasgassen,
      21. het scheppen van een kader voor agrotoerisme en recreatie,
      22. het plaatsen van stormresistente windturbines voor energie.

  • 30 jaar melkquotum

    Toen de EU in 1984 productierechten in de melkveehouderij invoerde, deed dat parochiezalen vollop...
    Toon detail informatie

      Vanaf 1 april 2015 behoort de door Europa opgelegde productiebeperking in de melkveehouderij definitief tot het verleden. Sinds de invoering in 1984 is het melkquotum voortdurend onderwerp van discussie geweest. De stopzetting ervan is een kantelmoment waarop het Centrum Agrarische Geschiedenis (CAG) terugblikt in de brochure ‘Met het oog op de markt’. Samen met het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO) werd in Melle de studiedag ’30 jaar melkquotum: begin of einde van een gouden tijdperk’ georganiseerd.

      Eind jaren ’60 evolueerde de relatieve schaarste aan melk in de toenmalige EEG razendsnel in een overschotsituatie met een schijnbaar oncontroleerbare productie. “Het zit als het ware in het DNA van de gemiddelde boer vervat om een overvloedige oogst, in dit geval een grote melkproductie, na te streven”, schrijft Bert Woestenborghs van CAG, auteur van de brochure. De hogere melkproductie was dus geen plots opkomend fenomeen, maar al decennialang intrinsiek in de sector aanwezig. Toch verklaart dat onvoldoende waarom Europa in de jaren ’70 zo snel opgescheept zat met boter- en melkpoederoverschotten.

      "Wij hebben in ’60 en ‘70 hele goede jaren gehad. Wij zijn klein begonnen en de melkprijs was toen 2,35 frank, een paar jaar nadien was het 5 frank, later 7,50 frank en bij het begin van de jaren ’80 17 frank." Uit: Martens, Boerentrots en ondernemersgeest

      Het markt- en prijsbeleid voor zuivel dat vanaf het midden van de jaren ’60 werd uitgetekend in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) heeft daarin een belangrijke rol gespeeld. “De voedselschaarste tijdens en na de Tweede Wereldoorlog lag nog vers in het geheugen zodat het GLB volop de kaart trok van productieverhoging”, weet Woestenborghs. “Een stabiele prijszetting, gekoppeld aan een verzekerde afzet (de EEG kocht systematisch overschotten op tegen een mooie prijs, nvdr.), is natuurlijk een gedroomd investeringsklimaat voor een boer die met zijn bedrijf naar een hoger inkomen streeft. Op tien jaar tijd (1973-1983) steeg de totale melkproductie in de EEG met meer dan een vijfde. De bijdrage van de Belgische melkveehouders in de productiegroei bleef beperkt want de fokkerij zette hier nog een tijdje in op traditionele rassen, vaak dubbeldoel, met een veel lagere melkproductie dan Holstein-koeien.

      Overproductie deed EU-budget ontsporen
      “Een ganse batterij aan maatregelen moest het (kostelijke) productieoverschot in Europa indijken”, vertelt Joris Relaes, administrateur-generaal van ILVO en voorzitter van ILVO. “Enerzijds had je maatregelen die de vraag verruimden zoals de goedkope ‘kerstboter’, als reclame voor de consumptie van boter, en het verplicht inmengen van melkpoeder in de kalvervoeding. Anderzijds waren er aanbodbeperkende maatregelen, met douanetarieven aan de buitengrenzen en productiequota op de binnenlandse markt.” In 1980 nam zuivel meer dan 40 procent van het totale landbouwbudget in zodat de kostprijs de doorslag gaf voor deze ingrijpende productiebeperking.

      melkvee.geVILT.jpg

      Het melkquotum was dus in de eerste plaats een budgettair instrument, bedoeld om de EU-begroting onder controle te houden door de boterbergen en andere overschotten aan te pakken. Met succes want halverwege de jaren ’90 waren de overschotten weggewerkt en nadien handhaafden ze zich op een aanvaardbaar volume. Als economisch instrument zakte het quotum door het ijs want de melkprijs onder controle houden, lukte de jongste jaren niet meer. Het quotum was indirect ook een ecologisch instrument: door het aan banden leggen van de productie, werd de milieubelasting afgeblokt. Relaes heeft het verder nog over “een sociaal instrument” omdat het melkquotum een generatie veehouders de mogelijkheid bood om met een ‘gouden handdruk’ uit het beroep te treden. Zie het als een soort pensioenregeling.

      Liberalisering van het aanvankelijk strakke melkquotum
      Het principe van een productieplafond lijkt eenvoudig, maar werd door de mobiliteit van het quotum een complexe materie die slechts door een handvol experten in Vlaanderen volledig beheerst werd. Naast tijdelijke verhuur konden quota vanaf 1987 ook echt verhandeld worden tussen producenten. De mobiliteit van het quotum kreeg een politiek tintje want het zette kwaad bloed in Wallonië. De Walen zagen met lede ogen aan hoe Vlaamse melkveehouders op hun grondgebied quotum bijkochten. Er heerste grote bezorgdheid dat de quota van de kleinschalige Waalse melkveehouderij zouden worden ‘weggezogen’ richting Vlaanderen. Dat is meteen ook de reden waarom Wallonië vragende partij was voor de regionalisering van het landbouwbeleid, een geladen vraag die normaliter vanuit Vlaanderen komt.

      "Wij hebben ons quotum verkocht en daar veel geld van gemaakt. En dan hebben wij nog een beetje voortgeboerd. Wij hebben er natuurlijk van geprofiteerd, maar voor de jonge boeren is dat zeer slecht geweest." Uit: Martens, Boerentrots en ondernemersgeest

      Dynamische melkveehouders uit de Noorderkempen namen het voortouw in de quotumhandel. Peter Broeckx, melkveehouder uit Dessel, behoort tot de zogenaamde ‘quotumgeneratie’ die een melkveebedrijf bleef najagen ondanks alle obstakels. “Mijn dossier voor een overdracht van quotum tussen derden moet één van de eerste geweest zijn. Tot ieders verbazing werd de cumul van quota na overname mij toegestaan”, aldus Broeckx. Onbeperkt uitbreiden op bedrijfsniveau behoorde niet tot de mogelijkheden. Door graduele afhoudingen op het volume was er in de praktijk een bedrijfsplafond ingesteld van 400.000 liter. Dat plafond werd gaandeweg uitgebreid, maar evenzeer omzeild. “Landbouwers streven een rendabel bedrijf na en verzinnen zo nodig oplossingen voor de grenzen aan de groei. De landbouwadministratie ergerde zich blauw aan hun inventiviteit. Op sommige melkveebedrijven wisselde de melkveestapel halverwege het jaar tussen twee locaties of werd met twee melkinstallaties gemolken”, herinnert Broeckx zich.

      melkvee_LoonwerkDefour.geVILT.jpg

      Om te vermijden dat quota en dus ook melkveehouderij uit bepaalde regio’s zouden verdwijnen, werd vanaf 1988 de 30-kilometerregel ingevoerd. Quotum kon nog alleen verhandeld worden in een omtrek van 30 kilometer rond de gemeente waar het bedrijf van de overlater zich bevond. Ook de grond nodig voor de melkproductie moest in principe worden overgedragen, maar dat werd in de praktijk een ‘papieren deal’ die gauw weer verscheurd werd. Guy Vandepoel van Boerenbond herinnert zich levendige discussies in de sectorvakgroep omtrent de overdracht van melkquota. Discussies die vooral over evenwichten gingen, tussen jonge en oude bedrijfsleiders, tussen gespecialiseerde melkveebedrijven en gemengde landbouwbedrijven, enz.

      Snelle sanering in het quotumtijdperk
      Bij de invoering van de melkquota voltrok zich een herstructurering in de melkveehouderij. Kleine boeren gingen er in versneld tempo tussenuit. Relaes verwacht nu eenzelfde fenomeen bij de stopzetting van de quota en de overlevering van de melkveehouderij aan de vrije markt. In het quotumtijdperk ging het behoorlijk hard. Het aantal melkveehouders daalde van meer dan 47.000 in 1984 naar 28.400 in 1991 (-40%), om tussen 1995 (22.000) en 2010 nog eens te halveren tot iets meer dan 11.000 boeren.

      Voor de zuivelindustrie betekenden de quota een verminderde aanvoer van melk. Hierdoor verhoogde de toch al scherpe onderlinge concurrentie tussen melkerijen in hun zoektocht naar melk. Over het algemeen zaten zij met een onderbenutting van hun verwerkingscapaciteit voor boter en magere melkpoeder, de twee marktsegmenten waarop de Belgische zuivelsector zich traditioneel had toegelegd. De schaarste dreef de melkprijzen de hoogte in, wat in de eerste plaats de boeren ten goede kwam. Bovendien kwamen Nederlandse zuivelfirma’s over de grens melk ophalen aan hogere prijzen dan de plaatselijke melkerijen konden bieden. Een herstructurering van de zuivelindustrie kondigde zich aan en zou zich pijnlijk en abrupt voltrekken tussen 1990 en 1991.

      Toekomst melkveehouderij in postquotumtijdperk
      “Met veel minder boeren en melkkoeien wordt er veel meer, veel kwaliteitsvollere en veel rijkere melk geproduceerd. De sector is geprofessionaliseerd en het einde van de schaalvergroting is nog niet in zicht. De quota hebben niet rechtstreeks deze evolutie gestuurd, maar waren een bepalende factor in de sanering van zowel de melkveehouderij als de zuivelfabrieken”, besluit Bert Woestenborghs het historisch overzicht van drie decennia melkquota. Op de vraag of de melkveehouderij in Vlaanderen in het postquotumtijdperk nog een toekomst heeft, kreeg Woenstenborghs doorgaans positieve antwoorden van melkveehouders en experten.

      melkvee.geVILT.jpg

      Vlaanderen bevindt zich in een regio die klimatologisch uitermate geschikt is voor melkveehouderij. Ongebreidelde groei die misschien in andere Europese landen mogelijk is, zal hier omwille van milieu- en andere beperkingen (o.a. grond, management, financiële risico’s bereiken grens van wat een gezin dragen kan) moeilijk haalbaar zijn. Het vakmanschap en ondernemerschap van de melkveehouder blijven van doorslaggevend belang. Ongetwijfeld zal de melkveehouder scherper moeten anticiperen op de marktsituatie en rekening moeten houden met een veel volatielere prijs dan hij had gewenst. Dat de melkproductie plots zeer sterk zou toenemen, daar kan je aan twijfelen want de voorbije jaren werd het nationale melkquotum enkel vol gemolken in jaren dat de melkprijs goed was.

      "De bomen zullen na het melkquotum niet tot in de hemel groeien. Andere factoren zullen de omvang van de melkveehouderij bepalen." Uit: Landbouwleven

      Torsten Hemme, directeur van het International Farm Comparison Network (IFCN), spreekt over de verdwijning van de quota in termen van “een fantastische opportuniteit”. Een uitspraak die Renaat Debergh van de Belgische Confederatie van de Zuivelindustrie (BCZ) nog eens overdoet. Allebei zien ze voldoende hoopgevende signalen voor de conjunctuur op de zuivelmarkt. Wereldwijd groeit de vraag naar melk (+20 miljoen ton per jaar) door de stijgende wereldbevolking en de hogere zuivelinname per persoon.

      De momenteel gunstige euro-dollar-wisselkoers en de lagere kostprijs van een familiaal melkveebedrijf in de EU in vergelijking met zijn meer grootschalige concurrent in de VS, versterken het geloof dat de Europese melkveehouderij zijn mannetje kan staan op de wereldmarkt. Volgens Debergh is ook de zuivelindustrie klaar voor de vrije markt. In ons land investeerde de sector de laatste drie jaar 50 procent meer in zijn fabrieken dan in de vijf jaar voordien. Voor het eerst in 30 jaar worden er nieuwe poedertorens gebouwd, merkt Erwin Wauters op, de onderzoeker die namens ILVO aangesloten is bij IFCN.

      Onder normale omstandigheden … maar wat is normaal
      België exporteert melk zodat de prijs waaraan melk hier verkocht kan worden door de wereldmarkt wordt bepaald, ook voor de volumes melk die nooit het land verlaten. Het internationaal netwerk van zuivelexperten IFCN voorspelt gemiddeld gunstige prijzen tot 2020. Tegen dan zal er merkbaar meer handel in zuivel op de wereldmarkt zijn, waardoor de volatiliteit zou kunnen dalen. Toch zullen er nog periodes komen waarin de prijzen te laag zijn om de kosten te dekken, waarschuwt ILVO-onderzoeker Wauters. Liquiditeitsmanagement wordt dus van kapitaal belang.

      Het hier uitgestippelde toekomstscenario, dat uitgaat van een stijgende mondiale vraag naar melk en meer wereldhandel, houdt geen rekening met onvoorziene gebeurtenissen die daarop kunnen ingrijpen. Het Russisch handelsembargo en de oorlog in Oekraïne indachtig, moet de sector ook durven nadenken over een periode waarin ‘normale omstandigheden’ tijdelijk niet meer voorkomen.

  • 7 principes van de coöperatie

    |
    Toon detail informatie

      1. Open voor nieuwe leden. De coöperatie is toegankelijk voor iedereen die diensten wil afnemen en alle verplichtingen van het lidmaatschap op zich wil nemen. Er is geen discriminatie naar ras, sociale status, politieke of religieuze overtuiging.
      2. De leden besturen mee. Coöperaties worden democratisch bestuurd door de leden. Zij nemen actief deel aan de beleidsbepaling. Er is een systeem van inspraak, waarbij de vertegenwoordigers verantwoording afleggen aan de leden-vennoten. Vaak is er gelijkheid van stemrecht, maar bepaalde democratische afwijkingen zijn mogelijk.
      3. De leden genieten mee. De leden zitten mee in het economisch proces. Ze krijgen een redelijke vergoeding voor hun inbreng. Wat niet uitgekeerd wordt, dient om de coöperatie uit te bouwen of voor andere doeleinden die de leden mee hebben goedgekeurd.
      4. De coöperatie is autonoom. De uiteindelijke controle over de coöperatie ligt bij de leden. Zelfs als de coöperatie samenwerkt met partners, zoals de overheid of een externe financier. De coöperatie moet altijd haar toekomst zelf bepalen.
      5. Zij informeert leden en publiek. Coöperaties zorgen voor vorming en opleiding van de leden, hun vertegenwoordigers, het management en de medewerkers. Zij verstrekken ook informatie over de kenmerken en voordelen van de coöperatieve beweging aan het brede publiek.
      6. Coöperaties werken samen. Coöperaties helpen elkaar om de belangen van hun leden maximaal te dienen. Ze doen dit lokaal, regionaal, nationaal en internationaal.
      7. Coöperaties zijn betrokken bij de gemeenschap. Coöperaties helpen de gemeenschap ontwikkelen waarin ze actief zijn volgens de krachtlijnen die de leden goedkeurden.

  • 9 tips voor een grotere verkoop

    |
    Toon detail informatie

      1. Verbeter je uitstraling. Staan er voldoende wegwijzers naar je bedrijf? Is je uithangbord duidelijk? Weet de klant waar hij mag parkeren? Welke indruk geeft je bedrijf en je winkel? Is het winkelen een plezierige ervaring?
      2. Richt je winkel slim in. Het Innovatiesteunpunt voert momenteel een project uit waarbij vier types winkels heringericht – en soms geherpositioneerd – worden en de impact hiervan op de verkoop wordt bijgehouden. De type-inrichtingsplannen zullen eind dit jaar voor iedereen beschikbaar worden. Zorg sowieso voor voldoende daglicht, een link met je bedrijf en plaats geschikte producten in de kijker. Nieuwe producten plaats je het best bij de kassa (eerder rechts dan links). Groepeer per soort product (bv. alle fruitsappen bij elkaar) en verander geregeld.
      3. Bekijk de concurrentie. Niet alleen voor je start, maar maak er een gewoonte van om minimaal 1 dag per jaar bij concurrenten en collega’s te gaan kijken. Stap andere buurt- en hoevewinkels binnen en noteer nuttige ideeën/tips en prijzen.
      4. Laat je bijstaan. Het Steunpunt Hoeveproducten, het Innovatieteunpunt, de verschillende provinciale diensten, VLAM en andere administraties helpen je graag op weg. Zoek aansluiting bij provinciale initiatieven rond bezoekboerderijen, evenementen, distributie, enzovoort.
      5. Meet. Houd bij welke producten goed verkopen en welke minder. Noteer opmerkingen van klanten. Vraag hoe ze je leren kennen hebben. Werk in advertenties met bonnen en dergelijke, waardoor je de impact van je campagne kunt opvolgen. Experimenteer met nieuwe producten voor speciale gelegenheden, …
      6. Adverteer slim. Klassieke advertenties in lokale bladen zijn in de meeste gevallen erg duur voor wat je ermee bereikt. Laat een eenvoudige folder maken en verdelen. Zorg dat je betrokken bent bij culturele of toeristische evenementen in je gemeente. Houd opendeurdagen, speel met acties in op feestdagen, enzovoort.
      7. Maak een website. Nieuwe klanten stappen niet zomaar ergens binnen. Ze willen vaak eerst rustig op internet kijken wat ze mogen verwachten. Voor 150 euro per jaar kun je al een eenvoudige website (laten) maken en publiceren. Voorzie de nodige info over je bedrijf, je aanbod en je openingsuren.
      8. Gebruik Facebook. FB is een bijzonder handig – en gratis – medium om in contact te blijven met je klanten en hen op de hoogte te houden over promoties. Je kunt op FB ook voor een zeer beperkte kost (bv. 50 euro) adverteren bij een zeer gericht doelpubliek in je regio.
      9. Verken nieuwe markten. Leg contacten met horeca, zorgcentra of voedselteams in je buurt en overleg wat je voor hen kunt betekenen. Laat horecaklanten overigens op tijd betalen, want deze sector kent relatief veel faillissementen.

      Info: www.steunpunthoeveproducten.be, www.innovatiesteunpunt.be, www.hoeveproducten.be, www.fermweb.be, www.vlaanderen.be/landbouw/korteketen

  • Aanbevelingen voor natuurbeleid in landbouwgebied

    Afgelopen vrijdag presenteerde het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) zijn Natuurrappo...
    Toon detail informatie

      Vogelbeheer in landbouwgebied          Op vraag van de Vlaamse Landmaatschappij en het Departement Landbouw en Visserij namen onderzoekers van INBO voor hun evaluatie van het natuurbeleid het landbouw- in plaats van natuurgebied onder de loep. Uiteraard is er meer natuur in landbouwgebied dan vogels alleen, maar voor geen enkel ander dier (of plant) zijn zoveel data beschikbaar. Uit al die gegevens blijkt dat de meeste broedvogelsoorten vechten om te overleven in landbouwgebied. Tussen 1990 en 2002 verdwenen heel wat broedvogels uit landbouwgebied. Daardoor zit de populatie - tot op vandaag - op een laag niveau. “De (kwantitatieve) indicator van het monitoringsnetwerk Algemene Broedvogels Vlaanderen zou tien procent moeten verbeteren tussen de winter van 2007 en 2015. Maar het ziet er naar uit dat we die doelstelling uit het milieubeleidsplan niet gaan halen”, vreest Peter Van Gossum, onderzoeker bij INBO en auteur van het rapport.

      PeterVanGossum.INBO.1.jpg“Houtduif, zwarte kraai en kauw doen het beter dan akker- en weidevogels”

      Tussen 2007 en 2010 valt er geen significante verandering - lees verbetering - te bespeuren. Niet voor alle broedvogels gaat dat liedje op. De status quo verbergt de vooruitgang van algemene soorten als de houtduif, zwarte kraai en kauw, terwijl akker- en weidevogels nog zeldzamer worden in landbouwgebied. De zwarte kraai is, als predator, gevaarlijk voor de kuikens van (weide-)vogels. Cru gesteld gaan voor de landbouw schadelijke en voor de natuur minder interessante vogelsoorten er op vooruit. En gaan “meer gewenste soorten” zoals graspieper, grutto en tureluur in weiden, en patrijs, veldleeuwerik en grauwe gors op akkers achteruit. Broedvogels worden pas sinds 2007 geteld zodat INBO de resultaten van nieuwe meetjaren wil afwachten alvorens van een significante verandering en negatieve trend te spreken.

      akkervogel.gelekwikstaartb_SvenJardinVLM.2.jpgBijkomende data zullen naar alle waarschijnlijkheid bevestigen dat er nog veel werk aan de winkel is voor de verschillende actoren in het buitengebied. Landbouwers leveren zelf inspanningen in het kader van beheerovereenkomsten die ze afsluiten met de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) en waar ze ook een vergoeding voor ontvangen. Sinds 2000 bestaan er maatregelenpakketten die weidevogels ten goede komen. Landbouwers kunnen er bijvoorbeeld voor kiezen om vogelnesten te beschermen, de maaidatum op weiden uit te stellen of pas later te beweiden met vee. In 2009 zijn landbouwers ook gestart met beheer in functie van akkervogels : leeuwerikvlakjes in graanakkers, graanstoppels niet onderploegen, de randen van een graanakker niet oogsten, enz.

      Kan het vogelbeheer beter?          INBO boog zich over de effectiviteit en efficiëntie van deze beheermaatregelen in landbouwgebied. Akkervogelmaatregelen zijn vrij recent geïntroduceerd zodat er meer tijd nodig is alvorens een evaluatie van de resultaten zinvol is. Voor weidevogels lijken de inspanningen hun vruchten af te werpen. “Na één meetjaar zijn er aanwijzingen om aan te nemen dat weidevogelbeheer effectief is. De resultaten van nieuwe meetjaren kunnen dat bevestigen”, zegt Peter Van Gossum.

      beheerovereenkomst2.jpgMaar het kan natuurlijk altijd beter, in dit geval meer én beter. Meer kan slaan op extra (financiële) middelen om de doelstellingen te realiseren, maar ook op extra mensen om milieu- en natuurinspanningen bij landbouwers te promoten. Het werk van voorlichters zoals de bedrijfsplanners van VLM of erosiecoördinatoren wordt immers erg positief onthaald. Eén van de suggesties van INBO is om te evolueren naar één voorlichter per landbouwer. Maar dan wel iemand die een landbouwer alle mogelijkheden kan tonen, van beheeroveereenkomsten tot oplossingen van de gemeenten en provincies in de strijd tegen modder- en wateroverlast.

      “Kies voor een gerichte aanpak in voldoende én voldoende grote gebieden”

      Om met de beschikbare middelen beter te doen, adviseert INBO om het effect van vogelbeheer door landbouwers te vergroten. Dat kan door een aantal eenvoudige vuistregels in acht te nemen. Kies voor een gebiedsgerichte aanpak, luidt de eerste. “Maatregelen worden best geconcentreerd in de gebieden waar ze het meeste kans op succes geven”, verduidelijkt Van Gossum. Het aantal broedparen van de veldleeuwerik is bijvoorbeeld verder afgenomen omdat beheerovereenkomsten voor een beperkt aantal versnipperde percelen eerder beperkte resultaten opleveren. Lokaal is vooruitgang mogelijk door verschillende maatregelen op vijf à tien procent van de oppervlakte in een gebied toe te passen. Door deze gerichte aanpak toe te passen in voldoende gebieden kan op Vlaams niveau resultaat worden geboekt. “Dat vergt mogelijk wel een groter budget”, merkt Van Gossum op.

      kievit.akkervogel_SvenJardinVLM.2.jpgVerder vindt INBO het aangewezen om de maatregelen af te stemmen op de doelsoort(en) van een specifiek gebied. Hoewel alle maatregelen een positief effect hebben op de algemene biodiversiteit, zijn ze niet allemaal even efficiënt voor alle soorten. Sommige soorten zoals de grutto, graspieper en patrijs zouden gebaat zijn met uitstel van maaien of begrazen tot in juli, terwijl dat voor de kievit niet nodig is. Daarnaast zijn win-winsituaties niet altijd mogelijk. Zo zal de graspieper beter gedijen in een omgeving waar de grasstroken kort zijn, terwijl de grutto een omgeving verkiest met voldoende hoog en kruidenrijk grasland. “De huidige generatie weidevogelmaatregelen zijn sterk gericht op de grutto en derhalve minder effectief voor de andere vogelsoorten”, weet Van Gossum.

      De derde aanbeveling komt tegemoet aan de verzuchtingen van landbouwers: “Schenk klare wijn en streef naar een eenvoudig en logisch beleid.” Dat begint met onduidelijkheden in de wetgeving te verhelpen. “In dat kader verscheen dit jaar een brochure die landbouwers toont hoe zij graslanden natuurgericht kunnen beheren zonder in conflict te komen met de randvoorwaarden voor landbouwsubsidies”, illustreert Peter Van Gossum. Met een uitgebreider pakket beheermaatregelen kan volgens INBO beter ingespeeld worden op de behoeften van elke vogelsoort. Dat kan ook zonder de landbouwers te overladen met nieuwe regeltjes. “Wanneer één voorlichter uit een breed pakket maatregelen diegene kiest en voorstelt die relevant zijn voor een bepaald gebied, dan ervaart de landbouwer dat net als minder complex”, motiveert de INBO-onderzoeker.

      beheerovereenkomstc.2.bmpLandbouwers meer geschikte beheermaatregelen aanbieden, is één zaak. Ze overtuigen om voor vijf jaar een beheerovereenkomst af te sluiten, is nog iets anders. De overheid dient met een aantal zaken rekening te houden. Landbouwers zijn producenten. Beheerovereenkomsten die dichter aanleunen bij landbouwproductie, kunnen op meer bijval rekenen. Landbouwers hebben behoefte aan continuïteit in het beleid. En ze willen van bij het ontwerp betrokken worden bij de maatregelen. Dat laatste biedt volgens Van Gossum duidelijke voordelen: de kennis van landbouwers zit vervat in de beheerovereenkomst en zij zullen eerder geneigd zijn om de overeenkomst te promoten bij collega’s.

      “Afweging maken van vrijheid, verplichting en maatschappelijke kost”

      Meer controversieel is de discussie over vrijwillige inspanningen versus verplichtingen. “Probeer altijd eerst met vrijwillige maatregelen de doelstelling te bereiken. Levert dat na enkele jaren onvoldoende resultaten op, dan maakt de overheid best de afweging of het niet tijd is om meer dwingende instrumenten in te zetten”, vat de INBO-onderzoeker het advies aan de beleidsmakers samen. In het kader van het erosiebeleid is die oefening momenteel volop bezig. Voor akker- en weidevogels zou de meest dwingende maatregel neerkomen op de aankoop van landbouwgrond voor de inrichting van een reservaat.

      akkervogel.geelgors_HansRoosenVLM.1.jpg“Stel, de overheid is dankzij de inspanningen van vele landbouwers dicht bij de doelstelling voor akker- of weidevogels. Zijn er andere landbouwers binnen het gebied die de beheerovereenkomsten niet zien zitten, dan kan de overheid beslissen om gronden aan te kopen. Bij voorkeur de gronden van landbouwers uit die laatste groep, en liefst van een stoppende landbouwer zonder opvolger, want wie meewerkte, verdient meer rechtszekerheid.” Het is aan de overheid om dit debat over rechten, plichten en keuzevrijheid te voeren. En rekening te houden met de tijd waarbinnen zij de doelstelling wil bereiken.

      Erosiebestrijding          Behalve de broedvogels in landbouwgebied zoomt het beleidsrapport ook in op maatregelen om bodemerosie tegen te gaan. Op het eerste gezicht heeft dat weinig met biodiversiteit te maken, maar schijn bedriegt. Grasgangen, grasbufferstroken en groenbedekkers bieden voedsel, schuil- en nestplaatsen aan vogels. Zelfs het waterleven heeft baat bij erosiebestrijding want erosie brengt sediment in het water en tegelijk ook nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen. “Bovendien dragen erosiebestrijdingsmaatregelen bij aan een stabielere bovenste bodemlaag, wat goed is voor organismen zoals regenwormen”, weet Van Gossum. Door de gangen die zij graven, stroomt er minder water van de helling, wat op zijn beurt bodemerosie vermindert.

      erosie1.jpgVlaanderen zit op schema en de doelstellingen voor erosiebestrijding worden naar alle waarschijnlijkheid bereikt. Het beleidssucces is te danken aan een groot aantal beheerovereenkomsten voor erosiebestrijding, de inspanningen van gemeentelijke erosiecoördinatoren en een eenvoudige procedure voor gemeentelijke erosiebestrijdingswerken. “Maar de strijd tegen erosie is nog niet gewonnen”, tempert de INBO-onderzoeker. “Als de erosiebeleidsindicator tegen 2014 effectief ‘14’ aanduidt, dan is 14 procent van de voornaamste erosieproblemen in Vlaanderen opgelost. Aan dat tempo hebben we nog bijna 80 jaar werk.” De overheid moet zich met andere woorden afvragen of we wel zoveel tijd hebben, gelet op de maatschappelijke kost van erosie.

      De tweede parameter waaraan het erosiebeleid afgemeten wordt, ziet er rooskleuriger uit. Tegen 2015 moet 50 procent van de (zeer) sterk erosiegevoelige percelen permanent bedekt zijn met landbouwgewassen of natuurlijke vegetatie. In 2011 staat de teller al op een keurige 48 procent. Het streefdoel permanente bodembedekking in de toekomst verder opschroeven, is niet per se noodzakelijk want er zijn nog andere goede oplossingen voor het erosieprobleem. Toch een kleine kanttekening: landbouwers kiezen nog vaak voor een erosiegevoelige teelt als aardappelen of maïs op erosiegevoelige percelen.

      Voorkomen is beter dan genezen en dat geldt ook voor modderstromen. “Toch is een combinatie nodig van maatregelen op het perceel en opvang van sediment onderaan het perceel”, merkt Van Gossum op. “De overheid dient immers rekening te houden met het draagvlak voor de verschillende maatregelen. Voor niet-kerende grondbewerking moet de landbouwer investeren in een nieuw werktuig en het vertrouwde ploegen achterwege laten. Hij is dan misschien eerder geneigd om onderaan de helling een grasbufferstrook aan te leggen.”

      erosie1.jpgTerwijl erosie ook onderaan het perceel aangepakt kan worden, is dat niet het geval voor bodemverdichting en bodemvruchtbaarheid. In een steekproef van 17 percelen kampten 12 percelen met een (zeer) hoge verdichting op 40 cm diepte. Ook het koolstofgehalte in de bodem is op veel akkers en weiden niet optimaal. Dit heeft een negatieve invloed op de gewasopbrengst en werkt bodemerosie in de hand. Daarom breekt INBO een lans voor een uitbreiding van de overheidssteun naar teelttechnieken die een gunstige invloed hebben op de bodemvruchtbaarheid en -verdichting. Het Mestdecreet durft het toedienen van extra organische stof (via stalmest of compost, nvdr.) dwarsbomen, wat INBO doet vragen om een wettelijke uitzondering. “De voordelen van de uitzondering moeten wel afgewogen worden tegen de mogelijk bijkomende waterverontreiniging met nutriënten.” Een derde en laatste aanbeveling voor het erosiebeleid gaat over de ‘gewasspecifieke maatregelen’ wanneer niet-kerende bodembewerking minder geschikt is. Op aardappelpercelen zou de overheid bijvoorbeeld beter aarden drempels tussen de aardappelruggen promoten.

      Algemene aanbevelingen          Of het nu om erosiebestrijding of vogelbescherming gaat, beheerovereenkomsten kunnen maar succesvol zijn als er voldoende participatie is van landbouwers. INBO beseft dat het cruciaal is om het beleid af te stemmen op de mogelijkheden van de landbouwers. De financiële vergoeding is een eerste, belangrijke motivatie voor een landbouwer om zich te engageren. Ook aan rechtszekerheid hechten landbouwers veel belang. “Na het beëindigen van de beheerovereenkomst wil een landbouwer soms terugkeren naar de begintoestand. Dat lukt niet altijd, bijvoorbeeld omdat voor het verwijderen van een poel een stedenbouwkundige vergunning nodig is”, schetst Van Gossum het probleem. Een correct statuut voor ‘tijdelijke natuur’ dringt zich volgens INBO op. “Communiceer als overheid duidelijk en op voorhand welke natuur tijdelijk is, en welke permanent omdat anders de doelstellingen van de beheerovereenkomst niet bereikt worden.”

      Meer info: INBO Natuurrapport Beleidsevaluatie 2012

  • Aanwending van dierlijke mest

    Sinds de jaren ’90 is de waterkwaliteit op het platteland sterk verbeterd. Het mestbeleid is daar...
    Toon detail informatie

      Aanstaande donderdag organiseert het Departement Landbouw en Visserij in Merelbeke, op de terreinen van onderzoeksinstituut ILVO, een demonstratie van moderne bemestingstechnieken. In de voormiddag tonen stalmestverspreiders hun kunnen, later op dag is het de beurt aan drijfmestcombinaties op grasland. “Iedere twee jaar organiseert de Vlaamse landbouwadministratie een machinedemonstratie. Telkens zoeken we aansluiting bij een actueel beleidsthema. Twee jaar geleden was dat erosiebestrijding, nu is dat het vijfde mestactieplan dat een verdere verbetering van de waterkwaliteit beoogt”, vertellen Bart Debussche en Mathias Abts, beiden actief in de voorlichting van landbouwers.

      In het verleden lokte de machinedemonstratie telkens honderden bezoekers, voornamelijk landbouwers. Ook ditmaal wordt gemikt op een professioneel publiek. De fabrikanten tonen niet alleen hun grootste en duurste materiaal. Zij brengen ook kleinere modellen mestverspreiders mee die eenvoudiger uitgevoerd zijn. Eerst zullen de machines op maat van landbouwers gedemonstreerd worden en daarna de machines die vooral de interesse van loonwerkers zullen wekken. In totaal tonen 16 drijfmestcombinaties (mesttank plus tractor ofwel een zelfrijder) en 10 stalmestverspreiders hun kunnen. Daarbij zijn stalmestverspreiders met een weegsysteem en een drietal erg innovatieve drijfmesttanks die doorlopend de samenstelling van de mest meten met behulp van een NIR-sensor, waarover je in een twee jaar oud VILT-artikel meer leest. Gelet op de doorbraak die dit kan betekenen voor het beter benutten van mest is de overheid er als de kippen bij om de techniek aan het grote publiek te tonen.

      mest.grasland.geVILT.jpg

      Aan de machinedemonstratie gaat veel voorbereiding vooraf zodat de organisatoren hopen op een talrijke opkomst. Mathias Abts prevelt een schietgebedje voor de weergoden. Hij hoopt dat de veldwerkzaamheden goed opschieten zodat boeren de tijd vinden om naar Merelbeke te komen. Dat het de moeite loont, daar mag je niet aan twijfelen. Nergens anders kan je zoveel mestverspreiders van verschillende Belgische en Nederlandse fabrikanten op hetzelfde moment aan het werk zien. De commentatoren verstrekken het publiek onafhankelijke informatie, geen verkoopspraatjes. En de brochure die uitgedeeld wordt, bevat naast een beschrijving van de mestcombinaties ook extra informatie over oordeelkundig bemesten. Je merkt dus aan alles dat het om een niet commercieel initiatief van de overheid gaat.

      Verbetering waterkwaliteit is geen gelopen race
      Het belang dat de overheid heeft bij de machinedemonstratie ligt voor de hand. Voortgestuwd door Europa wil Vlaanderen de verbetering van de waterkwaliteit nog versnellen richting 2018. Bemesten wordt hoe langer hoe meer precisiewerk, en dat lukt nu eenmaal beter met moderne machines. Bovendien is zo’n demonstratie een goede gelegenheid om de ‘sense of urgency’ bij landbouwers aan te wakkeren. 2016 wordt namelijk een cruciaal jaar voor het mestbeleid en de waterkwaliteit. Niet alleen is 2018 – en de doelstelling van maximaal vijf procent rode meetpunten – schrikwekkend nabij. De tussentijdse evaluatie in opdracht van de Europese Commissie is nog korter dag. “De bemesting dit seizoen is bepalend voor de waterkwaliteit tijdens het meetjaar 2016-2017. En het is met deze resultaten dat Vlaanderen tegenover Europa moet hardmaken dat het bijgestuurde mestbeleid werkt”, weet Kevin Grauwels, beleidsmedewerker bij de Vlaamse Landmaatschappij (VLM).

      Vlaanderen en Europa staren zich niet blind op het aantal rode MAP-meetpunten, de evaluatie van het mestbeleid is gesofisticeerder dan dat. “Bij het rapporteren aan de Europese Commissie kijken we bijvoorbeeld ook naar het aantal overschrijdingen van de nitraatnorm (50 mg nitraat per liter water). Een meetpunt met één overschrijding kleurt immers net zo rood als een meetpunt waar bijvoorbeeld viermaal te veel nitraat gemeten werd”, licht Grauwels toe. “Het percentage rode MAP-meetpunten heeft het voordeel van de duidelijkheid. Deze indicator leent zich uitstekend voor het benoemen van het probleem zodat de doelstelling aan deze indicator gelinkt is.”

      melkkoe_LoonwerkDefour.geVILT.jpg

      Het aandeel rode MAP-meetpunten geeft ook de trend in de waterkwaliteit goed weer. Bij het einde van het vierde mestactieplan schommelde dat percentage rond 20 à 21 procent. We komen van om en bij de 38 procent rode MAP-meetpunten eind jaren 2000 en nog altijd 28 procent meetpunten met minstens één overschrijding in 2010. In dat opzicht zou je de 21 procent rode MAP-meetpunten in meetjaar 2013-2014 een opsteker kunnen noemen, maar weet dan dat het in snel tempo nog veel beter moet. Het vijfde mestactieplan beoogt maximaal vijf procent rode MAP-meetpunten in 2018. En wat daarna? Vlaanderen heeft met de Europese Commissie overeengekomen dat een marge van vijf procent gehanteerd kan worden bij het realiseren van de nitraatrichtlijn. “Door de vele meetpunten en het kleine debiet in Vlaamse waterlopen meten we snel het effect van een incident. Door de Zwarte Beek in het Demerbekken stroomt nu eenmaal minder water dan door de Po in Noord-Italië”, verklaart de beleidsmedewerker van VLM de kleine marge.

      Lastige maar geen onmogelijke opgave
      Vergis je niet, die vijf procent belooft al moeilijk genoeg te worden als doelstelling. “Landbouwers die actief zijn in een regio met een minder goede waterkwaliteit moeten zich optrekken aan de positieve resultaten elders. Het moet hen motiveren dat ze zien dat het mogelijk is om te evolueren van focusgebied naar niet-focusgebied”, houdt Grauwels de moed erin. De voorbeeldregio’s zijn de bekkens van Nete en Dender, waar de doelstelling van MAP5 reeds gehaald wordt. Op schema zit men in het Dijlebekken, de Brugse Polders, de Gentse kanalen en de Beneden-Schelde. In de bekkens van Boven-Schelde en Demer werd de doelstelling van MAP4 (maximum 16 procent rode meetpunten) net niet gehaald. Voor de grootste opgave staan de landbouwers die actief zijn in de bekkens van Maas, IJzer en Leie. Met bijna 40 procent meetpunten met een normoverschrijding in 2014 lijkt vijf procent daar heel veraf.

      Mocht de tussentijdse evaluatie in 2017 niet het verhoopte resultaat opleveren, dan mag dat landbouwers niet uit het lood slaan. “De tussentijdse evaluatie van het mestbeleid wordt na twee van de vier jaar opgemaakt. In de praktijk is 2016 het eerste jaar dat MAP5 volledig uitwerking heeft en landbouwers er goed van op de hoogte zijn. Het zou dus kunnen dat net zoals ten tijde van MAP4 de grote sprong voorwaarts nog even op zich laat wachten. Bij MAP4 daalde het aantal rode MAP-meetpunten pas in winterjaar 2013-2014 van 26,1 naar 20,7 procent.”

      Nitraatprobleem vraagt om een eindspurt terwijl fosfaat een marathon is
      Het informeren van landbouwers heeft bloed, zweet en tranen gekost vanwege de complexiteit van MAP5. Het Departement Landbouw en Visserij organiseerde samen met de Vlaamse Landmaatschappij een dozijn studieavonden, verspreid over gans Vlaanderen. Op één avond licht je niet het volledige mestbeleid toe zodat er gefocust werd op een aantal aspecten, zoals de bijkomende voorwaarden voor focusbedrijven en de gewijzigde bemestingsnormen voor fosfaat. Landbouwers die hun zinnen op 2018 hebben gezet, moeten goed beseffen dat het mestbeleid een werk van lange adem blijft. Anders dan nitraat is fosfaat een weinig mobiel nutriënt in de bodem en weten we nu al dat het probleem in 2018 niet opgelost zal zijn. Fosfaat spoelt minder snel uit naar het oppervlaktewater. Dat is op zich een goede zaak, maar een fosfaatverzadigde bodem is niet onschuldig want zo’n perceel ‘lekt’ fosfaat naar het oppervlaktewater. Daar zorgt te veel fosfaat voor overmatige algengroei en een slechte waterkwaliteit.

      wortel_LoonwerkDefour.geVILT.jpg

      “Het is niet omdat een probleem oplossen lang duurt dat je het niet moet aanpakken”, is Grauwels duidelijk over de taak die wacht. Zo’n hardnekkig probleem vraagt wel een andere manier van werken. Het zou zinloos zijn om de Vlaamse landbouwers op korte termijn vast te pinnen op een aantal normoverschrijdingen zoals dat voor stikstof gebeurt. Er is voor gekozen om de fosfaatbemestingsnormen geleidelijk te verlagen, en dat meer uitgesproken te doen op percelen met een grote bodemvoorraad fosfaat. MAP5 zet namelijk in op het ‘uitmijnen’ van deze bodemvoorraad. Alle percelen worden voor dat doel ingedeeld in vier fosfaatklassen. De bemestingsnorm is afhankelijk van deze klasse (I t.e.m. IV) en van de teelt. De indeling gebeurt op basis van bodemanalyses. Ontbreekt het daaraan, dan komen percelen terecht in de referentieklasse. Dit jaar is de referentie nog klasse drie maar volgend jaar wordt dat klasse vier.

      De impact van de nieuwe fosfaatbemestingsnormen op de bedrijfsvoering van landbouwers is bijzonder groot. Mathias Abts en Bart Debussche proberen het zo aannemelijk mogelijk voor te stellen: “Eenvoudig gesteld gaan de fosfaatnormen 20 procent omlaag op de percelen die volgend jaar van klasse III in klasse IV belanden. Voor maïs daalt de norm bijvoorbeeld van 70 naar 55 kilo fosfaat. Ten tijde van MAP4 werd nog 80 kilo fosfaat uit dierlijke mest aan een hectare maïs toegediend. Dat stemt nu overeen met fosfaatklasse II, een klasse die voorbehouden is voor de percelen waar de bodemvoorraad fosfaat in evenwicht is met de onttrekking door het gewas. Alleen op percelen in klasse I mag meer fosfaat opgebracht worden dan de plant kan benutten.”

      Fosfaatnormen doorkruisen de bemesting met stikstof
      De voorlichters van de landbouwadministratie geloven dat een landbouwer die alle puzzelstukken van de bemesting juist legt een opbrengstverlies kan vermijden. “De bodemanalyses en indeling in fosfaatklassen houdt alleen rekening met de voor de plant beschikbare fosfaat in de bodem, dus hoeft het gewas geen tekort te ervaren wanneer er minder fosfaat wordt toegediend via bemesting.” Waar Mathias Abts en Bart Debussche niet omheen kunnen, is dat de mestwetgeving het almaar moeilijker maakt om met ruwe dierlijke mest de stikstofbehoefte van een gewas al voor een groot stuk in te vullen. Kevin Grauwels van VLM beaamt: “De norm voor stikstof uit dierlijke mest bedraagt 170 kilo per hectare maar op een klasse IV-perceel met een lage bemestingsnorm voor fosfaat kan je zoveel stikstof niet opbrengen met drijfmest, en al zeker niet met varkensmest.”

      zeug.big_LoonwerkDefour.geVILT.jpg

      Het resultaat daarvan zal zijn dat mestafzet een pak duurder wordt voor Vlaamse varkenshouders, zeker in de regio’s met een te krappe ruimte voor mestafzet. Vanuit West-Vlaanderen en de Noorderkempen gaat er vandaag reeds veel mest op transport naar de akkerbouwstreken. Volgend jaar zal de afzetruimte op eigen grond daar nog verkleinen zodat meer mest op transport of naar de verwerkingsinstallatie moet. Debussche verklaart zich nader: “In deze regio’s is historisch veel mest aangewend zodat maar weinig percelen na staalname in klasse I of II zullen belanden.” En we weten ondertussen wat dat betekent: een (aanzienlijke) daling van de bemestingsnormen op de percelen in klasse III en IV.

      Landbouwers tellen hun drijfmestgift in ‘kuubs’ per hectare zodat de ambtenaren dit even voorrekenen: “Een varkenshouder die tot voor kort 18 kuub varkensmest per hectare voerde, mag dit jaar op een klasse III-perceel 14 kuub opbrengen. Valt dat perceel volgend jaar in de hoogste referentieklasse, dan kan hij er maar 11 kuub meer op kwijt.” Bij dergelijke lage hoeveelheden – begin jaren 90 moest men landbouwers er nog van overtuigen dat je maïs kan telen met minder dan 100 kuub drijfmest – wint het homogeen spreiden van de mest aan belang.

      Volgens Abts kan je 11 kuub niet mooi egaal spreiden indien dat bovengronds met de klassieke ‘beerton met ketsplaat’ gebeurt. Landbouwers hebben vorige zomer al ervaren hoe lastig het is om zulke kleine hoeveelheden zo goed mogelijk te verdelen over een hectare. Bij het bemesten op de graanstoppel mag na 31 juli niet meer dan 36 kilo werkzame stikstof per hectare opgebracht worden. Dat beperkt de dosis tot maximaal 12,5 ton runderdrijfmest of 7,4 ton varkensdrijfmest per hectare wanneer gerekend wordt met de forfaitaire inhoud van de mest. Wie vorige zomer een tractor met beerton zag ‘racen’ over een pas geoogst graanveld weet nu waarom.

      Mest scheiden om stikstof en fosfor te ontkoppelen
      De oplossing voor het beter benutten van de stikstof in dierlijke mest zal van mestscheiding moeten komen. Professor Jeroen Buysse (UGent) liet dat eerder dit jaar duidelijk verstaan in een interview met VILT over het INEMAD-project. De dunne fractie die vooral stikstof bevat, zal op Vlaamse velden aangewend worden terwijl de fosforrijke dikke fractie geëxporteerd kan worden. Gelet op de resultaten van veldproeven hoopt de landbouweconoom dat er voor de dunne mestfractie een toekomst als kunstmestvervanger is weggelegd.

      Ook Kevin Grauwels denkt dat de huidige mestwetgeving landbouwers in de richting van mestscheiding gaat sturen. VLM onderzoekt momenteel hoe mestbewerkingstechnieken, waaronder mestscheiding, voor een betere valorisatie van dierlijke mest op het bedrijf kunnen zorgen. Hierbij wordt gezocht naar de meest kostenefficiënte technieken. Grauwels onderstreept daarnaast het belang van een goede aanwendingstechniek gelet op de krappe bemestingsnormen. Hij verwijst naar een homogene spreiding van de mest maar ook naar het ammoniakemissiearm aanwenden ervan. De mest injecteren op een akker reduceert het ammoniakverlies met 95 procent (!) ten opzichte van bovengronds openspreiden en niet snel onderwerken. Minder stikstofverliezen naar de lucht betekent meer stikstof in de bodem, wat belangrijk is wanneer de fosforbemesting limiterend is.

      mestinjecteur_LoonwerkDefour.geVILT.jpg

      Je vraagt je af waarom er überhaupt nog mest bovengronds wordt opgebracht. “Dat heeft met tijdsdruk te maken”, weet Bart Debussche. Het spaart een loonwerker tijd uit wanneer de landbouwer zelf de mest onderwerkt. Ideaal is het volgens de voorlichters van de landbouwadministratie niet. Behalve het ammoniakverlies dat oploopt wanneer er wat tijd verstrijkt tussen het opbrengen en onderwerken van de mest kleven er nog andere nadelen aan. Mathias Abts somt ze op: “De mest in een extra werkgang onderwerken, kan bodemverdichting geven door het slippen van de banden. Bovendien kan je de hoeken van een (klein) perceel niet netjes afwerken zonder injecteur. Hoe lager de drijfmestgift hoe sneller je in het gewas de gevolgen van een heterogene spreiding zal zien.”

      Tijdens de machinedemonstratie komt alleen het spreiden van drijfmest op grasland aan bod. Van echt onderwerken van de mest is dan geen sprake omdat de graszode niet beschadigd mag worden. De stikstofverliezen liggen bijgevolg wat hoger dan bij mestinjectie op een akker. Met technieken zoals sleepslangbemesting (-50 tot -80%) en nog meer bij zode-injectie (-80 tot -90%) kan de ammoniakemissie toch aanzienlijk gereduceerd worden. Behalve van de toedieningstechniek hangt de hoeveelheid stikstof die verloren gaat ook af van de mestsamenstelling, de mestgift en van omgevingsfactoren zoals het weer en de bodem. Bemesten volgens de regels van de kunst wil zeggen dat je al die factoren in je voordeel tracht te manipuleren. “Landbouwers kunnen rekening houden met het weer bij het bemesten van hun grasland, en doen dat in veel gevallen al”, verrast Debussche. “Door gras net voor of tijdens een lichte regenbui te bemesten, verbetert de werkzaamheid van de mest en vermijd je dat de graszode verbrandt.”

      Wil je meer tips en informatie over het aanwenden van mest en zelf de goede werking van de nieuwste machines verifiëren? Bezoek dan nu donderdag de machinedemonstratie ‘Bemestingstechnieken organische mest’ in Merelbeke. De demodag start om 10 uur op de terreinen van onderzoeksinstituut ILVO in Merelbeke. Eerst gaat alle aandacht naar het spreiden van stalmest, in de namiddag gevolgd door drijfmesttoediening op grasland. Bereid je alvast voor met deze tien geboden voor een duurzame bemesting, helder uitgelegd aan de VILT TeeVee-camera door Dirk Coomans van het Coördinatiecentrum voorlichting en begeleiding duurzame bemesting (CVBB).
       

  • Aardappelen met precisie

    Het Nederlandse aardappelbedrijf Van den Borne (in het Noord-Brabantse Reusel, net over de grens)...
    Toon detail informatie

      Sensoren op de spuitmachines meten de bladmassa en bepalen zo heel precies hoeveel gewasbeschermingsmiddel de aardappelplanten nodig hebben. Door de opbrengst te meten weet hij waar de productie structureel achterblijft – bodembemonstering en een bodemscan reiken dan oplossingen aan.

      Van den Borne verkent ook de mogelijkheden van gewas-sensing. Door met sensoren de lichtreflectie van het gewas te meten – vanaf de trekker, maar ook vanuit onbemande vliegtuigjes en satellieten – kun je de gewasvariatie op een perceel precies in kaart brengen. Dat levert onder meer nuttig bijbemestingsadvies op. Van den Borne werkt nauw samen met de Universiteit Wageningen en andere onderzoeksinstellingen. Momenteel onderzoekt hij samen met de Universiteit Gent of de opbrengstpotentie van grond te voorspellen valt met bodemsensoren en zuurtegraad-bemonstering.

      Op de erg interessante website van het bedrijf vindt u achtergronden, foto’s en demonstratiefilmpjes: www.vandenborneaardappelen.com

  • Aardbeienteelt

    Tijdens de eerste week van september nodigt Veiling Hoogstraten, dé aardbeienveiling van ons land...
    Toon detail informatie

      Op de Belgische veilingen werden vorig jaar bijna 51 miljoen kilo aardbeien verhandeld. Wij, Belgen, snoepen elk ongeveer 1,7 kilo aardbeien op jaarbasis. “Dat is een vrij kleine hoeveelheid die bij een ‘luxeproduct’ hoort, maar heeft er veeleer mee te maken dat de consument denkt dat Belgische aardbeien alleen in het hoogseizoen beschikbaar zijn. Dat is nochtans niet het geval”, zegt Jan Engelen, commercieel manager bij Veiling Hoogstraten. Vanaf (medio) maart vind je Belgische aardbeien in het winkelrek en dat blijft zo tot na Nieuwjaar, of tot wanneer de supermarkten overschakelen op Spaanse aardbeien. Jaarlijks worden er 800.000 kilo aardbeien uit Spanje ingevoerd. Dat is een doorn in het oog van enkele Belgische producenten. Zij testen in hun serres speciale lampen uit die hen moeten toelaten om het jaar rond aardbeien te leveren. “Dat zou een goede zaak zijn voor het rendement van de teelt”, oordeelt veilingondervoorzitter Jef Brosens.

      Aardbeienveiling Hoogstraten
      aardbeien stellingen.jpgBrosens is één van circa 200 Vlaamse aardbeienproducenten van Veiling Hoogstraten. Samen met een 100-tal Nederlandse telers uit de regio Zundert realiseerden zij vorig jaar een recordaanvoer van bijna 31 miljoen kilo. In het teeltgebied rond Hoogstraten specialiseren tuinders zich. De hobbyisten en bijberoepers hebben afgehaakt. Een aantal producenten runt een gemengd bedrijf, maar meestal staat alles in het teken van de aardbeienteelt. Bedrijven werden ook groter zodat aardbeienserres van vier hectare geen rariteit zijn. Maar aardbeientelers mag je niet vergelijken want geen twee bedrijven zijn gelijk. Sommigen doen aan vollegrondteelt, onbeschermd of met plastic koepels of wandelkappen erover heen. Andere producenten verkiezen stellingenteelt, waarbij de aardbeienplanten in een substraat van steenwol, veen of kokos groeien. Door opeenvolgende aanplantingen wordt meerdere keren oogsten mogelijk, zowel bij stellingenteelt onder een plastic koepel als in een glazen serre.
      De vollegrondtelers van Veiling Hoogstraten doen in de lichte zandgrond aan verlate teelt van aardbeien. Terwijl hun collega’s op zandleemgrond aardbeien planten in augustus, bewaren zij de aardbeiplanten tot het vroege voorjaar in frigo’s. Met de pluk starten zij pas wanneer de aardbeienproductie bij hun collega’s uit Haspengouw vermindert. De periode van verkoop is verschillend en daardoor ook de prijs die ze voor hun aardbeien ontvangen. “Veilingen berekenen een ‘middenprijs’ voor alle aangevoerde aardbeien, maar de prijsvorming is voor elk segment anders”, vertelt Engelen. Dat is maar goed ook want de kostprijs van de verschillende teeltsystemen loopt sterk uiteen. Serres en stellingen zijn duur en in een somber voorjaar zoals in 2013 lopen de stookkosten voor vroege aardbeien hoog op. “De serre verwarmen, maakt ongeveer één derde van onze kostprijs uit”, raamt Brosens. Ook dat is weer voor elk bedrijf anders. Oudere serres worden nog gestookt met huisbrandolie, op jongere bedrijven gebeurt dat vaak met aardgas.

      Stellingenteelt wint veld op vollegrondteelt
      Meer dan in de regio rond Hoogstraten zie je in Borgloon en omgeving aardbeien in volle grond. “In Haspengouw staat 85 procent van de aardbeien met zijn wortels in de grond. Onze telers maken minder gebruik van stellingen en serres, maar des te meer van plastic wandelkappen boven de aardbeienbedden”, vertelt Pierre Vrancken, voorzitter van Veiling Borgloon en zelf ook aardbeienteler. “Onder de wandelkappen kan je begin mei starten met de pluk. Daarna volgen de aardbeien die iets vervroegd zijn door middel van ‘flodderplastiek’, en vervolgens plukken we aan de aardbeienbedden die niet afgedekt werden.” Zelf produceert hij aardbeien van begin mei tot september. Van zogenaamde doordragers kan je in volle grond tot oktober aardbeien plukken. Vrancken benadrukt dat vollegrondtelers even professioneel bezig zijn als glastuinders. “In de jaren ’70 teelde bijna iedereen hier in de streek 20 of 30 are aardbeien. Maar de tijd dat een jong koppel op een perceel bouwgrond eerst aardbeien teelde om de lening al voor een stuk af te lossen, is voorbij.”

      “In de jaren ’70 teelden jonge mensen aardbeien op hun recent aangekocht perceel bouwgrond. Zo betaalden ze een deel van de lening terug”

      aardbeien pluk2.jpgIn de Noorderkempen en in mindere mate in Haspengouw wint stellingenteelt aan belang. Tegenover de hogere kostprijs staan de grotere opbrengst en de betere prijs die de handel betaalt voor aardbeien die geteeld worden onder beschutting. De grootste zorgen van een vollegrondteler, teeltrotatie en bodemschimmels, zijn van geen tel voor aardbeien die in een substraat groeien. Seizoenarbeiders zullen daar zelf aan toevoegen dat het een stuk aangenamer is om aardbeien te plukken die op anderhalve meter hoogte groeien. Om een hectare aardbeien te plukken, zijn vijf tot tien medewerkers nodig. Telers doen dikwijls een beroep op seizoenarbeiders uit Oost-Europa, Marokko of Turkije. Zij moeten dan in (dure) huisvesting voorzien zodat de deur wijd openstaat voor Belgen die de handen uit de mouwen willen steken. In Haspengouw zijn nogal wat telers blij dat ze nieuwe Belgen uit de omgeving van Luik en Verviers kunnen inschakelen voor de pluk.

      Belgische aardbeien zijn een exportproduct
      aardbeien plastic tunnels2.jpg“De aardbeienteelt die in West-Vlaanderen in opmars is, gebeurt ook grotendeels op goten”, bevestigt Rik Decadt, directeur Productie bij de REO Veiling in Roeselare, de interesse in stellingenteelt. “Vaak gaat het om glastuinbouwbedrijven die te klein zijn om door te groeien naar warmteminnende glasgroenten zoals tomaat of komkommer. Een teler heeft doorsnee 8.000 m² aardbeien onder glas. Je ziet hier ook stellingenteelt in onverwarmde plastic serres en vollegrondteelt onder wandelkappen. Van oudsher is er een groep telers die aardbeien combineert met witloof als winterteelt.” Aardbeien zijn voor de REO Veiling uitgegroeid tot een “topprioriteit”, een product uit de top vijf van het gamma. “De aanvoer is misschien nog niet zo groot (4,4 miljoen kilo in 2012), maar als West-Vlaamse veiling hebben we het geluk dat de kust onze achtertuin is en met Frankrijk een andere aantrekkelijk afzetmarkt vlakbij is.”

      “België exporteert 70 tot 80 procent van de eigen aardbeienproductie”

      Decadt noemt Frankrijk niet zonder reden. Door een foute rassenkeuze kreeg de binnenlandse productie klappen en is het land in toenemende mate aangewezen op import. De Fransen eten meer dan 8 miljoen kilo Belgische aardbeien, en gaan daarmee de Britten en onze noorderburen vooraf. In Nederland gaat het in mindere mate om binnenlandse consumptie en veeleer om handelaars die Belgische aardbeien kopen om ze verder te exporteren. Export is voor de aardbeienteelt in ons land van ontzettend groot belang want 70 tot 80 procent van de Belgische productie gaat de grens over. Ook de Scandinavische landen zijn fan van onze aardbeien. Uit cijfers van het VBT blijkt verder dat Rusland goed is voor 2,5 miljoen kilo, oftewel zes procent van onze export. Onderaan het lijstje duiken meer exotische bestemmingen op zoals Dubai en Qatar. De beperkte houdbaarheid van een aardbei – maximum één week – is een drempel voor verre export. Of dat een nadeel is voor de prijsvorming is daarmee niet gezegd. Anders dan bij appels en peren zullen oude stocks nooit op de prijs drukken.

      Met de aardbeienprijs is het elk jaar wat
      aardbeien openlucht2.jpgOp het einde van de rit moet de aardbeienteler zijn boterham verdiend hebben. Jef Brosens vindt het lastig om over de aardbeienprijs te praten. Met de vraag wat een faire producentenprijs is, zien we volgens hem de uiteenlopende kostprijs van de verschillende teelttechnieken over het hoofd. Ook tussen bedrijven is het moeilijk vergelijken. Zelfs de variëteitenkeuze is bepalend voor de prijsverwachting. Wie van een vroeg ras als Clery vier kilo per lopende meter plukt, hoopt natuurlijk op een betere prijs dan wie in de zomer acht kilo per lopende meter Elsanta plukt. In volle grond varieert de opbrengst van 15 tot 40 ton aardbeien per hectare. Een geslaagde vruchtzetting en de weersomstandigheden tot en met de pluk zijn in open lucht bepalend voor de opbrengst.
      “Wij geven onze producenten het advies om verschillende teelttechnieken te combineren. Zo profiteer je altijd wel van een periode met een betere prijsvorming”, zegt Jan Engelen. Dit jaar zagen glastuinders hun inspanningen om de serre warm te stoken in het koude voorjaar beloond met een hoge aardbeienprijs. De middenprijs voor alle sorteringen (inclusief industrie-aardbeien die verwerkt worden tot sappen of pulp) is met 2,96 euro per kilo vooralsnog hoger dan het gemiddelde van de laatste vier jaar op Veiling Hoogstraten. Toch smaakt 2013 zuur voor vollegrondtelers. Door het koude voorjaar kwamen in de zomer grote volumes aardbeien gelijktijdig op de markt, wat zwaar woog op de prijsvorming in deze voor hen zo belangrijke periode.

      “Veilingomzet met aardbeien is groter dan die met appels of peren”

      De voorbije tien jaar schommelde de gemiddelde aardbeienprijs op de VBT-veilingen meestal tussen 2,5 en 3 euro per kilo. Een teler kan dus op een relatief beperkte oppervlakte voor veel toegevoegde waarde zorgen. Mede daardoor maken aardbeien 50 tot 65 procent van de omzet van Veiling Hoogstraten uit, hoewel tomaat en paprika qua volume grotere producten zijn. In de omzet van de veilingen van het Verbond van Belgische Tuinbouwcoöperaties zijn aardbeien het tweede belangrijkste product, na tomaten. “Vorig jaar bedroeg de aardbeienomzet van de veilingen samen zo’n 122 miljoen euro. Daarmee steken aardbeien zelfs appels en peren de loef af”, vertelt VBT-secretaris Philippe Appeltans.
      Na Veiling Hoogstraten (58,5% van het volume) is Veiling Borgloon het tweede grootste handelsplatform voor aardbeien. Samen met de andere Limburgse veilingen (Belgische Fruitveiling, Veiling Haspengouw en LTV) commercialiseert Borgloon zo’n 27 procent van de aardbeien. De laatste jaren groeit ook de aanvoer op de REO Veiling in Roeselare en BelOrta in Sint-Katelijne-Waver. Alleen de veiling van Wépion zorgt ervoor dat aardbeien geen exlusief Vlaamse aangelegenheid zijn. Deze kleine veiling in de buurt van Namen verhandelt uitsluitend aardbeien, jaarlijks zo’n 400.000 à 600.000 kilo. De ‘fraises de Wépion’ genieten het aanzien van een echt streekproduct en vallen in de smaak van topchefs in Wallonië en Brussel.

      Praktijkonderzoek tilt aardbeienteelt naar hoger niveau
      aardbeiencongres2.jpgVan Zuid-Limburg tot de Noorderkempen en de kustpolders kunnen aardbeientelers een beroep doen op onderzoekers die de teelt tot in de details beheersen. Het Proefcentrum Hoogstraten geniet faam als expert in onder andere stellingenteelt, maar vergaart kennis over alle teeltsystemen. “Behalve bodemziekten krijgen aardbeien die in een substraat groeien met dezelfde belagers te maken”, zegt directeur Ward Baets. Trips, een klein insect dat voor misvormde aardbeien zorgt, is zo’n voorbeeld van een belangrijke plaag in alle teeltsystemen. Toch biedt een teelt op stellingen tal van teelttechnische voordelen. De afdeling Bedrijfsvoorlichting van het proefcentrum begeleidt een 200-tal telers opdat zij problemen de baas zouden kunnen.
      Ook op het Proefcentrum Fruitteelt in Sint-Truiden sluit het onderzoek nauw aan bij de praktijk. Gelet op de teeltsystemen in Haspengouw komt dat neer op veldproeven met vollegrondteelt, eventueel beschut onder plastic tunnels. Vaak zijn bodemschimmels het onderwerp van onderzoek want zij berokkenen de Limburgse aardbeientelers heel wat last. “De bodem ontsmetten kan niet meer door het wegvallen van producterkenningen. Door strengere bemestingsnormen komen problemen in de bodem sneller aan het licht. Bovendien wordt het voor telers steeds moeilijker om ‘verse’ gronden te vinden, waar jarenlang geen aardbeien groeiden en best in geen 20 jaar aardappelen stonden”, legt Dany Bylemans uit.

      “Elsanta is al 20 jaar oud maar nog altijd de nummer één”

      Volgens de directeur van het proefcentrum kruipt er ook veel energie in rassenonderzoek. De kwaliteiten (en de naambekendheid) van Elsanta leveren de variëteit een verpletterend marktaandeel van 75 procent op. Andere protagonisten zijn rassen als Portala, Sonata, Clery en Darselect. “In de zoektocht naar goede nieuwigheden bestuderen we smaak, uitzicht, opbrengst en ziektegevoeligheid”, vertelt Bylemans. Dat laatste wordt nog belangrijker wanneer vanaf 2014 geïntegreerde gewasbescherming van toepassing is. In Hoogstraten test men in dat kader biologische bestrijding van ziekten en plagen. “De korte teeltduur van aardbeien speelt ons voorlopig parten. Een populatie nuttige insecten opbouwen ter bestrijding van schadelijke exemplaren is bij aardbeien lastiger dan in een serre met paprika of tomaten”, aldus Ward Baets.

      International Strawberry Congres
      plukrobot aardbeien2.jpgVan 4 tot 6 september zijn de ogen van de wereld gericht op de aardbeientelers, veilingen en onderzoeksinstellingen in Vlaanderen. Naar de tweede editie van het internationaal aardbeiencongres komen aardbeienexperten uit alle hoeken van de wereld, zowel onderzoekers als mensen die commercieel in de sector actief zijn. “Met het congres willen we bijdragen aan kennisuitwisseling en een brug slaan tussen wetenschap en business”, klinkt het bij organisator Veiling Hoogstraten. Het congres vult de derde en laatste dag met bedrijfsbezoeken maar start met een academisch gedeelte van twee dagen. Sprekers uit landen als Australië, Zwitserland, Amerika en Japan geven het wetenschappelijke luik internationale allure. Blikvanger is professor Shigehiko Hayashi die voor het eerst zijn oogstrobot voorstelt in ons land. Een automatische rail voert de aardbeienplanten naar een stationaire robot die de vruchten ‘eigenhandig’ plukt. Daarna kunnen de planten aan een ander station water krijgen of behandeld worden tegen ziektes. De vruchten worden voorzichtig in hun definitieve verpakking gedropt door een prototype van een verpakkingsrobot.

      Meer informatie: International Strawberry Congress 2013

  • Adrien Saverwyns - Departement Landbouw en Visserij

    Om de vijf jaar laten de Floraliën tot in alle uithoeken van de wereld een verleidelijke grandeur...
    Toon detail informatie

      U heeft een hele carrière lang van het ene sierteeltbedrijf naar het andere gehold: eerst als inspecteur, later als begeleider van investeringsdossiers om tot slot in de voorlichting te belanden. Hoe heeft u de sector zien evolueren?
      Adrien Saverwyns: We hadden destijds vermaarde kroonjuwelen zoals de azalea en knolbegonia, die tot ver over de grenzen geprezen werden voor hun kwaliteit. Maar in de jaren ’80 heeft de rendabiliteit in de sector een flinke knauw gekregen. Enerzijds begonnen de diverse energiecrisissen hun tol te eisen en anderzijds nam de internationale concurrentie sterk toe: in Nederland en Denemarken schakelden heel wat telers over van glasgroenten naar sierteelt. Onze noorderburen waren met niet minder tevreden dan het mondiale marktleiderschap, terwijl onze telers de jaren voordien zo succesvol geweest waren dat ze niet langer de noodzaak inzagen om te blijven investeren. Tekenend is dat de eerste investeringen in grotere en moderne bedrijven van buiten de sector kwamen: dat waren landbouwers die aanvankelijk knolbegonia’s teelden als een soort akkerbouwgewas, en zich nadien gingen toeleggen op azalea’s.

      Welke deelsectoren hebben het moeilijk?
      De snijbloemensector ligt in de knoop met zijn energiekost en ziet goedkope bloemen arriveren uit landen zoals Colombia, Kenia, Zimbabwe en noem maar op. Ooit hadden we een 250-tal bedrijven die gespecialiseerd waren in de knolbegonia, maar daar blijft nauwelijks nog tien procent van over. Anderzijds zijn die overblijvers grote bedrijven die nog wel voor een belangrijk aandeel van de Europese productie zorgen. In de potplantensector hebben we onder druk van de buitenlandse concurrentie terrein verloren en ons toegelegd op arbeidsintensieve teelten en nicheproducten. We zijn nog sterk als het gaat om een aantal producten zoals clivia en hedera, maar de rest van het aanbod geldt slechts als een aanvulling op het Nederlandse assortiment. Met onze azalea zijn we daarentegen nog steeds marktleider, hoewel de jarenlange inspanningen om het imago van deze plant op te vijzelen nog niet de gewenste vruchten afgeworpen hebben.

      Maar de azalea blijft wel een belangrijk uithangbord?
      Uit buitenlandse studiereizen heb ik geleerd dat handelaars hoofdzakelijk naar ons land komen voor onze azalea’s, potchrysanten en buitenteelten van bloemisterijgewassen zoals kleine coniferen. Als we die aantrekkingspolen in de toekomst zouden verliezen, is de Vlaamse sierteelt zijn centrumfunctie helemaal kwijt.

      Dat klinkt niet zo positief, maar de productiewaarde van de sierteeltsector is sinds 1980 wel verdrievoudigd.
      Die gestegen productiewaarde is te danken aan de schaalvergroting in de hele sierteeltsector en vooral aan de opbloeiende boomkwekerij. Ook de sector van de jongplanten doet het uitstekend. Wereldwijd hebben we dankzij het werk van de Gentse professor Pierre Debergh de beste veredelaars en vermeerderaars van orchideeën, chrysanten, bromelia’s, enzovoort. Op mondiale schaal neemt Vlaanderen tien procent voor zijn rekening van alle jongplanten die in vitro worden opgekweekt. In die sector hebben we kennis en knowhow die men ons in het buitenland benijdt. Maar wie denkt dat we die voorsprong ook hebben in de andere deelsectoren, slaat de bal mis.

      In februari 2007 heeft u een denktank opgestart met een 15-tal mensen om de meest wenselijke toekomst van de sierteelt te verkennen. Vanwaar dat initiatief?
      Wie in de sector werkzaam is, hoort elke dag de klaagzangen over de gang van zaken, waardoor steeds minder jongeren geïnteresseerd zijn om in onze sierteeltbedrijven aan de slag te gaan. Dat geldt in de eerste plaats voor de zonen en dochters van onze telers. Het gevolg is een scheefgegroeide leeftijdspiramide met overwegend oudere bedrijfsleiders. Ondertussen doen zich onder meer op het vlak van de commercialisering razendsnelle evoluties voor in de sector. Om de juiste trein niet te missen, heeft de Economische Raad voor Oost-Vlaanderen (EROV) vier jaar geleden al een brainstorming georganiseerd met een aantal handelaars en telers van jongplanten. Bij dat denkproces werd echter een groot deel van de producenten over het hoofd gezien en uiteindelijk is dat proces een stille dood gestorven. In onze denktank, die tot stand is gekomen dankzij de steun van landbouwminister Kris Peeters, is de totale sector vertegenwoordigd. We zullen ons best doen om zo concreet mogelijke beleidsaanbevelingen te formuleren.

      De denktank gaat ervan uit dat de Vlaamse sierteelt zich op een kruispunt bevindt met een pak onzekerheden. Als meest zorgwekkende thema’s worden ruimte, personeel en innovatie naar voren geschoven. Is de energiekost dan een marginaal probleem?
      Dat is een acuut knelpunt. Op termijn gaan de leden van de denktank er evenwel vanuit dat de sector voldoende inventief is om het dankzij technologische innovaties uit de weg te ruimen.

      De ruimtelijke ordening is dus een belangrijker probleem.
      In Nederland kiezen heel wat bedrijven ervoor om op basis van enorm grote volumes een continue aanvoer te garanderen. De serrecomplexen voor deze bulkproductie hebben een omvang die nauwelijks kan ingepast worden in onze ruimtelijke structuur. Al moet ik daar wel aan toevoegen dat de meeste Vlaamse telers ook mentaal niet rijp zijn voor een dergelijke aanpak. Onze sierteeltsector heeft nog veel ambachtelijke trekjes: de planten mogen niet te snel groeien en ze mogen niet te dicht bij elkaar staan. We houden van overzichtelijke bedrijven op mensenmaat. Daartegenover staat dat de grote supermarktconcerns als afzetkanaal een steeds groter marktaandeel wegpikken. Dergelijke spelers hebben nood aan immense volumes die precies op tijd kunnen geleverd worden, het hele jaar door. Dat zijn geen bedrijven die inkopers de baan opsturen om in het Gentse alle sierteeltbedrijven af te dweilen op zoek naar nicheproducten.

      Peeters trekt aan de kar van de duurzame glastuinbouwzones. Raken op die manier de ruimtelijke problemen niet opgelost?
      De sierteeltsector is vragende partij voor zowel individuele uitbreidingsmogelijkheden als de afbakening van macrozones en de inplanting van glastuinbouwzones. Maar in onze denktank is het besef gegroeid dat de sector niet alles kan gedaan krijgen van de politiek. Dus moeten we knopen durven doorhakken, en dan zijn die specifieke glastuinbouwzones een aantrekkelijke optie. Maar dan mogen die productiezones wel niet op grote afstand gelegen zijn van de sierteelthandel. Als men een glastuinbouwzone wil ontwikkelen om de dynamiek in de sierteelt te bevorderen, zal overleg met de sector cruciaal zijn.

      Een glastuinbouwzone in Lochristi zou ideaal zijn?
      De denkgroep stelt vast dat Lochristi op het vlak van woningbouw de snelst groeiende gemeente van Vlaanderen is. De strijd om de grond is er bikkelhard en we hebben de indruk dat het gemeentebestuur niet staat te popelen voor nog meer investeringen in glas. Maar goed, een ambitieus project in de buurt van Moerbeke of Wachtebeke zou even mooi zijn.

      Er komt steeds meer protest tegen de inplanting van land- en tuinbouwtoepassingen op industriële schaal.
      Ik stel tijdens opendeurdagen op sierteeltbedrijven vast dat het grote publiek niet vies is van technologie. Integendeel, de mensen zijn blij verrast wanneer ze geconfronteerd worden met goed opgeleide bedrijfsleiders die durven te investeren in hoogtechnologische productiemethodes. De professionalisering van de sector is echter nog niet voldoende doorgedrongen bij de buitenwereld. Dát is het probleem.

      Staat op termijn het familiaal karakter van onze sierteeltbedrijven op de tocht?
      In Nederland is men die richting al een tijdje ingeslagen, maar in Vlaanderen hebben alle sierteeltbedrijven nog een familiaal karakter, dat geldt zelfs voor grotere bedrijven als Floréac. En daar is ook niks mis mee, want familiale bedrijven staan doorgaans garant voor continuïteit en verbondenheid, wat altijd goed in de oren klinkt bij de banken. Dat steeds meer gezinsbedrijven een vennootschapsvorm aannemen, is een verdere stap in de professionalisering van de sector.

      Waarom vinden onze siertelers geen personeel meer?
      Vlaanderen telt 193 knelpuntberoepen, en dus zijn het niet alleen siertelers die met dit probleem kampen. Het enige verwijt dat je hen misschien kan maken, is dat ze in de gouden jaren meer geïnvesteerd hebben in techniek en automatisering dan in hogere lonen voor het personeel. Vandaag kunnen ze in elk geval niet meer concurreren tegen de salarissen van werkgevers zoals Sidmar en Volvo. En dus belanden vooral allochtonen op de werkvloer van onze sierteeltbedrijven. Gemiddeld wordt zo’n tachtig procent van het uitvoerend werk opgeknapt door mensen van vreemde origine. Ik moet er wel aan toevoegen dat het vaak om goede en betrouwbare arbeidskrachten gaat.

      Dus is er geen probleem?
      De bedrijven worden steeds groter waardoor het voor de zaakvoerder steeds moeilijker wordt om tegelijkertijd teler, verkoper, boekhouder en personeelsmanager te zijn. Er ontstaan vacatures voor ‘meestergasten’ die een deel van het werk van de bedrijfsleider kunnen overnemen. Helaas levert het graduaatonderwijs geen starters af. De tuinbouwstudenten komen terecht in labo’s, in overheidsadministraties of in de commerciële wereld. Er is dringend nood aan meer praktijkgerichte opleidingen op het niveau van managers.

      Innovatie is volgens de denktank een van de belangrijkste knelpunten in de sierteeltsector.
      Waarom is de orchidee Phalaenopsis zo’n groot succes? Van een exclusieve snijbloem hebben de telers een potplant gemaakt die binnen ieders budget past en bovendien weinig onderhoud vergt. De azalea verandert wel eens van kleur, maar voor de rest wordt die plant, op enkele uitzonderingen na, nog altijd op dezelfde manier gepresenteerd als honderd jaar geleden.

      Kan het wetenschappelijk onderzoek hier iets aan veranderen?
      Er moet binnen de sector meer bereidheid komen om te investeren in basisonderzoek op middellange termijn. De wetenschappers moeten over de nodige middelen beschikken om bijvoorbeeld nieuwe veredelingstechnieken te introduceren in de laboratoria van onze bedrijven. En het staat in de sterren geschreven dat de overheid in de toekomst niet al het geld zal ophoesten dat hiervoor nodig is. Tot hiertoe is bij de telers onvoldoende het besef doorgedrongen dat ze hier zelf geld moeten instoppen. De uitzondering op de regel zijn een aantal bedrijven gespecialiseerd in jongplanten die participeren in een project waarbij wetenschappelijke informatie gekanaliseerd wordt naar alle leden. Dat kan de deelnemende bedrijven inspireren om bepaalde problemen tegen betaling te laten uitdiepen.

      Wat moet er gebeuren met het praktijkonderzoek?
      De betere bedrijfsleiders moet je niks meer leren over bemesting of belichting. Toch zal praktijkonderzoek altijd nodig blijven om acute problemen op korte termijn op te lossen, zoals de bestrijding van ziekten en plagen, de erkenning van bestrijdingsmiddelen of het uittesten van nieuwe teelttechnieken en materialen. Daarnaast is het een feit dat toekomstgerichte bedrijven steeds meer bereid zijn om zelf te participeren in toegepast wetenschappelijk onderzoek. Deze tendens zal zich allicht nog versterken. Vergeet ook niet dat bijna driekwart van de azalea- en potplantentelers vandaag al beroep doet op betaalde bedrijfsvoorlichting.

      Hoe ziet u de Vlaamse sierteeltsector in de toekomst evolueren?
      Als er niks gebeurt, ben ik pessimistisch over de overlevingskansen van de sector. Het staat sowieso vast veel bedrijven uit de sector zullen verdwijnen. Anderzijds blijft het aantal arbeidskrachten vrij constant, de input van kapitaal en hooggeschoolden neemt toe en de specialisatiegraad verhoogt. Een belangrijke vraag is welk productievolume we nodig hebben om een interessante leverancier te blijven voor de steeds machtiger wordende distributiesector. En we moeten misschien eens ophouden met altijd maar te klagen: in het alom geprezen Nederland hebben vorig jaar duizend sierteeltbedrijven de deur dichtgedaan.

  • Adrien Saverwyns – Departement Landbouw en Visserij

    Op de vooravond van de vijfjaarlijkse Floraliën staat de grandeur van deze sympathieke bloemenker...
    Toon detail informatie

      “Ik heb 35 jaar dienst op het ministerie”, zei u eerder. Hoe goed kent u de Vlaamse sierteelt op het terrein?
      Ik heb tien jaar als inspecteur plantenbescherming gewerkt, waarbij ik ter plaatse de aanwezigheid van parasieten op de bedrijven ging controleren. Het volgende decennium behandelde ik investeringsdossiers bij het toenmalige Landbouwinvesteringsfonds. Om de siertelers op hun vakbekwaamheid te beoordelen, trok ik uiteraard regelmatig richting serres. Zowel in mijn eerste functie als ‘politieagent’ als in mijn tweede leven, waarin ik meer een adviserende rol toebedeeld kreeg, probeerde ik me een accuraat en volledig beeld van de teler te vormen. Ik mag zeggen dat ik ondertussen zo goed als alle Oost-Vlaamse siertelers persoonlijk ken (lacht). Toen land- en tuinbouw gefederaliseerd werd, trok ik bewust opnieuw de kaart van de sierteelt, ook al bracht me dat in een nieuwe omgeving. Het Agentschap leek nochtans een logische keuze maar daar werkten ze met arrondissementen en moesten de collega’s alle investeringsdossiers behandelen. Ik zag mezelf niet meteen ’s morgens naar een varkenshouderij stappen om advies uit te brengen over een nieuwe stal en ’s middags het dossier van een groentekweker bekijken. Inmiddels werk ik zo’n 15 jaar als overheidsvoorlichter: een job met veel vrijheid. Dat heeft ook een keerzijde. Je moet het zelf waarmaken. Zo heb ik heb de laatste vier jaar heel wat energie gestoken in de Europese erkenning van de azalea. Hopelijk halen we volgende maand de eindstreep.

      De azalea is onmiskenbaar het pronkstuk van de Vlaamse sierteelt. Toch slaagt ze er niet in om de consument te verleiden. Waar loopt het fout?
      We zijn nog steeds wereldmarktleider voor de azalea en hebben 80 procent van de Europese productie in handen. Dat biedt met andere woorden flink wat potentieel. Maar de azalea kampt met twee grote problemen: imago en gebrek aan convenience. De consument associeert de plant nog steeds met oubollig en weinig gebruiksvriendelijk. Niet onterecht, want er is behoorlijk wat minderwaardige kwaliteit op de markt gegooid. Planten die te ‘rauw’ in knop verkocht werden en niet dus in bloei geraakten, planten die meteen hun bladeren verloren,… Ruim tien jaar geleden hebben we met een aantal telers het ‘Project Azalela Kwaliteit’ opgericht. De deelnemende bedrijven engageerden zich om een aantal kwaliteitsnormen te hanteren: mooie blaadjes, nette pot zonder onkruid, correcte verhouding pot-plant,… Voor de straks Europees erkende ‘Gentse azalea’ zal bij levering 80 procent van de bloemknoppen zelfs kleurtonend zijn, om te vermijden dat de consument de plant niet in bloei krijgt. Dat lokte behoorlijk wat gemor uit bij de groothandel. Zij zien liever een partij azalea’s nog volledig in knop geleverd, omdat ze die langer kunnen verkopen, maar we hebben het been stijf gehouden. Dat is soms balanceren op een slappe koord. De belangen van de sierteler en die van de tussenhandel en de eindconsument vallen niet altijd samen.

      Nu nog die consument verleiden?
      Ik geloof niet in grootse campagnes met topfloristen. Zaak is om de modale klant te beroeren. Plaats die bloemenpracht in een eigentijdse pot, hecht er een mooi etiket met verzorgingstips aan,… Kijk maar naar Mario Naudts. Als azaleateler lanceerde hij de website www.queenofflowers.com: een heel stijlvolle en gebruiksvriendelijke site op maat van de klant. Dat is dus een doorsnee bloemist, hé! Toch vind je zijn naam nergens terug. Naudts won er in Nederland zelfs een marketingprijs mee. Dat wil toch iets zeggen (lacht).

      Stopt u niet te veel energie in de azalea, die misschien vooral vergane glorie is?
      Die opmerking krijg ik wel vaker! Samen met een twintigtal telers ga ik elk jaar op studiereis in Europa. Daar pols ik bij pakweg een groothandel in Warschau waarom ze bij onze Vlaamse siertelers kopen. Steevast luidt het antwoord dat ze bij ons unieke planten aantreffen zoals clivia’s, laurieren, potchrysanten en winterharde planten zoals erica, veronica en kleine sparretjes die winterbloembakken opfleuren. En azalea’s dus. De rest kopen ze ook, maar als aanvulling op dit exclusief assortiment, want dat vinden ze net zo makkelijk in Nederland, Duitsland en vooral ook Denemarken. We moeten daar niet flauw over doen. Op prijs en volume halen we het niet langer, dus moeten we onze klanten zien aan te zuigen met een uniek aanbod.

      Hoe belangrijk is innovatie hierbij?
      Vlaanderen kent een rijke sierteelttraditie en nog steeds zit hier heel veel expertise. Zo hebben wij 10 procent van de wereldproductie van jongplanten in handen! Het was de Gentse professor Pierre Debergh die in Vlaanderen de in vitro-teelt introduceerde en de sector hiermee een heuse boost gaf. Dat liet ons toe van virusvrij weefsel te vertrekken, maar ook de vermenigvuldigingssnelheid van de plant was plots ongezien hoog. Er werden labo’s opgericht en gespecialiseerde bedrijven zoals Denis-Plants, Deroose Plants, Exotic Plants en Microflor van Floréac volgden in hun kielzog. Veel heeft te maken met de geografische nabijheid. Proefcentra, universiteit, telers en toeleveranciers zitten hier behoorlijk opeengepakt waardoor iedereen heel vlug weet wat er bij die ander gaande is. Onderzoekers stemmen hun projecten sneller af op de concrete noden van telers en vice versa. Innovatie gaat vaak om problemen oplossen, veeleer dan grootse nieuwigheden introduceren. Dergelijke kruisbestuiving heeft zo zijn voordelen. 

      Maar de markt onderging in de jaren negentig een ware metamorfose. Hebben we toen de boot gemist?
      We zijn geëvolueerd van een aanbodgestuurde naar een vraaggestuurde markt. De consument werd grilliger en had meer mogelijkheden om aan te kopen. De grootdistributie bleef niet aan de zijlijn toekijken en ketens zoals Ikea combineerden wonen met groen. Bovendien wilden onze noorderburen toen koste wat het kost marktleider worden. Hun productie groeide exponentieel waardoor de prijs sterk onder druk kwam te staan. Veel siertelers denken dat een goed product zichzelf verkoopt, maar dat is niet zo. Voortaan moesten ze keuzes maken: welk product bied ik aan, voor welke doelgroep en via welk afzetkanaal. Kiezen, om gekozen te worden, dus. Met als gevolg dat heel wat bedrijven zich gingen specialiseren terwijl anderen het peloton moesten lossen.

      Waarom slagen onze familiale bedrijven er dan nauwelijks in om aan de just-in-time vraag van steeds krachtiger wordende distrubitieketens zoals Ikea te voldoen?
      Teelttechnisch zijn we minstens even goed of beter dan de Nederlanders, maar het vermarkten gaat ons echter niet altijd even goed af. We kennen een familiale structuur waarbij de sierteler eigenaar is van grond en serres. Dan ga je automatisch anders om met het nemen van risico’s. Dat ligt in Nederland anders. Veel heeft uiteraard ook te maken met hun coöperatieve geest. Bij ons hebben planten- en bloemenveilingen nauwelijks voet aan de grond gekregen, in Nederland wel. Daar hoeven telers zich geen zorgen te maken over de afzet want die is min of meer verzekerd. Daardoor kunnen ze ook makkelijker groeien en de vraag van een veeleisende distributie beter invullen. Onze relatief kleine bedrijven lijken flexibeler maar kunnen inzake prijs, assortiment en snelle levertermijn niet makkelijk optornen tegen grote spelers. Een goed voorbeeld is de bromelia. Met Exotic Plants en Deroose hebben wij twee van de grootste veredelingsbedrijven inzake bromelia’s. Dan zou je denken dat een aantal Vlaamse siertelers uit de omgeving zich op die teelt gaan storten? Niet dus. Er is maar één kweker actief en die doet het dan nog in combinatie met een andere teelt. Ikea bevoorraadt zich nu rechtstreeks bij een Nederlandse teler die 5 hectare bromelia’s heeft staan in allerlei variëteiten en potmaten.

      Moeten we dan met de hete Nederlandse adem in de nek nog wel inzetten op die veeleisende retail?
      We hebben elk onze eigenheid. Onze noorderburen telen doorgaans op grotere oppervlakten, wat hen wendbaarder maakt. Ze zijn ook keien in het vermarkten van hun product. Daar kunnen wij best nog wat van leren. Wij zijn met onze familiale structuur beter verankerd, wat de kans op continuïteit vergroot. Een aantal grotere familiale bedrijven zijn zeker in staat om het kieskeurig distributiesegment te bedienen. Sommige spelers verenigen zich ook om in blok op te treden. Het aanbod breidt uit, de logistieke spankracht neemt toe en de marketing is eenduidiger. Telers die verder kijken dan hun neus lang is en een kwalitatief product aanbieden, rekening houdend met de verzuchtingen van hun klanten, hebben hier met andere woorden zeker nog een toekomst. Vaak gaat het om kleine zaken, zoals vuile potten of een vrachtwagen die niet tijdig levert. Ik herinner me een container azaleaplanten die in folie verpakt was en waarbij de buitenste takken afgebroken waren. Dat kan dus niet, hé.

      Een aantal telers heeft zich inmiddels verenigd onder het label ‘Speciale’ om de verkoop samen te organiseren. In hoeverre kan zo’n formule soelaas bieden aan de neerwaartse druk van supermarkten?
      Speciale kan twee maal per dag haar Nederlandse exporteurs bevoorraden. Dat is een enorm concurrentieel voordeel. Tel daar nog eens hun assortimentsrijkdom en hun professionele marketing bij en dan heb je geheid een succesformule. Maar zo’n operatie heeft wel wat voeten in de aarde. Zo moet het allicht geen sinecure geweest zijn voor een aantal bedrijfsleiders om de switch te maken. Het zijn mensen die jarenlang gewoon waren om de plak te zwaaien en nu ten dele wat aan vrijheid moeten inboeten. Ze blijven wel zelf beslissen wanneer ze tegen welke prijs verkopen maar ze opereren toch onder eenzelfde label. Dat vergt een aanpassing. Maar ik hoor dat hun echtgenotes erbij betrokken worden en ze al eens een weekendje met zijn allen erop uittrekken, dus dat loopt wel goed.

      Heel wat siertelers kopen gezamenlijk brandstofstoffen aan. Hoe acuut blijft het thema energie?
      Volgens mij evolueren we in Vlaanderen vooral richting koude teelten. In de jaren zeventig hadden we in de regio’s Lochristi, Melle en Merelbeke heel wat bedrijven die warme kamerplanten kweekten, zoals de ficus en philododendron. Die markt zijn we verloren aan Denemarken en ook Nederland, dat met eigen gasbronnen aan de helft van de energieprijs kan werken. We zijn een paar weken terug nog naar Terneuzen in Zeeland gaan zien hoe ze met afvalwarmte van een kunstmestfabriek de kassen verwarmen. Energieclustering is zeker zinvol, maar de op stapel staande macrozones hier zullen allicht vooral voor energiebehoeftige glastuinbouw zoals voor paprika en tomaat nuttig zijn. Ik zie daar niet meteen een groepje siertelers zich vestigen. Groentetelers zijn op zich geen concurrenten van elkaar, hé. In de sierteelt speelt dat wel mee. In die zin is het Stokstormproject op de grens van Deinze en Kruishoutem een mooie testcase.

      Sierteler is een knelpuntberoep, dat nochtans steeds meer ingevuld geraakt door allochtonen. Waar situeert zich de lacune?
      Bijna 80 procent van het uitvoerend personeel bestaat uit allochtonen. Op zich werkt dat systeem van plukkaarten vrij goed, hoewel er occasioneel wel eens problemen opduiken rond huisvesting, taalbarrières of godsdienst. Het personeelsprobleem situeert zich veel acuter op het niveau van ‘de meestergast’. Bedrijven worden steeds groter en hebben nood aan een soort technisch middenkader. Helaas heeft de sierteelt bij bacheloropleidingen of bij de master industrieel ingenieur niet bepaald een swingend imago. Dat beeld van onderbetaalde, vuile en routineuze jobs zonder doorgroeimogelijkheden zouden we moeten bijstellen. Daarom willen een aantal toonaangevende bedrijven een label uitwerken voor erkende stageplaatsen. Zo willen ze vermijden dat jongeren als goedkope werkkrachten ingezet worden. Je moet ze motiveren en vooral laten bijleren. Op de Floraliën organiseren we trouwens een namiddag rond het thema ‘onderwijs en personeel’. We nodigen leerkrachten en CLB’s uit om kennis te maken met moderne sieteeltbedrijven.

      In hoeverre is een beurs zoals de Floraliën in deze tijden van crisis nog een waarheidsgetrouwe staalkaart van de Vlaamse sierteelt?
      Je mag de uitstraling van de Floraliën niet onderschatten. Prestige speelt voor een stuk mee, maar ik merk toch dat heel wat siertelers staan te trappelen om hun noviteiten aan het publiek te laten zien. Onze bedrijfsleiders zijn gepassioneerd door hun product en delen dat maar wat graag. Waarmee ik niet beweer dat een aantal bedrijven het momenteel niet lastig hebben. Maar, zoals gezegd, dateert het begin van de crisis in de sierteelt eigenlijk van midden de jaren negentig. Toen heeft de combinatie van overaanbod, gewijzigd marktmechanisme en de energiecrisis heel wat telers de das omgedaan. Wie het nu moeilijk heeft, stond het water eigenlijk al aan de lippen. Ook bedrijfsleiders van pakweg 55 jaar moeten vaak de pedalen lossen. Uitbollen zit er niet meer in. Of je doet mee of je doet niet meer mee. De crisis zal het stoppen an sich dus wel versnellen, maar ik voorspel de blijvers een mooie toekomst. Wij hebben meer de gewoonte om te klagen. In Nederland gaan heel wat bedrijven – ook grote – failliet, maar dat lees je nergens.

  • Advies en begeleiding?

    Voor algemene informatie over coöperaties kun je terecht bij de Nationale Raad voor de Coöperatie...
    Toon detail informatie
  • Aflatoxine

    Begin maart werd in Duitsland veevoeder teruggevonden waarin de kankerverwekkende stof aflatoxine...
    Toon detail informatie

      Wat was er precies aan de hand bij de aflatoxinezaak in Duitsland?
      Els Daeseleire: Begin maart zagen wij alarmerende berichten over giftige aflatoxines in veevoeder in Duitsland. Men traceerde maïs uit Servië waarin te hoge hoeveelheden aflatoxine zaten. Via het Europese waarschuwingssysteem RASFF werd België op de hoogte gebracht van de vastgestelde problematiek in Duitsland. Ons Voedselagentschap startte onmiddellijk verder onderzoek. Toen bleek dat een klein deel ook in België terechtgekomen was, heeft het FAVV het grootste deel van deze gecontamineerde zending kunnen blokkeren. Het andere deel was helaas al verwerkt in voeder voor varkens, pluimvee en in mindere mate ook in voeder voor rundvee.

      melkveehouderij.melkveestal.ruwvoeder_ILVO.2.jpgDe experts maakten een risico-evaluatie en die toonde aan dat, op basis van de gehaltes in de grondstoffen en de inmengingsgraad van de maïs in het voeder, de norm in het samengestelde voeder over het algemeen niet overschreden werd. En wanneer dat wel het geval was, werden deze mengvoeders die nog aanwezig waren op de landbouwbedrijven onmiddellijk geblokkeerd. Op basis van deze acties kon voorspeld worden dat de zeer strenge norm van 0,05 ppb voor aflatoxine in melk niet overschreden kon zijn. Er werden door de Belgische Confederatie van de Zuivelindustrie (BCZ) en het FAVV melkmonsters genomen en geanalyseerd op aanwezigheid van AF M1. Uiteindelijk is inderdaad geen enkele overschrijding van de Europese norm vastgesteld.

      De zuivelsector laat jaarlijks 1.800 monsters melk analyseren in het kader van een monitoringprogramma op mogelijke contaminanten. Daarvan worden er 238 onderzocht op aanwezigheid van AF M1. Op de ILVO-eenheid Technologie en Voeding voeren we dergelijke analyses uit. Hierbij worden de stalen eerst gescreend met bovenstaande beschreven ELISA-test. Daarna worden de stalen met de vijf hoogste waarden bevestigd met de geaccrediteerde methode aan de hand van LC-fluorescentie. In heel 2012 werd in het labo Chromatografie voor geen enkel staal een overschrijding van de 0,05 ppb norm in melk vastgesteld.

      Wat zijn aflatoxines precies?
      Els Van Pamel: Aflatoxines behoren tot de mycotoxines. Dat zijn voor mens en dier toxische stoffen die door schimmels worden geproduceerd onder bepaalde (stress)omstandigheden. We noemen ze daarom secundaire schimmelmetabolieten. Mycotoxines zijn er altijd al geweest in de natuur: de Romeinen beschreven al de giftige werking van ‘moederkoren’ dat vaak samengaat met rogge. In de middeleeuwen werden soms hele dorpsgemeenschappen getroffen via besmet brood. Mycotoxineproductie zelf is een zeer complex gegeven: niet onder alle omstandigheden worden er mycotoxines geproduceerd, één schimmelsoort kan verschillende mycotoxines voortbrengen, en omgekeerd, een specifiek mycotoxine kan geproduceerd worden door verschillende schimmels. Elk mycotoxine kan een ander schadelijk effect hebben voor mens of dier, soms acuut en soms chronisch. Meerdere mycotoxines samen kunnen elkaars effect soms versterken.

      veevoeder_ILVO.2.jpgVan aflatoxines weten we dat die voornamelijk geproduceerd worden door de schimmelsoorten Aspergillus flavus en Aspergillus parasiticus. Die schimmels komen het meest voor in warmere streken en minder in onze contreien. De schimmels infecteren graag maïs, maar ook oliehoudende zaden en noten (pinda-, pistache-, amandel- en hazelnoten) en kruiden (pepers, muskaatnoot). We weten dat de schimmels zowel “preharvest”, dus op het veld en op het levend gewas, als “postharvest”, dus na de oogst, tijdens het transport of de opslag van de (al dan niet bewerkte) voeder-/voedingsproducten kunnen voorkomen en mycotoxines kunnen produceren. Aflatoxines zijn volgens het International Agency for Research on Cancer (IARC) carcinogeen of kankerverwekkend. Je hebt daar nog gradaties in, naargelang het type: aflatoxine B1 (AF B1) is het meest carcinogeen en komt helaas het meest voor, maar ook AF B2, G1 en G2 duiken vaak op. De B of G staat voor het blauw of groen fluoresceren onder UV-licht. Het voornaamste doelwitorgaan is de lever, maar ook de nieren en longen worden getroffen. Bovendien zijn deze toxines zeer warmtestabiel, wat betekent dat ze bijvoorbeeld hittebehandelingen tijdens voedingsprocessen doorstaan.

      De wetenschap is de jongste 50 jaar sterk gefocust op de studie van mycotoxines. De aanleiding was een acuut en ernstig voederincident in 1962 met de zogenaamde “Turkey X disease”. Tijdens deze crisis stierven zo’n 100.000 kalkoenen na het eten van aardnotenmeel. Achteraf bleek dat het meel besmet was met grote hoeveelheden aflatoxines geproduceerd door Aspergillus flavus. Intussen weten we dat het in de meeste gevallen eerder gaat om chronische blootstelling aan lagere concentraties, maar wel gedurende een langere periode.

      Op welke manier worden mensen blootgesteld aan aflatoxines?
      Els Daeseleire: Wat voeding betreft, kunnen aflatoxines via twee wegen tot bij de mens geraken: ofwel door het eten van besmette plantaardige producten of hun afgeleiden, ofwel door dierlijke producten te eten van dieren die besmet voeder kregen, waarbij de toxines werden overgedragen naar bijvoorbeeld melk en kaas.

      labo1bis.jpgDe controles die via de wetgeving worden opgelegd, moeten dat maximaal voorkomen. Er zijn strenge maximumwaarden of limieten vastgesteld waarin deze toxines aanwezig mogen zijn in voedsel (bijvoorbeeld kruiden, granen, noten, gedroogd fruit) en voeder en dit voor AF B1 en de totale som van AF B1, B2, G1 en G2. Zo ligt de maximumlimiet voor AF B1 op 5 µg/kg voor voeder bestemd voor melkvee. Voor melk en melkproducten ligt de Europese limiet op 0,050 µg/kg (0,050 ppb). Wanneer de voedingsproducten bestemd zijn voor kinderen, liggen de maximaal toegestane limieten nog lager (bijvoorbeeld 0,025 µg/kg voor AF M1). Voor de invoer van aflatoxinegevoelige producten vanuit warmere streken heeft deze Europese wetgeving zeker gevolgen. Ze worden gecontroleerd en indien boven de wettelijk vastgestelde limieten, worden ze van de markt geweerd.

      In het actuele aflatoxineverhaal is sprake van maïs die als veevoeder ook bij melkkoeien terecht was gekomen. Hoe groot is de kans dat aflatoxine in zo’n geval in de melk terechtkomt en uiteindelijk, na alle zuivelbewerkingen, ook nog effecten kan hebben op de melkdrinker?
      Els Van Pamel: De omzetting van AF B1 naar AF M1 gebeurt bij runderen in de lever: AF B1 wordt daar gehydroxyleerd. Een deel hiervan zal in de melk terechtkomen. De overdrachtpercentages worden geschat op één tot zes procent, afhankelijk van de individuele gezondheid van het dier, de melkproductie, het voedingsregime en andere factoren. Gezien AF M1 mogelijk carcinogeen is, houdt deze overdracht vanuit het voeder naar de melk (en afgeleide producten zoals bijvoorbeeld kaas) dus gezondheidsrisico’s in voor de consument.

      Hoe het met de overdrachtspercentages zit van aflatoxine-besmet veevoeder naar het vlees van runderen is nog onbekend. Als we de cijfers uit een onderzoek rond mycotoxines en kip zouden doortrekken, dan is de kans op ‘besmet vlees’ algemeen wel ontzettend klein. Uiteraard moeten we bijzonder voorzichtig zijn met dergelijke vergelijkingen: een kip (éénmagig) is geen rund (complex magensysteem), en er werd bij het kippenexperiment ook niet specifiek met aflatoxine gewerkt.

      Welk gevaar houden aflatoxines in voor het dier zelf?
      Els Van Pamel: Aflatoxine is een mycotoxine dat onder andere het immuunsysteem van het dier en de leverwerking aantast. Herkauwers zoals runderen worden via hun dieet, bijvoorbeeld via kuilvoeder, vaak blootgesteld aan meerdere mycotoxines tegelijkertijd. Dat verschillende mycotoxines samen opduiken en elkaars schadelijk effect kunnen versterken, maakt de zaak erg complex. Deze problematiek is vandaag de dag nog onvoldoende gekend en bestudeerd.

      melkkoeib.jpgAlgemeen wordt gesteld dat runderen door hun complex magensysteem minder gevoelig zijn voor de negatieve effecten van mycotoxines in vergelijking met éénmagige dieren zoals bijvoorbeeld varkens. De micro-organismen in de pensmaag van het rund kunnen bepaalde mycotoxines immers inactiveren of omzetten, meestal naar minder schadelijke vormen. Andere mycotoxines schuiven onaangetast doorheen het verteringsstelsel. Bepaalde mycotoxines met een antibacterieel effect richten zich dan na opname via het voeder tegen de bacteriën in de pensmaag van de koe. Hierdoor kan het rund gevoeliger reageren ten opzichte van de mycotoxines in het voeder.

      Je mag niet concluderen dat runderen mycotoxines in hun voeder zonder gevolgen verdragen. Absoluut niet. De symptomen zijn bij runderen wel vaak vaag en divers. Het is daarom ook gewoon moeilijk om ze te linken aan concrete mycotoxinecontaminatie van het voeder. Die ‘vage symptomen’ zijn bijvoorbeeld verminderde voederopname, verminderde melk- of vleesproductie, vruchtbaarheidsproblemen, aantasting van het immuunsysteem, aantasting van de hoeven of meer gevallen van uierontsteking.

      Hoe goed kan men mycotoxines opsporen in de diverse voedingssoorten?
      Els Van Pamel: Naast wetgeving die bepaalt hoeveel er maximaal aanwezig mag zijn in welbepaalde producten, zijn er ook duidelijke regels rond staalname en analyse. Dit zijn extra aandachtspunten bij het opsporen van aflatoxines. Deze aflatoxines zitten immers ongelijk verspreid in het product. Voor melk geeft dit minder problemen omdat je melk goed kan schudden alvorens stalen te nemen. Voor vaste producten kan die ongelijke verspreiding voor grotere problemen zorgen, zeker wanneer het gaat om producten met een zekere korrelgrootte, denk bijvoorbeeld aan noten. Gelukkig zijn er richtlijnen voorhanden die men kan raadplegen om er zeker van te zijn dat de staalname correct gebeurt.

      melk5.jpgWim Reybroeck: Voor de detectie van eventuele aanwezige aflatoxines in melk bestaan er al zogenaamde snelle screeningstesten. Dan kijk je in feite of er een reactie van antilichamen ontstaat. Voor AF M1 kan men in het laboratorium hiervoor bijvoorbeeld een “Enzyme-Linked Immuno Sorbent Assay” of ELISA-test gebruiken. Deze test laat toe om concentraties die zelfs tien maal lager zijn dan de toegelaten limiet van 0,050 µg/kg nog te kunnen bepalen. Naar aanleiding van de recente aflatoxinecrisis zijn in het buitenland zuivelbedrijven gestart met het controleren van de binnenkomende melk met een sneltest of kit. Aan ILVO werd door een buitenlandse sneltestproducent gevraagd om een onafhankelijke validatiestudie uit te voeren van hun sneltest. Daarbij zal de specificiteit, de detectiecapaciteit en de robuustheid van de test nagegaan worden.

      Naast deze screeningsmethodes, bestaan er ook confirmatie- of bevestigingsmethodes. Zo wordt in het laboratorium Chromatografie op de ILVO-eenheid Technologie en Voeding een geaccrediteerde vloeistofchromatografische-fluorescente methode als bevestigingsmethode voor AF M1 in melk en melkproducten gebruikt. Hierbij wordt AF M1 eerst door middel van vloeistofchromatografie gescheiden van de componenten in het extract waarin men niet geïnteresseerd is. Daarna worden de fluorescente eigenschappen van AF M1 gebruikt om deze specifiek te detecteren en de hoeveelheid ervan te bepalen. Deze methode laat toe om zelfs concentraties van 0,0015 µg/kg te bepalen in melk.

  • Afrikaanse boer toch geen vogel voor de kat?

    Fair trade is nobel, maar het gros van de arme boeren in de Derde Wereld produceert niet voor de ...
    Toon detail informatie

      In 2015 moet de honger in de wereld gehalveerd zijn, zo luidt één van de Millenniumdoelstellingen van de Verenigde Naties. Er is werk aan de winkel, want momenteel zijn er nog voedseltekorten in 28 landen, waarvan er zich twintig in Afrika bevinden. Landen als Eritrea, Ethiopië en Guinea kampen met hoge voedselprijzen, in Lesotho en Swaziland eist aids een immense tol aan jonge mensenlevens en in Zimbabwe lijkt Mugabe helemaal het noorden kwijt na de onteigening van blanke boeren. In zeven Afrikaanse landen trotseren boeren en ontwikkelingshelpers etnische conflicten en andersoortig geweld, terwijl andere landen opgezadeld zitten met vluchtelingen of bezig zijn aan een langdurig herstelproces na een burgeroorlog. En dan zijn er ook nog de gevolgen van de klimaatverandering, waardoor niet alleen langere droogteperiodes op het menu staan: enkele weken geleden vernietigden overstromingen nog grote delen van de oogst in Soedan.

      “Je moet altijd optimistisch blijven”, zucht Els Bedert. Ze weet waarover ze praat, want in 1994 was ze de eerste coöperant van Dierenartsen zonder Grenzen die op het vliegtuig werd gezet, richting Soedan. Dat was exact tien jaar nadat in Frankrijk de eerste afdeling van de Vétérinaires sans Frontières de deuren had geopend. De Franse dierenartsen wilden niet achterblijven bij het initiatief van hun collega’s uit de humane geneeskunde. Die oogstten in de eerste helft van de jaren tachtig veel lof toen ze met hun Artsen zonder Grenzen het noodlijdende Ethiopië ter hulp snelden. In eigen land stonden de faculteiten diergeneeskunde van de universiteiten in Luik en Gent aan de wieg van de Belgische poot van Dierenartsen zonder Grenzen. Intussen telt de organisatie afdelingen in negen Europese landen die samen een werkterrein bestrijken van meer dan vijftig ontwikkelingslanden.

      Ook de Belgische afdeling van Dierenartsen zonder Grenzen heeft een fameus groeiproces doorgemaakt. Het begon allemaal met een bescheiden budget van 15.000 euro om op vraag van Unicef diergeneeskundige zorgen te verstrekken in Soedan. Het kinderfonds van de Verenigde Naties had er een programma rond poliovaccinatie voor kinderen, maar kreeg aanvankelijk weinig steun van de lokale bevolking. Els Bedert: “De veeboeren wilden slechts meewerken aan de vaccinatiecampagne op voorwaarde dat er ook iets zou gedaan worden aan de gezondheid van hun veestapel. Als de kudde sterft, hebben onze kinderen toch geen toekomst, klonk hun redenering”. Vandaag is Dierenartsen zonder Grenzen nog altijd actief in Zuid-Soedan, net als in zeven andere Afrikaanse landen. Vorig jaar slorpten de activiteiten van de 110 medewerkers een budget op van 7,2 miljoen euro. “Daarmee situeren we ons net onder de échte grote ontwikkelingsorganisaties in Vlaanderen, zoals Vredeseilanden en Broederlijk Delen”.

      Hulp op maat. ‘Het welzijn van kansarme bevolkingen verbeteren door de optimalisatie van de veeteelt’, luidt de missieverklaring van Dierenartsen zonder Grenzen. In veel Afrikaanse streken bezet de veestapel een centrale plaats in de lokale leefgemeenschap. Het vlees, de melk en de eieren van de dieren zijn kwalitatief hoogstaande maar toch vrij goedkope eiwitbronnen voor veel boerenfamilies. Bovendien zorgt het vee ook voor trekkracht, de nodige mest en de ontwikkeling van een verwerkende nijverheid. “De dieren hebben ook een belangrijke sociale functie”, voegt Bedert eraan toe. “Een dier kan een bijdrage leveren aan feestelijkheden, het bijleggen van een geschil tussen twee personen, bijstand aan arme gezinnen, enzovoort. De veehouderij is ook belangrijke motor van de economie op plaatsen waar veeboeren uit verstedelijkte gebieden voedergewassen aankopen op het achtergestelde platteland, waar voor de rest weinig deviezen in omloop zijn”.

      Meestal is dierengezondheid voor Dierenartsen zonder Grenzen het aanknopingspunt om een project op te starten, maar ook aspecten zoals diervoeder, huisvesting, productierendement en zelfs commercialisering kunnen deel uitmaken van een actieprogramma in een bepaalde regio. De opdrachtgever kan een andere ngo zijn, maar ook de plaatselijke overheid doet wel eens beroep op de expertise van Dierenartsen zonder Grenzen. De belangrijkste donoren zijn de Belgische overheid, de Europese Commissie, de FAO en zowaar USAID, de Amerikaanse regeringsorganisatie voor ontwikkelingshulp. Wat niet betekent dat de projecten ver boven de hoofden van de betrokken veeboeren in elkaar gepuzzeld worden: aan iedere actie gaat een identificatiemissie vooraf, die de lokale noden en behoeften van de veehouders gedetailleerd in kaart brengt. En die zijn in de diverse regio’s uitermate verschillend: in Rwanda is de bevolkingsdruk erg hoog, terwijl de veehouders in Niger een seizoensgebonden trek organiseren en de nomaden in Kenia het hele jaar door rondzwerven met hun kuddes.

      De projecten van Dierenartsen zonder Grenzen zijn dus maatwerk. Neem nu de Turkana-nomaden in Kenia, die maar weinig merken van de economische bloei in handelscentra zoals Nairobi. Het voortbestaan van hun kwetsbare nomadengemeenschappen is in grote mate afhankelijk van de veestapel. “Onder druk van de structurele aanpassingsprogramma’s van het IMF en de Wereldbank waren er enkele jaren geleden plots geen fondsen meer beschikbaar voor vaccinatieprogramma’s, en bij privé-dierenartsen kunnen de nomaden ook niet aankloppen. Met praktijkgerichte lessen hebben we daarom zelf dierenverzorgers opgeleid en hen vervolgens met basismedicijnen op pad gestuurd. Samen vormen ze een netwerk, dat permanent opgevolgd wordt. Om de droogte van vorig jaar het hoofd te bieden, werden waterreservoirs gebouwd en fokgeiten aangekocht bij nomaden met grotere kuddes, om deze dieren vervolgens te herverdelen onder herders die met forse veesterfte geconfronteerd werden. Dit jaar proberen we met dialogen de gemeenschappen bewuster te maken van de mogelijkheden die de veehouderij biedt als vorm van duurzame vredesopbouw”, vertelt Bedert.

      Eerst ontwormen. Speurt Dierenartsen zonder Grenzen op de Belgische universiteiten naar gemotiveerde studenten diergeneeskunde? Els Bedert lacht. “We zijn vooral op zoek naar mensen die het klappen van de zweep in Afrika al kennen. Onze coördinatoren moeten de lokale problematiek perfect aanvoelen en zich in heel moeilijke werkomstandigheden uit de slag kunnen trekken. Naast landbouwingenieurs hebben we evengoed sociologen en antropologen in dienst. Vergeet ook niet dat naast het handvol coördinatoren nagenoeg al onze medewerkers lokale mensen zijn, die er geen moeite mee hebben om dagenlang met koelboxen op hun hoofd door moerassen te trekken”. Bedert benadrukt ook dat het gros van de problemen bij Afrikaanse veehouders geen diepgaande veterinaire kennis vereist. “De impact van parasieten en simpele aandoeningen zoals schurft, diarree en uierontsteking is gigantisch. De meeste veeboeren hebben geen medicijnen, ofwel de verkeerde. Soms ontbreekt bij de armste bevolkingsgroepen ook elke notie van bedrijfsmanagement: als je kippen met gaas afschermt tegen roofvogels, moet je er natuurlijk ook voor zorgen dat die dieren nog toegang hebben tot water. Als je een dierenverzorger opleidt en rondstuurt om op dergelijke kleinigheden te letten, ben je dikwijls al een hele stap vooruit”.

      Els Bedert doet het verhaal van een opgedane ervaring in Burkina Faso, waar veehouders zich destijds bezondigden aan oeverloze inteelt om de vacht van de runderen de in hun ogen perfecte kleur te geven. “Arme boeren hanteren vaak onbenullige selectiecriteria zoals kleur of de manier waarop horens groeien. Meestal gaat het om cultureel verankerde gewoonten, waardoor heel wat dialoog en praktijkvoorbeelden nodig zijn om hen te doen inzien dat een rationele selectie tot hogere productiviteit leidt, en in hun situatie dus de aangewezen optie is”. Onze hoogproductieve rassen exporteren naar ontwikkelingslanden is slechts in een beperkt aantal gevallen haalbaar. Bij dergelijke dieren hoort immers ook aangepast voeder, een optimale huisvesting, enzovoort. Niettemin trok de FAO onlangs aan de alarmbel: een vijfde van de gedomesticeerde diersoorten is bedreigd. Zo zouden steeds meer Oegandese boeren zich laten verleiden om te werken met holstein-koeien in plaats van de inheemse soorten. Bij een droogte stierven onlangs alle ingevoerde topdieren, omdat ze de lange afstand naar de drenkplaatsen niet overleefden. “Bij onze projecten zijn we heel zuinig met de invoer van vee uit andere landen”, garandeert Bedert.

      Er is hoop. Is het werk van Dierenartsen zonder Grenzen geen druppel op een hele plaat? Bedert: “In sommige gebieden maken we wel degelijk het verschil. In Niger hebben we dierenverzorgers opgeleid die zich rond een privé-dierenarts gevestigd hebben. 15.000 veehouders maken vandaag gebruik van dat netwerk, waardoor zo’n 100.000 mensen uit dat project een direct voordeel halen. Op de Comoren-eilanden hebben we een vereniging van dierenartsen opgericht die rondrijdt met een ambulante dierenkliniek. En we hebben voldoende data verzameld om voor Soedan een internationale erkenning te bekomen dat het land vrij is van runderpest. In zo’n uitgestrekt en rumoerig land is dat een fameuze prestatie, die ons toelaat om de komende jaren op andere veeziekten te focussen”. Volgens Bedert zorgen de projecten er bovendien voor dat veehouders veel bewuster omgaan met de gezondheid van hun veestapel. Ze beseffen ook veel beter het belang van een degelijke opleiding. “En dat leidt dan weer tot minder fatalisme”.

      Bij Dierenartsen zonder Grenzen leeft zelfs het gevoel dat ook de Afrikaanse overheden de agrarische sector weer leren appreciëren. “Niger heeft een hele beleidsstrategie op poten gezet om de veehouderij opnieuw leven in te blazen, Rwanda investeert in zijn zuivelketen en ook in Mauretanië en Kenia merken we een ommekeer. De voorbije twintig jaar was de overheid er alleen maar geïnteresseerd in de landbouw op de meest vruchtbare gronden. Een eenzijdige promotie van intensieve landbouw helpt de arme boeren niet vooruit en brengt bovendien ecologische evenwichten aan het wankelen”. Wat is vandaag de grootste bedreiging voor de Afrikaanse landbouw? Els Bedert denkt diep na. Terwijl we nog eens de potentiële gevolgen van de klimaatverandering opsommen, blijkt dat vooral de burgerconflicten haar angst inboezemen. “Bij een droogte kan je nog altijd de beslissing nemen om de kudde elders te laten grazen. Maar als de kogels rond je oren fluiten…”

  • Agribex werpt een blik op de boerderij van de toekomst

    19 oktober 2025. Het is net vijf uur wanneer ik wakker word van het gepiep van mijn smartphone. H...
    Toon detail informatie

      Vraagt u zich af of de inleiding fictie of realiteit is? Beiden. We maken in dit artikel een sprong in de tijd. De implementatie van nieuwe technologie staat tien jaar verder dan vandaag het geval is maar de technologie zelf is geen sciencefiction. Integendeel, de geboortemelder waarvan sprake is wordt in de praktijk al vaak toegepast op melkvee- en vleesveebedrijven. De NIR-sensor voor opbrengst- en kwaliteitsmeting op een maïshakselaar zit nog in een vroege fase van marktintroductie. Zo ook met de bodemsensor voor het bepalen van de samenstelling van de bodem: de techniek bestaat en recent werd er in Vlaanderen nog een dienstverlening aan gekoppeld. Het is maar een kwestie van tijd vooraleer precisielandbouw de nieuwe norm wordt.

      Thema-eilanden op Agribex
      Landbouw zal meer en meer gebruik gaan maken van datamining en moderne technologieën. Vanuit die overtuiging maken de organisatoren van Agribex een landbouwbeurs die ons een blik op de toekomst gunt. Agribex is een initiatief van Fedagrim, de beroepsvereniging van de toeleveranciers die actief zijn in stallenbouw, stalinrichting en mechanisatie voor zowel landbouw als groenvoorziening. Dit jaar zijn vier thema-eilanden de grote blikvangers van een nieuw beursconcept. In hal 11 bevindt zich het eerste eiland: ‘Smart farming’. De bezoeker leert hier meer over de verschillende mogelijkheden van precisielandbouw.

      Een tweede thema-eiland kreeg de naam ‘Feed the Future’ en bevindt zich in hal 3. Het geeft een futuristisch maar toch realistisch beeld van de veehouderij anno 2025. Denk bijvoorbeeld aan sensoren die een boer toelaten om een grote veestapel toch heel nauwgezet op te volgen. Of aan een heel nieuw soort diervoeder, op basis van insecten. Ingrijpende evoluties worden ook in de stallenbouw voorspeld zodat het dierenwelzijn verder verhoogt en de ammoniakemissie naar de omgeving verlaagt.

      mechaniek.geVILT.jpg

      Eilanden drie en vier zijn eigenzinnig van opzet: ‘Workshop live’ is een pop-up werkplaats in de Patio van Brussels Expo waar er op de beursvloer gesleuteld wordt aan machines. Het past in een campagne om jongeren warm te maken voor een job als landbouwmecanicien. Garden Passion in hal 8 moet een ontmoetingsplaats vormen voor verenigingen en organisaties die in de groensector actief zijn.

      Back to the future
      Hoog tijd om terug te keren naar onze fictieve, futuristische boerderij want mijn smartphone meldt een storing in de software bij één van de twee melkrobots. Goed om weten, maar verder hoef ik me daar niet druk in te maken want het onderhoudscontract met de fabrikant bepaalt dat hier binnen de twee uur een technieker staat met een oplossing. Met het pas geboren kalfje gaat het overigens goed, het heeft al biestmelk gedronken bij de moeder.

      Meer zorgen maak ik me om de kreupele koe met het oormerknummer dat eindigt op 6696. Zoals mijn vader zijn 50 koeien allemaal bij naam kende, zo ken ik op een veestapel van nochtans 145 koeien heel wat oormerknummers uit mijn hoofd. In de eerste plaats zijn dat de nummers van mijn lievelingsdieren die al jarenlang op het bedrijf zijn en waarvan de levensproductie vaak flirt met de grens van 100.000 liter melk. Ook de nummers van de ‘probleemkoeien’ leer je na een tijdje kennen omdat ze steeds bovenaan staan in de lijst met data die de melkrobot doorstuurt naar mijn pc.

      melkrobot.geVILT.jpg

      Nu lijkt het misschien dat ik goochel met de datastroom die uit de melkrobots rolt, maar het is nog niet zo lang geleden dat ik dreigde te verzuipen in de cijfertjes. Het gezegde ‘meten is weten’ was niet echt van toepassing, het leek meer op ‘door de bomen het bos niet meer zien’. Enkele workshops bij het kenniscentrum ‘Koesensor’ hebben daar verandering in gebracht. Voordien lukte het me niet om inzicht te verwerven in de gegevens uit de melkrobot over krachtvoederopname, melkproductie en melksamenstelling. Zelfs de tochtdetectie liep mis omdat de progesteronmeting in de melk mij met een groot aantal vals-positieven op het verkeerde been zette.

      Ondertussen weet ik wat er toen mis was, de fout lag bij mezelf en niet bij de sensor van de melkrobot. Dankzij de workshops georganiseerd door het kenniscentrum kreeg ik greep op de datastroom op mijn bedrijf. Meer nog, het is aan de cijfers ‘spuwende’ melkrobots te danken dat de diergezondheid verbeterde en het antibioticumgebruik verminderde. Sinds de software van de melkrobots uitgebreid werd met een alarmsysteem voor mastitis-detectie kan ik problemen met de uiergezondheid in een vroeg stadium aanpakken. Ik wou het eerst niet geloven maar voor de intelligente algoritmen achter het computerprogramma zijn kleine afwijkingen in de melksamenstelling voldoende om met grote nauwkeurigheid gezondheidsproblemen bij de koe te voorspellen.

      Steeds meer robots in de stal
      Nu ik er over nadenk, heb ik best wel veel vertrouwen moeten stellen in moderne technologie om op mijn eentje 145 koeien te kunnen melken. Naast twee melkrobots zijn ook de mest- en de voederrobot onmisbaar. En ik zou bijna het weerstation vergeten dat de nokken in het dak en de windgordijnen automatisch aanstuurt om het stalklimaat zo constant mogelijk te houden.

      De taak van de mestrobot is simpel: met een schuifblad rondjes draaien in de stal om de mest tussen de vloerroosters te vegen. Mijn handige vader deed dat nog met een oude zitmaaier die hij had omgebouwd tot een zelfrijdende mestschuif. Nu zou dat ondoenbaar zijn want de ammoniakemissiearme vloer die er ligt, functioneert maar optimaal als de robot veel frequenter een beetje water vernevelt op de vloer en de mestvlaaien verwijdert.

      mestrobot.geVILT.jpg

      De tijd die daar zou inkruipen, besteed ik liever aan administratie. Dat kost me iedere week toch wel een volle werkdag, maar ik klaag niet. Hoewel administratieve vereenvoudiging niet het juiste woord is, heeft de overheid er wel goed aan gedaan om in te zetten op digitalisering. De generatie voor mij zou er horendol van worden, maar ik ‘speel’ met de e-loketten van de verschillende overheidsdiensten.

      Over de voederrobot heb ik nog niets verteld en dat is nochtans het paradepaardje van mijn stal. Aan die robot gaat een hele geschiedenis vooraf. Omdat ik de meeste veldwerkzaamheden uitbesteedde aan de loonwerker begon ik me vragen te stellen bij het nut van een tractor op het bedrijf. Mijn vader was een machinefreak en investeerde zelfs in machines die maar enkele dagen op een jaar gebruikt worden, zoals een maïsplanter en spuittoestel. Ik ben daar veel nuchterder in: met de zorg voor 145 koeien in de stal heb ik mijn handen meer dan vol, dus waarom zou ik er van april tot en met oktober nog een halve dagtaak op het veld bijnemen? Mijn ogen gingen pas echt open toen mijn boekhouder me voorrekende wat de werkelijke kostprijs is van een machine die weinig draaiuren maakt.

      In mijn hoofd had ik de beslissing al genomen, de tractor vliegt buiten. Alleen … hoe moet ik dan mijn koeien voederen? Tot voor kort had ik daar zowel een kniklader als een getrokken mengvoerwagen achter de tractor voor nodig. Een bezoek aan Agribex, de landbouwbeurs in Brussel waar ik als kind al naar toe ging, leerde me dat ik twee keuzes had. Ofwel investeerde ik in een zelfrijdende mengvoerwagen ofwel ging ik nog verder in de ‘robotisering’ van de stal met de aankoop van een voerrobot. Het werd dat laatste.

      melkveestal.voedergang.geVILT.jpg

      Bij de nieuwbouw van de stal had ik er al rekening mee gehouden dat het ooit zo ver zou komen. Daardoor leverde het geen problemen op om een rail in de stal te monteren waarlangs de voerrobot zijn rondje aan het voederhek doet. Vlak naast de stal is een deel van de oude en nu overbodige machineloods ingericht als ‘voederkeuken’. Mijn taak bestaat er nu alleen nog in om alle ingrediënten uit het rantsoen klaar te zetten. Daarvoor gebruik ik de kniklader, de enige machine die nog op het bedrijf aanwezig is. Elke 5.000 draaiuren wordt hij vernieuwd zodat pannes met oude machines slechts een nare herinnering zijn.

      De voederrobot doet de rest, hij ‘freest’ uit bunkers de voedergrondstoffen die ik heb klaargezet. Na het mengen begint hij aan zijn rondje in de stal. Nu ik zelf niet meer moet voeren, is de frequentie opgeschroefd van twee- naar driemaal daags. Tussendoor rukt de robot ieder uur uit om het voeder aan te schuiven. Daardoor is de voederopname, maar belangrijker, ook de melkproductie, lichtjes gestegen. Als nu ook de melkprijs nog wil stijgen, dan komt het helemaal goed.

      De stalmuren hebben oren: sensoren
      Herinneren jullie je koe 6696 nog? Juist, dat kreupel exemplaar. Het gaat er nog altijd niet beter mee maar ik neem niet graag afscheid van haar. Nooit last van een uierontsteking en een productie om u tegen te zeggen, weet je wel. Vroeger had het dier niet gauw last van kreupelheid, maar ze is één van de weinigen die de overgang naar permanent opstallen niet goed verteerd heeft. De stal is nochtans uitgerust met alle snufjes op vlak van dierenwelzijn: een comfortabele vloer, ligboxen uitgerust met zachte koe-matrassen waar een waterbed niet aan kan tippen, een koe-borstel en tot slot ook ventilatoren en klimaatsturing die vooral in de zomer hun waarde bewijzen. Wat zou ik nog meer kunnen doen om klauw- en pootproblemen te voorkomen?

      Zelf bleef ik het antwoord schuldig, maar mijn buurman wist raad. Op zijn gesloten varkensbedrijf investeerde hij in twee nieuwe snufjes die het resultaat zijn van onderzoek dat op het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek is verricht. Het ene is elektronische identificatie aan de voederbak en drinknippel. Daarmee wordt het eet- en drinkpatroon van elk vleesvarken gemeten. In de patronen van de individuele dieren worden automatisch veranderingen gedetecteerd die kunnen wijzen op welzijns-, gezondheids- of productiviteitsproblemen bij het varken. Ernstige problemen worden zo al na één dag opgespoord.

      Als melkveehouder met een kreupele koe word ik vooral enthousiast van de tweede innovatie in zijn stal. SowSIS is een toestel dat in een vroeg stadium kreupelheid bij zeugen detecteert en zelfs kan voorspellen. Stel het je voor als een demonteer- en transporteerbare zeugenbox waarvan de vloer en het camerasysteem zowel de neerwaartse kracht als de verplaatsingen van de poten in stilstand registreren, evenals de beenstand. Manke zeugen gaan de pijnlijke poot duidelijk minder belasten en vaker opheffen, en verschuiven hun gewicht voornamelijk naar de contralaterale poot.

      gaitwise.sensordrukmat.kreupelheid.melkkoe_ILVO.geVILT.jpg

      Mijn buurman is een trouwe bezoeker van studiedagen en weet me te vertellen dat er iets gelijkaardig voor melkvee bestaat. Het project ‘Gaitwise’ bij ILVO resulteerde in een drukgevoelige loopmat die kreupelheid bij koeien opspoort. Zoals elke innovatie kostte dat bij zijn marktintroductie behoorlijk veel geld maar naarmate de ‘oplage’ vergroot, wordt het financieel almaar aantrekkelijker. De ‘gaitwise’ sensor is in staat om 90 procent van de ernstig mankende koeien automatisch te detecteren in een kudde, zonder één enkel vals positief dier in de alarmgroep op te nemen. De sensor draait op twee aparte wiskundige reken- en voorspellingsmodellen: één voor de detectie van ernstig mankende koeien en één voor het vinden van licht mankende koeien.

      Kijk, van dat soort innovatie wordt een boer nu blij. Zo’n loopmat zou de redding kunnen betekenen voor koe 6696. Des te sneller ik kreupelheid kan opsporen, des te sneller kan ik met de behandeling starten zodat een volledige genezing volgt. De sensor en loopmat verdienen zichzelf terug want een manke koe geeft minder melk.

      Sensoren zijn de voelsprieten van een tractor
      Terwijl de koeien al mijn aandacht opeisen, gaat het werk op het veld gewoon door. De maïs zit ondertussen goed en wel in de kuil, met dank aan de loonwerker. Zonder tractor op mijn erf ben ik voor alle veldwerkzaamheden volledig op hem aangewezen. Mijn vader amuseerde zich nog zelf met drijfmest uitvoeren, ploegen, rotoreggen en spuiten van de maïsakkers. Hij vond zelfs de tijd om al de weilanden te bemesten en ze vijfmaal per jaar te maaien, schudden en harken. Ik had al gauw door dat mij dat niet zou lukken met een veestapel die naar 145 melkkoeien plus jongvee is gegroeid en met een echtgenote die buitenshuis werken gaat. Bovendien is het areaal ruwvoederwinning – in de mate dat er grond vrijkwam in de omgeving – mee gegroeid met de veestapel. Het oude machinepark zou dus sowieso te weinig capaciteit gehad hebben. Stel je voor dat ik met een mesttonnetje van tien kubieke meter op mijn eentje zowat 3.500 m³ drijfmest zou uitvoeren…

      gras.maaien_Cofabel.jpg

      Nee, spijt van de beslissing om de tractor weg te doen, heb ik zeker niet. Mijn loonwerker is een man van zijn woord. Afspraken worden keurig nagekomen, wat vooral te danken is aan de toegenomen capaciteit van het materiaal want vaak moet hij in een korte tijdspanne bij al zijn klanten aan de slag. Met een vlindermaaier van 11 meter breed kan een snede gras in één keer gemaaid worden. Met de kleine schudder en hark die hier vroeger in bedrijf waren, zou ik dat nooit kunnen bijbenen.

      Wat ik ook weet te appreciëren, is dat de loonwerker meedenkt met mijn bedrijfsvoering. Neem nu de drijfmest die ik graag zo vroeg mogelijk in het voorjaar op de droogste percelen grasland laat voeren. Vroeger gebeurde dat met zware mesttonnen, getrokken door een tractor. Weken later zag je het gras nog ‘treuren’ in de rijsporen. De laatste jaren komt de loonwerker met zelfrijders, allemaal uitgerust met een luchtdrukwisselsysteem. De bodem wordt nu veel minder zwaar belast en dat zie ik terug in mijn grasopbrengst.

      Net zoals in de maïsoogst kan ook bij het hakselen van gras de drogestofopbrengst gemeten worden met een sensor op de lospijp van de hakselaar. Dat heeft vele voordelen. Ik kan veel beter inschatten of de ruwvoedervoorraad zal volstaan om de winter door te komen. En de opbrengstmetingen laten toe om plaats-specifiek te bemesten in het voorjaar. De opbrengstkaarten worden op USB-stick gezet, ingeplugd in de boordcomputer van de tractor en van daaruit wordt de software van de drijfmesttank aangestuurd. De plekken in een perceel met een hoog opbrengstpotentieel krijgen net wat meer drijfmest toegediend. Op een gelijkaardige manier hou ik de zuurtegraad van mijn percelen op peil. Een gespecialiseerde loonwerker die beschikt over een bodemscanner meet onder andere de zuurtegraad, waarna er plaats-specifiek bekalkt kan worden. De totale kalkgift is onveranderd, maar de kalk komt daar terecht waar je hem wil hebben, op de zure plekken van een perceel.

      Agribex.hightech.tractor.geVILT.jpg

      Doordat mijn investeringen zich toespitsen op de stal en de loonwerker up-to-date blijft op vlak van mechanisatie slaag ik er in om de nieuwste technologie op een betaalbare manier in te schakelen op mijn bedrijf. Ook buiten de stal pluk ik daar de vruchten van. Sinds de loonwerker maïs zaait en spuit met GPS-besturing realiseer ik een aanzienlijke besparing op zaaizaad en gewasbeschermingsmiddelen. Door de grillige vorm van veel percelen waren overlappingen vroeger onvermijdelijk.

      Op akkerbouwbedrijven gaat men nog veel verder in ‘smart farming’. Sinds mijn loonwerker een drone heeft aangeschaft, doen veel aardappeltelers een beroep op hem. Het onbemande vliegtuigje is uitgerust met een multispectrale camera. Alle foto’s die het maakt, worden samengevoegd tot een digitaal taakkaart van het volledige perceel. Daarmee kunnen de telers hun aardappelen in de loop van het groeiseizoen variabel bemesten met kunstmest. Ze doen dat enkel als de planten daarom vragen. Ook op chemische loofdoder wordt er enorm bespaard als de dosering wordt verminderd op de plaatsen waar het loof al minder groen ziet. Waar dit gaat eindigen, weet ik niet. Bij elk bezoek aan Agribex ontdek ik weer wat nieuws.

      Heeft dit verhaal jouw nieuwsgierigheid geprikkeld? Krijg je graag een goede indruk van de technologische ontwikkelingen in de landbouw? Breng dan tussen 8 en 13 december een bezoek aan Agribex, de grootste indoor landbouwbeurs in ons land.

  • Agroforestry

    In Frankrijk is agroforestry helemaal terug van weggeweest: menig boer plant er bomen op zijn gra...
    Toon detail informatie

      Het begrip agroforestry is nog vrij onbekend in Vlaanderen. Er zijn verschillende vormen, maar het meest veelbelovend in onze streken is een combinatie van enerzijds bomen en anderzijds (eenjarige) gewassen zoals graan, maïs of gras. Door beide te combineren op één perceel, kun je van dat perceel een hogere opbrengst halen: bomen halen hun voeding en hun licht op andere plaatsen, of hebben het op andere momenten nodig dan de gewassen. Je benut als het ware de derde dimensie van je perceel, in de hoogte en in de diepte.

      Korte en lange termijn
      ‘De combinatie van bomen met gewassen geeft een hogere opbrengst doordat je licht, nutriënten en water efficiënter benut dan in monocultuur’, zegt Jeroen Watté van Wervel (Werkgroep voor een Rechtvaardige en Verantwoorde Landbouw). ‘Agroforestrybomen groeien sneller dan bosbomen doordat ze meer licht hebben en doordat ze dieper wortelen als gevolg van de bodembewerking. Zo recupereren ze ook nitraten die anders zouden uitspoelen. Bomen en gewassen moeten weliswaar de zonneschijn delen, maar dikwijls hebben ze die zonneschijn op verschillende tijdstippen nodig. Op korte termijn is het productieverlies bij je gewas minimaal doordat de bomen nog maar weinig plaats innemen. Op lange termijn wordt de opbrengstdaling ruimschoots gecompenseerd door de waarde van het hout.’ Anderzijds hebben de bomen bijvoorbeeld ook een windschermeffect waardoor de opbrengst in het midden van het perceel aanvankelijk hoger is dan zonder bomen. En zo zijn er nog een aantal wisselwerkingen.

      Lees ook:
      Voor- en nadelen op een rij
      Agroforestry kan mee een oplossing bieden voor een aantal problemen waarmee de sector vandaag wordt geconfronteerd. ‘In het algemeen krijg je een efficiëntere nutriëntencyclus, en vermindert de uitspoeling van nutriënten. De erosiegevoeligheid daalt. Voorts stijgt het gehalte organische stof in de bodem. Dat is dan weer de sleutel voor een duurzame bodemkwaliteit. En nog een belangrijk aspect: hoe meer hout we hier zelf produceren, hoe minder tropisch bos er moet sneuvelen.’

      Mogelijke combinaties
      Allerlei combinaties van bomen en gewassen zijn mogelijk. In Vlaanderen wordt vooral gezocht naar combinaties met een zo beperkt mogelijke competitie voor licht:

      Populier en/of boskers met gras, maïs of graan
      Populier is een snelle groeier die relatief weinig licht afneemt. Het is ook voor vele boeren geen onbekende. Ten vroegste na 18 jaar kun je populier oogsten. Jeroen Watté: ‘Je kunt populier combineren met graas- of maaiweides. Als je ertegenop ziet om boombescherming te plaatsen, kun je tussen je rijen populieren ook de eerste vijf jaar maïs of graan zetten.’
      Je kunt de populieren eventueel afwisselen met boskers. Dat levert hout van erg hoge kwaliteit op, maar pas ten vroegste na 36 jaar. ‘Als je afwisselt met populier, kun je de bomen vrij dicht tegen elkaar zetten in de rij: op het moment dat de boskers meer plaats nodig heeft, is het toch tijd om de populier te kappen.’
      Er is een grote vraag naar populierenhout. Dat wordt onder meer gebruikt in fineer voor meubelen en dergelijke. In Vlaanderen hebben we een belangrijke populierverwerkende industrie en die trok recent nog aan de alarmbel omdat er een houttekort dreigt.

      Noten in combinatie met grasland of granen
      Notelaars groeien heel wat trager dan populieren. Je houtopbrengst komt dus later. Daar staat tegenover dat notenhout meer opbrengt en dat je in de tussentijd de noten kunt commercialiseren. Op dit moment worden die voornamelijk geïmporteerd.
      ‘De combinatie van grasland of granen met walnoot is heel veelbelovend. Onder meer doordat notenbomen laat blad zetten, vrij veel licht doorlaten en vroeg blad verliezen. Voorts hebben ze een penwortel die heel diep gaat.’ Ook hier kan de eerste jaren voor maaien worden gekozen, tot de bomen sterk genoeg zijn om bestand te zijn tegen het vee.

      Combinaties met andere boomsoorten
      - snelle groeiers als es of els,
      - robinia en tamme kastanje, die de kwaliteit van tropisch hardhout hebben,
      - onder meer ook valse christusdoorn, lijsterbes, enzovoort.

      Combinatie met nicheproducten
      Het landbouwsysteem agroforestry leent zich ook tot nieuwe combinaties met allerlei nicheproducten. Duindoorn bijvoorbeeld – naar verluidt boordevol antioxidanten – wordt in Nederland gecombineerd met walnoot en hazelnoot. ‘Heel wat minder gangbare gewassen kunnen perfect geteeld worden met wat schaduw. Vergeten groentesoorten bijvoorbeeld. Ook pakweg kippen in vrije uitloop geven een prima wisselwerking met bomen.

      Welke combinatie voor u?

      Lees ook:
      De multifunctionele bomen van Ronny Aerts
      Als boer moet je zelf uitmaken wat past in je bedrijfsvoering. ‘Het is geen kant-en-klaar-pakket en bovendien moet je het zien in een bedrijfsstrategie op lange termijn.’ Van de afzet kun je echter wel zeker zijn: de vraag naar inlands hout groeit naarmate de tropische houtkap verder wordt beperkt.

      Rendement?
      De vraag die elke boer zich stelt, is of agroforestry ook wat opbrengt. Het antwoord is positief. Watté: ‘Puur biologisch gezien heb je bij agroforestry een duidelijk hogere biomassaproductie dan bij monocultuur. De complementariteit overweegt op de concurrentie.’ Dat vertaalt zich in vele gevallen ook in een hoger economisch rendement. Nederlands praktijkonderzoek heeft bijvoorbeeld aangetoond dat grasland met 25 notenbomen per ha aanzienlijk meer opbrengt dan gewoon monocultuur grasland met beweiding, maar ook meer dan grasland met 100 notenbomen per ha. Combinaties met kers en tamme kastanje halen wat lagere rendementen, maar toch nog altijd hoger dan monocultuur grasland.

      ‘Heel veel van de baten zijn natuurlijk voor de maatschappij’, zegt Jeroen Watté. ‘Er is echter een duidelijke tendens om boeren te vergoeden voor zaken van algemeen nut, zoals de instandhouding van landschapselementen, erosiebestrijding, enzovoort.’

      Praktisch
      Snoeien. Vormsnoei is erg belangrijk als je bomen kweekt voor het hout. Door de boom op te snoeien krijg je een betere stam, beter hout en dus een betere prijs. ‘Door goed te snoeien, kun je ook het licht dat je behoudt maximaliseren. Je mag natuurlijk nooit teveel kroonvolume wegnemen, om de boom niet te beschadigen.’ Om te snoeien heb je een hoogtewerker nodig. Het kost je anderhalve dag werk per ha per jaar.
      Het snoeihout kan dienen als brandhout, eventueel nadat het tot pellets is verwerkt. ‘Je kunt het echter ook versnipperen en oppervlakkig onderwerken. In Wallonië hebben ze dat uitgeprobeerd. Dat hout voedt het bodemleven en houdt het organischestofgehalte op peil.

      Boombescherming. Als je vee wil laten grazen in de eerste jaren, moet je boombescherming plaatsen. Kost: zo’n 18 euro per boom.

      Landbouwmachines. De bomen worden in rijen gezet met 15 tot 40 meter tussenruimte, zodat op het perceel nog vlot kan worden gewerkt met landbouwmachines.

      En de wet?
      Bomen op landbouwgrond zetten, mag, al moet je met een aantal zaken rekening houden.

      Bedrijfstoeslag en blijvend grasland. Er is op dit moment een maximumgrens van 50 bomen per ha: als je daarboven gaat, verlies je je toeslagrechten op dat perceel, en kan het ook niet meer als blijvend grasland worden meegerekend. De bomen moeten ook verspreid staan: als ze gegroepeerd staan op een perceel, wordt dat deel uitgetekend.

      Bos? Agroforestry zoals hier beschreven, valt niet onder het bosdecreet. Een bos wordt volgens dat decreet gekenmerkt door een microklimaat waardoor specifieke fauna en flora gedijt. Om dat microklimaat te laten ontstaan, is kroonsluiting van de bomen nodig. Bij bomen die verspreid staan zoals bij agroforestry is daarvan geen sprake.

      Kapvergunning. Om dezelfde reden (geen bos) mag het ook geen probleem zijn om op het einde van de rit een kapvergunning te krijgen.

      In het algemeen zijn er dus geen wettelijke bezwaren om aan agroforestry te doen, wat niet wegneemt dat de wet er beter op afgestemd zou kunnen worden. ‘Bijvoorbeeld door die 50-bomengrens te versoepelen, of door bomen in het kader van agroforestry te beschouwen als een landbouwteelt waarvoor geen kapvergunning nodig is.’

      Ondersteuning?

      Lees ook:
      Agroforestry, wereldwijd toegepast
      Het Europese plattelandsbeleid biedt aan de lidstaten de mogelijkheid om subsidies te geven aan boeren die met agroforestry beginnen. Europa wil het zelfs cofinancieren tot 70%, althans tot 2013. Vlaanderen nam agroforestry oorspronkelijk niet op in zijn Programma voor Plattelandsontwikkeling 2007-2013. In 2011 kwam daar echter verandering in want toen keurde de Vlaamse regering het subsidiebesluit voor boslandbouwsystemen principieel goed. Landbouwers die kiezen voor agroforestry kunnen vanaf 2012 een subisidie aanvragen die maximaal 70 procent van de aanplantkosten bedraagt. Deze subsidieregeling gaat dus deel uitmaken van het Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling en wordt voor de helft gefinancierd door Europa.

      Drempel: de lange termijn
      De grootste drempel is wellicht dat agroforestry een strategie op lange termijn vereist. Populier is een uitzondering, maar het spreekwoord luidt niet voor niets: boompje groot, plantertje dood. ‘Tegelijk is het echter belangrijk om zo vooruitziend te zijn’, zegt Jeroen Watté. ‘De wetgeving op het vlak van nitraat, CO2, enzovoort zal niet snel versoepelen. Dingen die nu nog vrijblijvend zijn, zullen verplicht worden, en de randvoorwaarden zullen strenger worden. Agroforestry past daar perfect in.’

      Meer info? www.wervel.be/agroforestry, jeroen@wervel.be of T 02 893 09 60

  • Agroforestry

    Is er eigenlijk wel iets nieuws onder de zon? Vroeger graasden er ook bij ons koeien in de hoogst...
    Toon detail informatie

      Frankrijk stimuleert sinds 2001 agroforestry als agromilieumaatregel. Boeren die er agroforestrypercelen opstarten, met een minimumdichtheid van 50 bomen per hectare, krijgen de eerste vijf jaar subsidies die de kosten zoals aanplant en vormsnoei dekken. De maatregel kent succes, met als combinaties onder meer populier en maïs, noten en graan, noten en soja, enzovoort.

      In Engeland komen heel veel combinaties met grasland voor, maar bijvoorbeeld ook populier met gierst. Een welgemikte combinatie uit Nederland is walnoot en hazelnoot met duindoorn: een bepaald publiek betaalt graag voor plantaardige eiwitten en vetten uit noten van eigen bodem, en bessen die naar verluidt vol antioxidanten zitten. In Spanje is eik met graan een vaak geziene combinatie, en in Italië bijvoorbeeld okkernoot met alfalfa.

      In de tropen is agroforestry tot de dag van vandaag gangbaar, als gevolg van de lokale licht- en bodemcondities. Als je daar aan monocultuur doet, droogt je grond binnen de kortste keren gewoon uit of spoelt hij weg.

      In de staat Washington in de Verenigde Staten worden in 10% van alle fruitboomgaarden groenten voor thuisgebruik als tussenteelt gezet. Experimenten tonen aan dat er de eerste 10 jaar nog genoeg licht tot bij de groenten komt. Ook fruitproducenten in Ontario in Canada hebben de gewoonte om groenten tussen hun fruitbomen te zetten bij de aanleg van een nieuwe boomgaard.

  • Agroforestry

    Op het grasland van Hoeve De Ploeg in Blauberg (Herselt) zijn begin november een goeie 100 bomen ...
    Toon detail informatie

      Op het melkveebedrijf werken verschillende generaties en gezinnen van dezelfde familie samen. Ronny Aerts raakte door de jaren heen geïnteresseerd in agroforestry als alternatief landbouwsysteem. Al wordt dat hier en daar op gefrons onthaald. ‘Ach, toen ik vijf jaar geleden voorstelde om grasklaver in te zaaien in plaats van maïs werd ik ook zot verklaard. Maar intussen geeft dat al vijf jaar heel goede resultaten.’

      Tal van functies. De bomen zijn aangeplant op de graasweiden rond de bedrijfsgebouwen. Aan de ene kant staan drie rijen notelaars. Aan de andere kant rijen met boskers, wintereik, hazelaars en frambozenstruiken (zie kader). Het bedrijf grenst aan de Merodebossen, en in de buurt zijn nog heel wat oude bomenrijen bewaard.

      ‘Voor ons hebben die bomen verschillende functies’, zegt Ronny. ‘Op ons bedrijf proberen wij ecologie, economie en sociale aspecten altijd te combineren. Het is voor een stuk erfverfraaiing, maar met verschillende vegetaties, verkrijg je ook meer biodiversiteit, een gezonder bodemleven, een betere waterhuishouding, enzovoort. Daarnaast hebben we ook nood aan meer schaduw voor de dieren. Op warme dagen lopen ze nu linea recta de wei over om onder de bomen aan de andere kant van de wei te gaan zitten. Als ze dichter bij de bedrijfsgebouwen schaduw zouden vinden, zouden ze ook vaker drinken, aangezien ze dan niet zo ver moeten lopen naar de drinkbak. Bovendien komen de bomen in de buurt van de uitloop van de stal, waar de weide altijd stukgelopen wordt. De bomen kunnen dat minder fraaie uitzicht wat camoufleren.’

      Weinig opbrengstverlies. In het kader van een plattelandsproject in de Merodebossen kon Ronny een deel van de aankoopprijs van het plantgoed recupereren. Voorts gaat hij ervan uit dat de opbrengst van de bomen, het opbrengstverlies van het gras zeker zal compenseren. ‘De studies tonen allemaal aan dat je gras de eerste tien jaar weinig hinder ondervindt van de bomen. De concurrentie begint pas echt na tien jaar, en tegen dan dragen je bomen vruchten. De noten kunnen we commercialiseren via onze hoevewinkel. We hebben voor speciale variëteiten gekozen, en als je die mooi inpakt en aankleedt, dan verkoopt dat zichzelf. Da’s natuurlijk het voordeel van al een goed draaiende winkel te hebben. De eiken en boskers zijn dan weer een spaarboek voor later. Het is een combinatie van verschillende dingen, die op verschillende momenten beginnen op te brengen.’

      Het is voor Ronny een berekende stap in het onbekende. ‘Van fruit kennen we bijvoorbeeld niks, maar de frambozen zullen we toch voornamelijk zelf gebruiken, in onze yoghurt bijvoorbeeld. Bomen opsnoeien, zal ik wel nog moeten leren. Het is een voorzichtige aanzet, we willen zien wat het geeft.’ Maar onbezonnen is het niet. Zo is er bijvoorbeeld voor wintereik gekozen, omdat die minder eikels geeft, en onrijpe eikels immers niet goed zijn voor de koeien. ‘Langs de andere kant zouden bladeren van bomen dan weer sporenelementen bevatten die je in gras niet vindt’, zegt Ronny. Hij heeft zijn bomenrijen wel vrij dicht tegen elkaar gezet. ‘Dat betekent dat een loonwerker er niet tussen kan, maar da’s een keuze die elk voor zich moet maken. Je moet zoiets voorzichtig aanpakken, en rekening houden met bijvoorbeeld mechanisatie. Maar anderzijds moet je ook geen schrik hebben voor nieuwe dingen.’
       

      Het plan van Ronny
      Op het grasland aan de rechterkant van de bedrijfsgebouwen zijn 24 notelaars geplant, op een afstand van 11 meter tussen de rijen en 10 meter in de rijen. Het gaat om geënte variëteiten met extra grote vruchten.Aan de linkerkant zijn 23 wintereiken, 18 boskersen en 40 hazelaars aangeplant, met opnieuw 11 meter tussen de rijen. In de rijen staat afwisselend een wintereik en een boskers met telkens 12 meter tussen, dus om de 6 meter een boom. De boskers wordt het eerst gekapt, waarna de eiken weer voldoende plaats hebben om verder te groeien. Op een aantal plaatsen komen tussen de bomen hazelaars, opnieuw grootvruchtige variëteiten die makkelijk te vermarkten zijn.

  • Agroforestry

    Wat zijn nu precies de voordelen van agroforestry? En welke nadelen komen er bij kijken? We zette...
    Toon detail informatie

       Voordelen:

      • diversificatie zonder termijnrisico
      • de opbrengst van 1 ha agroforestry is gelijk aan de opbrengst van 0,8 ha graan + 0,5 ha bos: je produceert dus evenveel met minder land
      • vanaf 2012 stimuleert een subsidie de aanplant van bomen op een landbouwperceel
      • bomen verhogen de waarde van grond
      • bomen verminderen de waterafgifte of evapotranspiratie van het gewas
      • bomen bieden schaduw voor het vee
      • de bladeren van de bomen bevatten extra mineralen
      • door het bladverlies en de wortels, breng je meer organische stof in de bodem
      • meer mogelijkheden voor geïntegreerde bestrijding
      • hogere biodiversiteit
      • bomen bufferen regeninslag en verminderen erosie
      • bomen recupereren nitraten die anders wegspoelen
      • bomen leggen CO2 vast
      • lokale houtproductie vermindert tropische ontbossing
      • het landschap wordt aantrekkelijker

       
      Nadelen:

      • competitie voor licht
      • (beperkte) competitie voor water en nutriënten
      • extra kosten: plantgoed, boombescherming
      • extra arbeid: vormsnoei eerste tien jaar
      • de groeisnelheid van de bomen is afhankelijk van de bodemkwaliteit
  • Agroforestry in Vlaanderen

    Landbouwers die er oor naar hebben dat één plus één meer is dan twee wanneer je aan ‘boslandbouw’...
    Toon detail informatie

      Bij agroforestry wordt een landbouwgewas op hetzelfde perceel gecombineerd met een aanplanting van bomen. Het idee er achter is dat de bomen vruchten en/of kwaliteitshout opleveren, wat het verlies aan landbouwopbrengst ruimschoots moet compenseren. Door een beredeneerde keuze van bomen en een goede voorbereiding van de aanplant kan een resultaat bekomen worden dat hoger ligt dan de afzonderlijke teelten. Eén plus één is meer dan twee, weet je wel. Licht, water en nutriënten worden efficiënter benut. De voordelen voor milieu en natuur (o.a. biodiversiteit, minder uitspoeling van nutriënten, koolstofopslag) laten zich raden.

      agroforestry_AgroforestryinVlaanderen.geVILT4.jpg

      Vanwege de ecologische meerwaarde van dit teeltsysteem wordt boslandbouw actief gepromoot door de Vlaamse en Europese overheid. De ondersteuning is het meest tastbaar in de vorm van een éénmalige subsidie voor de aanplanting van de bomen. Maximaal bedraagt de subsidie 80 procent van de kosten voor aankoop van de bomen, voor de aanplantingswerkzaamheden en voor de aanschaf van staken en draden ter versteviging en bescherming van de jonge boompjes.

      Koudwatervrees
      Hoewel het dus niet veel scheelt of de overheid komt de bomen zelf gratis planten, was de interesse tot op heden eerder beperkt. De subsidie werd voor het eerst aangevraagd voor het plantseizoen 2011-2012. Sindsdien zijn welgeteld 23 landbouwers na een stevige financiële duw in de rug overgegaan tot de aanplanting van bomen in een akker of weide. De combinatie van bosbouw en landbouw schrikt de meeste Vlaamse boeren af, zoveel is duidelijk. Toch is hun interesse gewekt, onder meer omdat agroforestry meetelt als ‘ecologisch aandachtsgebied’ in het kader van de verplichte vergroening van het landbouwbeleid. Terwijl een mengsel van groenbedekker maar voor 30 procent van de oppervlakte meetelt, is de wegingsfactor bij boslandbouw 100 procent. Dat maakt het tot een ruimtezuinige invulling van de vijf procent die van een bouwlandareaal van meer dan 15 hectare ‘groener’ uitgebaat moet worden.

      Voorlopig associëren de meeste landbouwers agroforestry nog met administratieve knelpunten en rechtsonzekerheid, of ze hebben onbeantwoorde vragen over de technische en economische kant van de zaak. Vorige zomer werd een grootschalig maar tegelijk interactief IWT-onderzoeksproject aangekondigd dat daar verandering in zou brengen. Vijf onderzoeksinstellingen gaan vijf jaar lang de broodnodige kennis opbouwen en de eerste boslandbouwers in Vlaanderen intensief begeleiden. De projectpartners zijn het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO), de Universiteit Gent, het West-Vlaamse praktijkcentrum Inagro, het agrobeheercentrum Eco² en de Bodemkundige Dienst van België. Opdat de verzamelde kennis na afloop van het onderzoeksproject bewaard zou blijven, vormen zij samen een permanent ‘consortium agroforestry’.

      agroforestry_AgroforestryinVlaanderen.geVILT3.jpg

      Begin september, niet toevallig kort voor de deadline voor het indienen van subsidieaanvragen (18 september), organiseerden de IWT-onderzoekspartners en het Vlaams Ruraal Netwerk een praktische infoavond gekoppeld aan een terreinbezoek in de Vlaams-Brabantse gemeente Linter. Akkerbouwer Eric Avermaete heeft dit voorjaar bomen aangeplant op een zeven hectare grote akker. Het late tijdstip van planten zorgde in combinatie met droogte en een te kleine wortelkluit van een deel van het plantsoen voor een verhoogde uitval. Verder ziet de aanplanting er onberispelijk uit. Avermaete kon dan ook beroep doen op enkele experten om de aanplanting op een doordachte manier uit te voeren. Via de partners van het IWT-project beschikte hij over veel voorkennis.

      Waar het voorlopig nog aan ontbreekt, is inzicht in de opbrengstderving van andere teelten dan granen. Voor de Vlaamse landbouwpraktijk lijkt het belangrijk om te achterhalen hoe het aardappelen, suikerbieten, maïs en eventueel ook groenten vergaat tussen bomenrijen. Met tarwe en gerst alleen kan je in een intensieve landbouwstreek als Vlaanderen je boterham immers niet verdienen. Verder is de moeilijk te bewerken strook tussen de bomen voor de experten nog een leerproces. Op het perceel van Avermaete werd in het jaar van de aanplanting gele mosterd als bodembedekker tussen de bomen gezaaid. In plaats van een eenjarige te zaaien en de strook ieder jaar te bewerken, kan je er ook voor opteren om daar meerjarig gras of een mengsel van bloemen en kruiden te zaaien.

      Een goed begin is het halve werk
      Bij het ontwerp van een agroforestryperceel is het de kunst om een evenwicht te vinden tussen bomen en landbouwgewas. De bomenrijen worden idealiter noord-zuid georiënteerd zodat de teelt voldoende licht krijgt. Vanwege de grillige perceelvorm was dat ten huize Avermaete vaker niet dan wel haalbaar. De afstand tussen de bomenrijen werd op het akkerbouwbedrijf afgestemd op de breedte van de spuitboom en bedraagt 45 meter. In de rij wordt een gemiddelde plantafstand van circa tien meter aangehouden. “Voor de productie van kwaliteitshout zou het beter zijn om dichter te planten om later uit te dunnen, maar dat botst op de subsidievoorwaarden”, vertelt ILVO-onderzoeker Bert Reubens. “Om de subsidie niet te verliezen, moeten aangeplante bomen minstens tien jaar behouden blijven.”

      Bovendien kan een landbouwer die meer dan 100 bomen aanplant op een perceel daar geen inkomenssteun activeren omdat het voor de overheid dan te moeilijk wordt om landbouwgrond van (niet-subsidiabel) bos te onderscheiden. Vruchtdragende bomen die een regelmatige oogst opleveren, vormen een uitzondering op die regel. “De bovengrens voor het activeren van betalingsrechten verschuift naar 200 bomen van zodra die soorten een belangrijk aandeel uitmaken van de aanplanting”, weet Reubens. Dat de overheid vasthoudt aan een maximum aantal bomen laat zich ook verklaren door de vrees dat bestaande houtkanten gekapt zouden worden wanneer een te soepele definitie gehanteerd wordt.

      agroforestry_AgroforestryinVlaanderen.geVILT6.jpg

      De lijst met subsidievoorwaarden houdt een landbouwer beter bij de hand wanneer de bomenrijen op het perceelplan getekend worden. Op een hectare moeten minstens 30 en maximaal 200 bomen staan. In de praktijk zal door landbouwers die betalingsrechten willen activeren een maximum van 100 houtproducerende of 200 vruchtdragende bomen aangehouden worden. Een homogene spreiding van de bomen over het perceel ligt voor de hand. De subsidie claimen om vervolgens alle bomen in een hoekje van het perceel te duwen, kan je immers bezwaarlijk boslandbouw noemen. Alle bomen zijn toegelaten behalve ongewenste exoten zoals Amerikaanse vogelkers en Amerikaanse eik, valse acacia, naaldbomen, laag- en halfstamfruitbomen.

      De keuze van de boomsoort is een moeilijke. Een akkerbouwer streeft naar zo weinig mogelijk concurrentie tussen bomen en landbouwteelt. Hij moet in het achterhoofd houden dat bomen vocht onttrekken aan de bodem maar anderzijds ook water uit diepere grondlagen beschikbaar kunnen maken voor de meer oppervlakkig wortelende teelt. Concurrentie is er om licht en nutriënten, maar die zal kleiner zijn naarmate de boom dieper wortelt en het groeiseizoen minder overlapt. Denk bijvoorbeeld aan gerst die vroeg het veld ruimt of een boomsoort die laat blad vormt of geen dik bladerdek heeft zodat het gewas nog voldoende licht ontvangt. In de wetenschap dat die bladeren vroeg of laat van de boom vallen, mag een landbouwer zich verheugen op meer aanvoer van organische stof in de bodem.

      Compenseren vruchtdragende bomen de verminderde landbouwopbrengst?
      Door het uitsluiten van laag- en halfstamfruitbomen komt de boslandbouwer die mikt op vruchtproductie automatisch uit bij hoogstamfruitbomen en notelaars. Daar past de bedenking bij dat hoogstamfruit bijna volledig uit het landschap verdween omdat het niet rendabel is vanwege de veel hogere arbeidsbehoefte in vergelijking met laagstam fruitplantages. Niet voor niets ijvert de Nationale Boomgaardenstichting voor het behoud van hoogstamfruitbomen omdat ze volledig dreigden te verdwijnen. Ook heeft Vlaanderen met de steun van Europa jarenlang subsidies verstrekt voor het onderhoud van nieuw aangeplante of reeds bestaande hoogstamfruitbomen. Ondertussen is die subsidie voor het behoud van met uitsterven bedreigde variëteiten van hoogstamfruitbomen uitgedoofd.

      agroforestry_AgroforestryinVlaanderen.geVILT1.jpg

      Volgens Bert Reubens is vruchtproductie op een aantal bedrijven toepasbaar op voorwaarde dat het rijmt met de bedrijfsvoering. In dat opzicht lijkt het vooral weggelegd voor een (bio)boer die zijn waren verkoopt via de korte keten. Van de Nationale Boomgaardenstichting kregen we immers te horen dat fruit van hoogstambomen, mede door het gebrek aan gewasbescherming, niet voldoet aan de strenge kwaliteitseisen van de veilingen en de grootdistributie. Misschien is het net om bovenstaande redenen dat notelaars zo populair zijn bij agroforestrypioniers. “De afzetmarkt voor kleine partijen noten is nog onzeker maar niet onbestaande”, weet Reubens, en hij verwijst naar kleinschalige productie van walnotenolie. In het kader van het IWT-project gaat ILVO meer duidelijkheid scheppen over het economisch luik, waarbij de aandacht onder meer uitgaat naar de lokale afzetmarkten voor hout, noten en andere vruchten die agroforestrypercelen kunnen opleveren. “Ook sociale aspecten zoals ‘wie toont interesse’ en ‘hoe wordt die interesse in agroforestry beïnvloed’, zullen onderzocht worden.”

      Of beter houtopbrengst als lange-termijn-doel stellen?
      Aangezien de economische meerwaarde van het fruit verder onderzoek vergt, kan een boslandbouwer die op veilig wil spelen opteren voor de productie van (kwaliteits)hout. In de wetenschap dat brandhout in de verkoop aan particulieren enkele tientallen euro’s per kubieke meter opbrengt – zo leert een kort bezoekje aan een niet nader genoemde zoekertjessite –, lijkt dat een betere garantie op financiële return. Maar is dat wel zo? Het spreekwoord ‘boompje groot, plantertje dood’ doet vrezen dat de gemiddelde Vlaamse boer (die 51 jaar oud is, nvdr.) het niet meer zal mee maken dat zijn bomen gerooid worden voor het hout. Zelfs een jonge landbouwer zal zijn pensioen moeten uitstellen als hij mikt op de productie van kwaliteitshout want daar gaan al snel enkele decennia over heen. Tel voor een mooie eik maar op 50 jaar terwijl ook de meeste andere boomsoorten er 40 jaar over doen om een dikke stam te vormen.

      agroforestry_AgroforestryinVlaanderen.geVILT7.jpg

      “Het grote tijdsverschil tussen planten en oogsten, is een probleem”, geeft Reubens toe. “Voor een snel resultaat lijkt populier de beste keuze.” Maar kan een aanplanting van populieren wel door de beugel voor de overheid? Tijdens de infoavond was namelijk sprake van een doelmatigheidsscore waarop een aanplanting afgerekend wordt. Populier zal daar vanwege zijn beperkte ecologische meerwaarde niet hoog scoren, maar zolang het aantal subsidieaanvragen het voorziene budget niet uitput, zal een aanvraag daarop niet afketsen. In de wetenschap dat een populier na 15 à 20 jaar – en ten vroegste na 10 à 15 jaar bij moderne populierenklonen – al (pallet)hout oplevert, lijkt deze boomsoort het meest laagdrempelig.

      Kwaliteitshout wordt goed betaald
      Aangezien niemand kan voorspellen hoeveel hout in de toekomst waard zal zijn, baseren geïnteresseerden zich best op de marktsituatie anno 2015. Een telefoontje naar een professionele bosbouwer brengt raad. Een opbrengst van 30 à 40 euro per m³ wordt ons voorgespiegeld voor (bulk)hout. Als we ons licht bij een andere marktpartij opsteken, vernemen we dat hoogwaardig hout 50 tot 60 euro kan opbrengen.

      De grootteordes van die bedragen worden bevestigd in een lopend doctoraatsonderzoek bij ILVO. Al houdt een boslandbouwer best in het achterhoofd dat prijzen nog sterker kunnen variëren, van 25 tot 40 euro voor bulkhout en van 50 tot 100 euro voor kwaliteitshout. “Soms worden er honderden euro’s per kubieke meter geboden voor zéér kwalitatief hout, maar dat zijn eerder uitzonderingen. In die gevallen gaan de bomen naar een buitenlandse veiling, waar soms individuele stammen verkocht worden in plaats van grote loten”, weet Reubens. Als leidraad verwijst hij naar een recente prijslijst van hout op stam, opgesteld door de Nationale Federatie van Bosbouwexperten.

      agroforestry_AgroforestryinVlaanderen.geVILT5.jpg

      Goed beheer van de bomen wordt dus beloond maar dan moet de landbouwer wel bereid zijn om een deel van zijn arbeidstijd te besteden aan het snoeien van de bomen. De onderzoekspartners van het IWT-project organiseren snoeicursussen omdat ze beseffen dat niet elke landbouwer daar een goed oog en een vaste hand in heeft. Een mooi rechte stam is geld waard en die krijg je niet cadeau, zeker niet op een agroforestryperceel waar het vele licht de vorming van takken gaat stimuleren en een botsing tussen boom en landbouwmachine om de hoek loert.

      Een boslandbouwer die de kettingzaag niet zelf ter hand wil nemen, moet beroep doen op een bosbouwer. Maar is zo’n firma wel bereid om een ‘harvester’ (zie deze YouTube-video) en ander groot materiaal op een vrachtwagen te zetten om enkele tientallen bomen te rooien? De bosbouwer die we eerder al aan de lijn hadden, verzekert ons dat 100 populieren een mooie partij hout is. Zelfs een agroforestryperceel van één hectare groot met daarop de minimum plantdichtheid van 30 bomen is volgens de man al de moeite waard. Hij rekent ons voor dat je van die 30 populieren 120 kubieke meter hout mag verwachten. Uiteraard zal de vergoeding voor grotere volumes nog iets hoger liggen, maar in het voordeel van agroforestry pleit dat de bomen eenvoudig te rooien zijn omdat er ruimte zat is voor de grote bosbouwmachines.

      Bomen planten of kat uit de boom kijken?
      Die informatie uit eerste hand kan menig boslandbouwer in spe geruststellen maar als we akkerbouwer Eric Avermaete horen verklaren dat zijn voornaamste beweegreden het verfraaien van het landschap achter zijn boerderij is, dan slaat de twijfel over de economische meerwaarde van agroforestry weer toe. ILVO-onderzoeker Bert Reubens verzekert dat tijd (en onderzoek) raad zullen brengen: “Het is voldoende onderzocht dat agroforestry qua biomassa (minstens) even goed doet als bos- en landbouw elk apart. Alleen vertaalt zich dat niet noodzakelijk in een hoger financieel rendement. Een pasklaar antwoord geven op het verdienmodel achter agroforestry is dus niet eenvoudig. Daarom is het een aspect dat wordt meegenomen in het vijfjarig IWT-onderzoek.”

      Terwijl de opbrengst van het hout (en/of de vruchten) het verlies aan landbouwproductie op de akker moet compenseren, kan je ook nadenken over vormen van agroforestry waarbij een lagere landbouwproductie geen issue is. Dat lijkt vooral weggelegd voor de combinatie van bomen met grasland dat beweid wordt. De schaduw van een hoogstamboom geeft graasdieren een rustplaats en beschermt hen tegen hittestress. Het is de Nationale Boomgaardenstichting die ons daarop wijst.

      De vzw verdedigt hoogstambomen vooral vanuit ‘zachtere’ waarden zoals landschap, traditie en diversiteit maar weet zich voor hun economische waarde gesterkt door een recent doctoraatsonderzoek aan ILVO en UGent. Daaruit bleek dat hittestress bij rundvee zich ook tijdens een Belgische zomer kan voordoen. Bij melkvee uit zich dat in een iets lagere melkproductie zodat de meerwaarde van agroforestry kan bestaan in het voorkomen van dat verlies aan dierlijke productie. Wellicht is het dus geen toeval dat twee nieuwe agroforestrypercelen te vinden zijn bij een hertenkwekerij in Avelgem en een biologisch leghennenbedrijf in Aalter. Beide bedrijven zien meer heil in een vrije uitloopweide vol bomen dan in een kaal perceel grasland voor de dieren.

      agroforestry_AgroforestryinVlaanderen.geVILT2.jpg

      Na een leerrijk eerste projectjaar besluiten de Vlaamse kennispartners uit het agroforestry-onderzoek dat de aanpassing van de teelttechniek landbouwers hoe langer hoe minder angst inboezemt en de obstakels zich eerder situeren bij de aspecten regelgeving en economie. “Bij de pioniers die de voorbije jaren doorgezet hebben met agroforestry is de motivatie zelden puur economisch”, weet Bert Reubens. “Net zoals bij akkerbouwer Avermaete spelen ook de landschappelijke en ecologische meerwaarde mee in hun beslissing. Aangezien agroforestry past in een ecologische intensivering waarbij productieve landbouw verzoend wordt met milieu en natuur is dat zeker toe te juichen. Maar voor het gros van de landbouwers is agroforestry door die niet-economische overwegingen een grote stap.”

      Desondanks stijgt de interesse in deze vorm van nichelandbouw. Naast de zeven landbouwers die actief begeleid werden bij een agroforestry-aanplanting, zijn sinds de start van het project evenveel adviezen met plaatsbezoek verleend en een 15-tal vragen voor informatie beantwoord. Dat vertaalt zich dit jaar in een groter aantal landbouwers dat concrete plannen maakt om een aanplanting uit te voeren. Bij het verstrijken van de deadline voor inschrijving op 18 september gaven tien landbouwers te kennen dat ze de aanplantsubsidie willen aanvragen. Als zij effectief overgaan tot aanplanting, dan zal de oppervlakte agroforestry in Vlaanderen in één klap met bijna 40 hectare stijgen.

  • Agromilieubeleid

    De Vlaamse Landmaatschappij vierde dit jaar het 10-jarig bestaan van beheerovereenkomsten. Vandaa...
    Toon detail informatie

      Bij zijn aanstelling als gedelegeerd bestuurder van de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) stelde Toon Denys zich tot doel om alle actoren, land- en tuinbouwers op kop, beter te laten samenwerken aan een vitaal platteland. Twee jaar later gelooft hij in de vooruitgang die op dat vlak is geboekt. “In het Solabio- en ECO²-project zie je dat de samenwerking tussen landbouwers, bedrijfsplanners van de VLM en andere partners in het buitengebied resultaten oplevert op het terrein”, aldus Denys. Die vaststelling wordt volgens hem gestaafd door onderzoek van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) en van studiebureaus in het kader van de tussentijdse evaluatie van het plattelandsbeleid.

      Denys beroept zich op een groot vertrouwen van de landbouwers in de bedrijfsplanners van de VLM, terwijl bij het afsluiten van de eerste beheerovereenkomsten tien jaar geleden de schroom ten aanzien van collega-landbouwers nog overheerste. Vandaag is de mentaliteitswijziging ook zichtbaar in de cijfers. “In 2003 werd voor nog geen miljoen euro aan beheerovereenkomsten gefinancierd, in 2010 is dat opgelopen tot meer dan vier miljoen euro”, illustreert Toon Denys. Aan het eind van de tweede programmaperiode zal net als in de eerste periode zo’n 70 miljoen euro Europese en Vlaamse steun naar beheerovereenkomsten zijn gegaan. Tijdens de eerste periode sloten circa 3.500 landbouwers vrijwillig één of meerdere beheerovereenkomsten, wat ondertussen is opgelopen tot 4.200 unieke bedrijven.

      Win-win voor boer én natuur
      beheerovereenkomstc.2.bmp“Het verbeterde imago is een goede zaak”, beaamt Peter Van Bossuyt, op het ogenblik van het debat nog kabinetsmedewerker van minister van Leefmilieu Joke Schauvliege, “maar er is nog een weg te gaan om agromilieumaatregelen verder in te bedden in de bedrijfsvoering van landbouwers.” Hij wil de win-win van agromilieubeheer voor boer én natuur nog sterker communiceren. Landbouwer Jos Piffet uit Heers is helemaal gewonnen voor het concept zodat hij van bij de start tal van beheerovereenkomsten opnam in zijn bedrijfsvoering. De ‘landschapsbouwer’ tracht collega-landbouwers te overtuigen van de voordelen, de voldoening en het positieve imago dat inspanningen voor de natuur opleveren.

      “Het succes van de beheerovereenkomsten toont aan dat die pakketten werken en landbouwers zich willen inspannen voor natuur- en milieudoelstellingen”, meent Leen Franchois van Boerenbond. “Uiteraard is verbetering mogelijk. Meer projectmatig en op maat werken zou toelaten flexibeler in te spelen op beleids- en gebiedsgerichte doelstellingen en op de bedrijfsvoering van de landbouwer.”

      Lees ook:
      Evolutie oppervlakte beheerovereenkomsten
      Wie zich daarentegen niet tevreden toont over de resultaten van 10 jaar beheerovereenkomsten is Lieven De Schamphelaere, voorzitter van Natuurpunt Beheer vzw. “Wat we hebben verloren door het efficiënter worden van de landbouw is niet min. Soorten die vroeger frequent werden aangetroffen in het buitengebied, zoals mus, nachtegaal, koekoek, veldleeuwerik en zwaluw, zijn bijna verdwenen. Wanneer alle partners in het buitengebied samenkomen om te discussiëren over agromilieubeheer is dat volgens hem wel hoopgevend. “Koppel subsidies uit het Europees landbouwbeleid aan publieke diensten die de landbouwer levert”, suggereert de voorzitter van Natuurpunt Beheer. Hij is dan ook helemaal gewonnen voor het voorstel van de Europese Commissie om 30 procent van de inkomenssteun voor landbouwers afhankelijk te maken van ecologische inspanningen. “Dat zou een zegen zijn voor de biodiversiteit in het buitengebied.”

      Stimuleren, niet verplichten
      beheerovereenkomst@ECO².2.bmp“Vergeet niet dat een landbouwer vandaag reeds aan heel wat randvoorwaarden moet voldoen om te kunnen genieten van inkomenssteun”, repliceert Johan Verstrynge, afdelingshoofd Duurzame Landbouwontwikkeling. “En dat voedselproductie voor een landbouwer nog altijd prioriteit moet zijn”, vult Leen Franchois aan. Zij is daarom geen voorstander van het overboord gooien van het vrijwillig karakter van beheerovereenkomsten. “Trek daarentegen de kaart van een stimulerend beleid. Ga individuele landbouwers niet verplichten en kies voor doelstellingen op gebiedsniveau want een individu heeft niet altijd vat op het resultaat”, luidt haar advies. Dat laatste is voor de consulente van Boerenbond de reden om landbouwers ook in de toekomst te vergoeden voor hun inkomensderving en niet op basis van de behaalde resultaten.

      Lees ook:
      Op welke vergoedingen mag een landbouwer rekenen?
      Verder onderzoek naar de resultaten van beheerovereenkomsten dringt zich op om de pakketten te verbeteren en gebruiksvriendelijker te maken. “Ter voorbereiding van het Vlaams programma voor plattelandsontwikkeling vanaf 2013, zijn we gestart met die evaluatie”, zegt Johan Verstrynge. Een verbetering die zich aandient, is nog meer samenwerken en gebiedsgericht werken en landbouwers nog beter begeleiden. Verstrynge adviseert om kennis omtrent landbouw, natuur en water samen te brengen en ook minder voor de hand liggende effecten op de biodiversiteit van agromilieumaatregelen zoals mechanische onkruidbestrijding, na te gaan. “De intense monitoring van alle maatregelen is een punt om aan te werken”, concludeert hij.

      Meten is weten
      Wij kunnen nooit genoeg kunnen meten, erkent het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. “Zonder vrijwilligers de natuur in het nochtans kleine Vlaanderen monitoren, is echter onmogelijk voor onze 250 onderzoekers”, zegt INBO-administrateur-generaal Jurgen Tack, die bekent dat de voorbije 20 jaar veel middelen naar monitoring zijn gegaan zonder veel resultaat. Hij voegt er meteen aan toe dat vandaag hard gewerkt wordt aan het op elkaar afstemmen van initiatieven en het optimaliseren van de monitoring zodat de beschikbare middelen maximaal benut worden. Volgens Tack werd in het verleden te weinig aandacht besteed aan de monitoring van natuur in landbouwgebied. “Vroeger lag de focus quasi volledig op natuur in beschermde gebieden, die volstaat echter niet, zodat natuur nu ruimer, ook in het landbouwgebied, opgevolgd wordt.

      beheerovereenkomst.2.jpg“Zeker is dat de populatie akkervogels op Vlaams niveau sterk achteruit blijft gaan. Waar beheerovereenkomsten een voldoende groot gebied beslaan, is er lokaal wel een verbetering zichtbaar sinds de invoering ervan in 2009.” Bij weidevogelbeheer, dat al langer ingeburgerd is dan akkervogelbeheer, werden die lokale successen gevolgd door een verbetering van de populatie in gans Vlaanderen. “Vogelpopulaties hebben enige tijd nodig om zich aan te passen aan de nieuwe en verbeterde situatie”, verklaart Jurgen Tack. Dat doet het beste vermoeden voor de akkervogels op voorwaarde dat de maatregelen voldoende oppervlakte bestrijken. “Om het tij in gans Vlaanderen te keren, is namelijk meer nodig dan we vandaag doen”, is Tack duidelijk.

      Basismilieukwaliteit is te laag
      “Het agromilieubeleid heeft, als onderdeel van het natuurbeleid, al een lange weg afgelegd”, zegt afdelingshoofd Natuur en Bos Filiep Cardoen. “Er is verbetering merkbaar, maar als we het verlies aan biodiversiteit zien, dat eigenlijk in 2010 een halt moest worden toegeroepen, dan zijn we er duidelijk nog niet.” Hij hoopt dat de wereldwijde doelstelling om het biodiversiteitsverlies tegen 2020 te keren, niet opnieuw achterhaald wordt door de feiten. “Niet alleen in landbouwgebied verliezen we nog biodiversiteit, ook in onze ‘beste’ natuurgebieden is dat het geval omdat de basismilieukwaliteit te laag is”, beweert Cardoen. Dat probleem aanpakken, wil het Agentschap voor Natuur en Bos in overleg met alle betrokkenen doen en liefst projectmatig, niet versnipperd, met horizontale maatregelen en ingebouwde resultaatsverbintenissen. “Gelet op het beperkte budget van 80 miljoen euro voor ANB rest de vraag hoe die aanpak duurzaam ingebed kan worden in de maatschappij”, aldus Cardoen.

      Maatschappij moet zelf het heft in handen nemen
      schauvliege_gentsekanaalzone2.jpgDat laatste voorstel wordt bijgevallen vanuit het beleid. “Het idee dat alle centen voor natuur van de overheid moeten komen, is voorbijgestreefd”, zegt Peter Van Bossuyt, die bijvoorbeeld de industrie wil laten meebetalen voor natuurcompensaties. Het ECO²-project, dat beroep doet op het duurzaam ondernemerschap van de bedrijven in de Gentse kanaalzone om een groenbuffer te financieren die door landbouwers wordt aangelegd, is daar een goed functionerend voorbeeld van. “De piste waarbij inspanningen voor de natuur geïntegreerd worden in onze maatschappij en de overheid slechts een begeleidende rol speelt, is alleszins de meest innovatieve”, beaamt VLM-bestuurder Toon Denys. Het Agentschap voor Natuur en Bos meet zich die rol van initiator en stimulator reeds toe. “Vandaag werken we steeds vaker projectmatig waarbij we op zoek gaan naar de geschikte partner die lokaal de uitvoering voor zijn rekening neemt”, illustreert Filiep Cardoen.

      Lees ook:
      Case Gentse kanaalzone
      Met maatregelen die ondersteund zijn door wetenschappelijk onderzoek, gedragen door landbouwers en Regionale Landschappen en bekend zijn bij het publiek, is VLM ambitieus. “Er zullen meer beheerovereenkomsten gesloten worden zodat het voornaamste pijnpunt is de financiering rond krijgen in budgettair moeilijke tijden”, denkt Toon Denys. Om diezelfde reden mogen de 20 bedrijfsplanners niet meteen extra mankracht verwachten, “maar het is wel de bedoeling dat zij efficiënter, meer op het terrein en vaker projectmatig kunnen werken opdat zij beheerpakketten op maat van de landbouwer kunnen maken.” De overheid moet financiële middelen inzetten waar impulsen nodig zijn, maar zij kan de basismilieukwaliteit niet op haar eentje op een hoger niveau tillen. “Als overheid kan je een kader scheppen, faciliteren, maar uiteindelijk is er een onderstroom nodig in de maatschappij opdat mensen zelf het heft in handen zouden nemen”, meent Denys.

      Wil je als landbouwer aan de slag? Contacteer dan VLM voor een beheerpakket op maat. Heb je als landbouwer of natuurliefhebber vragen over biodiversiteit en ‘boerennatuur’? Stel ze dan via het forum BoerENnatuur.

  • Alternatieve eiwitbronnen

    Aan de grootschalige import van sojaschroot uit Zuid-Amerika hangen nogal wat schaduwzijden vast....
    Toon detail informatie

      De Europese veehouderij is sterk afhankelijk van de invoer van plantaardige eiwitten uit Zuid-Amerika. Volgens Bemefa, de beroepsvereniging van Belgische mengvoederfabrikanten, bedraagt de zelfvoorzieningsgraad slechts een tiende van de totale Europese consumptie. Die historisch gegroeide situatie, die sterk door internationale handelsakkoorden beïnvloed werd, is mee verantwoordelijk voor de ontregeling van de stikstofcyclus in Vlaanderen. De voorbije jaren groeide ook de kritiek op de mistoestanden die met sojaproductie gepaard gaan, zoals de ontbossing van het Amazonewoud en sociale uitbuiting. Vanuit die achtergrond – en ook omdat het voor onze bedrijven nieuwe mogelijkheden biedt – wordt meer en meer aandacht besteed aan het zoeken naar andere eiwitbronnen en lokaal geteelde voedergewassen.

      Duurzame voederstromen
      In 2006 hebben een aantal belangrijke partners waaronder Boerenbond, Bemefa en Fedis het Platform Maatschappelijk Verantwoorde Diervoederstromen (mvds) opgericht. Aansluitend hierbij heeft Bemefa intussen een lastenboek uitgewerkt om het diervoeder op korte termijn duurzamer te maken. Nog dit jaar zouden de eerste producenten een certificaat voor de productie van mengvoeders op basis van maatschappelijk verantwoorde soja ontvangen. Daarnaast werkt Bemefa aan een tweede piste om de eiwitimport op middellange termijn te verminderen. Het is de bedoeling om opnieuw diermeel als eiwitbron in veevoeder toe te laten, wat een reductie van 10 procent aan ingevoerd eiwit zou opleveren. De sector moet daarvoor wel garanties bieden aan de Europese instellingen over gescheiden voederstromen – zodat diermeel van eigen soortgenoten wordt uitgesloten – en beschikken over een sluitend analysesysteem om de diersoorten uit elkaar te halen. Onderzoekers in Gembloux zijn volop bezig met een dergelijke opsporingsmethode en men is hoopvol om de goedkeuring tegen 2011 op zak te hebben.

      Lees ook:
      Panelgesprek: "Nichemarkten als gangmaker"

      Een derde piste om de soja-import op korte termijn aanzienlijk af te bouwen, is het gebruik van nevenproducten uit agrobrandstoffabrieken. Verschillende bedrijven met vertakkingen in de voederindustrie hebben hierin mee geïnvesteerd en voor de rendabiliteit rekent men ook op de verkoop van restproducten. Dat betekent dat er binnenkort aanzienlijke hoeveelheden reststromen van producten als tarwe, koolzaad en bieten, op de veevoedermarkt komen. De vierde piste om voederstromen duurzamer te maken, is inzetten op eiwitbronnen die geschikt zijn om op Europese akkers te telen. In verschillende landen, waaronder ook België, beweegt er meer en meer op dat vlak. Zowel onderzoeksinstellingen als landbouwers experimenteren met (het rendabel maken van) gewassen als koolzaad, luzerne, erwten, lupinen of kemp, al dan niet in mengteelt met andere gewassen.

      Oogstzekerheid en opbrengst
      Over sommige van die teelten weten we al vrij veel, bijvoorbeeld over gras-klaver voor herkauwers, over andere is de ervaring nog pril. In zekere zin kun je de situatie vergelijken met die van maïs veertig jaar geleden. Er zijn nog tal van verbetermogelijkheden via rassen-, teelt- en afzetonderzoek. Zo moeten we de opbrengst per hectare en de oogstzekerheid kunnen opdrijven.

      Lees ook:
      Enkele alternatieve eiwitbronnen op een rij

      De voederkwaliteit van bepaalde gewassen kan, eventueel via de piste van verhitting, worden geoptimaliseerd. En de financiële voordelen van kunstmestbesparing, de verbeterde bodemkwaliteit of de afzet van bijproducten voor menselijke consumptie moeten volgens onderzoekers verder in kaart worden gebracht. Er is dus zeker nog veel werk voor de boeg, maar tegelijk bewijzen enkele hoopgevende proefresultaten dat er op dit terrein zeker kansen (zie hieronder) liggen voor wie durft te innoveren.

      Info
      www.ilvo.be (> zoeken > eiwit),
      www.bemefa.be (> milieu > mvds)
      www.wervel.be (> thema’s)
      www.nav.nl (> zoeken > eiwit)
      www.lcvvzw.be (> teelt van voedergewassen)
      www.pcbt.be (> publicaties > brochures)

  • Alternatieve eiwitbronnen

    Panelgesprek: "Nichemarkten als gangmaker" Niet iedereen loopt even hard van stapel om alterna...
    Toon detail informatie

      Is het haalbaar om in deze tijden over te schakelen naar duurzamere eiwitbronnen?
      pdc: Economisch wel, maar ik heb er alle begrip voor dat boeren momenteel niet staan te springen om te experimenteren. Men gebruikt nu liever een standaardvoeder om het op z’n minst even goed te doen als de collega’s. Terwijl er wel mogelijkheden zijn om je dieren goedkoper te voederen. En je vooral ook op andere vlakken een meerwaarde kunt realiseren door het over een andere boeg te gooien.
      ddb: Ik heb mijn vragen bij die lagere kostprijs. Mocht dat zo zijn, dan hadden de voederfabrikanten de soja al met veel plezier vervangen. Op sommige bedrijven zijn misschien goede resultaten geboekt, maar de opbrengst van erwten, bonen of lupine blijft toch wisselvallig. Het is vandaag ook nog niet evident om voedertechnisch een evenwichtig rantsoen met alleen alternatieve eiwitbronnen samen te stellen.

      De biosector heeft toch ook ervaring met evenwichtige en zelfgeteelde voeders?
      as: Dat klopt, maar aan biologisch voeder hangt onder meer door de andere teeltwijze wel een meerkost vast. En biologische veehouders gebruiken ook een ander rantsoen, waarbij ze bijvoorbeeld relatief meer melk halen uit ruwvoeder.
      pdc: Wij hebben kennis van proeven en experimenten waaruit blijkt dat kempkuil rendabel was: de meerkost van het zaaizaad werd gecompenseerd door de besparing op sproeistoffen en krachtvoer. Je moet ook verder kijken dan de kostprijs van je voeder per kilo. Zeker in deze tijden. Sommige gewassen kunnen de lactatieperiode verlengen. Het hoge gehalte omega 3 in je melk kan een meerprijs opleveren. Hennep of kemp lijkt ook een ontstekingsremmende werking te hebben en het draagt bij tot een betere vacht die schurft bij Belgisch witblauw mogelijk helpt bestrijden. Kemp verhoogt de biodiversiteit, wat niet alleen leuk is voor natuurliefhebbers, maar ook je bodemleven ten goede komt. En bovendien kun je de kempzaad persen en als olie voor menselijke consumptie verkopen.
      as: Omega 3, kempolie of lupine voor menselijke consumptie blijven wel nicheproducten. Die kunnen fungeren als gangmaker, maar als je die markten te veel promoot, storten ze zo in elkaar. Voorts is het wel jammer dat de huidige mestwetgeving de teelt van gras-klaver afremt. En als we het over ruwvoeder voor herkauwers hebben, benadruk ik graag dat gras tot nader order de goedkoopste eiwitbron blijft.

      Een andere piste is het behandelen van eiwitgrondstoffen zodat ze efficiënter worden benut?
      ddb: Er bestaan inderdaad behandelingen waardoor herkauwers tot de helft minder sojaschroot nodig zouden hebben. Ik heb het dan over een product als xylose, maar er zijn ook andere procédés waardoor sojaschroot veel efficiënter wordt opgenomen. Een aantal fabrikanten is daarmee aan bezig en met dat soort technieken kan eventueel nog meer worden gedaan.

      Wat zijn de mogelijkheden bij varkens of pluimvee?
      pdc: Ook daar liggen kansen. Je kunt koolzaad persen en de koek, aangevuld met bonen aan varkens voederen. Ik ken een landbouwer die dat doet en een mooie meerprijs voor zijn vlees krijgt. Voor hem is de perskoek belangrijker dan de olie die hij perst. Maar voor wie voeder inkoopt is het natuurlijk moeilijker. Ik begrijp dat je als akkerbouwer kiest voor het vertrouwde graan met zekere opbrengst.
      ddb: Hoever je met de eiwitvoedering tegenover de behoeftenormen mag gaan, hangt mee af van wat je voor het eindproduct krijgt. Nu de vleesprijzen zo schandalig laag zijn, is het niet verantwoord om duurdere eiwitbronnen te gebruiken. Er is bijvoorbeeld geen marge om 170 euro per ton erwten te betalen. In die zin is duurzaam voeder ook een maatschappelijke uitdaging. Voedertechnisch zijn er meer mogelijkheden dan wat we van die alternatieve gewassen ooit in Vlaanderen kunnen telen.

      Op welke termijn verwachten jullie dat gewassen als kemp of lupine de onderzoeksfase ontgroeid zullen zijn?
      pdc: Ik denk twee jaar. Er zijn nu al mogelijkheden voor wie een beredeneerd risico wil nemen en een complexere teelt durft te managen. Maar we moeten ook niet te rap willen gaan. Als er iets fout loopt, bestaat de kans dat men het kind met het badwater weggooit.
      as: Dat hangt ervan af hoe sterk in onderzoek geïnvesteerd wordt. Niet alleen op het vlak van de teelt, maar vooral ook op het vlak van opname en voederwaarde. Op korte termijn verwacht ik persoonlijk veel van de bijproducten van biobrandstoffen die op de markt komen. Maar ik ben wel zeer nieuwsgierig naar de resultaten van nieuwe studies over dit onderwerp.

       

      Yvan Dejaegher van Bemefa moest door onvoorziene omstandigheden het panelgesprek aan zich voorbij laten gaan. We vroegen hem wel naar een reactie achteraf:

      ‘Ik denk dat het toch allemaal wat moeilijker is dan wat sommigen laten uitschijnen. In de veevoedersector gaat het altijd om kwaliteit en prijs. Mocht er een rendabele sojavervanger zijn, dan waren we die al lang aan het gebruiken. Je kunt geen enkel gewas zomaar in de plaats van een ander zetten. Dat zorgt altijd voor verschuivingen omdat je het nutritionele evenwicht moet garanderen. We zullen dus nooit een totaaloplossing vinden. Intussen kunnen we alleen maar op verschillende sporen verder werken.
      Op de eerste plaats verwacht ik veel van ons lastenboek voor gecertificeerde soja. België is niet toevallig een voortrekker op dat vlak. Wij gaan dit jaar al 100.000 ton duurzame soja invoeren en het is de bedoeling dat binnen de 5 jaar de volledige Europese import gecertificeerd is. Daarnaast zou het mooi zijn als we de komende jaren de reststromen van alle Europese biobrandstoffabrieken kunnen valoriseren. We hopen ook dat we tegen 2011 opnieuw diermeel mogen gebruiken.
      En de sector experimenteert met technieken zoals het bestendigen van sojaschroot zodat het efficiënter wordt opgenomen. Dat zijn allemaal pistes die volgens mij sneller resultaat zullen opleveren dan de lokale teelt van eiwitrijke gewassen. Wat niet wegneemt dat we zeker vragende partij zijn voor meer onderzoek op dit vlak zodat deze teelten alle kansen krijgen.’

  • Alternatieve eiwitbronnen

    Enkele alternatieve eiwitbronnen op een rij Welke alternatieven zijn er voor soja? We zetten d...
    Toon detail informatie

      Klaver is dankzij de gras-klaverpremie wijd verspreid. Net als maaigras is het een arbeidsextensieve teelt met hoge opbrengst, vooral in combinatie met gras. Klaver draagt bij tot een structurele bodemverbetering en betekent een meeropbrengst voor de volgteelt. Opbrengsten van 12 ton droge stof per ha of 2 ton eiwit zijn normaal.

      Luzerne is zeer geschikt voor klei- en zandgronden. Ook hiervoor is een premie beschikbaar. De voordelen van luzerne lijken op die van klaver en luzerne onderdrukt beter wortelonkruiden. Luzerne wordt vooral voor vleesvee gebruikt. De opbrengsten liggen op ongeveer 13 ton droge stof per ha of 2,2 ton eiwit. De energiewaarde is vrij laag.

      Erwten zijn een goede aanvulling voor krachtvoeder door het hoge lysinegehalte. Ze worden vaak met koolzaadkoek gemengd in varkensvoeder. Dankzij nieuwe erwtenvariëteiten worden de gevolgen van legering sterk verminderd. Erwten hebben een variabele opbrengst van 3,5 tot 9 ton (krachtvoer) per ha of 1 à 2 ton eiwit.

      Veldbonen zijn een gekende teelt en worden soms gebruikt als sojavervanger voor varkens, legkippen en herkauwers. Bonen bevatten ook veel lysine en kunnen via bijenteelt voor een extra inkomen zorgen. Onkruidbeheersing kan een probleem vormen bij monocultuur van veldbonen. Een opbrengst van 3 tot 8 ton (krachtvoer) per ha of 1 à 2 ton eiwit.

      Amarant bevat net als soja alle essentiële aminozuren in de juiste verhouding. De plant is ook een welkome vruchtafwisseling en geeft onkruiden weinig kans. Amarant kan in augustus vervroegd geoogst worden, zodat winterkoolzaad op hetzelfde perceel kan worden gezaaid. De opbrengst ligt op 5 ton per ha of 1 à 2 ton eiwit.

      Lupine legt als vlinderbloemige veel stikstof vast. De plant groeit erg goed en het zaad scoort als eiwitrijk krachtvoeder, met 35 tot 40 procent eiwit, beter dan soja. Lupine kan ook voor menselijke consumptie worden verwerkt. De laatste jaren zijn heel wat nieuwe zoete rassen ontwikkeld. De opbrengsten variëren van 3 tot 5 ton per ha of 1,5 tot 2,5 ton eiwit.

      Koolzaad wordt zowel gebruikt voor perskoek als voor olie. De teelt is niet eenvoudig, maar ook hier kunnen bijen voor een extraatje zorgen. Met een eenvoudige persinstallatie kun je zelf persen. Ook koolzaad zorgt voor een verbeterde bodemstructuur en een hogere opbrengst bij de nateelt. De opbrengsten worden geschat op 4 ton zaad per ha of 1 ton eiwit.

      Kemp of hennep is een welkome vruchtafwisseling bij de teelt van vlinderbloemigen en een makkelijke teelt. Het heeft een ontstekingsremmende werking en de zaden kunnen geperst worden tot olie voor menselijke consumptie. Alleen de teelt van niet-hallucigene variëteiten is toegestaan en je moet een inzaaivergunning aanvragen. Er kan 9 tot 15 ton ruwvoeder per ha worden geoogst, wat overeenkomt met 2 ton eiwit.

      Mengteelten krijgen in verschillende landen hernieuwde aandacht. De combinatie erwten-amarant biedt vrij goede resultaten en zorgt voor een goede balans tussen energie en eiwit. Ook erwten-gras, erwten-gerst, tarwe-veldbonen en vooral maïs-kemp of maïs-amarant bieden heel wat mogelijkheden.


      Info
      Brochure Eiwitteelten van de toekomst, uitgegeven door Wervel

  • André Bracke - Veva

    De varkenssector krijst onder de opgestapelde verliezen. Extra steunmaatregelen liggen niet voor ...
    Toon detail informatie

      Hoe hoog zijn de voederprijzen het voorbije jaar opgelopen op je eigen varkensbedrijf in Destelbergen?
      André Bracke: Voor mijn zeugenvoeder betaal ik in vergelijking met één jaar geleden tachtig euro per ton meer, dat is een stijging van veertig procent. De prijs van het biggenvoeder is zelfs nog sterker gestegen. Je moet weten dat ik zeugen heb van het Engels Landras. Dat zijn robuuste en snelgroeiende dieren die kwaliteitsvoeder nodig hebben. Vandaar mijn keuze voor zuivere granen: maïs, tarwe, soja en ook wat gerst. Deze winter heb ik heel even tien procent maniok in mijn recept gemengd om de kostprijs wat te drukken, maar na een week heb ik dat experiment stopgezet omdat de melkgift van de zeugen meteen bergaf ging. In de hele sector heeft men de voorbije maanden ongetwijfeld geëxperimenteerd met alternatieve en goedkopere voedergrondstoffen. Maar sinds de slachthuizen hun bezorgdheid hebben geuit over het vleesrendement, keert men op die stappen terug. De beste oplossing zou een opheffing van het diermeelverbod zijn. Die maatregel drijft nu al jarenlang de voederprijzen op, en maakt bovendien het varkensvlees slapper door een groter vochtverlies.

      Hoe is jouw verkoopprijs geëvolueerd?
      De jongste maanden is de prijs even onder de euro per kilogram gezakt, maar gelukkig is die intussen weer gestegen tot 1,125 euro. Dat prijsniveau was ruim een jaar geleden net voldoende om een aanvaardbaar inkomen te behalen. Maar door de stijging van de voederprijzen hebben de veehouders vandaag een prijs nodig van bijna 1,5 euro om uit de rode cijfers te klimmen. Vergeet trouwens niet dat naast het voeder ook de milieukost, de controles, de mestafzet en de verwarming duurder geworden zijn. De globale productiekost op mijn bedrijf is het voorbije jaar ongeveer met zestig procent toegenomen.

      Zijn alle mogelijkheden uitgeput om die kosten te drukken?
      Op oudere varkensbedrijven zoals het mijne kan hier en daar nog wat gesleuteld worden om mits kleine ingrepen wat kosten te besparen. De mensen die vandaag investeren, zijn echter vakspecialisten waar ik mijn hoed voor afneem. Door hun kennis en kunde kijken moderne varkensboeren los door hun kostenstructuur.

      Welke impact heeft de crisis op je bedrijfsresultaten?
      Het saldo is dus negatief. Wat me vooral zorgen baart, is het feit dat speculanten in de financiële wereld de landbouwgrondstoffen ontdekt hebben. Zij dragen ertoe bij dat de prijzen zich op een hoog niveau stabiliseren. Het gevolg is dat de boeren hun voeder steeds minder vlot kunnen betalen, waardoor meelfabrieken extra kredieten moeten aanvragen. Van zodra de graanprijs straks toch zou dalen, moeten de mengvoederbedrijven eerst nog hun extra kosten doorrekenen in de voederprijs. Door dat harmonica-effect zal het nog wel een tijd duren vooraleer we de voederprijs zien zakken.

      Gelukkig zit de wereldwijde consumptie van het varkensvlees in de lift?
      Dat is ongetwijfeld het geval in China en een aantal ontwikkelingslanden, waar we dikwijls nog met de naweeën van de dioxinecrisis sukkelen. Laten we dus in de eerste plaats kijken wat er gebeurt op de Belgische markt. Door de dalende koopkracht gaat de consument op een andere manier inkopen. In de slagerij van mijn zoon merk ik dat de mensen die vorig jaar nog twee kilogram varkensvlees bestelden nu nog één kilo vragen. De mensen geven hun lekker stukje vlees niet op, maar ze verkwisten veel minder. Vroeger was de vuilbak goed voor een kwart van onze omzet.

      In welke zin onderscheidt de huidige crisis zich van eerdere crisissen in de varkenshouderij?
      Vroeger waren de crisissen kort maar hevig. Nu sleept de malaise al bijna een jaar aan. Hopelijk hebben we het dieptepunt intussen bereikt, maar we gaan slechts zeer langzaam uit het dal kruipen. We moeten vandaag opboksen tegen het machtsblok van de supermarktketens, die op het vlak van prijsvorming opmerkelijk goed overeenkomen. Dikwijls zijn het beursgenoteerde bedrijven voor wie slechts één ding telt: winst maken. Die mensen zwaaien de plak vanuit een ivoren toren.

      Hoelang kan je het met je eigen bedrijf nog blijven uitzingen?
      Vorige week heb ik met mijn vrouw rond de tafel gezeten om de cijfers nog eens op een rijtje te zetten. We zijn tot de conclusie gekomen dat ik op dit ogenblik de centen aan het verspelen ben die ik tijdens mijn carrière heb kunnen bij elkaar sparen. Als je pensioen nadert, is dat een pijnlijke vaststelling. Na een vergadering heb ik enkele dagen geleden zes biggen dood aangetroffen onder een zeug. (stilte) Toen was ik echt zwaar aangeslagen, en had ik liever de deur definitief achter me dichtgetrokken. Maar ik ben nog geen 65, hé. Om mij fysiek gezond te houden, moet ik nog enkele jaren actief bezig blijven. Er is geen alternatief.

      Onnodig te zeggen dat er in heel de sector klappen vallen?
      Vorig donderdag heb ik een 62-jarige boer bezocht die het absoluut niet meer ziet zitten om bij ieder varken 25 euro uit eigen zak op te leggen. Je leest wel dat er nog jonge varkenshouders zijn die verbouwen of zelfs een nieuwbouw optrekken. Maar die doen dat alleen maar om tegen 2013 aan de normen inzake groepshuisvesting te kunnen voldoen. Wie de voorbije twee jaar geïnvesteerd heeft, krabt zich ongetwijfeld achter de oren. Hun afspraken met de bank zijn immers gemaakt op basis van rendabiliteitcijfers die momenteel pure science fiction zijn. Reken maar dat er heel wat verdoken faillissementen zijn. Telkens we bij Veva op de display van ons telefoontoestel een onbekend nummer zien verschijnen, weten we dat er opnieuw een wanhopige varkensboer aan de lijn hangt. Voor ons is het niet gemakkelijk om financiële kwesties op te lossen, maar gelukkig levert Boeren op een Kruispunt voortreffelijk werk. Daar krijgen ze tegenwoordig een heel pak varkenshouders over de vloer, zowel jongeren als ouderen.

      De veelbesproken ‘uitbreiding mits bewezen mestafzet’ blijft door de huidige conjunctuur dode letter?
      De bouwers van mestverwerkingsinstallaties hebben nog altijd een goed gevuld orderboek omdat het enthousiasme in de sector bij de totstandkoming van het nieuwe mestdecreet erg groot was. Alleen komen er maar bitter weinig nieuwe projecten bij.

      Misschien moeten de Vlaamse varkenshouders wat meer zeugen afslachten om de markt te saneren?
      Dat klinkt niet zo gek. Maar de jongste opkoopregeling in onze sector heeft het aanbod met twee procent doen dalen, terwijl de Spanjaarden in diezelfde periode hun varkensstapel met zestien procent uitbreidden. Een inkrimping van de veestapel heeft enkel tot gevolg dat afzetmarkten verloren gaan. Tenzij je zoiets zou organiseren op mondiale schaal…

      Is de situatie bij ons erger dan in het buitenland?
      Twee weken geleden heb ik met varkensboeren uit Duitsland, Nederland en Frankrijk vergaderd. Daar zit men opgescheept met vleesverwerkende coöperaties die aanvankelijk goed functioneerden, maar intussen uitgegroeid zijn tot mastodonten waar de boeren niets meer aan te zeggen hebben. Vion kijkt enkel naar de belangen van Vion, waardoor de Nederlandse varkensboer nog sterker onder druk staat dan zijn Belgische collega. Om de prijs in Nederland laag te houden, komt Vion bij ons zelfs duurdere varkens kopen. Frankrijk idem, en ook in Duitsland hebben de boeren steeds minder bewegingsruimte om met hun varkens handel te drijven. Die evolutie is ontmoedigend.

      Moeten we dan blij zijn met onze versnipperde slachthuissector?
      De komende jaren zullen er allicht een aantal verdwijnen door de steeds strengere milieu- en hygiënenormen. Maar Veva ijvert ervoor dat ook kleinere slachthuizen in de toekomst nog kunnen overleven. En de overblijvende bedrijven mogen zeker geen mastodonten worden, die op het vlak van prijsvorming alle macht naar zich toetrekken.

      Onze slachthuizen moeten wel steeds meer levende varkens invoeren. Een teken aan de wand?
      Ze hebben in het verleden afzetmarkten opgebouwd, en dan is het logisch dat ze die niet zomaar willen prijsgeven omdat de varkensstapel in Vlaanderen krimpt. Afnemers komen na een tijdje immers niet meer terug indien ze niet het gewenste vleesvolume kunnen aankopen. Dat onze slachthuizen hun marktpositie beschermen door levende varkens in te voeren, getuigt dus van een gezonde dynamiek en dat kunnen we alleen maar toejuichen.

      Enkele weken geleden hebben jullie nochtans de prijsvorming door diezelfde slachthuizen aan de kaak gesteld, waarbij met name Westvlees de wind van voren kreeg.
      De prijs van vers varkensvlees komt dan ook op een erg amateuristische wijze tot stand. De supermarktketens sturen één onderhandelaar naar het café waar de vertegenwoordigers van het slachthuis hem opwachten. Van zodra een prijs wordt voorgesteld, gaat de spreekbuis van de distributiesector twee cafés verder overleggen met zijn collega’s. Indien de prijs naar hun goeddunken te hoog is, wordt het slachthuis in kwestie voor een voldongen feit geplaatst. Dat is kartelvorming, maar je kan het niet bewijzen. En uiteraard ontkent de distributiesector staalhard dat ze dit mechanisme hanteert, maar we hebben het al wel met onze eigen ogen vastgesteld. Het fenomeen doet zich al een tweetal jaar voor, en we zijn dan ook blij dat de Europese Commissie eindelijk een onderzoek instelt naar machtsmisbruiken door grootwarenhuizen. Hopelijk levert dat iets op.

      Kunnen de varkenshouders geen tegengewicht vormen?
      Bij Veva hebben we een groep varkensboeren die hun verkoopprijs doorgeven zodat we gemiddelden kunnen becijferen. Daarnaast hebben we vorig jaar eens een vergadering belegd met sleutelfiguren in de varkenshandel om gezamenlijk naar andere mechanismen te zoeken. Die bijeenkomst was een afknapper van formaat, omdat zowat iedereen hulpeloos de schouders ophaalde. Intussen hebben we dus nog gepraat met buitenlandse collega’s, waar de situatie nog erger is. Als het over prijzen gaat, zie ik nog altijd geen enkele vorm van blokvorming onder de varkensboeren. Even hebben we met de idee gespeeld om bij te lage prijzen met een groep veehouders onze dieren in te houden. Maar dat dreigement kunnen we in de praktijk nooit hard maken omdat we met levend materiaal werken.

      Jullie zijn misnoegd omdat Westvlees zijn varkensprijzen pas op vrijdagnamiddag bekendmaakt, terwijl de varkensboeren op dat ogenblik hun aantal dieren voor de verkoop reeds hebben opgegeven.
      Opgegeven varkens zijn voor ons geen verkochte varkens. Twee jaar geleden vertelden ze me bij Westvlees dat ze met hun marktaandeel van tien procent de prijszetter zijn voor de hele sector, en dat de andere slachthuizen zich bij die redenering aansluiten. Daarop heb ik een bezoek gebracht aan die andere slachthuizen in West-Vlaanderen, waarna bleek dat Westvlees alleen maar gebluft had. We hebben destijds geen ruchtbaarheid gegeven aan dit incident, maar enkele weken geleden was de maat vol toen de Duitsers hun varkensprijs met vier cent verhoogden, Danis met twee cent, en Westvlees het vervolgens vertikte om iets extra te geven. Zo kan het niet verder. Door de prijzen pas op het eind van de week bekend te maken, hebben de slachthuizen een grote manoeuvreerruimte om hun vlees aan de man te brengen. Ongeacht de uitkomst van de besprekingen met de distributiesector kunnen ze zichzelf een mooie winstmarge bezorgen door de boer desgevallend een extra lage prijs uit te betalen. Ooit moest dit mechanisme een flexibele marktafzet in het belang van alle partijen bevorderen, maar het is al lang een scheefgegroeide situatie. Die kunnen de varkenshouders weer rechttrekken door geen varkens meer te verkopen zolang de prijs niet gekend is.

      Krijgt u alle varkenshouders op één lijn over dit principe?
      Ik pas het in elk geval toe voor mijn eigen bedrijf, maar helaas moet ik van mijn afnemer horen dat ik zowat de enige ben die zo moeilijk doet. Het wordt ongetwijfeld een proces van lange adem, maar ik ben wel blij dat de markt intussen toch al wat in beweging komt. Blijkbaar hebben een aantal slachthuizen onze boodschap begrepen.

      De Nationale Bank heeft op basis van een studie vastgesteld dat de voedingsprijzen zich in België sinds 2006 duidelijk sneller hebben ontwikkeld dan in de eurozone. Wat onthoud je zelf van dit rapport?
      Ik was tegelijkertijd blij én verontwaardigd over de studie. Het is goed dat de onevenwichten in de productieketen blootgelegd zijn. De boeren maken 14 procent verlies op het ingezette kapitaal, terwijl de afnemers achttien procent winst maken. Dat is een duidelijke boodschap voor de politiek.

      Op Vlaams niveau heeft Kris Peeters overlegplatforms opgericht voor structureel overleg tussen alle partners in de keten. Zinvol of overbodig?
      Alle spelers moeten hun productiekost blootleggen en vervolgens kunnen we kijken hoe in elke schakel een billijke winstmarge kan gerealiseerd worden. Ik verwacht er wel iets van, maar finaal zal alles afhangen van de goodwill bij de distributiesector en de verwerkende industrie. Daarom is het van cruciaal belang dat Veva er sowieso blijft voor ijveren dat zoveel mogelijk varkensboeren enkel hun dieren verkopen op basis van een concrete prijs. Het is me niet te doen om macht, maar we moeten de prijsvorming mee kunnen sturen.

      Wanneer gaan de varkensprijzen weer echt klimmen?
      De dioxinecrisis was een zware dobber, maar ook duidelijk afgebakend in de tijd. De contouren van deze crisis zijn zeer vaag en dat maakt hem zwaar om dragen. De prijzen stijgen op dit ogenblik lichtjes en we weten dat er veel zeugen afgeslacht zijn, waardoor het aanbod de komende maanden zal dalen en de biggenprijs kan klimmen. Maar tegelijkertijd is de dollar spotgoedkoop geworden, waardoor Europa overspoeld wordt met Amerikaanse varkens. Ze belanden zelfs op de Belgische markt. Gelukkig kunnen we in Duitsland ons marktaandeel behouden door onze kwaliteitsaanpak.

      Wat is op termijn de grootste bedreiging voor de Vlaamse varkenshouderij?
      De aandelenmarkten kunnen de agrarische sector aan banden leggen. Door speculatie drijft de financiële wereld de prijs van grondstoffen op, waardoor de boeren vervolgens bij hun bank moeten aankloppen voor uitstel van betaling. Op die manier worden de varkensboeren door dezelfde partner in de keten twee keer leeggezogen. En dat is een spel dat ver boven onze hoofden gespeeld wordt.
       

  • André Huyghebaert - professor emeritus

    In een wereld waarin de concurrentie van goedkope invoer uit derde landen steeds heviger wordt, i...
    Toon detail informatie

      Wat verstaat u eigenlijk onder de ‘kwaliteit’ van landbouwproducten?
      André Huyghebaert: Voorop staan de veiligheid en de voedingswaarde, twee facetten die empirisch niet waarneembaar zijn door de consument en waarvoor hij dus afhankelijk is van controles die overheidsdiensten uitvoeren. Daarnaast zijn ook de sensorische eigenschappen zoals uitzicht, textuur en natuurlijk smaak belangrijk. Een kwaliteitsaspect dat samen met het groeiende aantal tweeverdieners aan belang wint, is het gebruiksgemak. En de laatste kwaliteitscomponent is de perceptie van de consument, die niet altijd overeenstemt met de intrinsieke eigenschappen van voedingsproducten. Spinazie is een goede groente, maar spijts de spierballen van Popeye is ze niet beter dan andere groenten. En karnemelk is zeker niet minder gezond dan yoghurt, dat bij ons zoveel populairder is.

      Doorgaans gaan we er in Vlaanderen gemakshalve van uit dat de kwaliteit van onze voeding tot de beste ter wereld behoort. Is dat een voorbijgestreefde mythe of een waarheid als een koe?
      Het landbouwbeleid heeft heel lang de klemtoon gelegd op productieverhoging, maar niettemin is ook de kwaliteit van onze voeding er de jongste decennia fors op vooruitgegaan, zeker de laatste tien jaar. Als boerenzoon heb ik in mijn jeugdjaren dikwijls met gemengde gevoelens naar het graan zitten kijken. Vele jaren later begreep ik dat het aangetast was met ziekten en toxines waar men destijds het bestaan niet eens van vermoedde. Als student heb ik als oefening nog DDT aangemaakt in het laboratorium. De uitvinder van dat product heeft zelfs nog de Nobelprijs voor geneeskunde gewonnen na de Tweede Wereldoorlog. Vandaag nemen we zeer strikte voorzorgsmaatregelen in de strijd tegen toxische stoffen, en dat terwijl kinderen in Tanzania al op zeer jonge leeftijd met fameuze gezondheidsproblemen kampen omdat ze veroordeeld zijn tot de consumptie van maïs, die zwaar gecontamineerd is door schimmels. Vanaf volgend jaar gaat de Gentse universiteit trouwens cursussen geven aan mensen die ter plaatse verantwoordelijk zijn voor de voedselkwaliteit. Maar goed, met dit verhaal wil ik zeker niet zeggen dat er bij ons geen knelpunten meer zijn.

      Enkele bioscoopdocumentaires hebben de voorbije jaren de industriële massaproductie van voedsel aangeklaagd. Heeft de moderne productiewijze een nefaste impact op de voedselkwaliteit?
      Voeding is emotie, het is een onderdeel van onze levensstijl. Veel mensen hebben bovendien een geromantiseerd beeld van de voedselproductie als een lokale en kleinschalige bezigheid. Voor wie dan geconfronteerd wordt met gigantische maaidorsers of kuikens op een lopende band, is dat natuurlijk een schrikwekkende ervaring. Doorgaans hebben mensen na een bezoek aan één van onze chocoladefabrieken weinig trek in onze nationale trots. Zelfs de aanblik van een grootkeuken is voor sommigen afstotend, ook al is het mogelijk dat er producten van hoogstaande kwaliteit geproduceerd worden.

      Er is dus geen verband tussen schaalgrootte en kwaliteit?
      Dat hoor je me niet zeggen. Bij kleinschalige operatoren tref je een brede waaier van kwaliteit aan, terwijl grootschalige producenten meer egale scores halen. Wie op kleine schaal actief is, kan veel makkelijker topkwaliteit halen. Maar in de praktijk is dat natuurlijk niet altijd zo: ik herinner me ooit gesprekken gevoerd te hebben met aardbeitelers die voor de eigen consumptie een apart perceeltje gebruikten. En in de jaren zeventig kwam iemand uit de veevoedersector me vertellen dat hij in 42 dagen slachtrijpe kippen kon produceren. Hij voegde er eerlijkheidshalve aan toe dat het dier niet de smaak zou hebben van een kip, en dat het de taak was van de wetenschap om daar via een of andere manipulatie voor te zorgen. Dat heeft me toen gechoqueerd, maar vandaag zijn we zover dat in de winkelrekken traag groeiende kippen liggen, met een apart label en een betere smaak.

      Op welke concrete vlakken heeft u de voorbije kwarteeuw een duidelijke evolutie gemerkt inzake voedselkwaliteit?
      De vooruitgang op het vlak van voedselveiligheid is ronduit indrukwekkend te noemen. Veel minder spectaculair is de evolutie van de intrinsieke productkwaliteit, ondanks de opmars van functionele voeding. Sommige sectoren hebben natuurlijk verdienstelijke resultaten geboekt. Dat geldt bijvoorbeeld voor de producenten van diepvriesgroenten die het verlies aan vitaminen tijdens het verwerkingsproces sterk gereduceerd hebben. En ook het assortiment appelen kan me bekoren. Veertig jaar geleden heb ik tijdens een symposium eens gezegd dat we appelen met de smaak van voederbieten produceerden. Vandaag is de keuze voor de consument overweldigend.

      En toch hoor je sommigen beweren dat het in grootmoeders tijd allemaal zoveel beter was.
      Natuurlijk, want de confituur van oma is met ontzettend veel liefde bereid. (lacht) De kans is bovendien groot dat die zelfgemaakte confituur een andere smaak heeft dan die in de winkel, en met een goed recept is het zelfs niet uitgesloten dat de confituur van oma ook écht beter is. De confituur die op grote schaal van de band rolt, is doorgaans goed van smaak maar haalt in elk geval geen topkwaliteit.

      Europa gaat opnieuw een aantal pesticiden uit de handel nemen. Een goeie zaak voor de consument?
      Iedereen is het ermee eens dat we het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de mate van het mogelijke moeten terugdringen. De lastenboeken staan er vol van en ook de boeren moet je niet overtuigen, want de gewasbescherming is een zware uitgavenpost. Ook moeten bestrijdingsmiddelen, die onaanvaardbare toxische eigenschappen vertonen, van de lijst verwijderd worden. Maar als je de effectieve blootstelling van onze consumenten toetst aan de internationale veiligheidsnormen, dan zijn pesticiden voor het wetenschappelijk comité van het Voedselagentschap lang niet de topprioriteit op het vlak van voedselveiligheid. Met de hoeveelheid pesticidenresidu’s die we gemiddeld slikken, blijven we immers voor meer dan 95 procent onder de schadedrempel. Op voorwaarde natuurlijk dat je appelen eerst afspoelt en de buitenste bladeren van een krop sla weggooit. Het is in elk geval niet zo dat je per definitie gezonder eet door biologische voeding te verkiezen. Dat is nonsens.

      Eigenlijk beweert u dat Europa helemaal geen pesticiden zou moeten verbieden?
      Ik heb veel begrip voor het voorzorgsprincipe dat men wil hanteren, maar men moet in dit geval dubbel voorzichtig zijn: mochten groenten en fruit ooit fors duurder worden door een smaller aanbod bestrijdingsmiddelen, dan is de ingreep van Europa pervers. Het lukt ons vandaag al niet om de consument vijf porties groenten en fruit te laten eten.

      Waar plaatst u de kwaliteit van onze producten op de internationale waardeladder?
      Zelfs op wereldschaal is het niet overdreven om te stellen dat we vooraan in het peloton zitten. Dat hebben we vooral te danken aan de dioxinecrisis, die de inspanningen voor meer voedselveiligheid in een stroomversnelling geduwd heeft. Als eerste land in Europa hebben we de traceerbaarheid op punt gezet. Met de implementatie van autocontrolegidsen zijn we zodanig opgeschoten dat onze boeren vrezen dat ze concurrentienadelen zullen ondervinden tegenover de vele lidstaten die op dit vlak nog achterop hinken.

      De vleesfabrieken die tegenwoordig neergepoot worden in landen als Brazilië zien er ultramodern uit. In welke mate moeten we er schrik voor hebben dat dergelijke groeilanden ons op het vlak van kwaliteit heel snel kunnen bijbenen?
      Je hoort me niet zeggen dat dergelijke landen geen vooruitgang boeken, maar de lokale kennis en mentaliteit zijn toch vaak een hinderpaal. Ik heb gezien hoe Engelse bedrijven enorme inspanningen leverden om kwalitatieve primeurgroenten te produceren in Afrika, en dan spreek ik nog niet over China. Ook de klimatologische omstandigheden maken het verschrikkelijk moeilijk om bijvoorbeeld paprika’s zonder aflatoxines te kweken in Zambia. Ik moet toegeven dat ik Brazilië niet zo goed ken, maar ik maak me sterk dat we met de kwaliteit van onze voedingsproducten nog altijd een mooie voorsprong hebben. Veel concurrenten gaan erop vooruit, maar wij staan ondertussen ook niet stil, hé. Voedselkwaliteit is een never ending story.

      Op welk vlak kunnen we de kwaliteit van onze voedselproducten nog fors verbeteren?
      Een heel belangrijk aandachtspunt zijn bacteriën zoals campylobacter en salmonella in de varkens- en kippenteelt. Dit is nog een relatief nieuw probleem, want dertig jaar geleden werden bepaalde bacteriën helemaal niet geassocieerd met voeding. Listeria werd pas in de jaren tachtig in verband gebracht met voedselproducten toen een Amerikaanse verpleegster ontdekte dat de miskraam van een groep Mexicaanse vrouwen te wijten was aan een bepaald type kaas dat de slachtoffers gegeten hadden. Acrylamide is een fenomeen dat pas de laatste drie à vier jaar in de schijnwerpers belandde. Die stof duikt op bij de productie van onder meer koffie, chips, aardappelgerechten, brood en chocolade. In tegenstelling tot het dossier van de pesticidenresidu’s moeten we ons in dit geval wel zorgen maken over de volksgezondheid.

      Zijn er nog meer verborgen organismen en onbekende substanties die op de loer liggen?
      Ongetwijfeld, maar daar mag niet alle energie naartoe gaan. Ik bedoel dat we zeker niet mogen vergeten de vraag te stellen hoe we een gezond voedingspatroon bij de consument brengen. Het aanbod voedingsmiddelen is enorm, maar de eindgebruiker moet deze producten juist behandelen en in de juiste verhoudingen consumeren. En het is niet omdat hij weet hoe dat in theorie allemaal moet, dat hij zijn gedrag er in de praktijk aan aanpast. Dat is een verschrikkelijk complex probleem. De grootste uitdagingen voor de komende vijftig jaar op het vlak van voedselkwaliteit zijn dan ook niet zozeer een zaak van de producent, maar wel van de consument. Die verschuiving heeft zich de voorbije jaren door de opmars van zwaarlijvigheid en obesitas heel duidelijk afgetekend.

      Heeft de landbouw op het vlak van voedingspatronen een rol te spelen?
      Natuurlijk. De landbouworganisaties moeten veel actiever inspelen op de relatie tussen voeding en gezondheid. Ze moeten op zijn minst deelnemen aan de gesprekken die daarover aan de gang zijn. Bij het Voedselagentschap komen ze over de vloer, maar op het ministerie van Volksgezondheid zien we ze minder. Als men de samenstelling van melkvet zodanig kan wijzigen dat ze beter beantwoordt aan de nutritionele vereisten, dan liggen daar toch kansen voor onze boeren en tuinders?

      Investeren we genoeg in een verbetering van onze voedselkwaliteit?
      De inspanningen op het vlak van voedselveiligheid mogen we alleszins niet terugschroeven. Dat de strijd tegen salmonella in de pluimveesector volgend jaar opgevoerd wordt, is een goeie zaak. Er hangt uiteraard een kostprijs vast aan dergelijke maatregelen, maar als wetenschapper mag dat niet mijn enige bekommernis zijn. De overheid zou zelfs nog meer moeten investeren in gezonde voeding. Het is absoluut nodig om via informatiecampagnes een gedragsverandering teweeg te brengen bij de eindgebruikers.

      De consument wordt zodanig overspoeld door informatie over gezonde voeding dat hij door de bomen het bos niet meer ziet. Mist hij geen richtsnoer zoals de gezondheidsindex voor voedingsproducten die onlangs werd opgesteld door de universiteit van Yale?
      Het is lovenswaardig een index op te stellen waarbij ieder voedingsproduct een quotering krijgt op basis van zijn gezondheidsgehalte, maar daarmee creëer je nog geen evenwichtig voedingspatroon. Van tomaten alleen kan je niet leven, hé. Ook onze voedingsdriehoek is een interessant instrument, maar hoe projecteer je dat naar de realiteit? Een groot probleem is dat er ook zoveel desinformatie opduikt: ik heb al waanzinnige advertenties gelezen over voedingssupplementen, en onlangs heb ik er zelfs eentje gezien over omega 7-vetzuren waarbij men zich duidelijk niet stoorde aan de wetenschappelijke informatie die hierover beschikbaar is. Eigenlijk zouden we de empirische kennis over gevarieerde voeding, die de jongste decennia verloren gegaan is, opnieuw moeten doceren. Eén van mijn kleindochters die in Zwitserland woont, krijgt op de secundaire school kooklessen. Dat is toch fantastisch?

      De Amerikaanse FDA heeft in China een kantoor geopend en wil ook elders in de wereld een oogje in het zeil houden als het over voedselveiligheid gaat. Is dit overacting of moet ook Europa in het verre buitenland zijn tenten opslaan?
      Ik vind dat zeker geen dwaas idee. Als je overal antennes hebt, ben je beter gewapend om opkomende risico’s beter in te schatten. We voeren op dit ogenblik heel veel aquacultuurproducten in. Met welke hulpmiddelen worden die vissen gekweekt? Dat weten we niet, hé. De globalisering dwingt Europa tot een proactief voedselbeleid.

      Zelf heeft u ten tijde van de dioxinecrisis opgetreden in een reclamespot om de consumenten gerust te stellen. Hoe blikt u terug op dat mediaoptreden?
      Ik zou het opnieuw doen. Destijds heb ik er een nacht van wakker gelegen vooraleer toe te stemmen, maar ik heb de juiste beslissing genomen. Wat toen gebeurd is, valt zeker niet goed te praten. Maar op een bepaald ogenblik konden we op basis van analyseresultaten wel de inschatting maken dat de hele zaak buiten proportie opgeblazen werd. Er werden zelfs voorstellen gelanceerd om melk uit de handel te nemen, de paniek was compleet. Op valse gronden zou ik de publieke opinie zeker niet gesust hebben.

      Heeft u nooit gevreesd dat uw geloofwaardigheid door die reclamespot zou aangetast worden?
      Ach, wetenschappers krijgen vaak het verwijt dat ze niet durven deelnemen aan het maatschappelijk debat. Ik heb eerst enkele collega’s geraadpleegd en daarna heb ik mijn verantwoordelijkheid genomen. Dat was hoognodig, want veel mensen waren als gevolg van de berichtgeving over de dioxinecrisis al omgeschakeld naar een eenzijdig dieet op basis van vis. Precies daardoor hebben onze consumenten nooit meer dioxine geslikt dan uitgerekend in die periode.

  • André Leroy (ABS) en Eddy Leloup (Boerenbond)

    Voor de Gentse kortgedingrechter verdedigden elf melkveehouders zich maandag in een kort geding d...
    Toon detail informatie

      Het kort geding van Campina tegen een dozijn melkveehouders heeft veel kwaad bloed gezet bij de landbouwers. Hebben jullie dan geen begrip voor het feit dat het zuivelconcern opgescheept zit met langlopende leveringscontracten met de grootdistributie?
      André Leroy: Melkveehouders die zonder contract leveren aan private melkerijen kunnen sinds jaar en dag op basis van een simpel telefoontje hun levering stopzetten. Tot vier maanden geleden deed ook Campina daar niet moeilijk over. Door een juridisch gevecht aan te gaan met boeren is het bedrijf helemaal uit zijn rol gevallen. Een klein jaar geleden zag Campina de zuivelprijzen bewegen, dat was een reden om voorzichtig te zijn bij prijsonderhandelingen met de distributiesector. Wanneer ik als melkveehouder een verkeerde beslissing neem, moet ik ook op de blaren zitten. Dat bij Campina momenteel een nijpend melktekort dreigt, is trouwens een fabeltje: het concern is nog altijd aanbieder van melk op de spotmarkt.
      Eddy Leloup: Het probleem van Campina is simpel: het bedrijf focust op de verkoop van consumptiemelk. Eerst zijn op de wereldmarkt de prijzen van melkpoeder gestegen, en stilaan klimmen nu ook de kaasprijzen. Door zijn productportfolio heeft Campina dus nog niet veel kunnen profiteren van de prijsstijgingen. Dat is trouwens niet onze schuld, want Boerenbond heeft in het voorjaar nog gesprekken gevoerd met de grootdistributie over de ontwikkelingen in de verschillende martksegmenten van de zuivelsector. Het eindresultaat is wel dat Campina plotsklaps miljoenen liters melk ziet wegvloeien door afhakende leveraars, niet alleen in ons land maar bijvoorbeeld ook in Duitsland. Die moeilijke situatie kan ik deels begrijpen omdat het bedrijf zich nu wellicht via de duurdere spotmarkt moet gaan bevoorraden. Totaal onaanvaardbaar is de manier waarop Campina door een gebrekkige communicatie een mokerslag heeft uitgedeeld aan zijn melkveehouders. Zo ga je niet om met boeren!

      Over het inkomen van de melkveehouders doen uiteenlopende stellingen de ronde. De ene beklemtoont de flink gestegen productiekosten, anderen wijzen op de gunstige wereldmarkt en de ruimschoots compenserende melkpremie. Is er nu sprake van hoogconjunctuur of crisis?
      André Leroy: Geen van beide. Veel melkveehouders worstelen door de lage prijzen van de voorbije jaren met een betalingsachterstand bij hun bank of toeleverancier. Door de gestegen prijzen kunnen ze die schulden op dit ogenblik aflossen.
      Eddy Leloup: De heropleving van de melkprijzen leidt niet tot een stijging van het inkomen. De sector is immers voor een deel het slachtoffer van zijn eigen succes: door de hoge prijzen voor melkpoeder is de voederkost van vleeskalveren fameus gestegen. Het gevolg is dat de prijzen voor nuchtere kalveren sterk gedaald zijn, wat een serieuze streep door de rekening van melkveehouders betekent. Komt daarbij dat de prijzen van het krachtvoeder met 20 à 25 procent gestegen zijn. Reken er ook nog eens de toegenomen kosten bij voor mestafzet en de investeringen op het vlak van milieu en dierenwelzijn…

      Boerenbond heeft enkele maanden geleden als eerste gereageerd op de aankondiging van de melkerijen dat zuivelproducten flink duurder zouden worden. ABS was daarentegen het scherpst in zijn uitlatingen tegenover de zuivelindustrie.
      André Leroy: Vergeet niet dat het prijsdebat in de melkveesector zes jaar oud is. Destijds heeft ABS de kostprijsverhoging door de invoering van de IKM-kwaliteitseisen aangeklaagd, maar helaas heeft Boerenbond zich toen niet geschaard achter onze eis voor een compenserende melkprijsverhoging. De zuivelindustrie heeft ons als vakorganisatie jarenlang in het ootje genomen door te focussen op kwaliteit en andere futiliteiten. Voor ons is de prijs de essentie. En ere wie ere toekomt: de jongste jaren heeft de Belgian Dairy Board zich met dit issue in de kijker gewerkt.

      In een communiqué dat het ABS enkele weken geleden verspreidde, had met name Milcobel de boter gegeten.
      André Leroy: Milcobel noemt zich graag de prijszetter onder de zuivelbedrijven, maar de coöperatie reageerde aanvankelijk erg log op de stijgende wereldmarktprijzen. Ik geloof niet dat coöperaties met vierduizend leden de belangen van landbouwers op een deftige manier kunnen behartigen. De beheerders van dergelijke coöperaties hebben te weinig voeling met de melkveesector. Intussen heeft Milcobel zijn melkprijs wel opgetrokken, maar toch niet in die mate dat ze hun aspiratie als prijszetter in de praktijk waarmaken.
      Eddy Leloup: Ik hoef de verdediging van Milcobel niet op mij te nemen, maar ik stel gewoon vast dat Milcobel het eerst én het sterkst gereageerd heeft op onze oproep aan de hele zuivelindustrie om de melkprijs te verhogen. In het vergelijkend melkprijsonderzoek van onze Nederlandse collega’s van LTO blijkt dat Milcobel de voorbije maanden zelfs de snelste stijger is geweest van alle Europese referentiebedrijven. Dat heeft in eigen land een hefboomeffect gecreëerd waardoor de private zuivelindustrie met zijn prijszetting niet kon achterblijven. Dat grote coöperaties niet goed kunnen functioneren, is natuurlijk niet juist: de relatie met de leden is afhankelijk van de gevoerde communicatiestrategie. Onder de melkveehouders van Boerenbond merken we dat uitgerekend de Milcobel-leveranciers zich tot hiertoe de minste zorgen hebben gemaakt over hun melkprijs. Zij worden immers wél vrij goed geïnformeerd over de evolutie van de zuivelmarkt.

      Betaalt Milcobel dan een betere melkprijs uit dan pakweg Campina of Danone?
      Eddy Leloup: Neen. Een prijszetter is niet per definitie een prijsleider. In ons land zie ik maandelijks hetzelfde scenario terugkeren: Milcobel steekt zijn nek uit door een bepaalde prijs voorop te stellen, waarna de anderen hun prijszetting daarop afstellen, met een prijs net boven of net onder die van Milcobel. In theorie moet de melkprijs een afspiegeling zijn van het marktpotentieel in combinatie met geleverde bedrijfsprestaties. Ik merk echter dat bepaalde bedrijven in functie van hun productportefeuille in staat zijn veel betere prijzen uit te betalen, bijvoorbeeld door het feit dat ze zuivelproducten met hoge toegevoegde waarde op de markt brengen. Maar voor die bedrijven is de aangevoerde melk niet meer dan één van de zovele grondstoffen, waarvoor ze een zo laag mogelijke prijs proberen te bedingen. Puur economisch bekeken moet een zuivelbedrijf als Danone een betere melkprijs kunnen betalen.

      Volgens het ABS hebben de boerende beheerders van grote coöperaties geen vat op de beslissingen van het directiecomité.
      Eddy Leloup: Milcobel heeft structuren ontwikkeld die de beheerders wél toelaten om voldoende toe te kijken op het management. Vanuit Boerenbond ondersteunen we trouwens de beheerders van dergelijke coöperaties opdat ze zich in de best mogelijke omstandigheden kunnen kwijten van hun taak. En, hoeveel inspraak hebben landbouwers in private bedrijven?

      In juli verklaarde het ABS dat de zuivelbedrijven nieuwe opkopers van melk aan het stalken waren. Een vreemd verhaal?
      André Leroy: Door de gestegen prijzen op de spotmarkt is de handel in melk dermate lucratief geworden dat een aantal boeren, enkele afnemers van de spotmarkt en zelfs een Nederlandse opkoper beslist hebben om eigenhandig melk op te halen. Met daarbij de belofte aan de boeren om hogere prijzen uit te betalen. Al gauw kregen we echter een telefoontje van een landbouwer en een chauffeur die los van elkaar hetzelfde verhaal vertelden: werknemers van de klassieke zuivelbedrijven achtervolgden met hun wagen de nieuwe melkopkopers. De chauffeur in kwestie werd zelfs persoonlijk afgedreigd. Het probleem is dat er geen klacht werd neergelegd, waardoor de zaak nooit grondig zal uitgespit raken.

      Bieden die nieuwe melkopkopers een stabiel afzetkanaal voor de melkveehouders?
      André Leroy: De landbouwers moeten hun eigen verantwoordelijkheid nemen. De keuze voor zo’n nieuwe opkoper kan zowel positief als negatief uitdraaien. Al dient gezegd dat een opkoper zoals Van Bakel de voorbije jaren zijn strepen reeds verdiend heeft.
      Eddy Leloup: Vroeger werden op de spotmarkt alleen maar wat restjes industriemelk verhandeld tussen de zuivelbedrijven, met de bedoeling om hun productieapparaat naadloos draaiende te houden. Dat die spotmarkt zich nu ook op het niveau van de boer beweegt, is een nieuw fenomeen. Het oogt aantrekkelijk, maar het gaat om een volatiele markt. En hoe meer melk er naartoe vloeit, hoe sneller het zal gedaan zijn. We raden onze melkveehouders aan om deze evolutie nuchter in te schatten. Wie kiest voor de spotmarkt, moet alleszins duidelijke afspraken maken met zijn opkoper.

      Jullie hebben de hele zomer lang gestreden voor een hogere melkprijs. Welke balans maken jullie vandaag op?
      André Leroy: De basisprijs voor melk schommelt momenteel rond 32 eurocent, terwijl we van 24 eurocent komen. Die evolutie stemt ons een beetje tevreden. Vergeet niet dat we eind mei ijverden voor een prijs van 35 eurocent, en ondertussen zijn de voederkosten alweer fors gestegen. Maar ik wil niet te pessimistisch klinken: vorig jaar werd het nationale quotum niet vol gemolken, dit jaar zal dat wellicht anders zijn.
      Eddy Leloup: Boerenbond is niet ontevreden. De syndicale acties van het voorjaar hebben de melkprijs mee omhoog gestuwd. Erg positief is dat de betrokkenheid van de melkveehouders bij het marktgebeuren enorm is toegenomen. De boeren informeren wekelijks naar de stand van zaken, waardoor ze vandaag een bredere kijk hebben op de wereldmarkt. Na de afbouw van nogal wat Europese zuivelsteun gedurende de voorbije vier jaar doet het verder ook deugd om vast te stellen dat de zuivelmarkt heel wat veerkracht toont. De prijsstijging is gedeeltelijk een structureel gegeven, en daar putten we moed uit. Net zoals uit het feit dat de supermarkten beslist hebben om de marktprijzen deels te vertalen naar de prijsnoteringen in de winkelrekken. Dat is een belangrijk gegeven met het oog op de volgende onderhandelingsronde over afzetcontracten tussen de supermarktketens en de zuivelindustrie. De meest beklijvende vraag die zich voor de toekomst stelt, is hoe we met volatiele melkprijzen moeten omgaan. Moeten we een buffersysteem in het leven roepen of ons laten meedrijven op de grillen van de markt?

      Eigenlijk is de balans van de voorbije maanden dus ronduit positief?
      Eddy Leloup: Mijn enige negatieve ervaring was de uitval van het ABS naar Boerenbond. Dat dient echt tot niets.
      André Leroy: We steken het verschil in benadering niet onder stoelen of banken: het ABS wil een kentering voor de boer teweegbrengen. In het huidige systeem zitten de zuivelfabrieken op elkaars vingers te kijken voor hun prijsbepaling, wat altijd leidt tot een neerwaartse spiraal. Met wetenschappelijke rapporten over de spotmarkt en kostprijsstudies willen we met de individuele zuivelbedrijven een eerlijke melkprijs in elkaar puzzelen. De industrie moet begrijpen dat de prijszetting niet zomaar een spelletje is, maar de levensstandaard bepaalt op familiale landbouwbedrijven. Dát is het uitgangspunt. We gaan de melkerijen niet afdreigen, maar willen in de toekomst wel een minimumprijs vooraleer we ons product leveren. Wie een auto koopt, houdt toch ook rekening met het prijskaartje dat eraan vast hangt?

      Boerenbond pleit voor een duurzaam prijsmechanisme in de melkveesector. Wat houdt dat in?
      Eddy Leloup: We verrichten een pak studiewerk, waarmee we alle stakeholders op de hoogte houden van de productie- en marktomgeving. Binnen het kader van een structurele dialoog pleiten we vanzelfsprekend voor een eerlijke verdeling van winstmarges, maar we gaan daarom nog niet aan de bel hangen van elk zuivelbedrijf afzonderlijk. Op basis van hun specifieke productportfolio moeten zij de juiste lessen trekken uit de aangereikte informatie. Je moet de vrije markt zijn ding laten doen, weliswaar op basis van wederzijds begrip tussen de actoren. Een duurzaam prijsmechanisme stapt af van het kortetermijndenken. Het betekent onder meer ook dat boeren regelmatig een toeslag moeten kunnen krijgen wanneer de marktsituatie het toelaat. Dat is iets anders dan de wirwar van premies die momenteel aan de melkprijzen gekoppeld wordt. Van mistgordijnen die de echte melkprijs verdoezelen, moeten we zo snel mogelijk af.
      André Leroy: Daar zijn we het volmondig mee eens. Je moet maar eens de reële melkprijs van Campina proberen te berekenen. Dat is onbegonnen werk.

      Zouden de landbouworganisaties niet krachtdadiger uit de hoek komen indien ze in dit dossier met één stem spreken?
      Eddy Leloup: (korte stilte) In andere dossiers heeft de frontvorming zijn nut al bewezen…
      André Leroy: We vrezen dat we dan in de bestaande patronen verankerd blijven. Er zijn zuivelbedrijven die veel betere prijzen kunnen betalen. Zij moeten de anderen inspireren, en niet omgekeerd.

      Hoe verwachten jullie dat het melkdossier de komende maanden zal evolueren?
      Eddy Leloup: De komende maanden zullen de melkprijzen voor animo blijven zorgen. Vanuit rationeel oogpunt hebben we nog een behoorlijk lange periode met een goed marktpotentieel voor de boeg. Het fenomeen van de spotmarkt zal alle betrokken in elk geval alert houden. De jongste jaren hebben veel melkveehouders afgehaakt, maar ik verwacht dat er een flinke rem komt op die terugval. En de rechtszaak van Campina is een belangrijk precedent: de private zuivelbedrijven moeten zoeken naar betere omgangsvormen met hun melkveehouders. Niet dat alle afspraken in een contract moeten gegoten worden, met een flinke scheut loyauteit kom je ook al een heel eind.
      André Leroy: De positieve trend zal inderdaad nog een tijdje aanhouden. De idee om een financiële buffer in te stellen op het niveau van de zuivelindustrie, is evenwel niet aan ons besteed. Uit vroegere ervaringen weten we dat het opgespaarde geld dan uiteindelijk gepompt wordt in allerlei luxe-investeringen. De boeren willen hun melkprijs meteen en onverkort uitbetaald zien. Dat melkveehouders meer dan in het verleden zullen moeten leren leven met ups en downs, is onvermijdelijk. Ze zullen zelf moeten bufferen.

      In 2015 worden de melkquota afgeschaft. Gezien de huidige marktomstandigheden zitten ambitieuze boeren ongetwijfeld te popelen…
      Eddy Leloup: Je hoort onder boeren inderdaad een steeds luidere roep om het traject van de zachte landing voor de melkquota te versnellen. De positieve marktconjunctuur is overigens niet alleen een zegen voor de melkveehouders. Door de geruisloze afbouw van de steunmaatregelen is dat nog veel meer het geval voor de Europese begroting.

  • Ann Nachtergaele (FEVIA) & Marc Rosiers (Boerenbond)

    De agrovoedingsketen in ons land is al een heel eind opgeschoven richting duurzame productie. Toc...
    Toon detail informatie

      Wat maakt het project ‘Transformatie van het Vlaamse landbouw- en voedingssysteem’ bijzonder?
      Marc Rosiers: Met het transformatieproject mikken we op nieuwe initiatieven om landbouw en voedingsindustrie op weg te zetten naar een meer duurzame productie. De mensen die er bij betrokken zijn, maken het verschil met eerdere duurzaamheidstrajecten zoals DP21 en The New Food Frontier: voor de eerste maal trekt de keten zelf de kar.
      Ann Nachtergaele: De agrovoedingsketen slaat zelf de weg in richting meer duurzaamheid in plaats van zich dat door anderen te laten dicteren. Met zes vertegenwoordigers van de keten (BEMEFA, Boerenbond, ABS, FEVIA Vlaanderen, Comeos en UNIZO) en telkens twee van de overheid en de ngo’s is het duidelijk wie er aan het stuur zit. Het project past binnen het nieuw industrieel beleid van Vlaanderen zodat het Agentschap Ondernemen 480.000 euro ter beschikking stelt.

      Het woord duurzaamheid wordt vaak in één adem genoemd met ‘transitie’. Dit project spreekt van een ‘transformatie’. Waar zit het verschil?
      Marc Rosiers: Voor de sector is dat verschil heel belangrijk. Ik verklaar mij nader. Transitiedenkers willen het ‘regime’ - de actuele manier van werken - veranderen vanuit niet-gangbare en soms heel experimentele niches. Wij pakken het anders aan en beogen verandering van binnenuit. Niet revolutionair, maar evolutionair, via het opschalen van bestaande initiatieven die verduurzaming beogen. Het meeste duurzaamheidswinst boek je door 90 procent van de landbouwsector 10 procent beter te laten doen. Dat levert meer op dan te streven naar grote duurzaamheidswinsten bij de overige 10 procent niches.
      Ann Nachtergaele: Deze transformatie richting duurzaamheid staat een verdere economische ontwikkeling van de agrovoedingsketen niet in de weg. Het laat ons net toe om verder te groeien. Zie het als een antwoord op de kritiek dat de druk op het milieu te groot is en de beschikbare ruimte te klein voor een verdere ontwikkeling van een industrie zoals de onze.

      “Een verduurzamingsproces moet de steun hebben van de bedrijven”

      Wie de sector aandachtig volgt, herinnert zich nog het transitieproces dat de denktank The New Food Frontier aankondigde. Was de omwenteling die door de denktank beoogd werd een brug te ver voor de agrovoedingsindustrie?
      Marc Rosiers: De New Food Frontier was eerder een oefening om te kijken of een transitie mogelijk was door een visie voor 2050 te ontwikkelen. Deze verre tijdshorizon had tot gevolg dat de praktische haalbaarheid van de voorstellen en het overtuigen van actoren in de keten moeilijker lag. Dit neemt niet weg dat de systeemanalyse en het denkproces in de schoot van The New Food Frontier zeer interessant waren. Als pre-transitieproces had het zijn verdiensten.
      Ann Nachtergaele: Interessant was ook dat heel veel mensen echt naar elkaar hebben geluisterd en hebben probeerd te begrijpen wat de echte en concrete verwachtingen of beperkingen van de andere spelers waren. Maar het heeft geen zin om met een groep mensen te brainstormen en met oplossingen te komen die niet gesteund kunnen worden door de meerderheid van de bedrijven en de actoren uit de keten.

      Plooit een duurzamer landbouwmodel terug op de binnenlandse markt of blijven we ‘en masse’ exporteren?
      varkensvlees1.jpgMarc Rosiers: In het duurzaamheidsdebat zijn er grosso modo twee stromingen. De eerste gelooft in ‘efficiency’, in meer met minder doen en in duurzame, kwalitatieve groei. De aanhangers van ‘sufficiency’ vinden dat we de productie moeten terugplooien op wat een regio/land/continent nodig heeft. Zij stellen economische groei in vraag. De waarheid ligt waarschijnlijk in het midden, wat zou betekenen dat we het één afbouwen en in iets anders kunnen uitbreiden. Maar laat ons vooral de ogen niet sluiten voor de troeven van het Belgische landbouw- en voedingssysteem. Vlaanderen en Wallonië zijn van oudsher netto exporteurs. Vandaag de dag exporteren we ongeveer de helft van onze landbouwproductie. Van die uitvoer gaat 90 procent naar de buurlanden. In een straal van 500 kilometer rond Brussel wonen immers 300 miljoen kapitaalkrachtige consumenten. Is dat export? Ik noem dat produceren voor de lokale markt.

      Zal een verduurzamingsproces waarbij de sector de drijvende kracht is niet altijd te braaf en te voorzichtig zijn om opzienbarende resultaten te boeken?
      Marc Rosiers: Het feit dat de sector zelf de kar trekt, brengt een grote verantwoordelijkheid mee. De andere partners - ngo’s, overheid,… - willen dat we vooruitgang boeken. We moeten dat zo zien te realiseren dat het gros van onze leden zich daarin kan terugvinden. Je kan ons dan op voorhand aanwrijven dat we “te braaf” zijn, maar vergeet niet hoeveel je bereikt door een grote groep 10 procent vooruit te laten bewegen.
      Ann Nachtergaele: Wat heeft het voor zin dat Marc en ik spectaculaire zaken afspreken als geen bedrijf ons daarin wil volgen? Voor het bedrijfsleven is de economische pijler van het duurzaamheidsverhaal erg belangrijk. ‘Profit’ is de basisvoorwaarde om verduurzaming inzake ‘planet’ en ‘people’ te realiseren. Wij mogen dit nooit vergeten.

      Moeten jullie als sectorfederaties alle leden meekrijgen in zo’n verhaal of durven jullie je te engageren op het tempo van de meest vooruitstrevende bedrijven?
      Marc Rosiers: Elke sector kent ‘early adaptors’ en ‘late followers’. Het gros van onze leden moet zich kunnen terugvinden in het duurzaamheidsverhaal, anders zijn we fout bezig. De landbouwers overtuigen is niet makkelijk want alleen al het woord ‘duurzaamheid’ maakt onze achterban terecht achterdochtig voor mogelijke kostprijsverhogingen. Goede communicatie en een vertaling naar de economische realiteit zijn heel belangrijk. Om goed te kunnen communiceren over duurzaamheid heb je bovendien instrumenten nodig die de vooruitgang kunnen meten. Anders ben je maar wat blabla aan het verkopen en is duurzaamheid vooral een marketingstrategie.

      “Voor sommigen is ‘een industrie’ per definitie niet duurzaam”

      Wordt de voedingsindustrie minder hard ‘belaagd’ in heel het duurzaamheidsverhaal?
      Ann Nachtergaele: Onderschat de kritiek aan het adres van de voedingsnijverheid niet. Denk aan verwijten zoals ‘te veel vet in onze producten’, het gebruik van palmolie, de ecologische voetafdruk van vlees en melk, de afvalberg door verpakking, enz. Voor sommige mensen zijn grote bedrijven, en een industrie, per definitie niet duurzaam. Duurzame ontwikkeling is evenwel een proces dat voor iedereen geldt, ook voor kleinere lokale initiatieven. Elk bedrijf heeft zijn uitdagingen en prioriteiten maar streeft op één of andere manier naar meer duurzaamheid.

      Is het voor voedingsbedrijven makkelijker dan voor landbouwbedrijven om kostenverhogende inspanningen door te rekenen aan de afnemers?

      voedingsindustrie1.jpgAnn Nachtergaele: Voor merkenfabrikanten die zich voldoende kunnen onderscheiden, klopt dat voor een stuk. Maar een groot deel van de voedingsbedrijven produceert anonieme grondstoffen of voedingsmiddelen die de supermarkten verkopen als huismerk. Voedingsbedrijven ervaren dezelfde problemen als de landbouwers. Nieuwe eisen, bijvoorbeeld inzake duurzaamheid, verhogen voortdurend hun kosten zonder dat zij deze kunnen doorrekenen.

      In de aankondiging luidt het dat de agrovoedingsketen de toekomst van de Vlaamse landbouw en voeding zelf in handen wil nemen. Neemt er iemand de rol van kritische buitenstaander waar?
      Marc Rosiers: In de stuurgroep zit Gert Engelen (Vredeseilanden), namens de ngo’s die bezig zijn met ontwikkelingssamenwerking, en Jan Vannoppen (Velt) als vertegenwoordiger van de milieuorganisaties. Daarnaast zijn er nog twee kritische stemmen: enerzijds de overheid en anderzijds een academische groep van wetenschappers die regelmatig geconsulteerd zal worden. Maar de uiteindelijke beslissing zal altijd bij de ketenpartners liggen.
      Ann Nachtergaele: Wij hebben ook een stakeholderdialoog geïnitieerd. Ongeveer 35 mensen zullen op regelmatig basis samengeroepen worden om hun mening en hun inbreng in het proces te verzamelen. Ons werk moet breed gedragen worden.

      Een projectduur van twee jaar is kort dag. Moet je een verduurzamingsproces niet op veel langere termijn bekijken?

      Marc Rosiers: De tijdshorizon van een transformatieproces is veel korter dan van een transitie. De uitdaging is om na te denken over de vooruitgang die we willen boeken tegen 2020, en niet pas binnen 30 of 40 jaar. 2050 is een ver-van-mijn-bedshow.

      Er is op het vlak van duurzaamheid al een hele weg afgelegd, horen we vaak. Waar staat de voedingsindustrie ondertussen?
      Ann Nachtergaele: Verduurzaming is een traject. We staan niet aan het begin, maar al ergens halverwege. Eén van de grootste troeven van de voedingsindustrie is de tewerkstelling die al tien jaar op peil blijft, ook in crisistijd. Onze bedrijven stellen 90.000 mensen tewerk, waaronder veel laaggeschoolden, en vervullen zo een belangrijke sociale rol. Bijzonder is ook dat de milieu-impact vermindert hoewel onze industrie groeit. Dit is zo voor de voedingsindustrie maar ook de andere schakels van de agrovoedingsketen hebben reeds veel gerealiseerd. Dit willen wij ook in kaart brengen en communiceren.

      “Voeding is vandaag waardeloos in de ogen van de consument”

      Jullie mogen allebei één wens doen, los van praktische beslommeringen. Welke grote klip inzake duurzaamheid zouden jullie de landbouw en voedingsindustrie graag zien nemen?
      Marc Rosiers (zonder aarzelen): In de sector verlangt iedereen ernaar dat land- en tuinbouwers een eerlijke prijs voor hun producten krijgen. Met de hervorming van het Europees landbouwbeleid moet de landbouwer zijn inkomen meer dan ooit uit de markt halen. De toegevoegde waarde die land- en tuinbouwers realiseren, moet dus correct vergoed worden. Dat was voor Boerenbond ook de reden om met het ketenoverleg te starten. Enerzijds gaan de gesprekken over een eerlijke verdeling van de koek, anderzijds over een juiste waardering van voeding. Vandaag is voeding ‘waarde-loos’ in de beleving van de consument. Men staat niet stil bij de energie die in het productieproces kruipt en de vele risico’s, eigen aan dat proces.
      Ann Nachtergaele: Elke schakel in de keten moet zijn boterham kunnen verdienen dus sluit ik mij aan bij de wens dat voedsel naar waarde geschat wordt. Ik geloof dat de korte-keten-initiatieven die tegenwoordig hip zijn daartoe kunnen bijdragen. Een plukboerderij geeft opnieuw betekenis aan voedsel.

      Prijzen we onszelf niet uit de (wereld)markt als we nu nog veel ondernemen op het vlak van duurzaamheid?
      bonen.tuinbouw1.gifMarc Rosiers: Een land als België dat exporteert, zit niet in een luxepositie. Toch kan het door duurzaam (en tegelijk kostenefficiënt) te produceren een competitief voordeel uitbouwen. Alleen leren gesprekken met de retail dat het voordeel van duurzame producten zeer beperkt is in de tijd. Er komen altijd nieuwe producten op de markt. De kwaliteit gaat er constant op vooruit en wie vandaag aan de laagste kosten produceert, botst morgen op een concurrent die nog beter doet. Beide strategieën vergen dus continu nieuwe inspanningen van de producenten. Maar ons uit de markt prijzen, doen we niet want ook in het buitenland is er veel aandacht voor duurzaamheid.

      Is de maatschappij niet dubbelzinnig met milieu-eisen, namelijk streng voor levensnoodzakelijke voedselproductie en mild voor auto’s, vliegtuigreizen en luxe die we ons graag permitteren?
      Marc Rosiers: Dat is opnieuw te wijten aan de geringe waarde die mensen aan voeding hechten. Voedselzekerheid is de belangrijkste drijfveer voor het behoud van een Europees landbouwbeleid, maar iedereen lacht dat weg. De voedingsrekken van supermarkten puilen immers uit. Er is nog nooit zo’n groot voedselaanbod geweest als vandaag de dag. Daardoor is voedsel vanzelfsprekend en ‘waarde-loos’ geworden. Onterecht, want wie geen auto kan kopen, gaat te voet maar wie geen eten kan kopen, gaat dood. Maar dat besef is ver weg. Als landbouworganisatie moeten wij er op hameren dat een bepaalde zelfvoorzieningsgraad voor voedsel van strategisch belang is voor ons land en voor Europa.

  • Ann Nachtergaele (FEVIA) en Marc Rosiers (Boerenbond)

    Hun blik spreekt boekdelen als we hen vragen of ze tevreden zijn over de resultaten van het trans...
    Toon detail informatie

      Op de vraag of de verwachtingen van het transformatieproject zijn ingelost, hoeven Marc Rosiers van Boerenbond en Ann Nachtergaele van FEVIA niet lang na te denken. “De pilootprojecten – wij noemen het ‘action labs’ – zijn geslaagd, de projectpartners hebben van elkaar geleerd, de samenwerking in de voedselketen kan hierdoor efficiënter verlopen in de toekomst en het duurde niet lang of er doken nieuwe ideeën op voor een vervolgtraject”, klinkt het tevreden.

      Werd die tevredenheid wel door iedereen gedeeld, zo polsen we voorzichtig in de wetenschap dat de ngo’s uit de stuurgroep zijn gestapt. “Een persoonlijk engagement volstaat niet als de achterban niet mee wil”, luidt het antwoord. Dat zou verklaren waarom de vertegenwoordigers van de ngo’s niet tot het eind aan boord zijn gebleven, maar is ook de reden waarom Boerenbond en FEVIA de stekker uit het pre-transitietraject ‘The New Food Frontier’ trokken dat de weg plaveide voor het ondertussen succesvol afgeronde transformatieproject. Vertegenwoordigers van bovenstaande ledenorganisaties kunnen nu eenmaal niet freewheelen en brainstormen over een nieuwe landbouwrevolutie zonder verantwoording af te leggen aan de achterban.

      Past de gangbare landbouw zich aan of werpen de niches ‘het regime’ omver?
      “De tegenstelling tussen ngo’s en sectororganisaties was puur ideologisch zodat we er goed aan doen elkaars standpunten te respecteren om vervolgens bruggen proberen te bouwen”, zegt Marc Rosiers. “Wij geloven dat als de druk op het voedselsysteem groot wordt er innovatieve oplossingen gevonden zullen worden, waarbij de verandering zowel technologisch kan zijn als inherent aan het systeem. Innovatie is veel meer dan alleen techniek en kan bijvoorbeeld ook bestaan uit nieuwe samenwerkingsverbanden of het sluiten van kringlopen. Zij die meer op revolutie uit zijn, menen dat de huidige situatie – onder andere de druk op natuurlijke grondstoffen – de voedselketen zal verplichten tot een meer fundamentele verandering.”

      MarcRosiers.geVILT.jpg

      Net zoals Boerenbond is ook FEVIA de weg van de geleidelijkheid meer genegen. Ann Nachtergaele: “Wij werken aan de verduurzaming van de ‘mainstream’ voedselketen terwijl de andere strekking ‘het systeem’ liever niet ziet evolueren omdat niches zich dan beter kunnen profileren door ‘het regime’ in vraag te stellen.” Rosiers verwijst in dat verband naar de drie ‘spilvarkens’ die in het centrum van Gent vetgemest werden door vrijwilligers. In de wetenschap dat er 11 miljoen varkens in Vlaanderen geslacht worden, lijkt het zinvoller om de (media-)aandacht toe te spitsen op initiatieven om het dierenwelzijn aan de slachtlijn te verbeteren, het antibioticaverbruik te verminderen, het mest- en ammoniakprobleem te verkleinen met innovatieve maatregelen, enz.

      In de plantaardige sector gaat dezelfde vlieger op. Wanneer gewasbeschermingsmiddelen – “pesticiden” – de hoofdrol spelen in een smeuïg verhaal in de dagbladen lijkt het voor buitenstaanders alsof met deze producten anno 2015 nog altijd onzorgvuldig omgesprongen wordt. Een ingewijde in de sector zoals Marc Rosiers weet wel beter: “In het lastenboek voor plantaardige productie, Vegaplan, zijn 22 duurzaamheidsvoorwaarden opgenomen. Veel maatregelen zijn niet nieuw maar werden al breed toegepast op landbouwbedrijven. Onderdeel van Vegaplan zijn de voorschriften inzake ‘integrated pest management’ zodat chemische middelen niet meer ingezet worden dan nodig.”

      De scherpe kantjes worden dus voortdurend van ons landbouwmodel gevijld. Je kan ‘het regime’ – lees: de gangbare landbouw – toch moeilijk verwijten dat het zichzelf in stand wil houden? “Duurzaamheid is een voortschrijdend proces. Soms wordt het vertraagd omdat bijkomende kosten niet vergoed worden en er evenmin efficiëntiewinsten tegenover staan. Maar de vooruitgang is er zoals ook de kritiek dat het niet snel genoeg gaat er altijd zal zijn”, bekijkt Rosiers het filosofisch.

      Nachtergaele.geVILT.jpg

      “Onze voedingsbedrijven zien duurzaamheid niet alleen als een last”, benadrukt Nachtergaele, “want heel vaak komen maatregelen neer op meer doen met minder, efficiëntiewinst dus.” De voornaamste drempel om rond duurzaamheid te werken in de voedingsindustrie is naar verluidt tijd. Zelfs bij grotere voedingsbedrijven, wat in regel nog altijd KMO’s zijn, laat de personeelsbezetting niet toe om iemand aan te duiden die zich fulltime kan bekommeren om de duurzaamheidsprestaties van de firma. Unilever en een paar andere multinationals die in ons land actief zijn, vormen hierop de uitzondering.

      “Het duurzaamheidsverslag van FEVIA wil daarom een kapstok zijn voor de vele kleine bedrijven die in onze sector actief zijn”, zegt Ann Nachtergaele. Dat is heel vergelijkbaar met hoe in de landbouwsector het duurzaamheidsverhaal aangestuurd wordt door beroepsorganisaties als Boerenbond (meer info in de toekomstvisie ‘Inzetten op duurzame groei’) en door producentenorganisaties als de groente- en fruitveilingen (meer info via duurzaamheidskeurmerk ‘Responsibly Fresh’).

      Duurzaamheid betekent ook communiceren over de inspanningen die je al doet

      Wanneer lastenboeken duurzaamheid omarmen, wordt sensibiliseren en communiceren heel erg belangrijk. Een goed voorbeeld is IKM, wat staat voor Integrale Kwaliteitszorg Melk. In 2014 werd een ‘duurzaamheidsinventaris’ toegevoegd aan het lastenboek voor melkveehouders. Via deze objectieve inventarisatie zal de melkveehouderij kunnen aantonen welke inspanningen de sector levert en welke vooruitgang hij jaar na jaar boekt. Gelijktijdig werken ook andere deelsectoren van de landbouw, toeleveranciers en afnemers aan duurzaamheid.

      melkkoe.Voerstreek.heuvelachtig.geVILT.jpg

      Het transformatieproject ‘De voedingsketen verduurzaamt’ onderscheidt zich van alle voorgaande inspanningen doordat het de hele voedselketen overspant. Andere initiatieven op meer individuele basis worden daarom niet stilgelegd. “Om het zoutgehalte in voedingswaren te verminderen hebben onze bedrijven de landbouwsector niet nodig”, illustreert Nachtergaele. Zolang er maar samengewerkt wordt waar en wanneer nodig, want de sector heeft volgens Rosiers af en toe last van “navelstaarderij”.

      Met vereende krachten slaagt men er soms in het schier onmogelijke waar te maken. Lokale soja is daar een mooi voorbeeld van want tot voor kort geloofde niemand dat je dit eiwitrijke gewas in Vlaanderen kon telen. Zei men voor de grote doorbraak van maïs in de jaren ’70 over dat tropisch gewas niet precies hetzelfde? De eerste resultaten met soja (2,5 ton per hectare gecorrigeerd naar 15 procent vocht, nvdr.) ogen veelbelovend zodat de proef in Vlaanderen zeker wordt voortgezet. Om het gat dat voorlopig nog bestaat tussen kost en opbrengst dicht te rijden, wordt luidop gedroomd van gekoppelde steun voor lokale sojaproductie.

      soja.geVILT.jpg

      Als puntje bij paaltje komt, is het aan de veredelaars om onze landbouwers te voorzien van variëteiten die beter aangepast zijn aan de weersomstandigheden zodat ze in onze contreien een hoger rendement opleveren. Per hectare zou zo’n 4 à 4,5 ton soja geoogst moeten worden om competitief te zijn met andere akkerbouwteelten. “Wie weet, groeit er dan binnen een jaar of tien op de helft van de Vlaamse maïsvelden soja”, zegt Ann Nachtergaele. “Of komt soja voor de Vlaamse veehouderij uit Oost-Europa in plaats van Zuid-Amerika. Daar liggen immers nog vele duizenden hectaren landbouwgrond braak en het zou de ‘foodprint’ van lokale dierlijke productie verder verlagen”, vult Marc Rosiers aan.

      Zelfs een ‘action lab’ die niet tot een goed einde kon worden gebracht, namelijk het door het Innovatiesteunpunt bedachte ‘shop, pick, drive & deliver’, vinden Rosiers en Nachtergaele een geslaagde testcase. Het leek een briljant idee om een centraal distributiesysteem op te starten voor verse hoeveproducten en de uitlevering aan (zorgbehoevende) klanten uit te besteden aan Bpost. In feite werden twee succesvolle projecten samengebracht: het Noord-Antwerpse korteketencollectief DistriKempen en de Bpost-leveringen op afspraak. Tegenover het uitgespaarde bezoek aan de hoevewinkel staat een iets hogere prijs, maar de consument was niet bereid om die te betalen. Terwijl Bpost afhaakte, gaat DistriKempen op zijn elan door. Lokale retailers, zelfstandige winkels en horecazaken willen wél betalen voor de levering van verse land- en tuinbouwproducten uit eigen streek.

      Wanneer werpen maatregelen ter verduurzaming hun vruchten af?
      Wie het bovenstaande leest, zal zich misschien afvragen wat lokale sojateelt en een efficiënt model voor korte-keten-distributie met elkaar gemeen hebben. Het antwoord luidt een strategisch plan dat de landbouw- en voedingsketen verder op weg zal zetten richting verduurzaming. Strategieën zijn mogelijke wegen die de sector kan inslaan om van de huidige toestand naar het uitgestippelde doel te evolueren. Daarbinnen passen zowel ondersteunende acties die als erg toekomstgerichte ideeën die pas op termijn tot realisatie kunnen komen.

      Alle acties hebben gemeen dat ze keten overschrijdend zijn – de oplossing moet van meer dan één schakel van de voedselketen komen – evenals realistisch uitvoerbaar met een meetbaar resultaat. Voorbeelden zijn nadenken over nieuwe financieringsvormen, reststromen hoger valoriseren om tot een kringloopeconomie te komen en een gemeenschappelijk internetplatform voor landbouw en voedingsindustrie dat de administratie rond lastenboeken vermindert.

      mechanisch.onkruid.geVILT.jpg

      Terwijl het ene project nog volop in uitvoering was, werden er al nieuwe voorstellen gedaan. Zo wil Vredeseilanden duurzaamheid introduceren in het aankoopbeleid van de supermarkten. Zulke ideeën zijn niet verloren want ook het vervolgtraject heeft nood aan bruisende ideeën. “Nieuwe ‘action labs’ moeten passen in het strategisch plan, maar de tien ontwikkelde strategieën zijn met opzet breed gedefinieerd zodat er geen voorstellen op voorhand worden uitgesloten.”

      In de blogbrief van het transformatieproject vinden we die tien strategieën terug. Naast ‘klassiekers’ zoals duurzame productie en het verhogen van de grondstoffenefficiëntie lezen we ook dat men wil experimenteren om te komen tot innovaties die de ganse voedselketen omspannen. Denk bijvoorbeeld aan nieuwe business- of distributiemodellen. Vreemd genoeg vinden we in de projectcommunicatie geen definitie van duurzame landbouw terug. “Daar hebben we ons niet aan gewaagd”, legt Rosiers uit. “Over een definitie zouden we het niet eens geraakt zijn terwijl het net onze betrachting was om samen met de ngo’s een visie te ontwikkelen.”

      quinoa.geVILT.jpg

      Als het over de verduurzaming van de voedselketen gaat, is tijd een belangrijk breekpunt tussen ngo’s en sectororganisaties. “De agrovoedingsindustrie zal er over 20 jaar heel anders uitzien dan vandaag maar verwacht geen spectaculaire veranderingen binnen dit en vijf jaar.” De verschillende tijdshorizon van transitie enerzijds en transformatie anderzijds, kwam ook aan de oppervlakte in de systeemanalyse die in het kader van dit project van de voedselketen gemaakt werd.

      Het Vlaams onderzoeksinstituut ILVO heeft voor die analyse zo goed werk geleverd dat het rapport nu door het leven gaat als een nulmeting inzake duurzaamheid. In de toekomst kan de impact van beleidsacties en verduurzamingstrajecten vergeleken worden met de beschrijving in dit rapport. In die zin is dit rapport een startpunt en een klankbord voor een transformatie van de agrovoedingsketen naar een verdere verduurzaming. De systeemanalyse ligt aan de basis van het strategisch- en actieplan.

      Consument heeft geen boodschap aan duurzaam voedsel, maar laat zich wel leiden door verkooptermen als lekker en dichtbij

      De drijvende krachten achter ‘De voedingsketen verduurzaamt’ laten zich niet uit het lood slaan door een recente enquête die zegt dat de doorsnee Belg het begrip duurzaamheid beu gehoord is. Een andere weg is er volgens Ann Nachtergaele niet. Zij spreekt in dat verband van “evolueren om te overleven”. Hoewel de consument het volgens sommigen onderhand wel gehad heeft met duurzaamheid, heeft de maatschappij (en de consument als burger) er volgens haar nood aan.

      In het vervolgtraject krijgt communiceren over duurzaamheid met de eindklant meer aandacht. “We gaan niet over ‘duurzaam’ spreken maar over lekker voedsel of voedsel van dichtbij”, neemt de vertegenwoordiger van de voedingsindustrie zich voor. Ook woorden als ‘schoner’ en ‘zuiverder’ worden drager van de boodschap van de agrovoedingsindustrie.

      sierteelt.geVILT.jpg

      Verder laten Nachtergaele en Rosiers zich niet vastpinnen op community supported agriculture (CSA) en andere druk besproken en beschreven ‘uithangborden’ van een duurzame landbouw. “De boer moet zich goed voelen in het model waarin hij werkt, of dat nu een zelfplukboerderij is of contractteelt voor een grote afnemer. En wat er ook beweerd mag worden, waarom zouden organisaties als Boerenbond of FEVIA er iets op tegen hebben dat een ondernemer een gat in de markt vindt?”

      Ondertussen is de kogel door de kerk en werd de aanvraag voor het vervolgproject ingediend bij de Vlaamse overheid. Onderzoeksinstituut ILVO werd opgewaardeerd van ‘onderaannemer’ tot volwaardig partner. Het vervolgproject zet nieuwe stappen in de ingeslagen richting: de voedingsindustrie moet verduurzamen om zich te bestendigen en versterken als één van de belangrijkste sectoren van het Vlaamse industriële weefsel.

      De ambitieuze doelstelling is de transformatie van het Vlaamse landbouw- en voedingssysteem effectief initiëren en in de praktijk implementeren aan de hand van twee speerpunten: een actieplan en (vijf à tien) ‘action labs’ zoals we ze kennen van het vorige project. Communicatieacties zullen dit ondersteunen. Het actieplan houdt een breed stakeholdertraject in waarbij men op zoek gaat naar een ‘multiplicator-effect’ van de te ontwikkelen acties en action labs. De vooruitgang die de agrovoedingsketen boekt bij het verduurzamen, wordt opgevolgd en het actieplan kan in de loop van het project aangevuld worden.

  • Ann Truyen - VIP

    Lekker, mals, mager en goedkoop. Kippenvlees voldoet aan alle criteria om in de smaak te vallen b...
    Toon detail informatie

      Hoe zit de sector van de kippenslachthuizen eigenlijk in elkaar?
      Ann Truyen: In ons land hebben we een dozijn grote en middelgrote bedrijven die braadkippen slachten. Daarnaast zijn er nog een dertigtal kleine slachterijen die de lokale markt bevoorraden. Dat zijn bedrijven die in tegenstelling tot de grote spelers in de sector niet elke dag in de week operationeel zijn. Reken maar dat de grotere slachthuizen 85 procent van de productie voor hun rekening nemen. En dan hebben we ook nog twee grote slachthuizen die zich toeleggen op de niche van de soepkippen. Leghennen die fin de carrière zijn, vergen speciale slachttechnieken en zijn vooral bestemd voor de Afrikaanse markt. Daar zijn de mensen nog bereid om veel en lang te koken. Anderzijds gaan er steeds meer soepkippen naar de versnijding en verdere verwerking in bijvoorbeeld maaltijdcomponenten en charcuterie.

      Wat zijn de belangrijkste trends in de sector?
      Tien jaar geleden waren nog een honderdtal kleine slachthuizen en dubbel zoveel grote bedrijven actief. De totale slachtcapaciteit is op peil gebleven, maar het aantal slachterijen is dus sterk gedaald. De toenemende eisen die aan de inrichting van een slachthuis gesteld worden op het vlak van voedselveiligheid en hygiëne werken schaalvergroting in de hand. De grotere slachthuizen zijn vandaag goed voor 100.000 à 800.000 slachtingen per week, samen stellen ze ongeveer 2.500 mensen tewerk. Met een totale productie van 230 miljoen geslachte braadkippen en 30 miljoen soepkippen halen we in ons land een zelfvoorzieningsgraad van 170 à 180 procent. Een logisch gevolg is dat onze slachthuizen zich zeer sterk oriënteren naar de Europese markt, en voor sommige specifieke kippendelen moeten we het nog verder zoeken.

      Hoe zwaar wegen onze industriële kippenslachterijen in vergelijking met die in het buitenland?
      Op het vlak van het type kip en de verwerking zijn we sterk vergelijkbaar met Nederland, maar bij onze noorderburen worden wel drie keer zoveel braadkippen geslacht. Alles bij elkaar vertegenwoordigt België een aandeel van vijf procent in Europa. De grootste producenten van braadkippen zijn Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Duitsland is heel lang een netto-importeur geweest, maar heeft de jongste vijf jaar met de nodige investeringssteun een heel modern productiegebied uitgebouwd langs de grens met Nederland. Maar ook onze bedrijven mogen gezien worden. Onze slachthuizen zijn heel snel omgeschakeld van de hele kip als eindproduct naar de versnijding tot klassieke deelstukken en filetproductie.

      In de varkenssector is er een duidelijke scheiding tussen de slachtactiviteit en de versnijding, maar in de pluimveesector is dat niet het geval?
      Dat klopt. Alle grote en middelgrote bedrijven hebben een slachthuisgedeelte waar de levende kippen getransformeerd worden in panklare kippen, die daarna versneden worden in bouten, vleugels en borstkappen. Van die borstkappen worden vervolgens kipfilets gemaakt. Vier slachthuizen gaan nog een stapje verder en produceren vleesbereidingen zoals kippenburgers, blinde vinken en kippenworsten. Eigenlijk kan je een opdeling maken in twee bedrijfstypes: enerzijds zijn er de bedrijven die producten op maat leveren aan supermarktketens en hiervoor de nodige investeringen doen, terwijl de andere slachthuizen opteren voor de bulkmarkt en fungeren als leveranciers van grote volumes aan de verwerkers verderop in de keten. Beide types houden momenteel stand in de markt.

      Labelkippen zoals de Mechelse koekoek komen in het verhaal niet voor?
      Die nicheproducten zijn bij de consumenten vrij goed gekend, maar op het vlak van volume stellen ze niet zo veel voor. In ons land is vooral Belki actief op de markt van biokippen, traag groeiende kippen, enzovoort. In Frankrijk heeft iedere streek een eigen kippenras, maar dat vind je nergens anders. Wij moeten we het echt hebben van de gestandaardiseerde kip, die in de winkelrekken een huismerk opgekleefd krijgt.

      Welke kipproducten liggen bij ons het best in de markt?
      De verkoop van hele kippen die thuis nog gebakken moeten worden, is heel sterk teruggelopen. De kip aan ’t spit doet het daarentegen nog altijd goed, maar België is in de eerste plaats een land waar kipfilet gegeten wordt. Voorgebakken kippenvleugeltjes zijn de jongste jaren sterk in opmars. En de markt van de bereidingen gaat zeker vooruit, maar is nogal seizoensgebonden. Bij goed barbecueweer draait dat segment uitstekend. Als producent moet je op dat terrein wel voortdurend uitpakken met innovaties die het assortiment verruimen.

      In welke mate zijn de Belgische kippenslachthuizen familiale ondernemingen?
      Pingo behoort tot het Nederlandse Plukon Royale en Lintor werd twee jaar geleden grotendeels overgenomen door de Gimv. Alle andere bedrijven hebben nog een zuiver familiaal karakter. Zo’n structuur zet een rem op het aantal overnames in de sector, maar in elk geval zullen de slachthuizen verder moeten groeien om te overleven. Ofwel doen ze dat op eigen kracht, ofwel door fusies. Zo werd onlangs de overname van Flandrex door Plukon afgerond.

      Kippenvlees wordt geassocieerd met goedkoop, gemak en gezond. Uitgerekend die keuzecriteria vindt de moderne consument erg belangrijk.
      Waar andere vleessectoren moeite hebben om het verbruik op peil te houden, is dat voor het kippenvlees niet het geval. Er is geen spectaculaire verhoging, maar volgens cijfers van VLAM zou het thuisverbruik ook tijdens de eerste twee kwartalen van dit jaar weer gestegen zijn. En vergeet niet dat ook de consumptie van kipbereidingen toeneemt. In de statistieken is het moeilijk om daar iets over terug te vinden, maar we zien die productie in elk geval stijgen.

      Zorgt die stijgende consumptie voor mooie winstcijfers bij de slachthuizen?
      (lacht) Dat is een ander verhaal. Het gaat om een sector die niet zoveel toegevoegde waarde levert en de voorbije jaren heel veel crisissen doorworsteld heeft, denk maar aan de vogelgriep. Dat heeft op de Europese markt tot zeer wisselende verkoopcijfers geleid. 2007 was een relatief goed jaar, maar dat was ook nodig om weer wat financiële zuurstof te krijgen. De concurrentie van de wereldmarkt neemt ook toe, waardoor onze bedrijven met hun prijszetting op hun hoede moeten zijn. De winstmarges zijn eerder laag.

      De sector wordt gekenmerkt door een zeer sterke verticale integratie?
      Er zijn steeds meer pluimveehouders die met hun mengvoederfabrikanten prijsgarantiecontracten afsluiten van één of twee productierondes, terwijl vroeger jaarcontracten courant waren. In periodes met betere prijzen werken die boeren louter met een afnamecontract, waar dus geen gegarandeerde prijs aan verbonden is. Kippenboeren met een zekere schaalgrootte volgen nu eenmaal nauwgezet de markt en kunnen het zich allicht permitteren om zelf iets meer marktrisico’s te nemen, temeer omdat er sprake is van krapte op de aanbodsmarkt. Daarom bevoorraden onze pluimveeslachthuizen zich trouwens niet alleen met Belgische kippen, maar halen ze dertig procent van de aanvoer uit Nederland en Noord-Frankrijk.

      Jullie leveranciers zijn niet de kippenboeren, maar wel de mengvoederbedrijven?
      Slachthuizen hebben grote volumes nodig om hun activiteit de hele week draaiende te houden. Daarom worden langlopende overeenkomsten gesloten met meerdere mengvoederfabrikanten. Die gaan vervolgens op het niveau van de kippenboeren puzzelen om voor een gelijkmatige aanvoerspreiding bij het slachthuis te zorgen. Een boer levert slechts één keer om de acht weken braadkippen, hé. In een aantal landen is het wel gebruikelijk dat slachthuizen rechtstreeks contracten afsluiten met pluimveehouders. Maar dan gaat het om bedrijven van 200.000 of 300.000 kippen, zoiets kennen wij in België niet. De toestand is bij ons historisch anders gegroeid.

      Hoe sterk is de verwevenheid tussen de pluimveeslachthuizen en de mengvoederbedrijven?
      Die was ooit hechter dan vandaag het geval is. Vroeger had je bijvoorbeeld de tandem Hendrix-Pingo, maar beide bedrijven zijn intussen hun eigen weg gegaan. Een aantal andere combinaties houdt wel nog altijd stand.

      Eigenlijk onderhouden de slachthuizen heel weinig contacten met de kippenboeren. Vormt dat geen probleem?
      We maken afspraken over de laadplanning en we delen ook de slachtresultaten mee. De rest van de communicatie loopt voornamelijk via de vertegenwoordigers van de mengvoederfabrikanten. Onze slachthuizen gaan ervan uit dat hun boodschappen op die manier bij de boer terechtkomen, al is recentelijk gebleken dat dit mechanisme niet onfeilbaar is.

      Het heeft de voorbije maanden inderdaad gerommeld tussen de landbouworganisaties en de pluimveeslachthuizen. Er was onenigheid over het gewicht van de geleverde kippen?
      Door de combinatie van betere genetica en krachtige voeders zagen we het gewicht van de kippen stelselmatig toenemen. Maar mensen lusten geen kippenbouten van een halve kilogram, hé. Slachthuizen die kippen uitbenen om er bereide producten van te maken, zijn daarentegen wel gediend met grote stukken. Maar dat is slechts een beperkt segment van de markt, terwijl de boeren op een bepaald ogenblik dachten dat ze allemaal op die kar moesten springen. We konden niet anders dan op de rem gaan staan. Intussen hebben de landbouworganisaties ook wel ingezien dat de boeren moeten leveren wat de consument vraagt, en dus weegt het gros van de aangevoerde kippen weer 2,2 à 2,4 kilogram. Om dat gewicht te bekomen, werden de aflevertijden met één à twee dagen verkort. Kippenboeren die zich niet aan de afspraken houden, voelen dat voortaan in hun portemonnee.

      Een ander twistpunt was de manier om het lastenboek van Belplume nog meer ingang te doen vinden bij de kippenboeren.
      Omdat onze kip een gestandaardiseerd product is, beslisten de slachthuizen een vijftal jaar geleden om de volledige productie onder eenzelfde kwaliteitsgarantie te brengen. Om de drempel zo laag mogelijk te houden, staan in het lastenboek van Belplume hoofdzakelijk wettelijke minimumeisen. Niettemin merkten de slachthuizen begin dit jaar dat de dekking van het kwaliteitslabel bleef haperen. Om het deelnamepercentage verder op te krikken, stelden de landbouworganisaties aan de slachthuizen voor om een extra toeslag te betalen voor Belplume-kippen. Dat vonden we bizar omdat onze klanten ook geen extra duit in het zakje doen omdat we internationale kwaliteitsstandaarden zoals BRC en IFS volgen. Na uitvoerig overleg werd beslist om de wekelijkse prijsnoteringen inclusief Belplume-toeslag te publiceren. Boeren die geen Belplume-kippen leveren, krijgen een lagere prijs uitbetaald.

      Heeft dat compromis iets opgeleverd?
      In de loop van dit jaar hebben bijna honderd extra kippenboeren zich aangemeld om volgens het lastenboek van Belplume te produceren. In totaal nemen vandaag bijna zevenhonderd kippenhouders deel aan het systeem. Daarnaast is het voor ons uiteraard ook belangrijk dat de grootdistributie gelooft in dit project. Voor bijvoorbeeld Delhaize en Colruyt is Belplume de basisnorm, waar nog een handvol eigen eisen aan toegevoegd worden. Anderzijds hebben we zelf ook nog werk aan de winkel aangezien tot hiertoe slechts zeven pluimveeslachthuizen met het kwaliteitssysteem werken. Sommige bedrijven argumenteren nog steeds dat hun cliënteel geen boodschap heeft aan Belplume.

      De Doha-ronde verkeert nog altijd min of meer in comateuze toestand. Zijn onze kippenslachthuizen daar blij mee?
      Alle studies wijzen er op dat de voorstellen die op tafel lagen het meest nefast zouden geweest zijn voor onze sector. Vandaag moeten we al afrekenen met zeer ruim bemeten invoercontingenten voor diepgevroren kippenvlees uit Brazilië en Thailand, een wto-akkoord zou die nog verder opensplijten. Je mag niet vergeten dat we die overzeese producenten niet met gelijke wapens kunnen bekampen: als enige regio in de wereld mogen wij geen diermeel meer gebruiken in onze voeders, in Europa geldt ook een verbod op antimicrobiële groeibevorderaars, het vaccinatiebeleid is hier veel strenger, en dan spreken we nog niet over het dossier van de ggo’s. Het is de optelsom van deze elementen die onze productiekost hoog boven die van overzeese concurrenten verheft. De voorbije tien jaar hebben we de Amerikaanse chloorkippen kunnen buitenhouden, maar we zullen zien of dat invoerverbod nog een lang leven beschoren is. Als de Doha-ronde flopt, is de kans groot dat de Amerikanen de zaak bij de Wereldhandelsorganisatie zullen aankaarten. En aangezien het Efsa geoordeeld heeft dat de impact van een chloorontsmetting aan het eind van de productieketen niet erg groot is…

      De slachthuizen die bereide producten maken, hebben baat bij de invoer van zo goedkoop mogelijke grondstoffen.
      Toch niet, de pluimveeslachthuizen blijven in eerste plaats producenten van kippenvlees. Enkel bedrijven die verderop in de keten gegaarde of gekookte producten maken zoals charcuterie, vol-au-vent, maaltijdcomponenten of conserven gebruiken vaak diepgevroren vlees als grondstof. De diepgevroren invoer zorgt niet rechtstreeks voor concurrentie op de versmarkt, maar pikt in de verdere verwerking dus wel een aantal klanten af. En het is juist de afzetmarkt van de gegaarde en gekookte producten die veel potentieel heeft. Het marktaandeel van bijvoorbeeld grootkeukens en cateringbedrijven neemt voortdurend toe.

      De Europese Commissie heeft maatregelen voorgesteld om het dierenwelzijn in de slachthuizen te verbeteren. Wat is nog voor verbetering vatbaar in onze bedrijven?
      Voor de meeste slachthuizen is er geen enkel probleem, omdat elk kwaliteitshandboek een hoofdstuk over dierenwelzijn bevat. In de grote kippenslachthuizen wordt trouwens altijd verdoofd, zelfs voor rituele slachtingen. Eigenlijk zijn de nieuwe voorschriften vooral een harmonisering van maatregelen die op dit ogenblik al toegepast worden.

      Hoe kijkt de slachthuiswereld aan tegen de ontwikkelingen bij de Vlaamse kippenboeren?
      De veehouders blinken uit door hun vakmanschap, maar anderzijds merken we dat de opschaling trager gebeurt dan in onze buurlanden. Het spreekt vanzelf dat we dit niet graag zien gebeuren. De bedrijven die willen groeien, moeten daartoe dikwijls op verschillende locaties stallen runnen. Blijkbaar kan het niet anders in Vlaanderen.

      Hebben jullie er zicht op hoe het gesteld is met de bedrijfsopvolging onder de pluimveehouders?
      Euh, eigenlijk niet. Maar in tegenstelling tot andere landbouwtakken is het doenbaar om van buitenaf toe te treden tot de sector en externe arbeidskrachten in te zetten. Op een kippenbedrijf spelen de klassieke boerentradities zoals de overerving van vader op zoon niet zo’n grote rol.
       

  • Annie Demeyere (ADLO) & Wouter Willems (Volksgezondheid)

    De agromilieumaatregel ‘feromoonverwarring’ werd van bij de start in 2010 op de helft van het app...
    Toon detail informatie

      Tegenwoordig heten pesticiden gewasbeschermingsmiddelen. Is dat meer dan schone schijn?
      Wouter Willems: Op federaal niveau nemen wij de termen uit de Europese wetgeving over. Het woord ‘pesticiden’ is niet uit de terminologie verdwenen want dat is een verzamelnaam voor gewasbeschermingsmiddelen en biociden (ontsmettingsmiddelen, plaagbestrijders, e.d.).
      Annie Demeyere: Vanuit de voorlichting wordt al langer van ‘gewasbescherming’ gesproken. Gewasbeschermingsmiddelen zijn voor een plant wat geneesmiddelen voor de mens betekenen. Ze dienen om te beschermen en niet om te bestrijden.

      Bij de FOD Volksgezondheid loopt een reductieprogramma voor pesticiden. Wat houdt dat in?
      Wouter Willems: Het Programma voor de Reductie van Pesticiden en Biociden wil het milieu- en gezondheidsrisico verkleinen. De betrokken diensten houden zich onder meer bezig met de nieuwe opdeling tussen gewasbeschermingsmiddelen voor professioneel en particulier gebruik, de voorbereiding op de fytolicentie die er zit aan te komen en diverse sensibiliseringsacties zoals de brochures ‘Lees het etiket’ en ‘Ongewenste gasten in je huis of tuin’. Samen met alle betrokken overheidsinstanties werken we momenteel ook aan een nationaal actieplan voor het duurzaam gebruik van pesticiden, een verplichting die voortvloeit uit een Europese richtlijn.

      Hoe evolueert het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen?
      Annie Demeyere: Sinds de jaren ’90 is de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen die de Vlaamse land- en tuinbouw inzet ongeveer met een derde gedaald. Het aantal kilo actieve stof zegt echter weinig over de impact op het leefmilieu en de gezondheid. Een actieve stof met een dosering van enkele grammen per hectare kan immers schadelijker zijn dan een middel waarvan meerdere kilo’s per hectare nodig zijn. Het beleidsdomein Leefmilieu maakt daarom gebruik van de SEQ-indicator die de impact op het waterleven nagaat. Daaruit blijkt dat de Vlaamse doelstelling om de milieu-impact met de helft te verminderen tussen 2000 en 2010 door de landbouwsector gerealiseerd is. Dat is voor een groot stuk te danken aan het verdwijnen van de meest schadelijke middelen zoals atrazine.

      Kan de milieu-impact nog verder omlaag?

      Lees ook:
      Webapplicatie helpt aardappelen beschermen tegen de plaag
      Annie Demeyere: Dat kan, maar het wordt steeds moeilijker. De SEQ-indicator blijft de laatste jaren rond een reductie met 50 procent hangen. In een nat voorjaar met een hoge ziektedruk verslechtert de indicator wat, een droog voorjaar zorgt voor een kleine verbetering. Door bewuster en gerichter aan gewasbescherming te doen, kunnen we nog vooruitgang boeken. De nadruk wordt daarom gelegd op een meer duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Dat betekent spuiten op basis van waarnemingen en alleen wanneer het nodig is. Vroeger werd bijvoorbeeld wekelijks gespoten tegen de aardappelplaag, vandaag kan het Proefcentrum voor de Aardappelteelt telers op perceelsniveau adviseren op basis van de aardappelvariëteit, de bemesting, de weersomstandigheden, enz.

      Hebben landbouwers gelijk als ze een deel van het milieuprobleem afschuiven op particulieren en lokale besturen?
      Annie Demeyere: Het klopt dat niet weinig pesticiden, met name herbiciden tegen onkruiden, gebruikt worden voor het onderhoud van het openbaar en privaat domein. Het zijn middelen waarvan de dosering vaak hoog ligt zodat 25 à 30 procent van het pesticidengebruik niet aan landbouw toe te schrijven is. Niet-professionelen zijn minder goed op de hoogte van de gevaren voor het milieu. Zij zullen bijvoorbeeld een stoep onkruidvrij spuiten met glyfosaat terwijl het risico op afspoeling en waterverontreiniging bij de behandeling van verharde ondergronden groot is, iets waar landbouwers zich beter bewust van zijn.

      Wordt daar iets aan gedaan?
      Wouter Willems: Eind augustus is de opsplitsing tussen gewasbeschermingsmiddelen voor professioneel en particulier gebruik een feit. Heel wat actieve stoffen zullen enkel nog verkrijgbaar zijn voor professionele gebruikers, waaronder de landbouwers. Gewasbeschermingsmiddelen die beschikbaar blijven voor burgers worden gebruiksvriendelijker en veiliger dankzij aanpassingen aan de verpakking, de samenstelling en het etiket. De particulier zal bovendien deskundig geadviseerd worden want vanaf eind 2015 moet er in elk verkooppunt ofwel een medewerker aanwezig zijn die de nodige fytolicentie kan voorleggen ofwel dient dergelijke persoon beschikbaar te zijn, bijvoorbeeld via een callcenter.
      Annie Demeyere: De Vlaamse overheid verlangt van de lokale besturen dat zij tegen 2015 hun grondgebied onderhouden zonder pesticiden in te zetten, tenzij dringende redenen een uitzondering rechtvaardigen.

      Welke eisen stelt ‘geïntegreerde gewasbescherming’ (IPM) vanaf 2014 aan onze landbouwers?
      Annie Demeyere: IPM betekent het gewas beschermen met alle mogelijke methodes en daarbij voorrang geven aan niet-chemische oplossingen zoals mechanische onkruidbestrijding of natuurlijke plaagbestrijders. Om dat mogelijk te maken, doe je in de eerste plaats aan preventie door de juiste vruchtafwisseling, variëteitskeuze, bemesting, zaaidichtheid, enz. Een tweede stap is monitoring: ziekten en plagen gaan waarnemen. Pas wanneer de schadedrempel overschreden is, ga je als derde en laatste stap ingrijpen. Dat mag na 2014 nog altijd chemisch met gewasbeschermingsmiddelen, maar dan moet voor het meest selectieve en minst milieugevaarlijke middel gekozen worden. Die rangschikking wordt momenteel opgemaakt.

      Zijn er deelsectoren die het voortouw nemen? Doemen er elders problemen op?
      Annie Demeyere: Fruittelers doen al 10 tot 20 jaar aan geïntegreerde gewasbescherming. Zij staan het verst met feromoonverwarring van de fruitmot, nestgelegenheid voor oorwormen en het sparen of uitzetten van natuurlijke vijanden als lieveheersbeestjes, roofwantsen en -mijten. Ook de groenteteelt onder glas geeft het goede voorbeeld. In de tomatenteelt dateert de eerste biologische bestrijding van de witte vlieg uit de jaren ’80. Sierteelt is het andere uiterste en akkerbouw en vollegrondsgroenteteelt bevinden zich daar tussenin. Voor alle sectoren de nodige kennis vergaren, is nu een prioriteit.

      Zullen boeren ooit opnieuw met hun schoffel door het veld lopen?
      Lees ook:
      GPS als hulpmiddel bij gewasbescherming
      Annie Demeyere:
      In de toekomst evolueren we in een aantal teelten wellicht naar één chemische onkruidbestrijding en mechanisch ingrijpen om de resterende onkruiden op te ruimen, maar zover is het ook na de invoering van IPM in 2014 nog niet. Mechanisch ingrijpen zal altijd zijn beperkingen hebben, maar GPS maakt het mogelijk om machinaal erg nauwkeurig te werken. Op dat vlak kunnen boeren in de leer bij hun collega’s uit de biolandbouw die daar meer ervaring mee hebben. Ook de natuurlijke hulpmiddeltjes (bacterie- en viruspreparaten) die de biolandbouw inzet om de ziekte- en plaagdruk te beheersen, zijn net zo goed inzetbaar in de gangbare landbouw.

      Een landbouwer die gewasbeschermingsmiddelen wil spuiten, moet vanaf eind 2015 beschikken over een fytolicentie. Waar mag hij zich aan verwachten?
      Wouter Willems: Handelaars in gewasbeschermingsmiddelen en loonwerkers die spuiten voor derden dienen vandaag reeds over een erkenning te beschikken. Dat systeem voldoet echter niet meer aan de Europese eisen zodat alle professionele gebruikers, handelaars en voorlichters eind 2015 over een nieuwe ‘fytolicentie’ moeten beschikken. Die zal kunnen bekomen worden vanaf september 2013. Dat is het begin van de overgangsperiode die (bijna) alle professionelen in de sector de kans geeft om een fytolicentie aan te vragen. Landbouwers met minstens twee jaar ervaring zullen zonder bijkomende voorwaarden een licentie krijgen. Vanaf eind 2015 verandert dat en wordt de fytolicentie enkel verstrekt aan houders van het juiste schooldiploma of aan wie slaagt voor het basisexamen, al dan niet na het volgen van bijscholing. Wie niet slaagt voor dat basisexamen, wordt verplicht om 60 uur (landbouwer) of 120 uur lessen (voorlichter of handelaar) te nemen alvorens opnieuw aan het examen te kunnen deelnemen. De fytolicentie heeft een geldigheidsduur van zes jaar. In die zes jaar dient de licentiehouder theoretische of praktische vormingsactiviteiten bij te wonen om zijn fytolicentie te behouden. Er komen vier verschillende types fytolicentie en we verwachten van de handelaar en voorlichter met het hoogste licentietype (P3) dat hij in die zes jaar meer vormingsactiviteiten bijwoont (6) dan de landbouwer (4) met een P2-licentie. Landbouwers mogen erop vertrouwen dat zij nog uitvoerig ingelicht worden.

      Schort er dan momenteel iets aan de kennis van onze boeren en tuinders omtrent gewasbescherming? Vertrouwen zij teveel op commerciële voorlichters?
      Annie Demeyere: Land- en tuinbouwers weten wat zij doen en zij beschikken over een zeer goede basiskennis. Dat is precies de reden waarom beroepservaring in de overgangsperiode volstaat om een fytolicentie te verkrijgen. Hun bijscholing kan echter beter want op de voorlichting zien we vaak dezelfde gezichten en is er dus een groep landbouwers die we op vrijwillige basis niet kunnen bereiken. Om hun fytolicentie niet te verliezen, zullen ook zij in de toekomst vorming moeten volgen. De adviezen vanuit de handel zijn niet verkeerd want een landbouwer kan niet van alle (nieuwe) producten op de hoogte zijn. Via vorming schaven we aan de kennis van de landbouwers zodat zij kritischer kunnen oordelen over de info die ze van hun fytoverkoper krijgen.

      Blijft voor elke ziekte, plaag en onkruid een chemische oplossing voorhanden?
      Annie Demeyere: Belangrijker is dat de landbouwsector in de toekomst voor elke ziekte, plaag en onkruid over een oplossing, chemisch of andere, beschikt die een rendabele bedrijfsvoering toelaat.
      Wouter Willems: Ik wil graag besluiten door de hoop uit te drukken dat we alle landbouwers vlot kunnen bereiken met de nodige inlichtingen omtrent de fytolicentie zodat iedereen tijdig aan alle verplichtingen voldoet. De FOD Volksgezondheid zal daarvoor de nodige kanalen aanspreken. Dat de licentie kosteloos is voor de landbouwer en in de overgangsperiode verkregen kan worden op basis van beroepservaring en zonder bijkomende opleidingen, zou daarbij een stimulans moeten zijn.

  • Anthony Botelberge (Belgian Ready Meals Association)

    Zelf staat hij niet graag in de schijnwerpers - daarom moet dit interview het zonder portretfoto ...
    Toon detail informatie

      Waarom hebben de fabrikanten van bereide maaltijden een eigen belangenverdediger?
      Anthony Botelberge: BReMA is kort na de dioxinecrisis ontstaan, een periode waarin bedrijven zonder onderscheid over dezelfde kam geschoren werden. Afzetmarkten gingen op slot, ook voor sub-sectoren die met de crisis geen uitstaans hadden. Er was nood aan een sectorfederatie om de fabrikanten van bereide maaltijden te verenigen die eenzelfde hoge kwaliteitsstandaard nastreven. Sinds de oprichting van BReMA door huidige Voka-voorzitter Michel Delbaere spreken zij met één stem in het overleg met de overheid en in geval van calamiteiten. Via onze secretaris, Ariane Louwagie, houden we nauw contact met de overkoepelende voedingsfederatie FEVIA. Bijzonder is dat BReMA in zekere zin ouder is dan de sector van de bereide maaltijden. Die bestaat officieel nog maar drie jaar, sinds er een afzonderlijke Europese NACE-code voor bestaat. Uiteraard worden er al veel langer kant-en-klaarmaaltijden gemaakt, maar typerend voor onze sector zijn de agrovoedingsbedrijven die gaandeweg in ‘convenience’ gerold zijn. De geschiedenis van Frigilunch brengt je bijvoorbeeld terug bij de winkelketen voor vriesverse voeding Covee en zo bij Boerenbond. Vandaag is geleidelijk doorgroeien voor voedingsbedrijven maar ook voor traiteurs verre van evident. Het productieproces werd erg complex door de voorschriften inzake traceerbaarheid, voedselveiligheid, allergenen, enz. Op 80 personeelsleden zijn er bij Frigilunch vier actief in het labo, op de kwaliteitsdienst.

      Binnen de 24 uur hebben we van elk ingrediënt de producent opgespoord

      Het paardenvleesschandaal moet een stevige test geweest zijn voor de werking van de jonge federatie?
      Toen bewees het zijn nut om als sector rond één federatie verenigd te zijn. We zaten rond de tafel met overheid en retail. Duizenden labotests wezen uit dat er in ons land geen kant-en-klaarmaaltijden gecontamineerd waren met paardenvlees. Voor zover het ons land betrof, was het ‘paardenvleesschandaal’ een storm in een glas water. Maar het maakte ons wel bewust van de gevoeligheid van de voedselketen voor fraude. We zijn kwetsbaar door de complexiteit van kant-en-klaarmaaltijden. Daarin zit een breed palet aan grondstoffen, van 15 verschillende groenten tot tientallen soorten vlees, vis en bouillons. De ketting is maar zo sterk als zijn zwakste schakel. Wij moeten dus kunnen vertrouwen op de certificaten waarmee onze leveranciers de traceerbaarheid en kwaliteit van hun producten garanderen. Sommige klanten verlangen namelijk van ons dat we binnen de kortste keren van elk ingrediënt de oorsprong kunnen opsnorren.

      hamburger.jpg

      De economische schade was groot na het debacle met paardenvlees. Is dat verteerd of likken de producenten nog altijd hun wonden?
      Over de impact op individuele bedrijven laat ik me niet uit, maar algemeen ervoer de sector een daling van 15 à 20 procent in de consumptie van met gehakt bereide kant-en-klaarmaaltijden zoals lasagne. In Frankrijk is dat effect er nu nog. De Belgische consument keek nuchter naar het ‘mediafenomeen’, en met veel vertrouwen in de voedselveiligheid. Daardoor zit de binnenlandse vraag ongeveer terug op het oude niveau. Wel merk je een beperkte verschuiving naar vis- en pastamaaltijden zonder gehakt.

      Zijn er lessen uit het voorval getrokken?
      Het paardenvleesschandaal was terug te brengen tot fraude bij het aan- en verkopen van vlees. Daarom werd de vraag gesteld of een zogenaamde ‘trader’ nog wel een plek heeft binnen de voedselketen. Hoe langer de keten is, hoe groter het risico immers wordt. In ons land bleek dat geen issue. Door de rijke Belgische landbouwgeschiedenis wordt hier voldoende en kwaliteitsvol voedsel geproduceerd. Onze leden kopen met andere woorden weinig grondstoffen op de internationale markt. Pasta, tomatenpulp en vis zijn de uitzonderingen op die regel. Door hoofdzakelijk te werken met leveranciers van onder de spreekwoordelijke kerktoren verkleinen zij het risico op fraude. We merken dat ook een aantal klanten daar nu aandacht voor heeft, en een maximum aantal tussenschakels oplegt om eventuele traders er tussenuit te krijgen.

      Smaak is zeer lokaal. Je krijgt in Spanje geen worst met wortelpuree of Luikse balletjes verkocht

      Zijn er veel firma’s in ons land die bereide maaltijden maken? Welke cijfers kunnen zij voorleggen inzake tewerkstelling, productie, omzet, export, enz.?
      Op de omvang van de sector is niet zo eenvoudig een aantal bedrijven te plakken want het hangt er maar vanaf waar je de grens trekt. De grotere fabrikanten zijn allemaal aangesloten bij BReMA en dan spreek je over 18 firma’s die samen 840 mensen tewerkstellen. De slager en traiteur om de hoek die alleen of met een klein personeelsbestand bereide maaltijden maken, zijn niet meegeteld. De 18 BReMA-leden produceerden in 2012 208.542 ton aan bereide maaltijden (vers en diepvries). Ze boekten daar toen een omzet mee van bijna 470 miljoen euro. Binnen de sector zijn er bedrijven die op export mikken en anderen die de binnenlandse markt bedienen. Smaak is namelijk zeer lokaal, al kan je met de Belgische producten in theorie een eind ver komen door ons hoogstaand smaakprofiel. Alleen de Italiaanse en Oosterse maaltijden hebben een internationaal smaakprofiel. Een tweede beperking voor export is de beperkte actieradius van verse bereide maaltijden gelet op hun beperkte houdbaarheid. Ten derde zorgen de beperkte schaalgrootte van de eigen markt in combinatie met de hoge loon- en energiekosten ervoor dat concurrentieel zijn met het oog op export een moeilijk verhaal is.

      bereidemaaltijd1_Frigilunch.jpg

      Waar trekken jullie de grens tussen wat een bereide maaltijd is en wat niet?
      Een bereide maaltijd bevat de hoofdbestanddelen van een volwaardige maaltijd, die ze vervangt, en kan geconsumeerd worden na een ‘kleine manipulatie’, zoals opwarmen. Associeer onze sector niet met industrieel bereide maaltijden want het productieproces is nog zeer artisanaal. Andere voedingsbedrijven zijn sterker geautomatiseerd. Wij koken nog zoals jij het thuis zou doen en maken van pasta, room, gehakt en verse groenten een gerecht. Het materiaal dat we gebruiken, is natuurlijk een slag groter. Maar acht jaar geleden schepten we bij Frigilunch de puree nog met een pollepel in het bakje. Tegenwoordig kan dat met een doseerpomp, maar dat doet geen afbreuk aan het artisanaal karakter. Witloof komt bijvoorbeeld rechtstreeks van bij de boer. De groente wordt gewassen en gekuist zoals de consument dat zelf ook doet. De ‘clean label policy’ is het beste bewijs dat natuurlijk koken hoog aangeschreven staat in onze sector. Clean label slaat op de trend om aan bereide maaltijden geen smaakversterkers en kleurstoffen (E-nummers) toe te voegen, zelfs geen bouillonblokje of een natuuridentieke stof als caroteen.

      De voedingsindustrie groeide in 2013 uit tot de belangrijkste industriële sector van ons land. Zit ook de productie van bereide maaltijden in de lift?
      Door het paardenvleesschandaal was 2013 geen gemakkelijk jaar voor de fabrikanten van bereide maaltijden. Onze sector groeit sterker dan het bruto nationaal product, maar kan net niet tippen aan de uitstekende cijfers die de voedingsindustrie in zijn geheel kan voorleggen. Dat komt omdat andere deelsectoren meer groei via export realiseren, denk bijvoorbeeld aan chocolade, diepvriesgroenten en aardappelproducten.

      De loonkosten zijn een heikel punt

      In het eerste kwartaal van 2014 werden voedingsgrondstoffen 12 procent goedkoper, maar stelde het Prijzenobservatorium niettemin vast dat consumenten voor bewerkte voedingsmiddelen meer betaalden.
      De kostprijs bestaat voor 50 à 60 procent uit de aangekochte grondstoffen. Andere grote kostenposten zijn energie en lonen. De loonkosten bezorgen ons een concurrentiehandicap van 21 procent ten opzichte van de buurlanden. Ook energie is in België duurder dan in de buurlanden. Een tweede deel van de verklaring zijn de contracten waardoor prijsschommelingen zich maar met vertraging doen voelen. Met de grootwarenhuizen worden vaak lange termijnafspraken gemaakt over kant-en-klaarmaaltijden. Anders dan het Prijzenobservatorium wellicht op basis van een voedingskorf met veel merkenproducten vaststelt, ervaren onze leden dat de grondstofkosten sneller stijgen dan hun verkoopprijzen. Ze werken vaak ‘private label’ en kunnen de prijzenpolitiek van merkenfabrikanten niet overnemen.

      bereidemaaltijd2_Frigilunch.geVILT.jpg

      Bereide maaltijden worden al eens met de vinger gewezen omdat ze niet bijster gezond zijn. Jullie zijn het daar ongetwijfeld niet mee eens?
      De perceptie zit fout want kant-en-klaarmaaltijden zijn net zoals de zelf bereide warme maaltijd een bron van voedingsstoffen. Uit een recent afstudeerwerk van een bachelor Voedings-en dieetkunde én uit een recente monitoring van onze producten blijkt dat een bereide maaltijd niet te veel zout noch te veel calorieën bevat. Het verzadigingsgevoel zou beter kunnen want nu bestaat het gevaar dat de consument nadien nog een snack neemt. Het aandeel groenten op een schotel moet hoger om dat tegen te gaan.

      De Hoge Gezondheidsraad is niet gelukkig met het hoge zoutgehalte in bereide maaltijden en van Test-Aankoop mag er ook minder vet en suiker in zitten. Kan het met wat minder?
      Aan het zout- en suikergehalte in kant-en-klaarmaaltijden wordt al jaren met resultaat gewerkt. Tussen 2008 en 2012 drongen we het zoutverbruik met 15 tot wel 30 procent terug. Veel rek zit daar niet meer op want dan dreigt smaak- en kwaliteitsverlies. Momenteel werken we aan de optimalisatie van de nutritionele samenstelling van onze maaltijden. Samen met voedingsfederatie FEVIA zijn we aan een inventarisatie bezig en bekijken we de mogelijke pistes.

      Een slechte sector bestaat niet, slechte bedrijven wel

      Gelet op de landbouwers onder onze lezers polsen we graag even naar de aankooppolitiek van jullie leden. Waar ligt de lat qua prijs en kwaliteit?
      Kwaliteit wordt in ons land correct betaald, maar dat neemt niet weg dat de marges over het algemeen nog te laag zijn. Alle schakels in de voedselketen worden geconfronteerd met druk op de marges. De consument besteedt een steeds kleiner aandeel van zijn inkomen aan voeding zodat de prijspositionering een moeilijke zaak is voor de retail. Er is volgens mij dan ook niet één sector die met een buitensporig deel van de koek aan de haal gaat. Uiteraard onderhandelt ook onze sector op het scherp van de snee met leveranciers, maar van de nood aan kwalitatieve grondstoffen zijn we ons zeer goed bewust. Is één component niet beschikbaar, dan maak je geen bereide maaltijd. Fabrikanten van bereide maaltijden zijn dus geen ‘shoppers’ die steevast opteren voor de goedkoopste leverancier. Integendeel, velen streven naar een goed en duurzaam partnership met hun leveranciers.

      bereidemaaltijd3_Frigilunch.geVILT.jpg

      Bereide maaltijden zijn voor mensen met weinig tijd, zo zit in ons hoofd. Maar wie zijn jullie (eind)klanten precies?
      Er is niet één type consument van kant-en-klaarmaaltijden, toch niet in ons land. Kopers zijn bijvoorbeeld jonge tweeverdieners die in het weekend zelf koken, hun groenten misschien wel zelf oogsten in een stadstuin, maar tijdens de week weinig tijd hebben. Dan trekken ze naar de supermarkt voor een kant-en-klaarmaaltijd. Een andere categorie zijn de studenten die geen zin hebben om te koken omdat het studentenleven andere leuke activiteiten biedt. Ook ouderen zijn een belangrijk cliënteel. Zij nuttigen onze maaltijden thuis, via de huis-aan-huis-bedeling door het OCMW, in het rusthuis of in ziekenhuizen zonder grootkeuken. Om kant-en-klaar te eten, hoef je overigens niet bijzonder kapitaalkrachtig te zijn. Door de grote hoeveelheden ingrediënten die wij inkopen, is het eindproduct goedkoper dan wanneer de consument het zelf zou bereiden. Wij kopen geen kilootje pasta in de supermarkt, maar een vrachtwagen vol pasta in Italië, tel maar uit.

      Spelen jullie in op trends?
      De ‘assemblagekeuken’ is zo’n trend. Door toedoen van de vele kookprogramma’s staat de consument graag zelf in de keuken, maar de meest complexe onderdelen van een maaltijd gaat hij niet zelf bereiden. Denk aan vol-au-vent, stoofvlees, een goede saus, … allemaal zaken die hij kant-en-klaar kan kopen. Onze sector speelt daar op in door niet alleen volwaardige maaltijden maar ook maaltijdcomponenten aan te bieden. Op langere termijn verwacht ik veel van ‘functionele voeding’. De hygiëne in onze samenleving neemt almaar toe en daardoor ook het aantal mensen met een allergie. Zoals de geneeskunde sterk op het individu gericht is, zal voeding dat om die reden ook worden. Met glutenvrije voeding en suikervrije voedingswaren voor diabetici bestaat dat al voor grotere populaties binnen een bevolking, maar het kan dus nog veel specifieker. Het hoeft zelfs niet gerelateerd aan gezondheid te zijn. Waarom lanceren we geen speciaal koolhydraatrijk voedingsaanbod voor sporters?

  • Antibioticagebruik gratis meten en vergelijken

    Samen met het kwaliteitslabel Certus financiert Boerenbond een project waarbij de faculteit Dierg...
    Toon detail informatie

      De experts van de UGent ontwikkelden ook een gratis webtool, de zogenaamde AB-check, waarmee veehouders het antibioticagebruik op hun bedrijf kunnen meten en vergelijken met dat van andere bedrijven. De berekening gebeurt volledig anoniem en neemt slechts 15 minuten tijd in beslag. Varkens-, pluimvee- en kalkoenenhouders kunnen er meteen mee aan de slag. Voor rundveebedrijven wordt nog een module ontwikkeld.

      AB-check

  • Aquacultuur

    In september kondigde Vlaams minister-president Kris Peeters, die ook bevoegd is voor Visserij, d...
    Toon detail informatie

      Een eenvoudige rekensom volstaat om de enorme groeimogelijkheden van aquacultuur aan te tonen. Volgens Daan Delbare van het Instituut voor Landbouw- en Visserijtechniek (ILVO) consumeert België per jaar 78.000 ton vis. Daarvan komt er nu 15.970 ton uit visvangst en 126 ton uit aquacultuur. Dat betekent dat er voor aquacultuur een groeipotentieel is van meer dan 60.000 ton. Bovendien zal de voedselvraag in de toekomst stijgen door de groei van de wereldbevolking, terwijl de capaciteit van de visserij stagneert.

      Aan afzetmogelijkheden dus geen gebrek voor aquacultuur, de teelt van alle organismen die in het water leven. “Dat zijn dus vissen en schelpdieren, maar ook schaaldieren en algen”, zegt Sasja De Bruyne van het Departement Landbouw en Visserij. “Op dit moment doen er in Vlaanderen maar een handvol commerciële bedrijven aan aquacultuur, en dan vaak nog voor hengelvijvers en siervijvers. In vergelijking met Frankrijk en Nederland is Vlaanderen een kleine speler. Terwijl we wel internationaal gerenommeerde onderzoeksgroepen hebben: het Laboratory of Aquaculture & Artemia Reference Center van de UGent is bijvoorbeeld een wereldautoriteit.”

      Slimme keuze van de vissoort
      aquacultuurc.2.jpgHet succes van een bedrijf hangt in grote mate af van de keuze van de vissoort. Het heeft geen zin om te willen concurreren met de goedkope import uit Azië. “In Vlaanderen moeten we inzetten op nicheproducten, soorten met een hoge toegevoegde waarde”, zegt Willy Verdonck van Aqua-bio, producent van kaviaar. “Er komt goedkope kaviaar uit China, maar onze kaviaar is van een betere kwaliteit. We zijn daar heel streng in: kaviaar van tweede klasse is voor ons de naam kaviaar niet waard.”

      Andere bedrijven of onderzoekscentra kweken nicheproducten als rivierkreeftjes, zoetwaterkabeljauw, omegabaars en snoekbaars. “Snoekbaars is economisch duurzaam”, zegt Stefan Teerlinck van het praktijkcentrum Aquacultuur van Inagro. “Er is geen grote, maar wel een stabiele markt voor. Tot nu toe wordt de meeste snoekbaars wild gevangen, maar die aanvoer slinkt. Snoekbaars is dus een gat in de markt. We krijgen er ook een mooie prijs voor: op de Zeebrugse visveiling verkopen we elke week 150 kg snoekbaars, aan een prijs van 9 euro per kg. Een bijkomend voordeel is dat we van snoekbaars de hele cyclus kennen, van kleine pootvis tot grote vis klaar voor consumptie. Als je de pootvis zelf kweekt, ben je voor de pootvisaanvoer onafhankelijk van andere bedrijven. Want als er iets misgaat met de pootvis, kom je in de problemen om te leveren”, vervolgt Stefan Teerlinck.

      Biologische en technologische kennis
      Wie vissen wil kweken, moet eerst een grondige kennis van de soort en het productiesysteem hebben, benadrukt Wouter Meeus van het Aqua-ERF (Aquaculture Education and Research Facility) van KaHo Sint-Lieven. “Je moet weten bij welke temperatuur de vis het beste groeit, hoeveel vissen je optimaal in één bassin kan kweken, welke voeding de beste resultaten geeft, enzovoort. Zonder die teelttechnische kennis en de nodige informatie over de systemen voor waterrecirculatie, waterzuivering en -filters ben je verloren.” Met die gegevens wordt een economisch model opgemaakt. Daan Delbare van ILVO: “We hebben een programma ontwikkeld, AquaConstruct, dat een kosten-batenanalyse uitvoert. Zo weet een potentiële kweker al snel wat de economische rentabiliteit kan zijn.”

      aquacultuur.2.jpgOm vissen te kweken, heb je veel water nodig en het moet van een goede kwaliteit zijn. De meeste kwekers kiezen voor RAS-technologie (recirculating aquaculture systems), waarbij water wordt hergebruikt. “Grondwater heeft meestal een goede kwaliteit, maar het is niet overal toegelaten om grote volumes grondwater op te pompen. Regenwater is een alternatief, maar de kwaliteit is meestal problematisch waardoor behandeling van het regenwater noodzakelijk is. Bovendien ben je in drogere periodes niet zeker dat je over voldoende water beschikt”, aldus Wouter Meeus. ILVO deed hierover heel wat onderzoek en ontwikkelde een recirculatiesysteem dat op een economisch haalbare manier de hoeveelheid waterverversing en de productie van mest tot niets herleidt. Dat opent nieuwe perspectieven voor aquacultuur in Vlaanderen, zelfs met zeewatersoorten.

      Kansen voor eenmansbedrijven?
      De dagelijkse praktijk in een viskwekerij vertoont veel gelijkenissen met die in de veehouderij. Viskwekers moeten enorm toegewijd zijn aan hun bedrijf. Ze moeten constant beschikbaar zijn, 365 dagen per jaar. En een viskweker is ook gebaat bij een stevige dosis ondernemingszin en kennis van de afzetmarkt. Stefan Teerlinck: “Je kunt die taken natuurlijk ook opsplitsen, maar dat brengt allemaal extra kosten mee. Met een startinvestering van anderhalf miljoen euro in snoekbaars heb je een installatie en visjes om 75 ton snoekbaars per jaar te produceren. Een mooi eenmansbedrijf, waarbij de personeelskost nog niet in de investering is verrekend.”

      "Vis kweken vergt een enorme toewijding."

      De meeste bedrijven zullen focussen op grow-out, waarbij je pootvis bij een ander bedrijf koopt en de vissen verkoopt zodra ze volgroeid zijn. Wouter Meeus: “Pootvis is het grootste risico in je productie. Je moet dus een goede leverancier vinden. Tegenwoordig worden er regelmatig stalen genomen, die dan gecontroleerd worden op de meest gangbare ziektes en virussen. Die kwekers krijgen een certificaat voor patogeenvrije pootvis.”

      Pootvis en hygiëne
      aquacultuur1.jpgMet vakmanschap kan de kweker de risico’s op zijn bedrijf beperken. Volgens Wouter Meeus kun je pootvis die op je bedrijf aankomt, het best in quarantaine houden voor vier à zes weken. “Als de pootvis ziektes draagt, kun je dat op die zes weken wel zien. Tot zo lang zit de pootvis dus het best in een aparte ruimte. Je moet ook strikt zijn met bezoekers; die kunnen ziektes meebrengen. Verder is het een goed idee om de productie op te splitsen in verschillende ruimtes. Als alle vis samen in één grote hal zit, kan een ziekte snel uitbreiden. Je kunt beter het risico spreiden en de vis in vier of vijf aparte ruimtes houden. Uiteraard moet je dan alle hygiënevoorzorgen in acht nemen als je van de ene naar de andere ruimte gaat. Als je hier allemaal op let, is er niet zo veel risico. Vissen in een goede conditie, die geen stress hebben, worden niet snel ziek.”

      “De grootste zekerheid blijft dat je zelf pootvis kweekt”, vult Sasja De Bruyne aan. “Dat duurt wel lang en het kost veel. Daarom zijn de larvale stadia ook een zwaartepunt in het huidige onderzoek. Daar ligt momenteel nog het moeilijkste punt van de kweek.”

      De praktijkervaring van Aqua Bio
      Een van de lichtende praktijkvoorbeelden in de aquacultuur is Aqua Bio, gestart in 1990 binnen de groep Joosen-Luyckx. Per jaar produceert het bedrijf 1,5 à 2 ton kaviaar en 15 à 20 ton steur. Een groot deel van de kaviaar wordt op de Belgische markt afgezet, de rest gaat vooral naar Groot-Brittannië, Nederland en Japan. De steur zelf wordt hier gekocht door Oost-Europeanen, die in tegenstelling tot Belgen meer zoetwater- dan zeevissen eten. Ondertussen wordt er ook aan de Belgische afzet gewerkt. Zo ligt er binnenkort gerookte steur in de rekken van Delhaize. “Als vee- en visvoederbedrijf hielden we vissen in de kelder om onze voeders op te testen. Een dikke 20 jaar geleden had een klant van ons problemen met steurlarven. Hij kwam ons advies vragen en we zijn mee in dat verhaal gestapt. Het is dus eigenlijk een beetje bij toeval begonnen”, vertelt Willy Verdonck, nutritionist bij Aqua Bio.

      aquacultuurb.2.jpg“Wat nu ons geheime recept is? We zijn heel traag kunnen groeien omdat we de financiële ruggesteun van het moederbedrijf hadden. Dat was nodig, want steur moet 8 à 10 jaar oud zijn voor een goede kaviaarproductie. Verder moet je veel tijd uittrekken voor kennisontwikkeling. Zelf heb ik een doctoraat in de aquacultuur en mijn collega’s zijn bioloog, veearts of landbouwingenieur. Samen met goede technische medewerkers werken we interne onderzoeksprojecten uit. Experimenten kunnen lukken of mislukken, dus het duurt een hele poos voor je resultaat hebt. De eitjes maken bijvoorbeeld 10 procent uit van het lichaamsgewicht van de steur. Die verhouding tussen eitjes en lichaamsgewicht kun je wat sturen via de voeding: we hebben die verhouding opgedreven tot bijna 14 procent. Dat maakt op onze totale productie een enorm verschil uit. Maar dat lukt niet van vandaag op morgen.”

      De onderzoekskrachten gebundeld
      Terug van de praktijk naar het onderzoek. “In september 2009 is het AquaVlanproject gestart, een Europees Interreg-project in samenwerking met Nederland”, zegt Wouter Meeus. “Verschillende instellingen doen onderzoek naar de randvoorwaarden om een economisch rendabele aquacultuur mogelijk te maken. Eén luik van het project is dus het praktijkgerichte onderzoek naar visteelt. Inagro doet onderzoek naar de snoekbaars, het KaHo St-Lieven naar zoetwaterkabeljauw en de K.U.Leuven naar omegabaars. Die laatste is speciaal: de omegabaars is een omnivoor waardoor slechts een kleine hoeveelheid vismeel nodig is. Dat maakt de kweek duurzamer en rendabeler want bij carnivore vissen is er veel meer vismeel nodig om de vissen 1 kg te laten bijkomen.”

      aquacultuur.aquavlan.1.jpgEen tweede luik van het AquaVlanproject is het infoloket. “Mensen die met aquacultuur willen beginnen, kunnen gratis advies krijgen bij Inagro”, zegt Stefan Teerlinck. “Op vier jaar tijd kregen we al 70 à 80 aanvragen, niet alleen uit Vlaanderen maar ook uit Nederland en zelfs Zwitserland. We informeren alle geïnteresseerden afzonderlijk, want elke situatie is anders. We trekken er veel tijd voor uit en we gaan met de geïnteresseerden langs bij de grootste specialisten. Na die informatieronde bleven er nog een tiental geïnteresseerden over, waaruit er nu twee concrete projecten aan het groeien zijn. Dat lijkt misschien weinig, maar wij vinden het een succes. We willen de juiste mensen aanmoedigen om ermee te starten, maar het is even belangrijk om andere mensen te behoeden voor een mislukking.”

      Opleiding en onderwijs
      Een derde pijler is gericht op onderwijs. “De kennis van onderzoekscentra moet doorstromen naar de bedrijven en geïnteresseerden”, zegt Wouter Meeus. “In KaHo St-Lieven Campus Waas hebben we een centrum voor praktijkgericht onderzoek, het Aqua-ERF (Aquaculture Education and Research Facility). Studenten kunnen hier stage lopen en eindwerken maken. Eind 2011 hebben we een ook een introductiecursus georganiseerd. Er waren 56 inschrijvingen, met een totaal verschillende achtergrond: studenten, onderzoekers van ILVO, mensen uit de overheid en zelfs uit het bankwezen. Na vijf lesavonden van drie uur ben je natuurlijk geen specialist, maar je hebt zeker al een beter beeld van aquacultuur. Eind 2013 gaan we een nieuwe cursus inrichten. En vanaf het academiejaar 2013-2014 gaan we aan onze studenten ook een vakkenpakket aquacultuur aanbieden.”

      Van varkens naar vissen?
      Het project AquaVlan wou aquacultuur ook bekender maken bij de land- en tuinbouwers. “In vergelijking met land- en tuinbouw is aquacultuur veel minder afhankelijk van het klimaat”, zegt Wouter Meeus. “Je creëert een artificiële omgeving waarin je alle factoren kunt controleren. Je hoeft ook geen nieuw gebouw neer te zetten. Ons Aqua-ERF-centrum is een oude champignonkwekerij. Cruciaal zijn een goede isolatie en ventilatie, en bij voorkeur moet je ook buizen onder de grond leggen.” Sasja De Bruyne wijst erop dat verbouwen niet altijd een goed idee is. “Soms heb je er voordeel bij om meteen een goed ontwerp te maken dat op aquacultuur is voorzien.” Tot nu toe zijn geen land- en tuinbouwers overgeschakeld op aquacultuur.

      aquacultuur.1.jpgEr zijn ook mogelijkheden om visteelt te combineren met groenteteelt, dat heet dan aquaponics. Wouter Meeus: “Het beste is om met twee aparte gebouwen te werken. Het afvalwater van de vissen is als verrijkt water interessant voor de groenten, en de overtollige warmte van de groenten kan naar de vissen gaan. Zo hergebruik je energie en grondstoffen. In Kruishoutem experimenteert men met vissen in bakken onder tomaten. Dat zie ik minder goed zitten omdat je de vissen niet goed kunt zien en omdat ze veel risico lopen als de groenten met pesticiden worden behandeld.”


      Aquacultuurplatform

      Het initiatief van Kris Peeters om een aquacultuurplatform op te richten, werd overal op applaus onthaald. Sasja De Bruyne: “De Vlaamse aquacultuur staat nog in de kinderschoenen, daarom zijn een denktank en beleidsondersteuning erg welkom. Het platform bestaat uit een strategische stuurgroep, een netwerk aquacultuur en een aanspreekpunt. Zo zal de samenwerking tussen de verschillende kennisinstellingen erop vooruit gaan. De strategische stuurgroep gaat de minister adviseren over een gemeenschappelijke Vlaamse visie. De stuurgroep zal ook aangeven naar welk soort initiatieven subsidies het best gaan. De stuurgroep is twee keer bijeengekomen. Het netwerk is een verderzetting van het UGent-netwerk Aquacultuur Vlaanderen.”

      "Aquacultuur staat nog in de kinderschoenen in Vlaanderen."

      “Ook door een specifiek aanspreekpunt te organiseren waar iedereen terecht kan voor advies, kun je de aquacultuur in Vlaanderen stimuleren. Dat advies zal niet enkel over de teelt gaan, ook marketinggericht en juridisch advies zijn belangrijk. Het platform zal zich voorts over de wetgeving buigen, want die is momenteel erg complex en niet aangepast aan aquacultuur. Vooral op het vlak van ruimtelijke ordening zijn er problemen, omdat het niet altijd duidelijk is of kwekerijen op een industrieterrein of in landbouwzone thuishoren. De verschillende wetgevingen op regionaal, federaal en Europees niveau zijn in kaart gebracht in het Scheldemondproject RAS & Regels. Het platform wil de wetgeving eenduidiger helpen maken en beter op aquacultuur afstemmen”, zegt Sasja De Bruyne.

      Projecten met toekomst
      Sasja De Bruyne gelooft in slim opgezette RAS-systemen. Verder ziet ze veel kansen in de geïntegreerde aquacultuur, dat het ecosysteem nabootst. “Als vissen, zeewieren en schelpdieren samen gekweekt worden, kan de ene soort leven van de afvalproducten van de andere soort. Dat maakt zo’n systeem erg duurzaam. In China bestaat het al lang. We kunnen het Chinese voorbeeld niet zomaar overnemen, maar het is zeker een interessante piste. Verder zie ik mogelijkheden om zeedieren te kweken achter de kuststrook. Op die manier kunnen echte aqua-industrieterreinen ontstaan, met naast viskwekerijen ook een aantal niche-bedrijven voor bijvoorbeeld pootvisproductie, visverwerking, enzovoort.”

      windmolen.offshore_ILVO.2.jpgBegin november doken in de Vlaamse pers artikels op over een project rond open zeeboerderijen binnen windmolenparken. Het is een voorbeeld van maricultuur, aquacultuur op zee. Tijdens de eerste kweekfase aan land worden de vissen geconditioneerd door een geluidssignaal aan hun voedingsmomenten te koppelen. Eens de vissen voldoende gegroeid zijn, worden ze uitgezet in het windmolenpark. Door het bijvoederen samen met het signaal, worden de vissen in het windmolenpark gehouden zonder gebruik te maken van fysische barrières. In het windmolenpark zelf mag niet gevist worden. Wanneer de vissen groot genoeg zijn, zou het geluid ze daarom buiten het windturbinepark kunnen lokken, waar ze op een selectieve manier opgevist kunnen worden. Volgens Daan Delbare van ILVO is het een mooie piste, waarnaar echter nog veel onderzoek moet gebeuren.

      “Windturbineparken blijken te werken als magneten voor bepaalde vissoorten, die graag rond harde substraten leven. Vandaar het idee om die locaties als open zeeboerderij te gebruiken. De eerste stap in het onderzoek is afgerond: we hebben een vissoort gevonden die relatief honkvast is, de zeebaars. Het heeft weinig zin om vissen uit te zetten die toch wegzwemmen. In een tweede stap gaan we de geluidsconditionering onderzoeken. We moeten een geluidsfrequentie vinden die de vissen kunnen horen boven het onderwatergeluid van de windturbines. De open zeeboerderij is dus nog lang niet voor morgen, maar we proberen stap voor stap vooruit te gaan.”

      Op vrijdag 14 december gaat het Vlaams aquacultuur symposium door bij Inagro. Meer info bij stefan.teerlinck@inagro.be of op www.aquacultuurvlaanderen.be.

  • Barbara Roegiers - Vlaams visserijattaché bij de Permanente Vertegenwoordiging van België bij de EU

    Eind oktober raakte bekend dat de Belgische visserijgemeenschap, samen met gemeenschappen uit ach...
    Toon detail informatie

      Wat is precies de taak van een visserijattaché die ons land moet vertegenwoordigen bij de Europese Unie?
      Barbara Roegiers: Een visserijattaché behartigt de belangen voor visserijdossiers en vormt de verbinding tussen het Departement Landbouw en Visserij en de Europese instellingen. Het doel is om ervoor te zorgen dat de Europese besluitvorming maximaal rekening houdt met de politiek gedragen standpunten en beleidsbeslissingen van Vlaanderen. In de praktijk is de visserijattaché vooral actief binnen de Europese Raad. Zo ben ik woordvoerder in de raadswerkgroepen visserij en adviseer ik ook de bevoegde minister tijdens de Europese ministerraden. Dat betekent dat een visserijattaché de besprekingen over de EU-wetgeving opvolgt van het technische niveau tot op het hoogste politieke niveau. Ik moet er ook voor zorgen dat de informatiedoorstroming naar het Departement Landbouw en Visserij en naar andere beleidsdomeinen optimaal verloopt.

      Als het over land- en tuinbouw gaat, verdedigt federaal landbouwminister Denis Ducarme het gezamenlijk standpunt van Vlaanderen en Wallonië. Welke afspraken gelden op dit vlak voor het visserijbeleid?
      Visserij is een volledig Vlaamse bevoegdheid. Minister voor Omgeving, Natuur en Landbouw Joke Schauvliege is dus alleen aan zet op een Visserijraad.

      Welke rol heeft Philippe De Backer als federaal staatssecretaris voor de Noordzee dan te spelen?
      De bevoegdheden van De Backer en Schauvliege zijn duidelijk afgebakend. Minister Schauvliege onderhandelt in naam van België bijvoorbeeld over de visquota tijdens de decemberraad, ze vertolkt het Belgisch standpunt voor de besprekingen over het meerjarenplan Noordzee en de herziening van de technische maatregelen. Daarbij worden bijvoorbeeld de regels vastgelegd over welke vistuigen gebruikt kunnen worden.
      Een staatssecretaris voor de Noordzee legt zich dan weer toe op het marien ruimtelijk plan waarbij hij de diverse belangen in het Belgisch deel van de Noordzee probeert te verzoenen. Ons deel van de Noordzee is druk bevaren en meer en meer moeten Vlaamse vissers rekening houden met andere actoren op zee, zoals defensie, natuur, zandwinning, scheepvaart, windturbineparken, pijplijnen en kabels, enz. In al dat gedrum om ruimte op zee moet er iemand ook zorgen dat de visgronden zoveel mogelijk gevrijwaard blijven en daar heeft het Departement Landbouw en Visserij opnieuw een rol te spelen.

      Wat stelt de visserijsector in eigen land eigenlijk economisch voor?
      De globale aanvoer bedroeg in 2016 24.583 ton. Dat is 9,3 procent meer dan het jaar voordien. De aanvoerwaarde van de vis steeg nog sterker tot 93,3 miljoen euro (+14%). Met 65 actieve vaartuigen is de Vlaamse vloot vrij klein, maar wel actief in een groot gebied. Ons land telt in totaal 363 erkende vissers. Maar we mogen niet vergeten dat er een hele keten verbonden is aan deze Vlaamse vissersvloot, van toeleveringsbedrijven tot en met de verwerkende sector. In België zou het gaan om 271 bedrijven die zich vooral rond de havens van Zeebrugge en Oostende situeren. Al zijn er ook enkele in de Brusselse regio. Meestal wordt gezegd dat één persoon op zee tien personen aan land tewerkstelt.

      Welke lidstaten hebben een grote vissersvloot en voeren dus met andere woorden het hoogste woord op de Europese Visserijraden?
      Vooral Spanje, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk zijn zeer actief, al moet gezegd worden dat het Verenigd Koninkrijk sinds de brexit zich wel wat terughoudender opstelt. Maar ook kleine landen zoals Denemarken laten zich horen. Dat is niet verwonderlijk, want dat land vangt bijna 14 procent van het totale volume in de EU. Het gaat vooral om wat we de industriële soorten, zoals zandspiering, en de pelagische soorten, zoals haring en sprot, noemen. De Belgische vloot focust zich meer op waardevolle soorten zoals tong, zeeduivel, tarbot, griet, enz. Al is schol in volume ook een belangrijke vissoort. Ondanks de kleine Belgische vissersvloot betekent het niet dat ons land zich afzijdig houdt in de Visserijraad. Integendeel zelfs, want de Vlaamse vloot heeft een grote actieradius die van Noorwegen tot de Golf van Biskaje reikt.

      kaart zeeën Europa NL_geVILT.jpg

      Naar de Visserijraden kijken we vooral uit wanneer de quota voor visvangst op de agenda staan. Waarom wordt er politiek onderhandeld over die quota terwijl er een wetenschappelijk advies is dat het optimum aanduidt?
      Bij landbouw weet men exact hoeveel koeien of varkens er in Vlaanderen zijn, maar voor de visserijbestanden ligt dat moeilijker. Het gaat eerder om ‘best mogelijke schattingen’. Daarvoor baseert men zich op de wetenschappelijke adviezen van ICES (International Council for the Exploration of the Sea). Ons eigen Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO) levert een bijdrage voor deze ICES-adviezen.
      De ‘best mogelijke adviezen’ vormen de basis voor de politieke onderhandelingen. Aan de vastlegging van de quota op de Visserijraad gaan er weken en maanden van intensieve voorbereidingen vooraf. De wetenschappelijke adviezen worden geanalyseerd en er wordt bestudeerd welke impact die adviezen hebben op socio-economisch vlak. De laatste jaren heeft ook de invoering van de aanlandingsplicht een impact op de vaststelling van de quota. Bovendien worden alle stakeholders tijdens deze voorbereidingen geraadpleegd. Daarna is het de beurt aan de politieke besluitvorming. Die zorgt ervoor dat al deze elementen nauwkeurig worden afgewogen bij het vaststellen van de quota. De onderhandelingen worden meestal gespreid over twee dagen en de laatste dag wordt er vaak tot in de vroege uurtjes gedebatteerd. Al moet het gezegd dat de onderhandelingen de laatste jaren iets gemakkelijker verlopen nu vele visbestanden het vrij goed doen.

      In de aanloop naar de onderhandelingen over de quota lieten de reders al meermaals uitschijnen dat hun ervaringen op zee een groter visbestand doen vermoeden dan wetenschappers meten. Kunnen zij gelijk hebben?
      De ervaring van reders kan inderdaad een graadmeter zijn, maar dat is het niet altijd. In bijvoorbeeld het project ‘Ierse Zee’ van de Vlaamse overheid en ILVO, in nauwe samenwerking met de sector, werd aangetoond dat het tongbestand in dit gebied het toch niet zo goed deed als vissers aangaven en de wetenschap dus gelijk had. Wellicht kregen de vissers een vertekend beeld omdat ze visten in gebieden waar de tong wel nog veel voorkwam. Ondertussen is er al enkele jaren een verbod op de gerichte tongvisserij in de Ierse Zee zodat het bestand zich kan herstellen.
      Bij een ander voorbeeld, de schol in de Noordzee, zien we dan weer dat de bevindingen van de vissers wel correct waren toen zij een veel grotere biomassa vaststelden. Dit werd later door de wetenschap bevestigd. Wetenschappelijke adviezen zijn immers gebaseerd op modellen waardoor er wat vertraging kan opzitten. Ondertussen werden de toegekende quota voor dit bestand dan ook naar boven bijgesteld.

      Vanuit Europa ging er vorig jaar 57,4 miljard euro naar het landbouw- en plattelandsbeleid. Hoeveel Europese middelen krijgt de visserijsector?
      Voor de hele periode 2014-2020 gaat het om een portefeuille van 5,7 miljard euro. Heel wat minder dus dan wat er naar landbouw en platteland gaat. Ons land krijgt daaruit 41,7 miljoen euro, opgesplitst in 5,7 miljoen euro voor Wallonië, voornamelijk voor aquacultuur, en 36,3 miljoen euro voor Vlaanderen. Specifiek voor 2017 heeft Vlaanderen een enveloppe van bijna zes miljoen euro Europese middelen, aangevuld met ongeveer drie miljoen euro Vlaamse middelen, voornamelijk uit het FIVA, het Financieringsinstrument voor de Vlaamse Visserij- en Aquacultuursector.

      Hebben de lidstaten bij de implementatie van het visserijbeleid manoeuvreerruimte? Zo ja, welke accenten legt Vlaanderen dan?
      Het Gemeenschappelijk Visserijbeleid legt de verantwoordelijkheid voor het quotabeleid bij de lidstaten. De Vlaamse overheid heeft er in het verleden steeds voor geopteerd om de quota gemeenschappelijk te beheren. In Nederland gebeurt dat bijvoorbeeld individueel, per vaartuig. Bovendien slaagt Vlaanderen erin om door intense quotaruilen met andere lidstaten de vangstmogelijkheden voor de eigen vloot te maximaliseren.
      Daarnaast heeft de Vlaamse overheid ook een maatschappelijk convenant, ‘Visserij verduurzaamt’ afgesloten met de sector. Daarin zitten de krijtlijnen vervat voor de transitie naar een duurzame visserij. Zij kaderen in het bereiken van de duurzaamheidsdoelstellingen die in het Gemeenschappelijk Visserijbeleid staan.
      Andere zaken zijn dan weer Europees vastgelegd, zoals de maaswijdte van de netten. Die Europees vastgelegde maatregelen zijn erop gericht om een gelijk speelveld te creëren tussen de verschillende lidstaten. Ook controles op zee gebeuren vaak gemeenschappelijk.

      visserij vissersboot_Dep L&V.jpg

      Klopt onze indruk dat de uitdagingen voor landbouw en visserij gelijklopend zijn: de rendabiliteit van het beroep, de verduurzaming van de sector en de maatschappelijke eisen zoals milieu-, natuur- en klimaatbescherming?
      De visserij heeft zwarte jaren gekend, maar gelukkig gaat het de laatste jaren beter. Dat is vooral te danken aan vrij goede visprijzen en lage gas- en olieprijzen. De sector heeft de laatste jaren ook zwaar geïnvesteerd in duurzame visserijtechnieken. Zo worden lichtere vistuigen gebruikt en wordt er met een grotere selectiviteit gevist door bijvoorbeeld grotere mazen te gebruiken. De Vlaamse vloot is de laatste decennia bovendien sterk in capaciteit verminderd. Al deze inspanningen, die vaak minder goed gekend zijn bij het grote publiek, zijn geen eindpunt. Het blijft een continue zoektocht, samen met de sector en ILVO, hoe we de vraag naar meer verduurzaming kunnen invullen. Ook bij de vissers neemt het bewustzijn hierrond sterk toe.
      Maar er zijn ook andere parallellen met de landbouwsector. Zo ondervinden ook de vissers steeds meer concurrentie van andere actoren op hun werkterrein: windmolenparken, zandwinning, natuur, defensie, enz. Bepaalde gebieden op zee worden bijvoorbeeld afgesloten omdat het natuurgebieden of windmolenparken geworden zijn. De visserijsector komt dus steeds meer in het defensief wat betreft het eigen actieterrein, iets wat landbouwers maar al te goed kennen.
      Een andere gelijklopende uitdaging is het verzekeren van verjonging en opvolging binnen de sector. Het blijft voor vissers moeilijk om goed opgeleide bemanning te vinden. Vlaanderen heeft daarom het Fonds voor Scheepjongeren opgericht, waarbij er een tegemoetkoming wordt gegeven om jongeren het beroep aan boord te leren. Visser is bovendien een gevaarlijk beroep, hoewel er heel wat regels zijn om de werkomstandigheden aan boord te verbeteren en de veiligheid te optimaliseren. In ons land ondervindt de visserijsector ook een grote concurrentie van de baggersector in het aantrekken van jonge werkkrachten. Daardoor zijn de lonen van vissers in België vrij hoog. Sinds 2003 bestaat er ook een wet die inkomenszekerheid voor zeevissers waarborgt.

      In de landbouw zie je twee tendensen: Sommige landbouwers kiezen voor schaalvergroting, anderen willen via verbreding en korte keten hun inkomen veiligstellen. Welke trends ontwaar jij in de visserij?
      In Vlaanderen zijn de rederijen heel klein, meestal bezitten ze maar één vaartuig. In andere lidstaten zie je wel dat er grotere rederijen zijn. Je hebt enerzijds vissers die zich toeleggen op de kustvisserij en anderzijds de grootvlootvissers die heel wat verder varen. De opvallendste trend van de laatste jaren is de verduurzaming. De hele sector engageerde zich met het convenant ‘Visserij verduurzaamt’ in het duurzaamheidsverhaal.
      Op vlak van technieken zien we dat de interesse in de pulstechnologie toeneemt. Bij de pulstechnologie worden lichte elektrische pulsen gegeven om de vissen op de bodem van de zee op te schrikken zodat ze in de netten kunnen gevangen worden. Momenteel is de puls volgens EU wetgeving nog een verboden tuig, maar het is wel toegelaten om met deze technologie te experimenteren voor wetenschappelijke doeleinden. In Nederland zien we dat bijna alle boomkorren intussen vervangen zijn door pulsvaartuigen. In Vlaanderen bekijken we momenteel hoe we een project hierover kunnen opstarten in samenwerking met ILVO dat al heel wat kennis hierover heeft vergaard.

      pulsvisserij_geVILT.jpg

      De aanlandplicht is bij vissers nog altijd niet verteerd. Welke houding meet Vlaanderen zich aan? Denken sector en beleidsverantwoordelijken er bij ons hetzelfde over?
      De aanlandingsverplichting is inderdaad een belangrijke uitdaging voor de sector. Niet alleen bij ons, maar ook in de andere lidstaten. Gelukkig wordt deze verplichting gefaseerd ingevoerd zodat de visserijsector tijd heeft om zich aan te passen. Het doel van de aanlandingsverplichting is het visgedrag te veranderen. Bij de publieke opinie was immers ophef ontstaan rond het teruggooien van de bijvangst in zee. Dit werd gezien als verspilling, hoewel niet elke vis die werd teruggegooid in zee dood is.
      Voorlopig lijkt de aanlandplicht nog niet voor grote problemen te zorgen, maar vanaf 1 januari 2019 moet die volledig worden toegepast. We zijn nu maximaal op zoek naar werkbare oplossingen. Het is echter een heel complex verhaal, zeker in de gemengde visserij. We willen absoluut vermijden dat de visserij vroeg in het jaar volledig moet worden stilgelegd doordat één quotum al volledig is uitgeput.

      Een ander zwaard van Damocles boven het hoofd van de Vlaamse vissers hangt, is de brexit. De Britten hebben laten weten dat ze zich willen terugtrekken uit het visserijakkoord dat onder meer Vlaamse reders toelaat om voor de Britse kust te vissen. Is het boeken dicht voor onze visserijsector als het effectief zover komt?
      Op 3 juli heeft het Verenigd Koninkrijk inderdaad laten weten dat het zich uit de visserijconventie van Londen uit 1964 wil terugtrekken. Deze visserijconventie bepaalt dat Europese vissers binnen zes tot twaalf mijl van de Britse kust mogen vissen. Deze toegang is vooral belangrijk voor het Vlaamse kleinvlootsegment. Er gaat nu een opzegperiode in van twee jaar. Dit is volgens de Britse minister voor Milieu, Voedsel en Plattelandszaken een eerste stap in de globale onderhandelingen over een nieuw visserijakkoord. Tijdens die onderhandelingen zal de toegang tot de Britse wateren in zijn geheel, dus 200 mijl vanaf de Britse kust, op tafel liggen. De volledige Vlaamse vloot is voor meer dan 50 procent afhankelijk van de toegang tot de Britse wateren.
      Voorlopig is visserij nog geen item op de onderhandelingstafel. De discussie gaat voorlopig vooral over de rechten van de burgers, het financiële luik en ook de relatie met Noord-Ierland. Wanneer hierover voldoende vooruitgang is geboekt, kan ten vroegste in december de tweede fase starten waarbij onderhandeld zal worden over de toekomstige relatie met het Verenigd Koninkrijk. Pas in deze fase komt de visserij aan bod.
      Hoewel het momenteel nog onduidelijk is, welke vragen de Britten over visserij naar voor zullen schuiven, wil de Vlaamse en Europese sector toch klaar zijn voor de onderhandelingen. Daarom hebben zij de ‘European Fisheries Alliance’ opgericht. Deze speelt een belangrijke rol bij de sensibilisering van alle betrokken partijen voor de specifieke uitdagingen voor de visserij in de brexit onderhandelingen. Uiteraard volgt het beleid de ontwikkelingen hier ook zeer nauw op in samenwerking met de Vlaamse, federale en Europese onderhandelaars. Het is belangrijk dat we een akkoord kunnen sluiten over de visserijactiviteiten tussen de EU en Groot-Brittannië waarbij de toekomst van onze vissers verzekerd is.  

  • Bart Deckers - manager plantenvoeding AVEVE

    Jaarlijks wordt er ongeveer 1 miljoen ton kunstmest gestrooid in België. Dit cijfer is vrij const...
    Toon detail informatie

      Kunstmest is een term die vele ladingen dekt. Kan u de belangrijkste kunstmeststoffen op een rijtje zetten?
      Bart Deckers: Het meest noodzakelijke voedingselement voor planten is stikstof. Enkelvoudige stikstof is met voorsprong het belangrijkste product in de markt. Kalkammonsalpeter, beter gekend als KAS, is de meest gebruikte vorm. Urean of vloeibare stikstof wordt recent wat vaker toegepast. Al schat ik dat voor elke liter vloeibare stikstof nog zeker vijf kilogram KAS wordt gestrooid. Na de stikstofmeststoffen, zijn het kaliummeststoffen die de markt uitmaken. Veel landbouwers kennen kalium beter onder de naam potas. Chloorhoudende kaliumproducten zoals kali-40 en kali-60 vertegenwoordigen een groter tonnage dan chloorarme producten. Kaliumsulfaat en patentkali, de chloorarme varianten, worden voor meer specifieke doeleinden ingezet. In een samengestelde meststof vind je naast stikstof en kalium ook fosfaat. Fosfaat is als enkelvoudige meststof minder belangrijk dan de andere twee en wordt voornamelijk via dierlijke mest toegediend.
       
      Waarom bevatten samengestelde meststoffen steeds een percentage fosfaat, terwijl veel Vlaamse gronden fosfaatverzadigd zijn?
      Vóór het mestdecreet was men zich maar beperkt bewust van het overaanbod aan fosfaat in onze bodem. Dat vertaalde zich in samengestelde meststoffen met daarin evenveel fosfaat als stikstof en kalium. Vandaag bevatten de meeste samengestelde meststoffen slechts een zeer beperkte hoeveelheid fosfaat meer. Fosfaat blijft evenwel noodzakelijk omdat het element moeilijk opneembaar is in een vroeg groeistadium. De wortels van een jonge plant zijn niet in staat om de grote voorraad fosfaat in de bodem aan te spreken. Daarom geloof ik in producten die fosfaat beter beschikbaar willen maken voor de jonge plant. Misschien verkopen we over enige tijd meststoffen met een lager fosfaatgehalte die een katalysator bevatten zodat de plant het fosfaat beter opneemt.

      Blijven korrelmeststoffen de regel of wordt de markt voor vloeibare meststoffen groter?
      Voor akkerbouw- en voedergewassen zullen meststoffen in korrelvorm veruit het belangrijkst blijven. Voor meer gespecialiseerde teelten zoals groenten en fruit verwacht ik dat de trend naar vloeibare meststoffen zich gaat doorzetten. Vloeibare stikstof zal in verscheidene teelten verder gebruikt worden, maar zal gekorrelde stikstof nooit kunnen vervangen. Waar het onoordeelkundig gebruik van vloeibare stikstof aanleiding kan geven tot gewasverbranding, is het risico op gewasschade miniem bij korrelmeststoffen. Bovendien hebben korrelmeststoffen een belangrijk logistiek voordeel dankzij de eenvoudigere opslag.

      Is het verbruik van kunstmest stabiel of kan dit variëren naargelang de prijs of de weersomstandigheden?
      Het verbruik van kunstmest is relatief constant. Het jaarlijks verbruik in België wordt ruw geschat op ongeveer 1 miljoen ton kunstmest. Hiervan is 50 à 55 procent stikstofmeststoffen, 20 à 25 procent kalk en 10 à 12 procent kaliummeststoffen. Reken daarbij nog een 10 à 15 procent voor kleinere producten zoals samengestelde meststoffen, fosfaatmeststoffen en specialiteiten. Zelfs de sterke prijsstijging in 2007 en 2008 en de correctie in 2009 brachten eerder een verschuiving teweeg dan een daling. Landbouwers schakelden over op vloeibare stikstof omdat het prijsverschil met KAS zich uitgediept had. Kalium was een ander verhaal. Landbouwers halveerden hun verbruik van kaliummeststoffen in de hoop dat de gewassen één seizoen zonder kaliumbemesting zouden doorstaan. Het weer zal enkel een rol spelen in de timing van het verbruik. Zo kan een laat voorjaar zoals dit jaar, een verschuiving teweegbrengen omdat landbouwers hun eerste fractie later toepassen. Bekijken we dit over een volledig seizoen, dan geven weersomstandigheden zelden aanleiding tot meer of minder verbruik.

      Zijn landbouwers die bespaarden op dure kunstmest hiervoor afgestraft of zit er nog rek op de bodemvruchtbaarheid van percelen?
      Echt besparen op stikstof gebeurde maar in beperkte mate. De negatieve impact op de opbrengst zou zich onmiddellijk laten voelen. Op kalium werd, zoals gezegd, wel flink bespaard. Ook al leidt een lagere kaliumtoediening niet meteen tot grote gebrekverschijnselen, toch bespaarden landbouwers op een erg ongelukkig moment op kalium. Door het droge voorjaar toonden enkele gewassen duidelijke kwaliteit- en bewaringsproblemen zodat landbouwers ondervonden dat kalium op het einde van het seizoen een even essentieel voedingselement is. Denk maar aan de aardappelen die in 2009 erg gevoel waren voor stootblauw. Kalium verbetert de vochthuishouding van de plant en had dergelijke droogteproblemen kunnen milderen.

      Welke producenten zijn actief in de markt van landbouwmeststoffen?
      Voor stikstof zijn er drie belangrijke spelers op de markt: Yara, K+S Nitrogen en DSM. Die laatste chemiereus heeft haar meststoffenafdeling dit voorjaar verkocht, dus is het Egyptische bedrijf Orascom nu de derde speler. Voor kalium is K+S Kali marktleider in West-Europa. Daarnaast zijn er ook een aantal traders aanwezig op de markt die kalium uit Rusland en Canada importeren. Ook fosfaat loopt via traders die het product veelal uit Noord-Afrika importeren. Tessenderlo Chemie deelde recent mee dat haar kaliumsulfaatafdeling in de uitverkoop staat en zal in de toekomst dus niet langer producent zijn van dit nicheproduct. Waar er vroeger meer spelers in de meststoffenmarkt actief waren, is er nu duidelijk sprake van een consolidatiegolf. Automatisch levert dit de producenten een sterkere onderhandelingspositie op in de markt. Zij kunnen een bepaald prijsniveau doordrukken, wat het er voor de distributie niet makkelijker op maakt.

      Welk verweer heeft de groothandel wanneer producenten bij herhaling van de voorbije twee seizoenen een productiestop inlassen om de prijzen hoog te houden?
      De distributie heeft weinig greep op dat soort beslissingen. Meststoffenfabrikanten kozen er voor om weinig product in de markt te plaatsen aan erg hoge prijzen. Dat maakte het voor de distributie erg moeilijk om haar rol als buffer te vervullen. Productbeschikbaarheid is voor ons cruciaal. De functie van groot- en kleinhandel bestaat erin buffer te spelen tussen producenten en verbruikers van meststoffen. Fabrieken produceren het jaarrond meststoffen, maar landbouwers strooien bijna uitsluitend in het voorjaar meststoffen. Daar ligt voor ons dus een belangrijke taak weggelegd om dat logistiek mogelijk te maken door de opslag in magazijnen. Ook al zijn we een belangrijke schakel, toch is het een illusie dat de distributie een grote impact zou hebben op de prijsstelling van meststoffen.

      Hebben aanbodbeheersing en speculatie de meststoffenmarkt onvoorspelbaar gemaakt of is er nog sprake van een prijs die mee evolueert met het verbruiksseizoen?
      Wanneer producenten hun aanbod afstemmen op de vraag die er is en liever minder verkopen aan een hogere marge, dan is dat een realiteit waar afnemers niet buiten kunnen. Noch de landbouwer, noch de distributie was vragende partij voor die moeilijke situatie. Speculatie kennen we vooral van de graanmarkt en speelt in de meststoffenmarkt maar op beperkte schaal. Buitenstaanders hebben amper toegang tot deze minder liquide markt en enkel marktspelers kunnen posities innemen bij aan- of verkoop. Dat laatste durf ik geen speculatie noemen, maar is gewoon het trachten inschatten van marktbewegingen. De sector zal moeten leren leven met een volatiliteit die we ook kennen bij andere grondstoffen. Het beheersen van risico’s wordt daarom erg belangrijk. Toch zal er altijd nog een prijsevolutie doorheen het seizoen blijven door de bufferrol die de distributie vervult. Alleen een logisch prijzenpatroon kan de distributie de vergoeding opleveren waarvoor zij haar risicovolle rol als buffer wil opnemen.

      Hoe reageren landbouwers op de sterk schommelende prijzen?
      De hoge meststoffenprijs botste natuurlijk met de lage prijs die landbouwers ontvingen voor hun producten. De hoge vlucht van de meststofprijs werd op veel onbegrip onthaald. AVEVE heeft getracht om de prijsmechanismen te verduidelijken voor haar klanten. Maar eigenlijk konden we niet meer dan vertellen dat iedereen de mechanismen van de marktwerking moet ondergaan. Zouden we met zijn allen beslissen om geen meststoffen meer te gebruiken, dan geraken de producenten hun waar elders wel kwijt. Voor een dergelijk manoeuvre is West-Europa niet belangrijk genoeg als afzetmarkt.

      Is de aanvoer van meststoffen verzekerd voor een kleine afnemer als België of zullen schepen met schaarse meststoffen in buurlanden Duitsland en Frankrijk aan wal gaan?
      België heeft als belangrijk voordeel dat we op korte afstand omgeven zijn door een aantal stikstoffabrieken. DSM Geleen bevindt zich in Nederlands Limburg en het product van K+S Nitrogen komt van de fabriek van BASF te Antwerpen. Yara Tertre ligt in Henegouwen en ook Yara Sluiskil in Terneuzen is maar een spreekwoordelijke steenworp ver. Logistiek is dat een enorm voordeel zodat we op lange termijn verzekerd zijn van de aanvoer. Wat niet wegneemt dat tekorten zich altijd kunnen voordoen tijdens piekperiodes. Voor fosfaat en kalium zitten we minder comfortabel. De fosfaat voor de Belgische markt wordt ontgonnen in Noord-Afrikaanse mijnen en kalium komt grotendeels uit Duitse mijnen. We zullen dus de wereldmarktprijs moeten betalen om die meststoffen hier te krijgen. Voor uitputting van de mijnen hoeven we niet meteen te vrezen. Met de voorraden die er zijn kunnen we nog 200 tot 250 jaar voort. Een verouderde of moeilijk ontginbare mijn kan de kosten voor ontginning vandaag al opdrijven, maar de afzet van fosfaat en kalium gebeurt aan wereldmarktprijzen waardoor die mijn voor de producent gewoon minder rendabel zal zijn.

      Komt de rol van de kleinhandel niet in het gedrang door de toenemende schaalvergroting bij landbouwbedrijven?
      Als reactie op steeds grotere landbouwbedrijven, zien we een gelijkaardige schaalvergroting bij de handel. Over tien jaar zullen er minder maar wel grotere meststoffenhandelaars zijn. Handelaars zullen in de toekomst meer opslagcapaciteit hebben en soms meerdere vestigingen. De rol als buffer tussen producent en verbruiker blijft in de toekomst belangrijk. Door meer product te verhandelen aan weliswaar beperkte marges zal de agrarische handelaar met een bulkproduct als meststoffen toch zijn kost kunnen verdienen.

      Het nieuwe mestactieplan wordt naar alle waarschijnlijkheid niet soepeler dan zijn voorgangers. Heeft de sector een antwoord klaar op de steeds strengere bemestingsnormen?
      De markt voor meststoffen is de voorbije twee decennia ontegensprekelijk kleiner geworden door de strengere milieureglementering. De grote krimp ligt vandaag achter ons aangezien strenge milieunormen de milieudruk al tot een minimum herleid hebben. Het meststoffenverbruik verder terugdringen, acht ik niet mogelijk zonder opbrengstdaling. We moeten verder op de ingeslagen weg van oordeelkundig bemesten op basis van bemestingsadvies. Alleen zo kunnen we de buitenwereld overtuigen dat er economisch en ecologisch verantwoord wordt bemest met een minimum aan milieu-impact. Innoverende meststoffen kunnen ons daarbij helpen. Samengestelde meststoffen kunnen op maat van het bemestingsadvies gemaakt worden. Traagwerkende stikstofmeststoffen verzekeren een optimale opname door de plant en laten weinig residu na. Een katalysator in fosfaatmeststoffen kan ervoor zorgen dat fosfaat beter opneembaar wordt zodat het fosfaatgehalte in meststoffen lager kan. Ook rijenbemesting past in die trend van zo efficiënt mogelijk bemesten. Vooral maïs en groenten profiteren van het in de rij toedienen van kunstmest op enkele centimeters van de wortels van de jonge plant.

      Mogen we onze hoop op kunstmest vestigen om de landbouwproductie evenredig te laten toenemen met de stijgende wereldvraag naar voedsel of is de milieubelasting te groot?
      Ik beschouw kunstmest als absoluut noodzakelijk opdat de voedselproductie op een beperkte landbouwoppervlakte evenredig kan stijgen met de bevolkingsgroei. Het groeipotentieel situeert zich vooral in ontwikkelingslanden, waar de landbouwproductie per hectare nog fors kan toenemen door het gebruik van kunstmest. Vergeet niet dat ook in de tweede helft van de twintigste eeuw kunstmest al verantwoordelijke nummer één was voor de zogenaamde ‘groene revolutie’ die toeliet meer monden te voeden. Anders dan toen, zal de nadruk nu meer gelegd worden op oordeelkundig gebruik van kunstmest en het beperken van de milieubelasting. De tijd van overmatig gebruik is voorbij. In de praktijk worden meststoffen vandaag al op een zeer economische en ecologische wijze toegepast.

  • Bart Gordts - AZ Sint-Jan

    De Nederlandse landbouwminister Veerman vermoedt dat het hoge antibioticagebruik in de veehouderi...
    Toon detail informatie

      De ziekenhuisbacterie is een plaag die al veel langer gekend is en die steeds minder onder controle lijkt te zijn. Is dat een goede samenvatting?
      Bart Gordts: Wanneer we praten over de ziekenhuisbacterie gaat het over elke soort bacterie die multiresistentie ontwikkeld heeft tegen antibiotica en tegelijkertijd goed gedijt in ziekenhuizen. Die twee factoren gaan goed samen aangezien deze bacteriën in ziekenhuizen grote groepen verzwakte personen aantreffen die heel vaak antibiotica toegediend krijgen. Er zijn een tiental verschillende ziekenhuisbacteriën waarover we ons zorgen moeten maken, de meest voorkomende is MRSA. Die bacterie werd in het begin van de jaren zestig voor het eerst beschreven in een Engels ziekenhuis. Twintig jaar later dook ze op in ons land, vanaf 1985 heeft MRSA zich ook in België razendsnel verspreid. Exacte cijfergegevens over het aantal MRSA-infecties zijn er niet omdat sommige personen enkel drager zijn van de bacterie, anderen vertonen symptomen en dan zijn er ook nog de overlijdens, waarbij het meestal onduidelijk is of de patiënten stierven met of door MRSA. Momenteel is een studie aan de gang om het probleem gedetailleerder in kaart te brengen.

      Het wordt steeds erger?
      Zeker is dat we bij patiënten steeds meer bloedinfecties als gevolg van MRSA terugvinden. Tussen 1993 en 1996 was er een felle stijging, de drie daaropvolgende jaren werd een stagnatie vastgesteld, maar sinds 2000 neemt het aantal infecties terug dramatisch toe. Op zich hoeft het natuurlijk niet te verbazen dat er ondanks de steeds betere diagnostiek en antibiotica een toename is: de moderne geneeskunde zorgt ervoor dat veel mensen in verzwakte toestand toch nog een hele poos verder kunnen leven.

      Een andere conclusie is dat de actieplannen geen resultaat opleveren.
      Niemand kan de overheid met een beschuldigende vinger wijzen: aan voorlichting en aanbevelingen voor de ziekenhuizen is er tot hiertoe geen gebrek geweest. De Hoge Gezondheidsraad heeft reeds in 1993 een lijvig document opgesteld en heeft dat tien jaar later nog eens bijgewerkt. Daarin staan een hele batterij mogelijke maatregelen, gaande van de screening van patiënten tot de epidemiologische omgang met infecties en de optimale behandeling van MRSA-patiënten. Maar niet alle ziekenhuizen voeren hetzelfde preventiebeleid.

      Er zijn dus ziekenhuizen die tekortschieten?
      Soms wordt erg laks omgesprongen met MRSA, en eigenlijk is dat onaanvaardbaar. In ons ziekenhuis is het team voor ziekenhuishygiëne heel intensief bezig met MRSA-preventie en in de hele organisatie is het een permanent aandachtspunt. Uiteraard is het niet haalbaar om elke patiënt dagelijks te onderzoeken, en dus beperken we de systematische MRSA-opsporing tot risicogroepen van patiënten op het moment van hun ziekenhuisopname. Concreet geldt dat voor patiënten die eerder reeds opgenomen waren in het ziekenhuis en om bejaarden uit rust- en verzorgingstehuizen. Mensen die drager blijken te zijn van de MRSA-bacterie krijgen een vijf dagen durende behandeling met antibioticazalf, worden intensief gewassen met desinfecterende zeep en verblijven tijdelijk in quarantaine om verdere besmettingen te voorkomen. Ook iedereen die in de kamer binnengaat, moet enkele voorzorgsmaatregelen nemen, zoals bijvoorbeeld goede handhygiëne.

      Hoe gevaarlijk is MRSA eigenlijk?
      Het spectrum van mogelijke infecties is erg breed, van onschuldige zweertjes tot ernstige longinfecties. De mortaliteit van huidinfecties is laag, maar in het geval van bloedinfecties gaat dat van 30 tot 40 procent. MRSA komt heel vaak voor bij oudere personen die last hebben van open wonden die moeilijk genezen. Ook waar urinesondes en katheters zijn, is de bacterie vaker terug te vinden.

      Maar de MRSA-bacterie komt ook voor buiten de muren van het ziekenhuis.
      Nadat we epidemieën vaststelden in de geriatrische afdelingen van onze ziekenhuizen, werd vorig jaar een nationaal onderzoek opgestart naar de incidentie van de MRSA-bacterie in rusthuizen. De resultaten waren onthutsend: ongeveer twintig procent van de rusthuisbewoners in ons land blijkt drager te zijn. Chromosoomonderzoek van deze bacteriën toonde aan dat het in bejaardenhomes om dezelfde MRSA stammen gaat die ook in ziekenhuizen infecties veroorzaken. Er is dus een soort pingpongspel aan de gang. Toen zijn we ons gaan afvragen of er nog meer reservoirs van MRSA bestaan.

      In Nederland slaagden onderzoekers er in om de link te leggen naar de veehouderij. Hoe zijn ze daartoe gekomen?
      Op een bepaald ogenblik hebben onze noorderburen een aantal MRSA-infecties vastgesteld bij jonge personen die voordien helemaal geen omgang met een ziekenhuis hadden. De link naar de veehouderij is er gekomen door eerder onderzoek naar de ziekenhuisbacterie VRE. Deense collega’s toonden aan dat de aanwezigheid van dat type ziekenhuisbacterie te maken had met het gebruik van het antibioticum avoparcine in veevoeder, een middel dat intussen trouwens verboden is. Maar toen de jonge MRSA-patiënten meldden dat ze afkomstig waren uit veehouderijgezinnen ging bij mijn Nederlandse collega’s dus wel een belletje rinkelen.

      Bij ons heeft op dat ogenblik niemand de alarmbel geluid.
      In België zijn we vooral druk bezig met de bestrijding van MRSA in de ziekenhuizen. Onze noorderburen hebben er in hun verzorgingsinstellingen eigenlijk veel minder last van, waardoor ze meer gefocust zijn op mogelijke reservoirs buiten het ziekenhuis. Toen de resultaten van hun eerste onderzoek bij varkenshouders bekendgemaakt werden, hebben we die uiteraard bediscussieerd onder Belgische ziekenhuishygiënisten. Er was op dat ogenblik geen enkele indicatie dat het ging om een acuut probleem voor de volksgezondheid, en die aanwijzing is er vandaag nog altijd niet. Er zijn bij mijn weten tot hiertoe in ons land slechts zes MRSA-infecties vastgesteld bij mensen die op de een of andere manier iets te maken hebben met de veestapel. Dit is tot nu toe verwaarloosbaar in vergelijking met de tientallen gevallen van MRSA-infecties die dagelijks in de Belgische ziekenhuizen optreden.

      In Nederland was er veel beroering over de vaststelling dat mogelijk een kwart van de varkenshouders drager is van MRSA.
      Klopt, maar ik blijf met het gevoel zitten dat de Nederlanders zichzelf wat voorbij gehold hebben. Laten we toch maar de conclusies afwachten van de nationale studie. Dat de media zich meteen op het probleem gestort hebben, heeft te maken met de gevoeligheid rond het MRSA-probleem bij onze noorderburen. Dat thema was al een issue na de beruchte nieuwjaarsbrand van 2001 in Volendam. Een deel van de verbrande patiënten die moesten uitwijken naar Duitse en Belgische brandwondencentra zijn met een MRSA-infectie teruggekeerd. De nationale debatten laaiden toen hoog op over de noodzaak voor systematische quarantaine in alle Nederlandse ziekenhuizen voor elke patiënt die uit een buitenlands ziekenhuis komt. De vondst van MRSA in de varkensstapel is koren op de molen van mensen die deze maatregel zinloos vinden en de nationale strategie aan de kaak willen stellen.

      Het Nederlandse Rijksinstituut voor Gezondheid en Milieu (RIVM) schat dat bij onze noorderburen jaarlijks honderd besmette mensen in het ziekenhuis belanden die beroepshalve contact hebben met varkens en kalveren.
      Ik stel vast dat sommige Nederlandse ziekenhuizen op basis van de gerezen vermoedens de varkenshouders ondergebracht hebben bij de risicogroepen die bij een opname eerst gescreend en MRSA-vrij moeten bevonden worden. Niet alle instellingen volgen deze politiek en er is tot nog toe evenmin een nationale aanbeveling. Daarvoor is er nog steeds onvoldoende wetenschappelijk bewijs. Net zomin kan nu al gesteld worden dat het antibioticagebruik de grote boosdoener zou zijn.

      Moeten we ons in afwachting van grootschalig onderzoek dan helemaal geen zorgen maken over MRSA in de veestapel?
      Voor mij zijn er twee grote kernvragen. De eerste is of de Belgische ziekenhuizen de varkensboeren moeten catalogeren als risicogroep. Niet minder belangrijk is de vraag naar het gezondheidsrisico bij de veehouders zelf. We weten uit ervaring dat gezonde mensen die drager zijn van MRSA slechts uiterst zelden een infectie oplopen. Maar als de infectie er komt, kan die wel ernstig zijn. Komt daarbij dat de MRSA-bacterie niet gevoelig is voor de antibiotica die een huisarts ter beschikking heeft. Een boer kan in theorie dus een ernstige infectie oplopen die door zijn dokter op een klassieke manier behandeld wordt, maar die dus niet zal genezen of erger nog, snel ernstig kan worden. Moeten wij de artsen verwittigen dat dit probleem zich kan voordoen? Die vraag is uitgebreid besproken binnen de federale overheid, die waarschijnlijk advies zal vragen aan de Hoge Gezondheidsraad zodra het nationaal onderzoek afgerond is. Mochten er intussen veel MRSA-dragers gevonden worden onder veehouders, ben ik wel geneigd om huisartsen aan te bevelen om bij iedere mogelijke stafylokokkeninfectie een laboratoriumonderzoek te laten uitvoeren en, in geval van een ernstige infectie waarvoor een dringende antibioticabehandeling nodig is, niet te lang te wachten om de patiënt in een ziekenhuis te laten behandelen.

      Kunnen varkensboeren preventieve maatregelen nemen?
      Dat is een moeilijke vraag. Het lijkt plausibel om besmette boeren meteen te behandelen met een neuszalf en desinfecterende zeep. Maar hoeveel zin heeft dat als je niet weet wat de werkelijke oorzaak is van de besmetting? Een onderbouwd antwoord op deze vraag is dus pas mogelijk van zodra de bron en de mechanismen van de contaminatie bekend zijn.

      Moeten consumenten zich ongerust maken over vlees dat met MRSA besmet is?
      Helemaal niet. Zelfs de consumptie van rauw vlees vormt geen probleem. Besmettingen treden pas op bij langdurig contact met de huid, zoals het geval kan zijn bij veehouders, slagers, enzovoort.

      In elk geval is de MRSA plots ook in ons land een belangrijk probleem geworden. Minister-president Leterme heeft aan minister van Volksgezondheid Demotte gevraagd om zo snel mogelijk een screening te organiseren.
      De media hebben de wetenschappelijke agenda in een stroomversnelling gebracht. Het is begonnen met een documentaire in het Nederlandse programma Zembla, waarna ik opgebeld werd door de regionale televisie. In de dagen erna heeft de telefoon niet meer stilgestaan. Het publiek stelt zich nu vragen en heeft recht op antwoorden. Daarom komt er op korte termijn een eerste steekproef bij varkensbedrijven die vrijwillig willen meewerken. Het project zal op korte termijn van start gaan, zodra de methodiek volledig beschreven is. Daarbij spiegelen we ons aan Nederland, zodat we de resultaten zullen kunnen vergelijken. In de praktijk zullen waarschijnlijk monsters worden afgenomen bij zowel varkens als bij varkenshouders, en zelfs hun gezinsleden. Men zal hen ook een enquêteformulier laten invullen om informatie in te winnen over de mogelijke besmettingsbronnen. Aan het eind van deze legislatuur moeten de onderzoeksresultaten bekend zijn. Dan weten we of de Hoge Gezondheidsraad aanbevelingen moet verstrekken aan huisartsen en of ziekenhuizen de varkenshouders voortaan als risicogroep voor MRSA moeten beschouwen.

      De kans is erg groot dat dit onderzoek de oorzaak bloot van MRSA-besmettingen in varkensstallen niet zal blootleggen. Wat dan?
      Er is inderdaad nog een tweede set vragen die diepgaander onderzoek vereisen. Welke factoren bevorderen het MRSA-dragerschap bij dier en mens? Hoe gebeuren contaminaties? Hoe zit het met de rest van de veehouderij? Er zal dus een tweede onderzoek nodig zijn waarbij ook andere diergroepen ingesloten worden, waarbij de meeste aandacht mogelijk zal gaan naar paarden en pluimvee. Dat diepgaand onderzoek zal hopelijk dit jaar nog aanvatten.

      Heeft u een boodschap voor de varkenshouders?
      Ik hoop dat ze actief zullen meewerken aan het onderzoek en de bespreking van de resultaten. Uiteindelijk zijn zij het best geplaatst om concrete maatregelen uit te werken.

  • Bart Naeyaert en Dirk Coomans (CVBB)

    De Vlaamse regering voorziet in flankerende maatregelen om het vierde mestactieplan beter ‘vertee...
    Toon detail informatie

      Wat is de rol van CVBB? Zijn jullie adviseur dan wel controleur?
      Bart Naeyaert: Wij zijn geen controleurs, helemaal niet. Het Coördinatiecentrum voorlichting en begeleiding duurzame bemesting (CVBB) is een overkoepelende vzw met daarin de middelen die besteed zullen worden aan waterkwaliteitsgroepen en individuele begeleiding van Vlaamse land- en tuinbouwers, onder meer via bemestingsadviezen en bedrijfsbezoeken. CVBB coördineert de praktijkcentra voor toegepast land- en tuinbouwonderzoek die - met de steun van de provincies - de landbouwers op het terrein zullen begeleiden. Op die manier willen we een rendabele landbouwproductie verzoenen met de verbetering van de oppervlakte- en grondwaterkwaliteit die nodig is om de doelstellingen van het mestactieplan te behalen.
      Dirk Coomans: Daarnaast staat CVBB ook in voor de aanleg van een netwerk van referentiepercelen. Verspreid over alle provincies en landbouwstreken gaan we bij 135 land- en tuinbouwers op telkens vier percelen de teelt, bemesting en het nitraatresidu gedurende meerdere jaren opvolgen. Dat moet ons in staat stellen om bijvoorbeeld de invloed van de weersomstandigheden op het nitraatresidu correct in te schatten. De landbouwers die hieraan meewerken, mogen trouwens gerust zijn dat de Mestbank op deze percelen geen nitraatresidustalen zal nemen. Wij gaan in vertrouwen met deze land- en tuinbouwers samenwerken en verlangen alleen dat zij de goede landbouw- en bemestingspraktijken respecteren op die referentiepercelen.

      Wat verwachten jullie van de waterkwaliteitsgroepen?
      water2222.jpgBart Naeyaert: De land- en tuinbouwers die verenigd worden in een waterkwaliteitsgroep mikken op een verbetering van de waterkwaliteit zodat het rode MAP-meetpunt in hun streek groen kleurt. Dat wil zeggen dat het de nitraatnorm voor oppervlaktewater niet langer overschrijdt. Het MAP-meetnet breidt het oppervlaktewatermeetnet van de Vlaamse Milieumaatschappij uit met circa 800 voor de landbouw specifieke meetplaatsen in stroomgebieden met een hoofdzakelijk agrarisch karakter. Het aantal rode (of slechte) MAP-meetpunten moet dalen van de huidige 30 procent naar 16 procent tegen 2014 en vijf procent tegen 2018. Dat wordt geen gemakkelijke opdracht, maar met de kennis van praktijkcentra en de kennis en ervaring van onze boeren moeten wij er in slagen om het nitraatresidu onder controle te krijgen. Niemand kent beter de bodem en de mestproblemen in de streek, dan de landbouwer zelf die de percelen bewerkt.
      Dirk Coomans: Land- en tuinbouwers worden uitgenodigd op voorlichtingsvergaderingen en we zullen hen vragen om te participeren aan de waterkwaliteitsgroepen die verspreid over gans Vlaanderen actief zullen zijn. De praktijkcentra hebben 20 nieuwe medewerkers aangeworven die de waterkwaliteitsgroepen zullen ‘trekken’. Wij rekenen op een kern van geëngageerde boeren die hun schouders onder dit unieke project zetten en hun collega’s overhalen om binnen zo’n groep te streven naar een verbetering van de lokale waterkwaliteit. Op dit ogenblik zijn er 227 rode MAP-meetpunten die de grens van 50 mg nitraat per liter water één of meerdere malen hebben overschreden bij de maandelijkse staalnames van de VMM. Daarvan is bijna de helft in West-Vlaanderen gelegen. Alle slechte meetpunten zullen aangepakt worden maar dat kan uiteraard niet in één keer.

      Hoe belangrijk is het dat deze opzet slaagt?
      mestmap.2.jpgDirk Coomans: Voor het eerst zullen de land- en tuinbouwers zo intensief op het terrein begeleid worden. De bemestingsregels van MAP 4 zijn zo streng dat alleen op deze manier een vergelijk kan worden gezocht tussen de Europese eisen inzake waterkwaliteit en de bemestingsnoden van vooral groente- maar ook andere teelten. Hoewel het huidige mestactieplan geldt voor de periode 2011 tot en met 2014, wordt voor 2018 reeds vooropgesteld dat niet meer dan vijf procent van de meetpunten de nitraatnorm mag overschrijden. De laatste loodjes zullen dus het zwaarst wegen. Die vijf procent is ambitieus, maar niemand kan dit vandaag reeds afdoen als onhaalbaar. Zeker is wel dat er nog enorm veel moet gebeuren en dit bemestingsseizoen zeker niet ‘verloren’ mag gaan. In 2013 maakt Europa immers reeds een tussentijdse evaluatie van MAP4.
      Bart Naeyaert: Als het CVBB, de praktijkcentra en de boeren in de waterkwaliteitsgroepen hun werk goed doen, dan zullen we tegen dan veel bijgeleerd hebben. Dat zal ons toelaten om met kennis van zaken te discussiëren over MAP 5. Misschien komen we wel tot de vaststelling dat de nitraatnorm niet in elke individuele kleine waterloop haalbaar is zodat denitrificatiebekkens of andere methoden een uitweg moeten bieden.

      Waar situeren zich de probleemzones in verband met de waterkwaliteit?
      Dirk Coomans: Vanaf 2012 gelden strengere nitraatresiduwaarden in focusgebieden, die in totaal 42 procent van het landbouwareaal in Vlaanderen beslaan. West-Vlaanderen, Antwerpen en Limburg kennen het meeste problemen met de kwaliteit van het oppervlaktewater. In Vlaams-Brabant is de nitraatvervuiling van het grondwater het meest zorgwekkend. Het focusgebied is een dynamisch gegeven: twee winterjaren zonder overschrijding van de nitraatnorm in een MAP-meetpunt en de percelen in dat stroomgebied verdwijnen uit het focusgebied, kleurt een MAP-meetpunt in niet-focusgebied één jaar rood dan krijgen de percelen in de buurt de stempel focusgebied.

      Welkte teelten lopen een groot risico op een hoog nitraatresidu? Welke basisregels moeten landbouwers respecteren om nitraatuitspoeling te vermijden?
      Dirk Coomans: Maïspercelen laten een hoog nitraatresidu achter, net zoals percelen met aardappelen en groenten. Ook de grondgebonden sierteelt kent heel wat overschrijdingen. Om het nitraatresidu te beperken, moet aandacht besteed worden aan zowel aan- als afvoer van stikstof. Enerzijds betekent dat hoge gewasopbrengsten nastreven. Anderzijds moet bemest worden naargelang de behoeften van het gewas en het perceel. Op dat vlak is er een oud zeer bij de boeren: nog te vaak laten zij geen meststalen nemen of onvoldoende grondontledingen uitvoeren. Dierlijke mest is nochtans niet iets wat je kwijt moet geraken. Kunstmest is duur terwijl we goedkoop over dierlijke mest beschikken. We kunnen die dierlijke mest maar beter zo efficiënt mogelijk op onze bodem brengen.

      In 2010 liep bijna een kwart van de landbouwers bij de nitraatresiducontroles tegen de lamp. Een professor die zoveel studenten buist, maakt zijn examen eenvoudiger. MAP 4 werd echter strenger en MAP 5 dreigt nog strenger te worden…
      Dirk Coomans: Klopt niet helemaal omdat slechts een deel van de controles bij wijze van steekproef gebeurt. Daarnaast worden probleempercelen geviseerd en vaker opnieuw gecontroleerd door de Mestbank. Als een kwart van de controles dan een overschrijding van de residunorm oplevert, moet dat juist geïnterpreteerd worden.
      Bart Naeyaert: Ik heb begrepen dat de gebiedsgerichte aanpak met strengere nitraatresiduwaarden op 42 procent van het Vlaams landbouwareaal het hoogst haalbare was in het overleg met Europa. Oorspronkelijk was het plan om het nitraatresidu in gans Vlaanderen fors te verlagen. Voor het overige kunnen wij nu niet anders dan vertrekken van het systeem zoals het aan ons voorligt.
      mest uitrijden22.jpgDirk Coomans: Een hoog nitraatresidu wordt dikwijls toegeschreven aan de weersomstandigheden. In deze discussie zijn de referentiepercelen erg waardevol. Als op die percelen blijkt dat correcte bemestings- en landbouwpraktijken onder invloed van het klimaat toch kunnen resulteren in een te hoog nitraatresidu, dan kunnen de beleidsmakers daar rekening mee houden. Zover zijn we echter nog niet. Nitraatresidumetingen zijn overigens niet het doel, maar het middel om nitraatuitspoeling te vermijden. Als we er in slagen om het aantal slechte MAP-meetpunten terug te dringen naar minder dan vijf procent, dan spreekt niemand nog over nitraatresidu.
      Bart Naeyaert: Idealiter kunnen we over enkele jaren het voor landbouwer en overheid dure nitraatresidusysteem afvoeren en evolueren we naar een autocontrolesysteem. Bij wijze van steekproef zal de overheid altijd nog wel controles uitvoeren.

  • Bart Naeyaert, Peter Demeyer, Herman Van Langenhove (VEMIS)

    Landbouwbedrijven groeien zodat ook hun impact op de omgeving potentieel groter wordt. Burgers ha...
    Toon detail informatie

      Voor welke luchtemissies is de veehouderij (mede)verantwoordelijk?
      Herman Van Langenhove: De veehouderij stoot ammoniak, broeikasgassen (CO2, methaan en lachgas) en stofdeeltjes uit en is daarnaast ook een mogelijke oorzaak van geurhinder. Geur is in dit rijtje een buitenbeentje want geur is het resultaat van de waarneming van een complex mengsel van verbindingen terwijl de andere gassen scheikundig goed gedefinieerd zijn.

      Wat wil VEMIS daar aan doen?
      logoVEMIS_VEMIS.geVILT.jpgBart Naeyaert: Het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO), onderzoekscentrum Inagro en de Universiteit Gent hebben met eigen middelen en de (financiële) steun van de provincie West-Vlaanderen vorig jaar VEMIS opgericht met het oog op kennisopbouw en -verspreiding omtrent luchtemissies die afkomstig zijn van de veehouderij. Het engagement om geurhinder te reduceren, is inherent aan de missie van VEMIS. Hierbij moeten we steeds voor ogen houden dat elke oplossing haalbaar en betaalbaar moet zijn. Op termijn wil Inagro veehouders adviseren door samen met hen op zoek te gaan naar maatregelen die geur en andere emissies kunnen reduceren. Sinds de oprichting is het ledenaantal aangedikt tot een 30-tal. Diverse overheden, sectorfederaties en veevoederfirma’s, stallenbouwers, fabrikanten van stalinrichting en studiebureaus schaarden zich achter de doelstelling. Wie geïnteresseerd is, kan zich nog steeds als lid melden.

      Waarom heeft de wetgever vooral aandacht voor ammoniak?
      Peter Demeyer: Dat is gestuurd vanuit de Europese Unie door een richtlijn die voor elke lidstaat de maximumuitstoot ammoniak vastlegt. Voor Vlaanderen resulteerde dit in een ammoniakdrempel van 45.000 ton per jaar. Landbouw is in onze regio verantwoordelijk voor meer dan 90 procent van de totale ammoniakuitstoot zodat er in sectorspecifieke wetgeving voorzien werd. Met het maatregelenpakket dat de Vlaamse overheid uitwerkte - zoals het emissiearm uitrijden van mest en de invoering van emissiearme stallen - zorgt onze regio ervoor dat de landbouw (veehouderij) netjes onder die drempel blijft. Of dat zo blijft, is nog maar de vraag want Europa gaat de doelstelling herbekijken en projecteren naar 2020.

      Zijn de andere emissies dan minder gevaarlijk voor het milieu of minder hinderlijk voor de omgeving?
      Herman Van Langenhove: Integendeel, voor de omgeving is geur het meest waarneembaar met als gevolg dat hierop door burgers het felst gereageerd wordt. De effecten van andere polluenten (verzuring, broeikaseffect) zijn pas op langere termijn en onrechtstreeks merkbaar voor de samenleving.
      Peter Demeyer: Vanwege de schadelijkheid voor de gezondheid is fijn stof maatschappelijk gezien eigenlijk een groter probleem dan geur. Anders dan voor ammoniak is landbouw maar één van de bronnen van fijn stof, naast grote vervuilers zoals het verkeer en de industrie. Een specifiek wetgevend kader voor landbouw is daarom minder aan de orde dan bij ammoniak.

      Welke emissies zijn gevaarlijk voor de gezondheid van de boer?
      braadkippenb.jpgPeter Demeyer: Over de precieze invloed op de gezondheid van veehouders – maar vergeet ook de dierenartsen niet – is weinig geweten. Wanneer je de stal beschouwt als de werkplek van een veehouder, dan kan je de gemeten concentraties aftoetsen aan officiële grenswaarden die zijn opgenomen in het KB dat van toepassing is op de atmosfeer van werkplaatsen. De eerste cijfers wijzen niet meteen in de richting van een probleem, maar stalstof is een erg complex mengsel zodat niet alleen de concentratie belangrijk is, maar nog meer de precieze samenstelling ervan. Zo kan er sprake zijn van vrij hoge gehaltes aan bacteriologische bestanddelen (bijvoorbeeld endotoxines). Specifiek voor stallen weten we uit ervaring ook dat de concentraties sterk kunnen fluctueren in functie van de seizoenen. Zo loopt de ammoniakconcentratie soms sterk op tijdens de winter omdat er dan minder geventileerd wordt.

      Hebben die emissies ook een impact op de diergezondheid?
      Peter Demeyer: Vooral van fijn stof kunnen we een negatieve invloed verwachten op de diergezondheid. Momenteel zijn we dit aan het onderzoeken in het kader van een IWT-project en in samenwerking met professor Dominiek Maes van de UGent. Anders dan veehouders en dierenartsen vertoeven varkens en kippen 24 uur per dag in de stal. Bij hoge concentraties fijn stof is het dus niet ondenkbaar dat er zich problemen kunnen voordoen zoals longletsels bij varkens. Bovendien heeft de luchtkwaliteit een belangrijke invloed op de infectiedruk in stallen want stof is een potentiële drager van bacteriën en virussen. Net zoals bij geur zijn er bij fijn stof nog veel kennishiaten. Om meer inzicht te krijgen in de mechanismen en de gevolgen van ‘landbouwstof’ financiert ook Boerenbond onderzoek waarvoor ILVO en onderzoeksinstelling VITO de krachten bundelen.

      Houden de verschillende emissies met elkaar verband?
      Herman Van Langenhove: Deels wel maar de verbanden zijn zeker niet volledig gekend. Geurmoleculen kunnen zich hechten aan stofdeeltjes. Hoe belangrijk dit effect is in vergelijking met de totale geuruitstoot is nog altijd de vraag. Ook tussen ammoniak en geur is er een verband, al mogen ze absoluut niet gelijkgesteld worden. Dat verklaart waarom technieken die een reductie van ammoniak teweegbrengen ook een effect kunnen hebben op geur maar zeker niet in dezelfde mate.
      Peter Demeyer: In de praktijk werken de meeste luchtwassers goed op vlak van ammoniakverwijdering, toch als ze goed onderhouden worden. Minder gereglementeerd en gekend is echter hun werking ten aanzien van geur, met alle gevolgen van dien. Sommige probleemsituaties vragen om een luchtwasser die er zou moeten in slagen om zowel de ammoniak- als de geuremissie van de stal te reduceren. Helaas moeten we vaststellen dat dit in de praktijk niet altijd lukt. Veel van de gangbare luchtwassers die goed scoren op ammoniakverwijdering zijn nu eenmaal minder geschikt om geurproblemen aan te pakken. Nog een verband tussen de verschillende emissies: ammoniak kan onder bepaalde omstandigheden aanleiding geven tot zoutvorming in de (stal)omgeving. Op die manier is het een bron van secundair fijn stof.

      Zullen we geurhinder ooit objectief kunnen meten?
      geurmeting_UGent.1.bmpHerman Van Langenhove: Geur is net als geluid een zintuiglijke waarneming. Het gevolg daarvan is dat niet iedereen het als even hinderlijk ervaart. Voor geluid hebben we een algemeen aanvaarde meetmethode, terwijl we voor geur gebruik moeten maken van panels. Zulke snuffelmetingen door mensen krijgen vaak het predicaat ‘subjectief’. Geur is een mengsel van chemische stoffen dat we zouden kunnen uiteenrafelen. De structuur van de individuele stoffen is te bepalen, maar we schieten tekort in het integrerend denken, namelijk bepalen hoe sterk de geur zal zijn op basis van de resultaten van de afzonderlijke analyses. Afhankelijk van de vraagstelling en de randvoorwaarden grijpen we terug naar één van de volgende methodologieën: chemisch-analytisch, sociologisch of sensorisch, de al eerder genoemde snuffelmetingen.
      Peter Demeyer: In juni stelt ILVO een nieuw geurlabo voor dat uitsluitend voor de veehouderij zal werken. Door deze focus willen we een gerichte expertise opbouwen die we ten dienste stellen van het beleid en de sector. Samen met de provincie West-Vlaanderen investeren we ook in een doctoraat dat de wetenschappelijke basis zal vormen voor de actualisering van het beoordelingskader voor geur. Dit onderzoek loopt trouwens in samenwerking met professor Van Langenhove.

      Indien er momenteel geen objectief beoordelingskader is voor geur, hoe gebeurt de afweging dan bij een vergunningsaanvraag?
      Bart Naeyaert: De beoordeling van geurhinder is zoals gezegd nog in volle ontwikkeling en het is maar de vraag of we ooit over een volledig objectief kader zullen beschikken. Als provinciebestuur moeten we natuurlijk al elke week beslissen over vergunningsaanvragen waarbij geurhinder één van de elementen is die we in overweging nemen. Dat doen we momenteel op basis van verschillende objectieve gegevens zoals de ruimtelijke bestemming van de omgeving, de windrichting, het staltype, het aantal dieren, de aanwezigheid van (zonevreemde) woningen, enzovoort. Daarnaast wordt er in een aantal gevallen (15-20%) ook met specifieke geurstudies gewerkt. We houden er bijvoorbeeld rekening mee dat de tolerantiedrempel voor geurhinder in woongebied veel lager ligt dan in agrarisch gebied. De geurstudies die de contouren aanduiden waarbinnen men geurhinder zal ervaren van een veebedrijf zijn echter onvolmaakt. We weten bijvoorbeeld nog onvoldoende hoe geur zich precies verspreidt en we moeten nog te vaak vertrekken van cijfers uit Nederland (die niet steeds vergelijkbaar zijn) of cijfers die niet actueel zijn gelet op de evolutie in staltypes. Daar meer kennis over vergaren, is de bestaansreden van VEMIS. Om als provincie de lat gelijk te kunnen leggen bij vergunningsaanvragen, hebben we immers dringend een ‘lat’ nodig. Ondanks het feit dat we dit in belangrijke mate missen, kijken we met het nodige gezond verstand naar deze dossiers om te beoordelen welke geurhinder aanvaardbaar is. De rechtszekerheid voor (bestaande) bedrijven mogen we daarbij nooit uit het oog verliezen. Maar ook met de ‘lat’ zal het ‘gezonde verstand’ nog steeds belangrijk blijven. Het zou fout zijn om bij de beoordeling van mogelijke geurhinder louter te vertrouwen op rekenkundige modellen.

      Wordt de hinder groter wanneer stallen in omvang groeien?
      varkensbedrijf2.jpgBart Naeyaert: Zolang er dieren gehouden worden, zal er geuruitstoot zijn, die eventueel kan leiden tot geurhinder. Grotere stallen leiden niet automatisch tot meer geurhinder aangezien nieuwe stallen ammoniakemissiearm gebouwd moeten worden. De luchtwassers die daarvoor gebruikt worden, kunnen ook de geurhinder reduceren. Hoewel de emissie per dier daalt in nieuwe stallen, is door de concentratie van veel dieren op één locatie het toch een uitdaging om de geurhinder onder controle te houden. Ik heb de indruk dat de maatregelen die opgelegd worden en de investeringen die veehouders doen op het terrein resultaat opleveren. Maar ook dat zouden we best op een wetenschappelijke manier in kaart brengen. Als provinciebestuur proberen we telkens met gezond verstand te beoordelen hoeveel geurhinder acceptabel is naargelang de plaatselijke omstandigheden. In de ‘stad’ Vlaanderen is dat uiteraard niet evident. Gelet op de foutmarge van geurstudies en het onzekere effect van geurreducerende maatregelen, is het belangrijk om als overheid de dialoog aan te gaan. Het verstrekken van een milieuvergunning is zoeken naar een evenwicht, noem het vergunnen in dialoog.

      Is een pluimvee- of varkensstal zonder luchtwasser in de toekomst ondenkbaar? Of bestaan er even goede en meer prijsgunstige alternatieven?
      Peter Demeyer: Vandaag wordt misschien te sterk vastgehouden aan de toepassing van één best beschikbare techniek, zoals een luchtwasser. Met VEMIS willen we net op zoek gaan naar mogelijke combinaties van maatregelen die samen ook als een emissiearm concept kunnen aanvaard worden. Voor de grotere varkens- en pluimveestallen zullen ‘end-of-pipe’-technieken zoals luchtwassers of biobedden vermoedelijk noodzakelijk blijven. Op kleinere bedrijven kunnen we dat wellicht vermijden door een uitgekiende combinatie van meer ‘brongerichte’ maatregelen. Ik denk dan bijvoorbeeld aan ingrepen in de veevoedersamenstelling. Door voeders optimaal af te stemmen op de behoefte van het dier, kunnen we zowel de ammoniak- als geuremissie reduceren. Er wordt bijvoorbeeld nog vaak meer eiwit verstrekt dan strikt nodig. Ook de zwavelhoudende aminozuren in voeder kunnen we misschien gaan beperken. Een ander denkspoor is de emissies uit mest reduceren. Je kan dierlijke mest indrogen om de microbiële activiteit stil te leggen. Andere opties zijn mestadditieven, het emissieoppervlak van de mestput verkleinen of de mest regelmatig verwijderen en meteen verwerken of naar een afgesloten opslag brengen. Een derde brongerichte maatregel is de ventilatie optimaliseren want meer ventileren dan nodig verhoogt de emissie. Tot slot biedt ook het regelmatig en grondig reinigen van de stal perspectieven. Maar voor al deze aspecten geldt dat ze nog niet of onvoldoende onderzocht zijn. Met VEMIS willen we daar werk van maken. Dat kan deels via ons eigen basisonderzoek, maar we hebben hiervoor ook extra onderzoeksmiddelen nodig.
      Bart Naeyaert: Vandaag wordt er vooral met luchtwassers gewerkt. We moeten echter de optie openhouden voor andere technieken die ontwikkeld zijn of worden. Deze technieken moeten wel vergelijkbare prestaties kunnen leveren. Het kan ook om een combinatie van technieken en maatregelen gaan. De haalbaarheid en betaalbaarheid voor zowel grote als kleine bedrijven mag nooit uit het oog verloren worden. Voor gelijk welke techniek die toegepast wordt, geldt dat de efficiëntie ervan staat of valt met het management van de veehouder.

      Meer info: Kadernota luchtemissies veehouderij

  • Bart Staes (Groen!) en Mark Demesmaeker (N-VA)

    Is de vertrouwensrelatie tussen Groen! en de landbouwbevolking vier jaar na de eerste regeringsde...
    Toon detail informatie

      Heeft N-VA eigenlijk een landbouwprogramma?
      Mark Demesmaeker: Het spreekt vanzelf dat dossiers met een communautair tintje ons op het lijf gegoten zijn. Zo is ook beleidscoherentie voor ons een belangrijk aandachtspunt. Ondanks de regionalisering van de landbouwbevoegdheden is er nog altijd versnippering omdat het federale niveau bevoegd is voor onder meer de landbouwrampen. Ook de afroming van Vlaamse investeringssteun door de federale fiscus is voor ons een doorn in het oog.

      De Vlaamse en Waalse landbouw zijn totaal verschillend en ook de beleidsvisies lijken steeds verder uit elkaar te groeien. Een goed voorbeeld is het dossier rond de melkquota.
      Mark Demesmaeker: Op die manier dreigt ons land straks helemaal geen stem meer te hebben op de Europese landbouwraden. Als er geen compromis gevonden wordt tussen de deelstaten moet de Belgische vertegenwoordiger zich sowieso onthouden, maar zelfs die afspraak houdt niet langer stand. Onlangs bakte de Waalse minister Lutgen het zo bruin dat hij op de bijeenkomst van Europese milieuministers zonder mandaat tegen het voorstel van de Commissie stemde om een eind te maken aan het verbod op de teelt van transgene maïs in Oostenrijk en Hongarije. Zijn argumentatie dat die stem niet van doorslaggevend belang was, bewijst alleen maar dat ons systeem tegen zijn grenzen aangebotst is. Met een onafhankelijk Vlaanderen zouden we in Europa actief coalities kunnen smeden met andere kleine lidstaten, en op die manier wegen op het debat.

      CD&V heeft tijdens de voorbije legislatuur zware kanonnen zoals Yves Leterme en Kris Peeters aan het hoofd van het landbouwbeleid in Vlaanderen geplaatst. Het gevolg is dat de boeren weer zelfrespect hebben en dat de sector uit zijn harnas bevrijd is. Dat is toch een hele vooruitgang?
      Bart Staes: (heftig) Eerlijk gezegd zie ik die vooruitgang niet wanneer ik een blik werp op de Europese landbouwstatistieken. De gemiddelde leeftijd van onze landbouwers is meer dan 55 jaar. Weinig sectoren kampen bovendien met hogere zelfmoordcijfers dan de landbouw en de boeren slagen er nauwelijks nog in om bedrijven over te laten aan hun kinderen. In veel sectoren worden onze landbouwers dan ook nog eens gedwongen om onder de productiekost te werken. Er is natuurlijk nog de beroepsfierheid, maar de boeren hebben het in de eerste plaats zeer moeilijk om zich te handhaven. Dat is de realiteit.
      Mark Demesmaeker: Ik was vroeger actief in de mediasector, en het valt me toch op dat de journalisten de landbouw niet langer demoniseren. Ten tijde van de mestoverschotten portretteerden de televisiezenders de boerenstiel vrijwel uitsluitend met beelden van koeienvlaaien en mestkarren. Dat wekte weerzin bij de kijkers en woede bij de boeren. En dan kwam er ook nog eens een groene minister die de landbouwers afschilderde als vervuilers. Die beeldvorming heeft tijdens deze legislatuur gelukkig plaats geruimd voor de dialoog.
      Bart Staes: De waarheid is dat eerst Norbert De Batselier een eerbare poging ondernomen heeft om de Europese nitraatrichtlijn op een correcte manier om te zetten, daarna beet ook Vera Dua in het zand. Een aantal boerenleiders heeft jarenlang met de toekomst van de boeren gespeeld door in het mestdossier zoveel tijd af te kopen. De ironie van het lot heeft gewild dat uiteindelijk Peeters en Leterme heel Vlaanderen moesten inkleuren als kwetsbaar gebied. Toen Dua in 2001 het voorstel lanceerde om ongeveer de helft van het landbouwareaal kwetsbaar te maken, was dat nog heiligschennis. Niet in het minst voor de liberalen, die in die periode wilden uitgroeien tot een grote volkspartij waar ook Boerenbond een plaats zou in krijgen. Van die tactische spelletjes werd onze partij het kind van de rekening.

      Landbouwbedrijven werden door de nutriëntenhalte toch jarenlang in een keurslijf geduwd. Een rem op de groei leidt in iedere economische bedrijfstak onvermijdelijk tot defaitisme.
      Bart Staes: Ik heb altijd gezegd dat een minderheid van de boeren de hele sector jarenlang opgezadeld heeft met een negatief imago. Dat de perceptie bij de buitenwereld intussen gekeerd is, heeft te maken met de nieuwe strategie die de landbouworganisaties de voorbije vijf jaar hebben toegepast. Vroeger hanteerden ze meteen de confrontatiestijl wanneer gepraat werd over milieu, dierenwelzijn of zelfs plattelandsontwikkeling. Vandaag voelen ze zich bij Boerenbond niet langer te beroerd om mee te onderhandelen over een label voor fair trade.
      Mark Demesmaeker: Die context kan je enkel creëren op basis van dialoog. In mijn eigen gemeente stel ik vast dat Boerenbond en Natuurpunt met wederzijds respect samenwerken rond een ruilverkaveling. Tijdens de vorige legislatuur werden de landbouwers betutteld.
      Bart Staes: Die betutteling kwam dan toch niet vanuit groene hoek.

      Volgens minister Hilde Crevits is het onmogelijk om van de landbouwers nog meer milieu-inspanningen te vragen dan diegene die ze vandaag al leveren. Akkoord?
      Mark Demesmaeker: Heeft Crevits dat op die manier verwoord? Bon, het is natuurlijk wel zo dat de landbouwers de voorbije jaren ernstige inspanningen geleverd hebben. Wat de uitstoot van broeikasgas betreft, heeft geen enkele sector beter gescoord. En in deze crisistijden moet je natuurlijk vermijden dat extra milieunormen het inkomen nog verder naar omlaag duwen. Anderzijds moet het mogelijk zijn om nog een aantal win-winsituaties te creëren, zoals de uitbouw van glastuinbouwzones met recuperatie van industriële restwarmte. Voor dat soort projecten zouden de regels op het vlak van ruimtelijke ordening veel soepeler moeten gemaakt worden.
      Bart Staes: In ons ecologisch voedselplan benadrukken we dat alle schakels van de voedselketen nog vooruitgang kunnen boeken op milieuvlak, gaande van het versjacheren van veevoeder tot de distributiesector. Een structureel probleem is dat de hele voedselketen een agro-industriële aanblik krijgt, en dat terwijl de Vlaamse boer niet gebaat is bij grootschaligheid.
      Mark Demesmaeker: Je moet landbouwbedrijven verdorie toch de kans geven om uit te breiden.
      Bart Staes: Pas op, je hoort me niet beweren dat er geen vooruitgang geboekt werd. Vijf jaar geleden was de huidige samenwerking tussen de biologische en gangbare sector ondenkbaar. Ik heb al weet van vier boeren die door de gewijzigde houding van de landbouworganisaties plots wel durven om te schakelen. Waarmee ik niet wil zeggen dat alle landbouwers voor bio moeten kiezen, hé.

      Dat lijkt een veel realistischer uitgangspunt dan de doelstelling om het aandeel van bio tegen 2010 te laten uitgroeien tot tien procent van het totale landbouwareaal. Maar heeft u het gevoel dat Groen! opnieuw geloofwaardig is voor de boeren?
      Bart Staes: Vera Dua was zeker geen olifant in een porseleinkast. Piet Vanthemsche is trouwens nog haar kabinetsadviseur geweest. En heeft Magda Aelvoet niet het Voedselagentschap in de steigers gezet? Maar op een bepaald ogenblik heeft men een georkestreerde moddercampagne gelanceerd tegen Dua. Die is op een pijnlijke manier uitgemond in een betoging, waarin Jaak Gabriëls mee opstapte tegen de ‘groene hoer’. Toen zijn we onderuit gegaan, en is rond onze partij een verkeerde perceptie ontstaan. Ik ben me ervan bewust dat het nog jaren zal duren vooraleer die helemaal kan rechtgetrokken worden. Het enige wat ik kan doen, is iedere dag keihard werken en tonen waar we voor staan. En de vele nieuwe medewerkers in onze partij zal ik wel kneden.

      Heeft u regelmatig contact met Boerenbond?
      Bart Staes: In het Europees parlement heb ik in de commissie gezeteld die zich onder meer bezighoudt met voedselveiligheid. Het is logisch dat je dan wel eens van gedachten wisselt. Ik lees ook iedere week Boer&Tuinder. Regelmatig zie ik in dat blad zelfs mijn naam verschijnen, maar negen maanden voor de verkiezingen stopt dat plots. Binnen drie weken zullen ze mij misschien opeens weer kennen. (lacht)

      Het landbouwinkomen is vorig jaar drastisch gedaald en een aantal marktprijzen zijn plots heel fel beginnen schommelen. Dus is het logisch dat de landbouwers meer dan ooit wakker liggen van de prijsvorming in de keten. Moeten ze hiervoor de supermarktketens, de verwerkende industrie of de politici aanspreken?
      Mark Demesmaeker: Feit is dat de boeren geen eerlijke prijs krijgen. Maar hoe los je dat op? Er zou in de eerste plaats meer transparantie moeten komen. Als ik het goed begrijp, zal het prijzenobservatorium wel analyses maken, maar veel meer stelt het niet voor. Er moet natuurlijke politieke wil zijn om er iets aan te doen, en dat kan je van een liberale minister zoals Van Quickenborne allicht niet verwachten. De Vlaamse regering zal zelf het initiatief moeten nemen om de diverse schakels in de keten rond de tafel te roepen. Bij dat overleg moet ze dan wel de kaart van de boeren durven trekken.
      Bart Staes: Het inkomensprobleem begint al bij de verdeling van de Europese landbouwsubsidies. Piet Vanthemsche verzet zich tegen de publicatie van die gegevens op een website, maar zou er nochtans interessante lessen kunnen uit trekken. Nu weten we tenminste dat tachtig procent van het geld niet bij boerende landbouwers terechtkomt. Zo strijkt bijvoorbeeld KLM meer dan 600.000 euro exportsubsidies op. Van hetgeen wel naar de boeren vloeit, belandt het merendeel bij de grote landbouwbedrijven. En dat terwijl we in Vlaanderen bijna uitsluitend kleine bedrijven hebben. Ik pleit niet voor een afbouw van de subsidies, maar wel voor een eerlijke verdeling.

      Hebben de supermarktketens boter op hun hoofd?
      Bart Staes: Het is duidelijk dat de grote ketens de boeren contracten opdringen voor de levering van varkens of bonen die vanuit ethisch standpunt onaanvaardbaar zijn. De boer mag geen loonarbeider worden, die zelf moet instaan voor alle risico’s die met het ondernemerschap gepaard gaan.
      Mark Demesmaeker: Ik herhaal dat de Vlaamse overheid wel degelijk initiatieven kan nemen op dit vlak.

      Het Europese landbouwbeleid heeft jarenlang zowel vanuit linker- als rechterzijde onder vuur gelegen. Nu het langzaam ontmanteld wordt, gaan er steeds meer stemmen op om dat proces weer om te keren. Waar moet het volgens jullie na 2013 naartoe?
      Bart Staes: Positief is dat de tweede pijler van het Europese landbouwbeleid thema’s zoals kwaliteit, milieu, landschap en dierenwelzijn op de agenda geplaatst heeft. Die trend moet versterkt voortgezet worden. Soms hoor ik de Open Vld of Lijst Dedecker pleiten voor een daling van de landbouwsubsidies, of zelfs de afschaffing ervan. Maar daar kan absoluut geen sprake van zijn, want dan creëer je een leegloop van het platteland. Tegelijk moeten we natuurlijk wel onze verantwoordelijkheid opnemen. De voorbije tien jaar zijn de exportsubsidies gekrompen van 13,5 miljard naar 3,5 miljard euro. Op die manier beletten we dat boeren in arme landen het slachtoffer worden van dumping.
      Mark Demesmaeker: Wij willen alle kansen geven aan een innovatieve landbouw die producten met hoge toegevoegde waarde commercialiseert. Dan is het logisch dat je niet gaat beknibbelen op de landbouwsteun. Maar er zal de komende jaren ook meer aandacht moeten gaan naar de diversificatie van de plattelandseconomie en de leefbaarheid van dat platteland.

      Waarom moet men in landbouwmiddens op 7 juni massaal op uw partij stemmen?
      Mark Demesmaeker: Een sterker Vlaanderen dat over bijkomende bevoegdheden beschikt, is veel beter gewapend om de crisis aan te pakken. Mirakeloplossingen bestaan natuurlijk ook op het Vlaamse beleidsniveau niet, maar het is duidelijk dat we daar veel meer mogen van verwachten dan het federale echelon, dat al twee jaar op apegapen ligt. Bovendien geloven we in de toekomst van onze landbouw. De sector moet ruimte krijgen voor ondernemerschap en innovatie. Waar mogelijk moet verbreding ondersteund worden en op basis van vrijwilligheid kan ook het agrarisch natuurbeheer nog stappen vooruit zetten. En van cruciaal belang is natuurlijk dat de landbouwers opnieuw het zout op de patatten verdienen. Andere prioriteiten voor de volgende legislatuur zijn administratieve vereenvoudiging en nog meer rechtszekerheid, bijvoorbeeld op het vlak van vergunningen.
      Bart Staes: Groen! is de enige partij die de sociaaleconomische crisis, de financiële crisis en de klimaatcrisis geïntegreerd aanpakt. Indien we verstandig investeren in de landbouwsector, kunnen we op die manier ook een deel van het klimaatprobleem aanpakken. We hebben een doordacht plan, dat we trouwens doorgenomen hebben met vertegenwoordigers van landbouworganisaties. De boeren zijn onze bondgenoten.
      Mark Demesmaeker: Daar ben ik het alvast volmondig mee eens.

      Poll: Bent u tevreden over het Vlaamse landbouwbeleid dat de voorbije vijf jaar gevoerd werd?

  • Bart Staes (Groen) & Bavo Verwimp (bioboer)

    Europarlementslid Bart Staes (Groen) organiseerde eind vorig jaar een conferentie over agro-ecolo...
    Toon detail informatie

      Begripsverwarring loert om de hoek als het over ‘agro-ecologie’ gaat. Wagen jullie je aan een definitie?
      Bavo Verwimp: Agro-ecologie is een landbouw die weinig externe inputs nodig heeft, maar intensief is in het gebruik van de grond en de benodigde arbeid per hectare. Veel aandacht gaat ook uit naar de toepassing van het kringloopprincipe.
      Bart Staes: Landbouwers, wetenschappers en de sociale beweging die nadenkt over voedsel zien in agro-ecologie een alternatief voor het huidige landbouwmodel. Dat model is niet duurzaam vanwege het uitputten van de bodem, het hoge gebruik van (dure en energieverslindende) pesticiden en kunstmest, en de afhankelijkheid van de landbouwers die daardoor vergroot. Agro-ecologie plaatst boer en bodem centraal. De productiviteit per arbeidskracht is kleiner, maar per hectare duidelijk groter. Door een holistische visie onderscheidt het zich van gangbare landbouw, die de milieukosten van het productieproces bijvoorbeeld niet verrekent in de prijs.

      Kunnen we agro-ecologie niet simpelweg gelijkstellen aan biolandbouw?
      BartStaes.DeKijfelaar.2.jpgBavo Verwimp: Je kan biolandbouw beschouwen als een gelabelde vorm van agro-ecologie. Het label dient om het vertrouwen van de Westerse consument te winnen. Hier kunnen we ons de (kosten van) controles op de biologische keten veroorloven, elders is dat niet realistisch. De principes van agro-ecologie zijn daarentegen overal toepasbaar, ook in een arm continent als Afrika.

      “Onze voedselvoorziening dreigt in handen te komen van multinationals”

      Welke socio-economische visie op de boerenstiel volgt uit agro-ecologie?
      Bart Staes: De pleitbezorgers van agro-ecologie zijn zich heel bewust van de onhoudbare uitputting van onze planeet. Ze vragen zich af hoe je in de toekomst negen miljard mensen kan voeden op een duurzame manier. En ze willen een antwoord bieden op de vele uitdagingen voor landbouw: de boerenpopulatie die steeds kleiner wordt en vergrijst, schaalvergroting van landbouwbedrijven, de voedselketen die in handen komt van multinationals, de klimaatverandering, de gigantische kost voor de samenleving van ongezonde voeding, enz. Als het landbouwmodel niet verandert, zal het platteland ontvolken en versterkt een handvol grote bedrijven zijn greep op landbouw.

      Bavo, strookt agro-ecologie helemaal met jouw pleidooi voor een ‘stationaire economie’?
      DeKijfelaar.1.jpgBavo Verwimp: De stationaire economie is een kritische succesfactor voor het agro-ecologische landbouwmodel. Het omarmt de principes van de ecologische economie: de grenzen van het eco-systeem kan je niet verruimen. Zet dus eerst het kader uit en bekijk vervolgens hoe je de (landbouw)economie zo efficiënt mogelijk kan organiseren binnen die fysieke grenzen.
      Bart Staes: Ook in andere sectoren, de financiële wereld op kop, leek lange tijd alles mogelijk. Uiteindelijk ontploft de bubbel. Ga daarom op een zeer zuinige manier met onze planeet om en doe niet alsof er geen grenzen zijn.
      Bavo Verwimp: Landbouw botst sneller op die fysieke grenzen omdat je werkt in een natuurlijke omgeving. De vraag is hoe we de economie in de toekomst kunnen organiseren want het huidige neoliberale model is niet los te koppelen van groei. Daar wordt te weinig over nagedacht en ook te weinig onderzoek naar verricht. En wie dat wel aandurft, wordt versleten voor communist.

      “Steek als overheid geld in productiebeheersing in plaats van in subsidies”

      Hoe zouden jullie het aanpakken?
      Bart Staes: Onderwijs, onderzoek en beleid kiezen als vanzelfsprekend voor het gangbare model. Dat is in Vlaanderen zo, maar ook elders in de Europese Unie. Ik vind dat problematisch. Van de miljarden euro’s die gespendeerd worden aan landbouwonderzoek gaat te weinig naar de alternatieven voor ‘steeds meer’. Kies daarentegen voor een landbouw volgens agro-ecologisch model waarbij externe inputs worden verminderd, de samenhang der dingen opnieuw zichtbaar wordt en de band tussen consument en producent nauw aangehaald wordt.
      Bavo Verwimp: In het organiseren van aanbodbeheersing moet de overheid een belangrijke rol spelen. Kijk naar Canada, waar een quotasysteem in de zuivelsector de melkveehouders een betere prijs garandeert zonder de consumenten op te zadelen met duurdere melk. In Europa worden de melkquota afgeschaft, terwijl ik overtuigd ben van het nut ervan. Een bijsturing van het bestaande systeem was zinvoller geweest.

      Biedt agro-ecologie betere (financiële) perspectieven voor boeren?
      groente.bio.2.jpgBart Staes: De boer zit vandaag tussen hamer en aambeeld, geprangd tussen toelevering en distributie. Onethisch is ook de speculatie met voedsel en het idee dat voedsel een doorsnee verhandelbaar product is. Volgens mij kan je voedsel niet in een vrijhandelssysteem steken.
      Bavo Verwimp: In het huidige systeem is een betere producentenprijs fictie. Kijk maar naar de discussie over het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, die gaat vooral over subsidies en amper over de te lage prijzen van landbouwproducten. We evolueren dus verder in de richting van goedkoop voedsel en subsidies voor de producenten. Vriend en vijand zijn het er nochtans over eens dat er iets moet veranderen. In de brochure ‘Andere landbouw, andere economie’ lanceer ik een aantal voorstellen. Een overheid die geld steekt in het organiseren van aanbodbeheersing in de landbouw bespaart op subsidies aan zijn landbouwers.

      “Met voedsel wordt te veel heen en weer gesleurd”

      Is de competitieve Vlaamse agrovoedingsindustrie ten dode opgeschreven wanneer het groeimodel wordt losgelaten?
      hoeveverkoop.1.jpgBavo Verwimp: Een stationaire economie is nog altijd economie, en houdt dus ook handel in. Export kan, nodeloos transport niet. En in een Vlaanderen waar we over 600.000 hectare beschikken om zes miljoen mensen te voeden, zouden we ook beter niet te veel exporteren. Door onze hoge bevolkingsdichtheid zijn we immers al aangewezen op voedselimport. Je kan overigens ook competitief zijn op de eigen markt, waarbij ik liever in regio’s en kilometers denk dan naar landsgrenzen kijk.
      Bart Staes: Met voedsel wordt te veel heen en weer gesleurd. Alle respect voor de Vlaamse groentetelers, maar ik stel mij vragen bij de Flandria-tomaten die ik hartje zomer in het zuiden van Portugal in de supermarkt vond. Een economie waar vrachtwagens rijdende opslagplaatsen worden, noem ik niet duurzaam. Voeding verslepen, vergroot ook de gevoeligheid voor fraude, denk maar aan het paardenvleesschandaal.
      Bavo Verwimp: Het transportvraagstuk wordt een grote uitdaging voor het lastenboek bio. Vandaag bestaan er geen beperkingen voor de afstand die een bioproduct aflegt. Als die er ooit komen, is het nog maar de vraag hoe je dat - op een fraudebestendige manier - gaat controleren. Maar zoals het nu is - alle bioproducten zijn jaarrond beschikbaar - klopt er ook iets niet. We moeten durven zeggen dat er nu geen appels en peren zijn, in plaats van de winkelrekken vol te leggen met Argentijns fruit.

      Bij de adepten van agro-ecologie en biolandbouw lijkt de aversie tegenover grootschaligheid en nieuwe technieken diep ingebakken. Dat doet ongewild denken aan geitenwollen sokken…
      Bavo Verwimp: Biolandbouw is zeker en vast niet allergisch voor nieuwe technieken, zolang we het maar kunnen betalen. Ik gebruik bijvoorbeeld de waarschuwingsberichten voor ziekten en plagen om mijn gewassen tijdig te beschermen. Duurdere technieken zoals een GPS-systeem zijn helaas niet weggelegd voor een kleinschalig, gemengd biobedrijf.

      Vlaanderen is nog 26.000 land- en tuinbouwbedrijven rijk. Telt een agro-ecologisch landbouwmodel meer of minder boeren om ons voedsel te produceren? Veel belang hechten aan de grondgebondenheid van de veehouderij zou hier wel eens averechts kunnen werken.
      BoerenstebuitenTV.2.jpgBavo Verwimp: Een heroriëntatie, meestal richting groenteteelt, maakt dat je met meer boeren op dezelfde oppervlakte aan landbouw kan doen. Als het over ruimte voor landbouw gaat, zou de overheid eens moeten uitrekenen hoeveel landbouwgrond verloren gaat aan paardenhouderij en andere vormen van recreatie. Hierover zijn geen goede cijfers voorhanden, laat staan dat er vanuit het beleid actie wordt ondernomen. De grond die er in het kleine Vlaanderen is, zou beter ten dienste staan van voedselproductie.

      Is al het voorgaande een pleidooi voor evolutie of revolutie? Of voor de steeds vaker geopperde transitie van het landbouwsysteem?
      Bart Staes: De beweging die nadenkt over onze voedselvoorziening wordt steeds groter zodat de druk op de overheid toeneemt om agro-ecologie kansen te geven. Dat is zeer hoopgevend. Ik geloof dat we op een omslagpunt zitten.
      Bavo Verwimp: De tijd is voorbij dat één landbouwmodel toepasbaar is voor alle boeren. De diversiteit in bedrijfsvormen neemt toe en dat is een goede zaak. Alleen mogen we niet eindigen in de situatie dat een beperkt aantal grootschalige boeren op de klassieke manier aan landbouw doet en enkele bioboertjes zich in de marge wat mogen ‘amuseren’. Dat is geen gewenst scenario. Het tegenovergestelde hoeft ook niet: alle landbouwers moeten niet plots bioboer worden.

      Tot slot, wat onderscheidt een voorstander van agro-ecologie van een zelfverklaarde wereldverbeteraar die misschien alle lof verdient, maar “de mallemolen van het systeem” niet kan veranderen?
      Bavo Verwimp: Ik durf geloven in verandering. Neem nu biovoeding in de supermarkten. Twintig jaar geleden was dat nog ondenkbaar. Hoe de markt en de wereldhandel nu werken, is geen natuurlijke wetmatigheid waar we niet onderuit kunnen. Het is het gevolg van menselijke beslissingen en keuzes, dus veranderbaar.
      Bart Staes: Agro-ecologie is niet een marginaal iets. Het gedachtegoed leeft op allerhande fora, ook bij de Verenigde Naties dankzij het baanbrekende werk van voedselrapporteur Olivier De Schutter. De wetenschappers in ons land - vooral in Wallonië - die agro-ecologie onderzoeken en de boeren die de principes toepassen, zijn geen wereldverbeteraars. Zij denken gewoon goed na over waar ze mee bezig zijn. Er zit veel beweging in onze maatschappij, en vaak is dat uit noodzaak.

      Meer weten over agro-ecologie? Lees het dossier in het zomernummer van Landgenoten. En bekijk de video en de foto’s van het bezoek van EU-parlementslid Bart Staes aan bioboerderij De Kijfelaar.

      Bavo Verwimp schakelde het gangbaar melkveebedrijf van zijn ouders om naar bio. Hij reduceerde de veestapel van 90 melkkoeien naar 30 vleesrunderen, waarvan hij de mest op eigen grond kan gebruiken. Verder is er op het bedrijf 30 hectare ruwvoederwinning en akkerbouw aanwezig en intensieve groenteteelt voor verkoop op de hoeve.

  • Bart Van der Straeten (UGent/AMS)

    Een veehouder die zijn bedrijf wil uitbouwen, investeert zuurverdiende centen in extra dieren, ee...
    Toon detail informatie

      Wat is nu ook al weer het verschil tussen NER’s en mestafzetrechten?
      Bart Van der Straeten: Het zijn twee verschillende instrumenten van het mestbeleid die hetzelfde doel nastreven, namelijk nitraatverliezen naar het milieu beperken. Nutriëntenemissierechten (NER’s) beïnvloeden de productie van mestnutriënten (stikstof en fosfaat) door de veestapel per bedrijf te beperken. Voor de dieren die hij huisvest, moet de veehouder over NER’s van de juiste diergroep beschikken. In principe zijn er voldoende NER’s aanwezig in Vlaanderen om forse groei op bedrijfsniveau toe te laten, maar de markt werkt niet perfect zodat NER’s moeilijk beschikbaar en - zeker voor rundvee - duur zijn. Mestafzetrechten controleren het gebruik van mest op het land en zijn het economisch equivalent van de bemestingsnormen. De schaarse bemestingsruimte deed namelijk een markt ontstaan waar veehouders met een mestoverschot en akkerbouwers die vragende partij zijn voor dierlijke mest, elkaar vinden.

      “Mestbeleid zadelt boer en beleidsmaker op met dubbele kosten”

      Eén van uw promotoren, professor Jeroen Buysse, zei voor de zomer in geVILT dat NER’s niet deugen als oplossing voor het mestprobleem. Kan u uitleggen waarom niet?
      Net zoals de bemestingsnormen willen NER’s het mestprobleem in Vlaanderen aanpakken, maar hetzelfde einddoel kan je niet twee keer bereiken. Boer en beleidsmaker worden dus opgezadeld met dubbele kosten zonder bijkomende milieuvoordelen. De overheid zou het mestbeleid uitsluitend kunnen baseren op mestafzetrechten. Controleer niet langer de productie van mest, maar gebruik die middelen om nog beter te waken over de aanwending van mest. Wanneer extra mestproductie verwerkt wordt, vergroot de kans op nitraatuitspoeling immers niet. Gemiddeld wordt nog 145 kilo dierlijke stikstof per hectare gebruikt terwijl de norm op 170 kilo ligt. NER’s en hun voorlopers de nutriënthalten zijn niet altijd zinloos geweest. Ten tijde van MAP IIbis (in 2000) waren de bemestingsnormen voor een aantal gewassen milieukundig gezien nog te ruim en was de handhaving gebrekkig zodat controle op de mestproductie toen wel verantwoord was. Dat was ook nodig om de opkoopregeling voor vee te doen functioneren.

      Zou de Vlaamse veestapel een hoge vlucht nemen zonder NER’s?
      melkveestal.zonnepanelen.2.jpgEen sluitende uitspraak kan ik daar niet over doen, maar spectaculaire groei op sectorniveau is weinig waarschijnlijk. Individuele bedrijven zouden wel kunnen uitbreiden, zij het beperkt want de verwerking van de extra mest kost ook geld. Varkens- en pluimveebedrijven kunnen trouwens vandaag al uitbreiden mits mestverwerking. Ook op rundveebedrijven voorspel ik weinig groei want in de sector zijn 21 miljoen NER’s op overschot. Het zijn dus andere factoren zoals de ruwvoederwinning die bedrijfsuitbreidingen tegengaan. Voor alle veebedrijven geldt dat de groei deels in functie zal staan van de kosten voor mestafzet. Zelfs zonder een immens kapitaal voor NER’s te moeten reserveren, zullen bedrijven maar uitbreiden in de mate dat de mest op een economisch verantwoorde manier afgezet kan worden. Als de veestapel in Vlaanderen toeneemt, kunnen de stijgende kosten voor mestafzet een rem zetten op de verdere groei van bedrijven.

      Zowel NER’s als mestafzetrechten zijn verhandelbaar. Is dat een goede beleidskeuze?
      Met een perfect functionerende markt zijn verhandelbare rechten economisch gezien de meest effectieve en efficiënte keuze. Het biedt individuele bedrijven groeikansen en de sector kan zich structureel ontwikkelen. De meest efficiënte bedrijven kunnen de rechten in handen krijgen. De groei van bedrijven mag je niet remmen door rechten onverhandelbaar te maken want dan valt de ontwikkeling van een sector stil en gaat de competitiviteit achteruit in vergelijking met andere landen. In realiteit zijn marktcondities nooit perfect en zijn er transactiekosten bij de handel in rechten. Toch zullen die nooit zwaarder doorwegen dan de voordelen want dan zou er simpelweg geen handel zijn.

      “Mestverwerking verplichten in Vlaanderen was een schot in de roos”

      Waarom zou de overheid willen tussenkomen in de handel van quota?
      Vanuit economisch oogpunt is het een voordeel dat quota in een perfecte markt bij de meest efficiënte bedrijven terechtkomen. Sociaal gezien kan die concentratie echter nadelig zijn. De verplichte mestverwerking in Vlaanderen is een mooi voorbeeld van een beleidsbijsturing om sociale (en economische) redenen. Het moedigde mestverwerkers aan om te investeren en vermijdt dat de prijs voor mestafzet op land onmogelijk hoog oploopt voor kleine veebedrijven. Zonder verplichte mestverwerking zou de kostprijs voor een mestafzetrecht tien procent duurder uitvallen. De kleine en middelgrote veebedrijven mogen dan wel een kostenreductie ervaren, de keerzijde van het overheidsingrijpen is dat voor de totale dierlijke productiesector de kosten voor mestafzet wel hoger liggen. Het is de taak van de beleidsmaker om die afweging te maken.

      Uw doctoraat bestempelt de bemestingsnormen als een concentratierecht. Wat is dat en welke voordelen biedt het?
      mest1.jpgDoor bemestingsnormen te beschrijven als concentratierechten leverde ik het eerste praktijkvoorbeeld van dergelijke rechten in de wetenschappelijke literatuur. Tot voor kort werden bemestingsnormen vergeleken met CO2-emissierechten. Waar een bedrijf de CO2 uitstoot na aankoop van emissierechten maakt niet uit, terwijl dat ruimtelijk aspect net de essentie is van het mestbeleid. Een concentratierecht beperkt niet alleen het totale mestgebruik van een landbouwer, het regelt ook de noodzakelijke ruimtelijke spreiding van het mestgebruik: een landbouwbedrijf moet het mestafzetrecht gebruiken op de plaats van aankoop. Een veebedrijf uit de Westhoek dat een mestafzetrecht aankoopt in de akkerbouwstreek in het binnenland, zal zijn mest dus moeten transporteren naar die streek. Onder het systeem van emissierechten zou het mestgebruik op een perceel enkel beperkt worden door teelttechnische limieten enzou in gemeenten met een hoge mestdruk het mestgebruik kunnen oplopen tot 340 kilo stikstof per hectare, terwijl dit nu overal beneden de norm van 170 kilo ligt. Het ruimtelijk aspect beïnvloedt ook de prijs die veehouders moeten ophoesten om hun mestoverschot kwijt te raken. De ‘willingness to pay’ van een West-Vlaamse veehouder zal een veelvoud zijn van die van een collega uit Vlaams-Brabant. Deze vernieuwde wetenschappelijke kijk verandert uiteraard niets voor de landbouwer maar biedt meer mogelijkheden om het mestbeleid te analyseren en te verbeteren.

      Vlaamse boeren zijn grote kunstmestgebruikers terwijl er dierlijke mest in overvloed is. Kan dat echt niet anders?

      Lees ook:
      Rekenvoorbeeld en uitleg bij mestbeleid op basis van niet-benutte stikstof
      Ecologisch is het waanzin dat stikstof uit dierlijke mest via mestverwerking de lucht wordt ingestuurd, terwijl het energie vreet om luchtstikstof te verwerken tot een kunstmestkorrel. Ook economisch is het onverantwoord dat een landbouwer betaalt voor het onttrekken van stikstof uit mest, waarna hij diezelfde eenheid stikstof opnieuw aankoopt in de vorm van kunstmest. Dat is niet de fout van de landbouwer, wel van een beleid dat niet de juiste stimulansen geeft. Helaas ziet het er niet naar uit dat Europa de eerstkomende jaren toestemming geeft om het eindproduct van mestverwerking te catalogeren als kunstmest. Een alternatief is boeren toelaten om meer dierlijke mest te gebruiken op voorwaarde dat zij via een bewerking van de mest de nutriënten beter beschikbaar maken voor het gewas. Je moet de landbouwer wel een goede reden geven om zijn mest te vergisten of te scheiden. Die goede reden is de toelating om meer dierlijke mest te mogen opbrengen zodat minder kunstmest aangekocht moet worden.

      Is een efficiënter mestbeleid beter voor de boer, maar slechter voor het milieu?
      Niet noodzakelijk, wat in Vlaanderen bewezen wordt door derogatie. Dat is de mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden meer dierlijke mest aan te wenden. De Vlaamse derogatie is van alle derogatiesystemen in Europa niet alleen de efficiëntste met de grootste potentiële kostenvermindering, maar biedt ook de beste garanties voor het milieu. Elders wordt derogatie toegekend op bedrijfsniveau waarna op alle percelen meer dierlijke mest ingezet wordt. In Vlaanderen wordt derogatie toegekend op perceelsniveau en komen alleen percelen met een gewas met een grote stikstofbehoefte en een lang groeiseizoen in aanmerking.

      Hoe ziet het ‘ideale mestbeleid’ er uit? Welke rol is daarin weggelegd voor de overheid?
      Het ideale mestbeleid combineert effectiviteit en efficiëntie. De normen voor de waterkwaliteit in de Nitraatrichtlijn moeten behaald worden, er is geen andere weg. De beleidsmaker moet dit proberen te realiseren zonder boeren te confronteren met nodeloze kosten. Schrap dus de nutriëntenemissierechten en baseer het mestbeleid op een goede handhaving van de bemestingsnormen en zet daar de vrijgekomen middelen voor in. De rotte appels moeten er immers uit want zij verpesten het voor de boeren die het goed menen. Het beleid moet veebedrijven ook voldoende kansen geven om te groeien en marktconform te blijven. De structurele ontwikkeling van de sector mag niet aangetast worden zolang groei maar plaatsvindt met eerbied voor de nitraatdoelstelling en voor de kleinere bedrijven.

  • Bekroonde topfokker met (h)eerlijke boerenidealen

    Op Agriflanders liep Yves Leterme het vaakst in beeld, maar het grootste prijsbeest was Joop van ...
    Toon detail informatie

      Karel Devreese heeft zeven broers en zussen. Zes ervan zijn net zoals hijzelf in de boerenstiel gestapt, waarvan er vier de biologische toer zijn opgegaan. Meest bekend voor televisiekijkend Vlaanderen is allicht Renaat, wiens biogeiten ten tijde van de MKZ-dreiging in 2001 enkele dagen het nationale nieuws beheersten. Vader Devreese was destijds een gerenommeerd melkveehouder en voorzitter van de toenmalige zuivelcoöperatie Inco, maar ook een man met rechtlijnige principes en heel veel liefde voor de boerenstiel. Die karaktertrekken heeft hij onverkort doorgegeven aan zijn hele nageslacht.

      Het is razend druk wanneer we op Hof ten Thorre arriveren. Er zijn volop verbouwingen aan de gang om een ontvangstzaal voor bezoekersgroepen en een studio voor hoevetoeristen in te richten. “Wie 46 jaar oud is, stelt zich al eens de vraag hoe hij zijn leven nog kleur kan geven”, zegt Karel ons bij de begroeting. Het hele gesprek wordt een zoektocht naar zingeving. Ooit droomde Karel ervan om net zoals zijn vader melkveehouder te worden, maar de invoering van de quotaregeling in 1984 dwarsboomde die plannen. Uiteindelijk stapte hij na veel wikken en wegen in de varkenssector, “eigenlijk tegen mijn zin want met varkens kan je nooit dezelfde band opbouwen als met een melkkoe”.

      Aangeboren rastalent In de poldervlaktes van de Westhoek tref je vooral gemengde bedrijven. Naast zijn varkens heeft Karel ook nog 31 hectare akkerbouwteelten. Bijna een derde van dat areaal gebruikt de boer voor de teelt van aardappelen, die allemaal bestemd zijn voor de vrije markt. “Contracten vind ik maar niks”, klinkt het. Die keuze heeft hem de voorbije jaren geen windeieren gelegd. Niet dat Karel zijn bedrijfsrendement laat afhangen van wispelturige omgevingsfactoren. Omdat ook zijn oudste kinderen gebeten zijn door de landbouwmicrobe kiest hij bijvoorbeeld voor eigen arbeid boven ingehuurd loonwerk. Een vijftal jaar geleden begon hij zelf landbouwmachines te kopen, deels samen met één van zijn boerende broers. “We hebben de machines nooit op hetzelfde tijdstip nodig, aangezien mijn broer biologisch melkveehouder is. Daardoor verloopt de samenwerking in de beste verstandhouding”. De suikerbieten, tarwe en aardappelen zijn samen goed voor 10 à 20 procent van het bedrijfsinkomen.

      Op Hof ten Thorre is de varkenskweek dus de kernactiviteit. Op het gesloten bedrijf zijn 160 zeugen gehuisvest, waarvan een zestigtal stamboekdieren van het Piétrainras. Ooit was dit gevlekte en gespierde varkensras de trots van Wallonië, maar vandaag wonen de beste fokkers in onze regio. Karel Devreese schat dat er in Vlaanderen een vijftigtal fokbedrijven zijn die Piétrainberen prepareren voor de KI-centra. Door de opmars van de kunstmatige inseminatie is het aantal stamboekfokkers de voorbije jaren wel fors gedaald. “Vroeger werden de middelmatige beren verkocht aan varkensboeren, maar die tijd is stilaan voorbij. KI-centra zijn alleen maar geïnteresseerd in topkwaliteit, en dus blijven alleen de beste fokkers over”.

      Ongeveer dertig procent van de mannelijke biggen groeit op het bedrijf van Karel uit tot een verkooprijpe spermaproducent. Dergelijke beren leveren 1.000 à 1.500 euro op. De andere vleesrijke nakomelingen van de stamboekzeugen belanden aan het eind van hun boerderijcarrière aan een interessante meerprijs in het circuit van een kleinhandelaar. De afstammelingen van de ‘klassieke’ zeugen worden dan weer geleverd aan de varkenscoöperatie Covavee. “Vooral de selectie is echt wel mijn ding. Als kleine jongen was ik een rasechte melkveeliefhebber die de afstamming van elk dier perfect uit het hoofd kende. Toen ik varkensboer werd, lukte het wonderwel om fokzeugen van het Piétrainras te kweken. Er zijn genoeg hybridebedrijven op de markt die op basis van cijfermatige programma’s klassieke fokzeugen van topkwaliteit voortbrengen. De selectie van stressgevoeligere Piétrainberen is daarentegen iets wat zich niet laat berekenen door computers, maar waarvoor vakmanschap vereist is. Ik steek niet onder stoelen of banken dat ik er het hele jaar door een goede cent aan verdien. Even belangrijk is dat ik enorm veel voldoening put uit de vereiste arbeid en studie”.

      Open de deuren! De nationale kampioenstitel en lucratieve verkoopprijs voor Joop op Agriflanders noemt Karel de bekroning van jarenlang werk. Het supervarken werd gelauwerd om zijn “enorme spiermassa met veel type en correct beenwerk”. Dat bleek een artikel waard in heel wat kranten en vakbladen. Om bij KI-stations in de kijker te lopen, schuimt Karel Devreese jaarlijks nationale en provinciale prijskampen en een achttal veilingen voor fokvarkens af. De varkensboer maakt echter niet alleen reclame voor zichzelf.
      In de zomerperiode ontvangt hij op zijn bedrijf regelmatig groepen met volwassenen. “Ik schik me naar de wensen van de bezoekers. Als ze enkel sexy konten willen zien, dan zorg ik mee voor de ambiance. Maar eigenlijk organiseer ik de bezoeken om consumenten te confronteren met de paradoxen waar ik als varkensboer elke dag mee te maken krijg. Wie zijn inkopen doet bij discounters mag niet verwachten dat boeren wonderen doen. We hebben echt nood aan een fair trade-label voor onze producten”.

      Karel Devreese is voorzitter van de lokale Boerenbond-afdeling, maar ook van de plaatselijke milieuraad. Hij staat bekend om zijn progressieve – lees: kritische – kijk op het samenspel tussen landbouw en maatschappij. Alle beren zitten bij hem op stro en mocht hij kunnen herbeginnen, zou Karel naar eigen zeggen er misschien wel voor opteren om zijn zeugen een vrije uitloop te gunnen. “Iedereen schijnt het er vandaag over eens te zijn dat de landbouw de dialoog moet aanknopen met de maatschappij. Die visie staat toch haaks op gesloten deuren?” Dat zijn bezoekersgroepen een verhoogd hygiënerisico in hun voetsporen meedragen, neemt de boer er maar bij. Of zijn ontvangstzaal straks een rendabele investering zal blijken? “Ik pak dat project professioneel aan, maar kosten en mogelijke opbrengsten heb ik eerlijk gezegd nog niet afgewogen. Op sociaal engagement moet niet altijd een prijs geplakt worden. Het beleidsdiscours over boeren als zakelijke bedrijfsleiders vind ik daarom nogal eenzijdig. Boer zijn is méér dan dat alleen”.

      Problemen aanpakken De jongste weken haalde de varkenshouderij met verscheidene dossiers de krantenkoppen. Eerst was er de GAIA-campagne over onverdoofde biggencastratie. “Ergens kan ik hun standpunt toch wel begrijpen. Biggen castreren is trouwens veruit het werk dat ik het minst graag doe”. De meeste boeren vinden het in de eerste plaats een tijdrovende en veel te lawaaierige bezigheid, maar voor Karel is een ander argument nog veel belangrijker: “Die ingreep doet de dieren pijn (korte stilte). Het is alsof ik het bij mezelf voel”. Bezoekers schotelen hem dan wel eens de vraag voor waarom hij er dan toch nog mee doorgaat. Dan antwoordt hij zonder omwegen dat zijn varkens zonder castratie twintig euro minder waard zouden zijn. “Maar ik hoop wel dat Europa dit dossier oppikt of dat er spoedig een vaccin op de markt komt. Hoe sneller we op een fatsoenlijke manier van die castratie verlost raken, hoe beter”.

      En wat dan gezegd van de ziekenhuisbacterie? Uit een kleinschalig onderzoek in Nederland is gebleken dat veertig procent van de varkens en een kwart van de varkensboeren besmet zouden zijn met MRSA. “Dat maakt mij bang”, zegt Karel. “Als uit het onderzoek in ons land straks hetzelfde blijkt, moeten we het probleem kordaat aanpakken. De volksgezondheid is prioritair”. De varkensboer weet wel niet hoe de maatregelen er dan moeten uitzien In de pers heeft hij wel iets opgevangen over de vermoedens die de Nederlandse landbouwminister Veerman in een brief aan de Tweede Kamer geuit heeft over de oorzaak van de ziekenhuisbacterie in varkensstallen: overmatig antibioticagebruik zou wel eens aan de basis kunnen liggen. “Daar schrik ik niet echt van. De varkens worden momenteel zo clean mogelijk gehouden waardoor de dieren nauwelijks nog weerstandsvermogen opbouwen. Als ze dan ook nog dicht bij elkaar zitten en in steeds grotere aantallen…”. Op het Hof ten Thorre krijgen de zeugen drie en de biggen vier vaccinaties. Via het voeder krijgen enkel de biggen nog een minimale hoeveelheid antibiotica toegediend. “Mét de nodige bedrijfsbegeleiding en voorschriften”, onderstreept Karel. “Misschien is het wel mogelijk om het antibioticagebruik in de varkenshouderij nog wat te laten zakken, maar met mijn huidig bedrijfsconcept zie ik niet meteen in hoe ik daar zelf kan aan meewerken”.

      Het gesprek is meer dan twee uur bezig en echtgenote Katrien laat subtiel blijken dat de verbouwingen verder moeten opschieten. De vrouw des huizes werkt halftime buitenshuis, maar Karel laat niet na haar bijdrage tot het familiebedrijf te onderstrepen. Wat tot slot de uitdagingen zijn voor de toekomst? De boer laat zijn gedachten afdwalen naar het komende bemestingsseizoen. Hij is helemaal niet te spreken over het nieuwe mestdecreet. “Hoewel we ook vroeger al in kwetsbaar gebied lagen, zal ik nu voor het eerst verplicht worden om mest te verwerken. En dat om de mestverwerking voor industriële bedrijven betaalbaar te maken. Ik begrijp niet dat er niet meer protest komt tegen deze aanpak. Dat Europa de wet dicteert? Dat was vier jaar geleden toch ook al zo toen minister Dua voorstelde om 46 procent van Vlaanderen kwetsbaar te maken. Had men het probleem tien jaar geleden aangepakt zoals het hoorde, moesten ze de voorbije maanden ook geen betwistbare grondstalen op mijn bedrijf komen nemen”. Maar de boer laat zijn beroepsfierheid niet aantasten door het mestvraagstuk. Wie positief en optimistisch is ingesteld, verzekert zichzelf meestal van bedrijfsopvolging. Bij geen enkele telg uit de familie Devreese stelt dit problemen, ook niet bij Karel. Van de zes kinderen staan Klaas en Adriaan al te trappelen om het levenswerk van het geslacht Devreese verder uit te bouwen. Wordt dus zeker vervolgd.


  • Belang van landbouw

    -
    Toon detail informatie

      De Vlamingen zien het belang in van de landbouw. De landbouw is volgens hen uiterst noodzakelijk (90%). Men is het er unaniem (98%) over eens dat de landbouw cruciaal is voor het produceren van ons voedsel. Bovendien vindt de Vlaamse bevolking de landbouw noodzakelijk in het kader van de autonomie (77%) en economie (81%) van een land.
      Voor de rest menen de Vlamingen dat de landbouw waardevol is in de context van ontspanning (70%). Een coherent verband wordt dan gevonden bij de stelling dat de landbouwgebieden moeten worden beschermd (81%).
      De stelling die poneert dat de natuur zou verdwijnen indien de landbouw verdwijnt, wordt slechts door 44% van de respondenten beaamd. Een bijna even groot aandeel van de Vlaamse bevolking gaat hier niet mee akkoord (43%).
      Men kan stellen dat het belang dat aan de landbouw wordt toegeschreven hoger is dan in 2002. De Vlamingen hechten voornamelijk meer waarde aan de landbouw voor wat betreft de productie van voedsel en de draagwijdte van de landbouw in de autonomie en economie van een land.

  • Beleef de boerderij

    Beleefdeboerderij.be bundelt het landbouweducatieve aanbod in de provincie Oost-Vlaanderen. Schol...
    Toon detail informatie

      Beleefdeboerderij.be bundelt het landbouweducatieve aanbod in de provincie Oost-Vlaanderen. Scholen kunnen bij een bezoek aan een landbouwbedrijf een subsidie aanvragen bij de provincie Oost-Vlaanderen.

      Meer informatie: Provincie Oost-Vlaanderen

  • Beleid als obstakel of duwtje in de rug?

    De drie belangrijkste actoren in de korte keten in Vlaanderen, met name VLAM, KVLV en Voedselteam...
    Toon detail informatie

      Knelpunten. Een eerste obstakel is dat hoeveproducenten wel aan diverse regelgevingen moeten voldoen, maar er geen wettelijke definitie van ‘hoeveproduct’ is en geen duidelijke afbakening van het concept korte keten. De partners van de knelpuntennota stellen vast dat het beleid van de Vlaamse overheid vandaag sterk gefragmenteerd is en moet gezocht worden in het Vlaams regeerakkoord 2009, in de beleidsnota Landbouw, Visserij en Plattelandsbeleid 2009-2014 en in het Strategisch Plan Biologische Landbouw 2008-2012.

      Tijdens het parlementair debat dat door het symposium werd uitgelokt, merkte Vlaams volksvertegenwoordiger Tine Eerlingen (N-VA) op dat de korte keten zich moet wenden tot drie beleidsdomeinen, met name Landbouw, Leefmilieu én Cultuur. Beleidsinitiatieven zijn zowel terug te vinden op Vlaams niveau als op het niveau van de provincies en gemeenten. Voor de producent is het niet gemakkelijk om daar zijn weg in te vinden, zodat het Steunpunt Hoeveproducten als aanspreekpunt vanuit de sector verder structureel ondersteund moet worden en volgens de partners in de korte keten ook een overkoepelende werking moet blijven uitvoeren.

      Wat financiële ondersteuning van de hoeveproducent zelf betreft, kan thuisverkoop rekenen op subsidies vanuit het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF). Voor specifieke investeringen voor de productie en verkoop van hoeveproducten is verhoogde VLIF-steun (28%) mogelijk, maar in de knelpuntennota wordt gevraagd om die verhoogde steun nog uit te breiden. Een belangrijk pijnpunt is het minimum investeringsbedrag van 15.000 euro waardoor veel investeringen van thuisverkopers uit de boot vallen.

      Beleid. Vlaams minister-president Kris Peeters, vertegenwoordigd door zijn kabinetchef Joris Relaes, liet op het symposium weten dat er na analyse van de knelpuntennota en overleg met de sector een ‘Strategisch Plan voor de Korte Keten’ komt. Daarin zal om te beginnen verder onderzoek bevolen worden naar de rendabiliteit van hoeveverkoop. Tevens engageerde Peeters zich voor structurele financiële ondersteuning van het Steunpunt Hoeveproducten vanaf 2012. Op het niveau van de producent, zullen landbouwers in spe tijdens de klassieke landbouwopleiding kunnen kennismaken met directe verkoop. Wanneer een actieve landbouwer in het korte keten verhaal wil instappen, dan kan hij zich via naschoolse vorming voorbereiden. In het kader van het nieuwe Progammeringsdocument voor Plattelandsontwikkeling (PDPO III) zal worden nagegaan welke nieuwe maatregelen nog mogelijk zijn. Zo wordt bekeken of innovatiecheques een stimulans kunnen zijn om een korte keten project op te zetten.

      Om de afzet van hoeveproducten te versterken, zullen VLAM en VILT hun promotie van korte keten initiatieven versterken. VILT, het Vlaams infocentrum land- en tuinbouw zal hoeveproducenten stimuleren nog meer gebruik te maken van het magazine Melk & honing om de vermarkting van hun product te begeleiden. Met die combinatie van maatregelen wil Peeters de korte keten beter organiseren en het potentieel uitbreiden. Daarmee gaat hij in op de meeste vragen die tijdens het symposium naar boven kwamen en erkent hij de socio-economische voordelen die een korte keten kan bieden. Waar korte keten vandaag nog een strategische niche is, ziet Sandra Karner van het FAAN-netwerk, de context en het bewustzijn bij de consument groeien zodat korte keten duidelijk nog groeipotentieel heeft. “Het vermarkten van de eigen hoeveproducten is een positieve keuze en de korte keten moet even professioneel gerund worden als de gangbare landbouw”, besluit Peeters.

  • Bemesten op het scherp van de snee

    Nu de akkers en weiden stilaan opdrogen, staan de Vlaamse boeren en tuinders voor het bemestingss...
    Toon detail informatie

      Bemesten kan je vergelijken met koorddansen. Geraak je uit balans, dan laat het negatief effect niet lang op zich wachten. Zowel een tekort als een overschot aan bepaalde voedingselementen (stikstof, fosfor, kalium, enz.) kan de opbrengst en de kwaliteit van het geoogste product negatief beïnvloeden. Door meer dierlijke mest of kunstmest toe te dienen dan nodig voor de planten, vergroot je bovendien het risico op uitspoeling van de nutriënten naar het oppervlakte- en grondwater.

      MAP I, MAP II, MAP II bis, enz.
      Om waterverontreiniging door nutriënten afkomstig uit de landbouw tegen te gaan, werken de Vlaamse en Europese overheid sedert 1991 mestactieprogramma’s uit. Geleidelijk aan werden de bemestingsnormen en -regels aangescherpt. In 2011 zorgde de introductie van MAP 4 voor consternatie omdat de ambitieuze doelstellingen voor de waterkwaliteit volgens de landbouwsector niet meer rijmden met rendabele gewasopbrengsten. Voor veehouders werd het wegwerken van een mestoverschot opnieuw duurder.

      bemesting_NTV.2.bmpSindsdien is er heel wat water naar de zee gevloeid. Met de steun van de Vlaamse regering (het flankerend beleid bij MAP 4) schaven boeren en tuinders aan hun bemestingstechnieken om goede gewasopbrengsten te behalen zonder de waterkwaliteit te hypothekeren. Op het terrein zijn het de praktijkcentra in de diverse deelsectoren samen met het coördinatiecentrum CVBB die de land- en tuinbouwers individueel begeleiden bij bemesting en teelttechniek. Hun advies op perceelniveau is complementair met het advies dat de Vlaamse Landmaatschappij op bedrijfsniveau verstrekt.

      Vorig jaar werden 852 landbouwbedrijven in Vlaanderen vanuit de praktijkcentra begeleid door CVBB-medewerkers. De belangstelling is dit jaar opnieuw groot, met nu reeds een aantal aanvragen dat vergelijkbaar is met het totale aantal in 2013. Wie geïnteresseerd is, kan best contact opnemen met het praktijkcentrum of de provinciale coördinator van CVBB in zijn of haar regio (hun contactgegevens vind je onderaan dit artikel, nvdr.). De begeleiding wordt voor een groot deel betoelaagd door CVBB, als teler betaal je slechts een beperkte bijdrage.

      Regelmatig analyseert het coördinatiecentrum de MAP-meetpunten zodat de evolutie van de waterkwaliteit op de voet gevolgd kan worden. Op initiatief van CVBB werden er waterkwaliteitsgroepen opgericht die lokale landbouwers en experten samen rond de tafel zetten. Van onderuit en regionaal werken zij aan een verbetering van de waterkwaliteit. In totaal zijn 166 waterkwaliteitsgroepen actief zodat over gans Vlaanderen boeren de koppen bij elkaar steken. Zij gaan op zoek naar de oorzaken van één of meerdere rode MAP-meetpunten in de buurt van hun bedrijf of percelen. Vervolgens kan er over oplossingen worden nagedacht. Het meeste werk aan de winkel is er in West-Vlaanderen, waar 42 waterkwaliteitsgroepen zich buigen over 149 rode (>50 mg nitraat/l) of oranje (>40 mg nitraat/l) MAP-meetpunten.

      Bemesten is werk voor een vakman
      In de wetenschap dat de Europese Commissie zich ontevreden uitliet over de huidige lichte verbetering van de waterkwaliteit, is het aan de landbouwsector om in de beperkte tijd die nog rest een tandje bij te steken. Verandert dat niets aan het oordeel van de EU, dan heeft 2015 mogelijk een verdere verlaging van de bemestingsnormen in petto. Het loont dus om nu niet te kijken op een ‘bovenwettelijke inspanning’. De Vlaamse landbouwadministratie verwoordt dat mooi als volgt in de praktijkgids Bemesting: “Naast het naleven van de wettelijke verplichtingen is uw vakmanschap op vlak van bemesting essentieel om tot de gewenste resultaten te komen.”

      Lees ook:
      Praktijkgids Bemesting

      Concreet, wat kan jij als land- of tuinbouwer doen? We leggen die vraag onder meer voor aan Greet Pauwels van de Mestbank. Geduld is een schone deugd, vertelt ze, ook bij het bemesten. Nog te vaak wordt vroeg in het voorjaar ‘de mestput leeg gereden’ op percelen waar pas eind april of in mei maïs gezaaid wordt.

      Volgens Toon De Keukelaere, dossierhouder Mestbeleid bij Boerenbond, is een voldoende grote mestopslag de enige duurzame oplossing voor bovenstaand probleem. Idealiter komt er ook mestopslagcapaciteit bij in de akkerbouwstreken zodat transporteurs tijdens de wintermaanden de mest naar de plaats van bestemming kunnen rijden. Indien deze opslag voldoende groot is, beschikken akkerbouwers automatisch ook over een product met een meer constante inhoud en samenstelling. De obstakels zijn het extra papierwerk voor dergelijk mesttransport, uiteraard de investering maar ook het wantrouwen tussen akkerbouwers en veehouders.

      Dat laatste vraagt om een woordje uitleg. “Een akkerbouwer wil precies weten hoeveel nutriënten hij een gewas toedient met dierlijke mest, maar daarover bestaat nogal wat onzekerheid”, legt De Keukelaere uit. “Een meststaal rechtstreeks uit de mestkelder kan maar nauwkeurig zijn als de mest vooraf voldoende gemixt is. Bij niet-gemixte mestputten kan het verschil in nutriënteninhoud tussen de eerste en laatste lading mest erg groot zijn.” Naar Nederlands voorbeeld zou van elk mesttransport een staal genomen kunnen worden, maar dat idee wimpelt De Keukelaere af gelet op het prijskaartje dat daaraan vasthangt voor de aanbieder of afnemer van de mest. Bovendien is het analyseresultaat pas enkele weken later bekend, lang nadat de bemesting is uitgevoerd.

      Geholpen door technologische vooruitgang moet het ook zonder analyses van elke vracht mest mogelijk zijn om dierlijke mest in de toekomst efficiënter aan te wenden. Zo experimenteert de Hooibeekhoeve in het kader van een ADLO-demoproject met rijenbemesting in maïs. Voor kunstmest is dat al jaren gemeengoed in onze regio, maar door hetzelfde uit te testen voor drijfmest waagt het praktijkcentrum van de provincie Antwerpen zich op onontgonnen terrein.
      Lees ook:
      Tips van VLM voor een betere benutting van de mest
      Bij de ‘officiële’ start van het bemestingsseizoen was het de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) die landbouwers sensibiliseerde rond een efficiënte aanwending van dierlijke mest. Veehouders met overvolle mestkelders kregen het advies om de overtollige mest bij voorkeur op grasland of graanpercelen aan te wenden. De kans op uitspoeling van nutriënten is hier immers kleiner dan op een perceel dat nog ingezaaid moet worden.

      Anders dan op grasland is dierlijke mest op wintergraan tamelijk ongebruikelijk, en wordt de drijfmest die uitgespaard wordt op graanpercelen niet zelden als extraatje gegeven aan maïs en bieten. “Vroeg in het voorjaar is het niet evident om met een zware drijfmestton een graanperceel te berijden. Je brengt het gewas en de bodem meer schade toe in vergelijking met kunstmest strooien of vloeibare stikstof spuiten, waarbij je met smalle banden en een beperkt totaalgewicht het veld op gaat en een grotere werkbreedte hebt”, verklaart De Keukelaere. Anderzijds zijn er wel enkele akkerbouwers die er met succes in slagen om drijfmest als eerste of tweede stikstofgift toe te dienen. Een sleepslangsysteem - in de mate dat er al loonwerkbedrijven in Vlaanderen mee uitgerust zijn - kan soelaas bieden. Toch is ook die manier van mest uitrijden weersafhankelijker dan het gebruik van kunstmest.

      Pc wordt onmisbaar werktuig bij correct bemesten
      Nieuw dit jaar is dat het internetloket ‘SMIL’ van de Mestbank uitgebreid zal worden om mestanalyses aan te melden. Op termijn zullen de mestafzetdocumenten automatisch gekoppeld worden aan de resultaten van de bijbehorende mestanalyses. Dat moet een akkerbouwer toch al in staat stellen om een betere inschatting te maken van de optimale of maximale bijbemesting met kunstmest.

      De elektronische dienstverlening van de overheid maakt het verder mogelijk dat een landbouwer binnen de 24 uur na het indienen van zijn perceelaangifte via het e-loket Landbouw & Visserij een bemestingsprognose uitprint die een overzicht geeft van de maximaal toegelaten bemesting op perceelniveau. Een groenteteler leest daar zelfs op af hoeveel bodemstalen voor bemestingsadvies hij moet laten nemen, en op welke percelen. “Een landbouwer heeft er dus baat bij om de verzamelaanvraag zo snel mogelijk in te dienen”, aldus Pauwels.

      Door de intensieve samenwerking tussen de Vlaamse Landmaatschappij en het Agentschap voor Landbouw en Visserij biedt de elektronische perceelaangifte voortaan ook een overzicht van alle groene en rode MAP-meetpunten. Qua sensibilisering kan dat tellen. Tot slot vertelt het e-loket of het perceel in focusgebied dan wel gebied voor grondwaterwinning gelegen is, of er derogatie op aangevraagd is, of er een maatregelenpakket vanwege een te hoog nitraatresidu van toepassing is, enz.

      Afstandsregel tot waterlopen
      Zowel Greet als Toon bestempelen het respecteren van de nulbemesting langs waterlopen als een ‘quick win’. Bij het uitrijden van dierlijke mest en strooien van kunstmest dient er een bufferzone van vijf meter gerespecteerd te worden langs bevaarbare waterlopen en onbevaarbare waterlopen van categorie 1, 2 en 3. In VEN-gebied is dat zelfs tien meter. “Nieuw dit jaar is dat deze waterlopen op het e-loket Landbouw & Visserij weergegeven zijn met een blauwe streepjeslijn”, vertelt Pauwels. Zij verduidelijkt dat grachten die niet ingekleurd zijn op het e-loket buiten de reglementering vallen. Maar een vooruitziende boer tracht ook daar te vermijden dat de kunstmestkorrels voorbij de perceelrand en in het water vliegen.

      “Dat laatste is typisch een probleem bij oude meststoffenstrooiers”, weet Toon De Keukelaere. Als akkerbouwer voelt hij veel voor afstandregels tot de watgewasbescherming2_Cofabel.giferloop die aangepast zijn aan de techniek van mestverspreiding. “Bij het toedienen van kunstmest zonder kantstrooier dreigt er zonder brede buffer heel wat kunstmest in de beek terecht te komen terwijl je vloeibare stikstof met aangepaste doppen op de spuitmachine tot op een halve meter nauwkeurig kan toedienen. Hetzelfde geldt voor dierlijke mest. Er is een hemelsbreed verschil in precisie tussen bovengronds uitrijden van drijfmest of het meteen injecteren.”

      Door de nulbemesting langs de waterloop te differentiëren naargelang de verspreidingstechniek zou het draagvlak voor de afstandregel kunnen vergroten, en automatisch ook de naleving ervan. Vandaag wringt de ‘5-meter-regel’ ietwat met de ingesteldheid van een landbouwer die zijn gewas in alle hoeken van het perceel wil zien blaken van gezondheid. Afwijken van zo’n algemene regel is evenwel niet zonder gevaar. Het komt de duidelijkheid van de regelgeving meestal niet ten goede. “We moeten er goed over waken dat de regels uitvoerbaar blijven voor de landbouwers en controleerbaar voor de Mestbank”, waarschuwt Pauwels.

      Hoewel De Keukelaere die bezorgdheid deelt, kan een gezonde dosis inlevingsvermogen volgens hem geen kwaad. “Neem nu de regels omtrent opslag van stalmest. In de handhaving moet je streng zijn wanneer de afstand tot beken of openbare wegen niet gerespecteerd wordt bij tijdelijke stockage van stalmest op het veld. Mestsappen die afvloeien van een perceel zijn een dooddoener voor het milieu en het imago van de sector. Maar je zou wel begrip kunnen tonen wanneer het door tegenvallende weersomstandigheden niet lukt om de mest voor half november - of in het voorjaar binnen de maand - open te spreiden en onder te werken. Anders gebeurt dat in slechte omstandigheden, wat ook geen zoden aan de dijk brengt.”

      Handhaving mestbeleid
      Gevraagd naar de controles door de Mestbank legt Pauwels uit dat de inspecteurs vooral op pad gaan in de focusgebieden met een kwetsbare oppervlakte- of grondwaterkwaliteit en in de zogenaamde ‘quick-win-gebieden’. Dat zijn de landbouwregio’s in de omgeving van een groen MAP-meetpunt dat dreigt om te slaan in rood omdat het risico op een overschrijding van de nitraatnorm (50 mg N per liter water) er groot is. “Dat willen we vermijden door op die plekken voldoende op het terrein aanwezig te zijn.” Dikwijls gaat het om de typische risicogebieden met veel groenteteelt in vollegrond of een intensieve veehouderij.

      Terreincontroles kunnen bij landbouwers op meer sympathie rekenen dan administratieve controles van de mestbalans op bedrijfsniveau. “Controles moeten relevant zijn en in staat zijn om de hardleerse boeren aan te pakken”, zegt De Keukelaere daarover. “Pak je hen niet aan, dan werkt dat zelfs averechts en ontmoedigend op de grote groep landbouwers die het goed menen.” Hij gelooft er sterk in dat de landbouwsector met vereende krachten het mestprobleem kan oplossen. Tegelijk rekent de dossierhouder bij Boerenbond op de overheid voor een “door de sector gedragen, uitvoerbaar en controleerbaar beleid”, nu en in de toekomst.

      Bedrijfsbegeleiding
      Twee jaar geleden werd de organisatiestructuur van de Vlaamse Landmaatschappij aangepast. De opdrachten begeleiding van landbouwers en controle op overtredingen door diezelfde landbouwers zijn sindsdien duidelijk gescheiden. Dat moest de drempelvrees om aan te kloppen bij de dienst Bedrijfsadvies van VLM wegnemen. “Doorgaans stellen we zelf begeleiding voor naar aanleiding van een te hoog nitraatresidu, maar de landbouwers zien de meerwaarde van onze begeleiding in en nemen ook meer en meer spontaan contact met ons op”, vertelt diensthoofd Luc Gallopyn. Meer dan 200 vrijwillige begeleidingen zullen in het vroege voorjaar van 2014 worden uitgevoerd.

      mest.stalmest.2.jpgDe bedrijfsadviseurs van VLM werken in vertrouwen. Zij wijzen een landbouwer wel op eventuele fouten tegen de mestwetgeving maar spelen deze vaststellingen niet door aan de inspecteurs van de Mestbank. “We rekenen op de verantwoordelijkheid en medewerking van de landbouwer wanneer we de dingen aankaarten zoals ze zijn. Op die manier kunnen gerichte adviezen verstrekt worden”, aldus Gallopyn.

      De afgelopen twee jaren kregen in totaal 850 landbouwers een bedrijfsbegeleidend advies van VLM. Daarin vernamen ze of hun mestbalans klopt, hoeveel ze maximaal mogen bemesten op perceelniveau, waar de focusgebieden en MAP-meetpunten nabij het bedrijf gelegen zijn, kregen ze indien nodig uitleg over de mestwetgeving en het maatregelenpakket bij een te hoog nitraatresidu. Door begeleiding bij de opmaak van bemestingsplannen en advies op maat van grondloze glastuinbouwbedrijven bereikte de dienst Bedrijfsadvies in 2012 en 2013 nog eens bijna 1.800 Vlaamse boeren en tuinders.

      De 15 bedrijfsadviseurs helpen landbouwers om hun bemesting milieukundig op punt te stellen zonder in te boeten op gewasopbrengsten. “Onze bedrijfsadviseurs trekken veel tijd uit om bijvoorbeeld te wijzen op het belang van het tijdstip van bodemstaalnames gekoppeld aan de groeicurve van de gewassen, de stikstofwerkingscoëfficiënten van de verschillende mestsoorten, het belang van de periode van toedienen van meststoffen en het fractioneren van de bemesting, het nut van groenbedekkers, de bodemkwaliteit en het gehalte aan organische stof. Nu problemen niet meer gecamoufleerd kunnen worden door meer te bemesten, moeten parameters zoals de zuurtegraad van de bodem optimaal zijn. Een te hoge of te lage pH maakt nutriënten minder beschikbaar voor de gewassen”, besluit Gallopyn met een tip.

      Wend je voor bedrijfsbegeleiding tot VLM en voor bemestingsadvies in functie van de teelten tot het praktijkcentrum of de provinciale coördinator van CVBB in jouw regio.

  • Bert Bohnen - Boerenbond

    Hoewel het bemestingsseizoen al een aantal weken aan de gang is, blijven er op het terrein een aa...
    Toon detail informatie

      Heel Vlaanderen is voortaan kwetsbaar gebied, waar de bemestingsnorm van 170 kg dierlijke stikstof per hectare geldt. Wat zijn de gevolgen voor het mestoverschot op Vlaams niveau?
      Bert Bohnen: Het mestoverschot dreigt nu weer toe te nemen tot meer dan een kwart van de totale productie. Gelukkig is in de nitraatrichtlijn een bepaling voorzien dat landen die in orde zijn met hun actieplan afwijkingen van de bemestingsnorm kunnen bekomen voor planten met een lang groeiseizoen en hoge stikstofbehoefte. Als Vlaanderen de verhoopte derogatie krijgt, kan er meer eigen mest gebruikt worden in plaats van aan te kopen kunstmest. In dat geval daalt het mestoverschot tot ongeveer twintig procent van het totale mestvolume. Voor individuele landbouwers zal het nieuwe mestdecreet niettemin ingrijpende gevolgen hebben.

      Dat heeft te maken met de uitscheidingscijfers die de mestproductie per dier bepalen. Met name de melkveehouders lijken een kat in de zak gekocht te hebben?
      Terwijl de wetgever vroeger het forfaitair uitscheidingscijfer van 97 kilo stikstof per koe hanteerde, geldt nu de melkproductie als basis voor die berekening. Hoe hoger de melkgift van een koe, hoe hoger het uitscheidingscijfer. Op die manier kan dat per koe oplopen tot meer dan 130 kilo. Sommige melkveehouders zullen dus op zoek moeten naar nieuwe afzetmogelijkheden voor mest. Dat zal ook gevolgen hebben voor varkensboeren die hun mest niet langer kwijtraken bij melkveehouders uit de buurt, omdat die voortaan zelf iedere morzel grond nodig hebben. Voor vleesvee geldt dan weer net het omgekeerde. Het uitscheidingscijfer van zoogkoeien is immers gezakt van 97 naar 65 kilo stikstof.

      De melkveehouders zijn dus de dupe?
      In landen zoals Nederland en Denemarken liggen de uitscheidingscijfers nog hoger. Maar daar is ook een logische verklaring voor: de daadwerkelijke uitscheiding van onze koeien is lager als gevolg van een voederrantsoen met meer maïs. Maar die landen zouden nooit instemmen met een derogatie voor Vlaanderen indien de Vlaamse overheid zou vasthouden aan de forfaitaire norm uit het verleden. Komt daarbij dat Europa de opsplitsing van het uitscheidingscijfer expliciet geëist heeft.

      Op het terrein zal er behoorlijk moeten gepuzzeld worden aan de mestafzet. Hoe erg is dit?
      (zucht) Het bekomen van de derogatie is van cruciaal belang. Maar sowieso wordt 2007 een erg moeilijk overgangsjaar. De wetgeving is er pas laat gekomen, er moeten nog uitvoeringsbesluiten volgen, en intussen moeten de landbouwers zich maar aanpassen aan de plots gewijzigde situatie. Veel varkenshouders zijn op zoek naar nieuwe afzetmogelijkheden en melkveehouders becijferen of ze zelf voldoende grond hebben om hun mest nog kwijt te raken. Ik vrees dat de prijzen op de mestmarkt daardoor wel wat kunnen stijgen. Om de gevolgen van het mestdecreet globaal in te schatten, is het nu echter nog wat te vroeg. Feit is dat er momenteel veel onzekerheid is bij de landbouwers. Er is dus een belangrijke taak weggelegd voor de voorlichters en hopelijk zullen minister Peeters en de Mestbank wat begrip tonen indien de puzzel nog niet meteen in de juiste plooi valt.

      Veehouders zetten in de mate van het mogelijke hun mest af op eigen grond. Wanneer die mogelijkheid uitgeput is, zijn er nog diverse andere opties: mestafzet op grond van derden, transport op lange afstand en mestverwerking met de daaraan gekoppelde export. Zullen in dat patroon straks wijzigingen optreden?
      Je moet rekenen dat veehouders ongeveer de helft van hun mest kwijt kunnen op bedrijfseigen gronden. Van die andere helft wordt ongeveer zestig procent afgezet bij collega’s. Meestal gaat het om een burenregeling, maar ook het mesttransport naar verafgelegen akkerbouwgebieden zal blijven bestaan. Hoewel grote veebedrijven niet langer wettelijk verplicht zijn om hun mest over lange afstand te vervoeren, zal het opgebouwde netwerk voor veel boeren nog goed van pas komen. De mest die dan nog overblijft, wordt uiteindelijk geëxporteerd of verwerkt Dat aandeel zal toenemen ten koste van de mestafzet op de grond van derden. De uitgevoerde mest belandt voornamelijk in Frankrijk en Duitsland. Met bepaalde bodemverbeteraars kunnen we nog naar Wallonië, maar de grens blijft grotendeels gesloten. We houden in de gaten of de Nederlanders er in slagen om die markt open te breken voor hun mestafzet. Als hen dat zou lukken, zit er in ons land iets grondig scheef (flauwe lach).

      De Vlaamse landbouwers mogen de aangevraagde afwijking van de bemestingsnormen meteen toepassen. Wanneer verwacht je definitief uitsluitsel over de derogatie?
      Vlaanderen heeft in het verleden al een derogatie toegepast in kwetsbare gebieden. Helaas was die niet aangemeld en dat heeft de besprekingen met de Europese Commissie zeker niet vergemakkelijkt. Vooraleer een nieuw derogatievoorstel kon ingediend worden, moest de Vlaamse overheid op de proppen komen met een actieplan en een goedgekeurd mestdecreet. In die optiek werd ook al een eerste uitvoeringsbesluit over emissiecijfers principieel goedgekeurd. De komende maanden zal het Europese nitraatcomité het Vlaamse derogatievoorstel bespreken. In juli weten we allicht meer. Denemarken, Nederland, Ierland, Duitsland en Wallonië hebben hun derogatie reeds beet, en dus hebben we er wel vertrouwen in. Ook al gaat het in de meeste andere landen om een bedrijfsgebonden derogatie in het voordeel van rundveehouders, terwijl Vlaanderen een teeltgebonden derogatie vraagt los van de soort mest. Stikstof is nu eenmaal stikstof. Van welk dier die afkomstig is, speelt voor de waterkwaliteit geen enkele rol.

      Dat klopt. Maar die derogatie zorgt wel voor een extra nitraatbelasting van het water. Is dat geen gevaar?
      Helemaal niet. Ik ben ervan overtuigd dat de nieuwe bemestingsnormen – inclusief de gevraagde derogatie – lager zijn dan hetgeen het water kan verdragen. Wel is het zo dat een aantal randvoorwaarden van belang zijn, bijvoorbeeld het tijdstip van bemesting, de wijze van toediening, enzovoort. Een belangrijke moeilijkheidsfactor bij dierlijke mest is de aanwezigheid van organisch gebonden stikstof. Die moet in de bodem eerst een natuurlijk nitrificatieproces ondergaan vooraleer de plant die nutriënten kan opnemen. Dat proces is dan weer afhankelijk van parameters zoals temperatuur en vochtigheid. Exacte wiskunde is iets anders.

      Er wordt dus een groot stuk verantwoordelijkheid in de schoenen van de landbouwers geschoven?
      Voor een stuk wel, maar het gaat om een geconditioneerde vrijheid. Landbouwers zullen voortaan met hun bemestingspraktijken geconfronteerd worden door steekproefsgewijze controles op reststikstof in het najaar. En uiteindelijk is die factor doorslaggevend voor de waterkwaliteit. Vroeger werden de papieren van de boeren gecontroleerd, nu kijkt men meer naar het eindresultaat. Door bovendien de middelen en maatregelen te concentreren in probleemgebieden worden de nitraatoverschrijdingen ook kordater aangepakt dan in het verleden. In dergelijke zones zal de Mestbank bij elke boer ieder jaar een dieptestaal nemen. Daarbij zal weliswaar rekening moeten gehouden worden met factoren zoals de teelt en grondsoort. Maar wie flink over de schreef gaat, haalt zich heel wat vervolgmaatregelen op de hals: een verplicht bemestingsregister, een bedrijfsdoorlichting door de Mestbank en drie bijkomende stalen op eigen kosten. Anderzijds zal de status van die hydrografisch afgebakende stroomgebieden jaarlijks herbekeken worden op basis van de lokale kwaliteit van het oppervlaktewater en later ook het grondwater. Daarmee wordt dus ook ingespeeld op de collectieve verantwoordelijkheidszin van elke boer in zo’n probleemgebied. Deze resultaatgerichte aanpak is de meest ingrijpende verandering in het mestbeleid van de jongste tien jaar. Het is een stap vooruit, op voorwaarde dat er geen blinde repressie mee gepaard gaat. In de eerste plaats moet het de bedoeling zijn om boeren een leerproces te laten doormaken. Bij die sensibilisering krijgt de Mestbank een belangrijke rol toebedeeld.

      De nutriëntenhalte wordt omgezet in nutriëntenemissierechten. Wat betekent dat concreet?
      Hierover moet nog een uitvoeringsbesluit uitgewerkt worden op basis van sectoraal overleg dat de komende weken zal plaatsvinden. Maar het is nu al duidelijk dat we een soepeler systeem krijgen. Het vorig jaar ingevoerde tussenschot tussen diersoorten zal weliswaar behouden blijven, om te vermijden dat de prijs enkel bepaald wordt door de sector waarin de meeste winst per kilo fosfaat gemaakt wordt. Op het eigen bedrijf mogen de rechten wel vrij aangewend worden tussen diersoorten, al is het nog de vraag hoe het dan precies moet bij de verkoop van diezelfde rechten. Maar wie vandaag koeien heeft, mag morgen dus varkens houden. Het decreet voorziet ook de mogelijkheid om de verkoop van nutriëntenemissierechten op maat toe te staan. Belangrijk is verder ook dat de vergunningenstop wegvalt. Daardoor wordt het systeem van de nutriëntenemissierechten de enige regulator van de mestproductie in Vlaanderen. Wie vroeger wilde uitbreiden, moest zowel de nutriëntenhalte als de milieuvergunning overnemen.

      Bij elke transactie wordt nog altijd 25 procent van de nutriëntenrechten afgeroomd?
      Dat is het basisprincipe, maar er zijn enkele belangrijke uitzonderingen. Zo is er geen sprake van afroming wanneer het gaat om een familiale bedrijfsovername of wanneer de overnemer een startende boer is. De rechten blijven ook volledig behouden wanneer de hoeveelheid nutriënten in kwestie naar de mestverwerking gaat. Dit is een goede beslissing, want eigenlijk heeft de afroming nooit gewerkt zoals de wetgever het oorspronkelijk bedoelde. In het verleden werd een kwart van de rechten afgeroomd bij de samenvoeging van bedrijven. In de praktijk voegden landbouwers hun bedrijven niet samen, maar creëerden ze een soort satellietbedrijven om te ontsnappen aan die regeling. Onnodig te zeggen dat zo’n constructies de bedrijfsstructuur niet ten goede kwamen. In het nieuwe decreet heeft minister Peeters dit probleem opgelost.

      Bouwt het mestdecreet een beperking in op de verplaatsing van dieren naar concentratiegebieden?
      Niet rechtstreeks. Maar in die gebieden is het voor veehouders wel duurder om van de mest af te raken: ofwel is de verwerkingsplicht hoger, ofwel moet de mest over langere afstanden vervoerd worden. Wie nog rechten naar concentratiegebieden wil doen vloeien, moet daar rekening mee houden. Er wordt wel werk gemaakt van een uitzonderingsmaatregel die ervoor moet zorgen dat boeren in veedichte gebieden autonoom kunnen groeien, zonder elders rechten weg te kopen. Dat zou mogelijk worden mits verwerking van de extra geproduceerde mest, met een toemaatje van 25 procent op dat volume. Wie niet verwerkt zoals het hoort, zal die verworven rechten meteen weer kwijtspelen. Bij die regeling zal dus een strakke regie gevoerd worden, maar anderzijds is het duidelijk dat het beleid zich vierkant achter de mestverwerking schaart. Dat was in het verleden anders, waardoor potentiële investeerders afgeschrikt werden. Je voelt heel duidelijk dat de stemming op het terrein intussen omgeslagen is, ook al is de wetgeving nog niet helemaal rond.

      Een gevoelig thema is de mestverwerkingsplicht…
      Een goed principe, met dien verstande dat een verwerkingsplicht van honderd of zelfs negentig procent technisch en economisch niet haalbaar is. Verwerkingsplichtige bedrijven mochten in het verleden ook geen extra grond verwerven en kregen aparte statuten opgekleefd. Wie zijn mest niet verwerkte, kreeg pas jaren later de superheffing in de bus. Enfin, er was een heel kluwen aan regels mee gemoeid waardoor zelfs de Mestbank nauwelijks nog het bos door de bomen kon zien. Het nieuwe mestdecreet concentreert de verwerkingsplicht in gebieden met een hoge mestdruk. Daar moeten veehouders tot dertig procent van hun netto stikstofoverschot verwerken, terwijl dat in andere streken slechts tien of twintig procent is. Bedrijven zien hun verwerkingsplicht aangevuld met 0,6 procent per volle schijf van duizend kilo netto stikstofoverschot. Kleinere veebedrijven met een te verwerken hoeveelheid van minder dan 5.000 kilo stikstof genieten daarentegen een vrijstelling.

      Hoe zie je de mestverwerking in Vlaanderen evolueren?
      Blijkbaar is het niet evident om op een rendabele manier energie te puren uit de vergisting van mest. Daardoor zijn momenteel eerder de biologische afbraakprocessen in opmars. Door de jaren heen is de kostprijs realistischer geworden. Vroeger zat de prijs voor mestverwerking boven de 25 euro per ton, nu is dat een stuk minder. In de toekomst verwacht ik dat de mest ook meer bewerkt zal worden in functie van de gebruiksmogelijkheden.

      Op een nieuw rondje warme sanering zit Boerenbond niet te wachten?
      Die mogelijkheid is wel degelijk voorzien in de wetgeving. Een warme sanering zou in de toekomst als vangnet kunnen fungeren voor bedrijven waar onoverkomelijke problemen opduiken. Maar een doel op zich mag het niet worden. Tenzij de waterkwaliteit niet verbetert, maar daar gaan we niet vanuit.

      De superheffingen uit het vorige mestdecreet worden vervangen door administratieve geldboetes. Maakt dat voor de veehouders veel verschil?
      Eigenlijk wel. Het geld van de superheffingen vloeide naar het Mina-fonds. Voortaan keren de boetegelden terug naar de veehouderij in de vorm van bijvoorbeeld extra steun voor staalnamen, mestopslag, enzovoort. Boetes geven de minister ook meer interpretatieruimte. Recidivisten zullen hun boete overigens zien verdubbelen.

      De Mestbank gaat zichzelf in een boervriendelijk kleedje stoppen. Maakt die facelift kans op slagen?
      Hoewel de Mestbank ook in het verleden een sensibiliserende taak had, leeft bij veel boeren het gevoel dat die instelling veel nadrukkelijker bezig was met controleren en bestraffen. Te dikwijls werden kansen gemist om een positieve bijdrage te leveren aan het mestprobleem. Controle is nodig, maar een goede adviesverlening kan voor een belangrijke kruisbestuiving zorgen: pas door mee te denken met de boeren zal het besef groeien dat oplossingen in de praktijk niet altijd voor de hand liggend zijn. Ik geloof er sterk in dat een goede begeleiding op het terrein een aanzienlijk deel van het mestvraagstuk kan oplossen. Adviseurs van de Mestbank kunnen bijvoorbeeld een rol spelen in de zogeheten waterkwaliteitsgroepen, die in een bepaald stroomgebied de nitraatwaarden in lokale waterlopen actief opvolgen. Wanneer zo’n groep boeren een onverbeterlijke stielbederver ontmaskert, kan de adviseur van de Mestbank er desnoods een collega-controleur op af sturen. Dat moet de nieuwe filosofie zijn.

      Wat is het zwakste punt van het nieuwe mestdecreet?
      (denkt lang na) Eén van de hoofdbetrachtingen was om een eenvoudig decreet te schrijven. Maar naarmate er meer uitvoeringsbesluiten verschijnen, zal blijken dat de wetgeving uiteindelijk toch weer erg ingewikkeld is en dat er nog behoorlijk wat papierwerk bij komt kijken. In die zin is het mestdecreet me eigenlijk wat tegengevallen.

      Wanneer verwacht je de eerste significante verbetering van de waterkwaliteit?
      Door kort op de bal te spelen in de probleemgebieden zouden er toch vrij snel zichtbare resultaten moeten zijn. Als Vlaanderen een derogatie krijgt, geldt die voor vier jaar. Het actieplan loopt tot 2011. Rond die tijd zal er dus een eerste belangrijke evaluatie plaatsvinden van het mestdecreet. Tegen dan moét de waterkwaliteit beter zijn. Er is geen weg terug.

  • Beschrijvende analyse

    -
    Toon detail informatie
  • Besparen op ventilatie

    Samen met de voederkost vormt ventilatie een aanzienlijke kostenpost voor de intensieve veehouder...
    Toon detail informatie

      Gaat een boer energiebesparingen op de ventilatie in zijn portemonnee voelen?
      Veerle Van linden: Zeker en vast, er kan gigantisch veel bespaard worden op ventilatie, terwijl het eindresultaat in de stal toch behouden blijft. De gemiddelde jaarlijkse energiekost voor mechanische ventilatie voor één vleesvarken bedraagt ongeveer 15 kWu. Voor één legkip is dat ongeveer 3 kWu. Dat is een kwart van het totale elektrische energieverbruik op een pluimvebedrijf en de helft op een varkensbedrijf.

      varkens_ILVO.2.pngVentileren in varkens- en pluimveebedrijven gebeurt altijd mechanisch. Wij gaan ervan uit dat daar op zich niet aan te tornen valt. Ook niet (of nauwelijks) aan de hoeveelheid te ventileren lucht, want die bepaalt het gezonde binnenklimaat in de stal. De ventilatiekost - het elektrisch verbruik van de ventilatoren - varieert echter sterk naargelang het rendement van de ventilator, het toerental, de correcte regeling van de ventilator en het drukverlies of de drukval over het systeem. Dat is de weerstand die de luchtstroom ondervindt, met name door luchtsnelheid, afgelegde afstand, snelheidsveranderingen en obstakels.

      Dat zijn dus allemaal kansen om te besparen: door veranderingen in het gebruik van de ventilator en de klimaatcomputer, door kleine aanpassingen aan bestaande systemen, door investeringen in nieuwe ventilatoren en/of ventilatorsturing die zich snel terugbetalen. In onze praktijkcode laten we de veehouder beschikken over een rekenmodule om het (financieel) effect van een bepaalde maatregel of set van maatregelen door te rekenen.

      Waarop baseren jullie de aanbevelingen in de code voor goede praktijk inzake mechanisch ventileren?
      Enerzijds hebben we gedurende meer dan een jaar een aantal pluimvee- en varkensbedrijven uit Oost- en West-Vlaanderen, Antwerpen en Limburg doorgelicht. Anderzijds hebben we zowel op proefschaal als in bestaande stallen experimentele wijzigingen in de ventilatie aangebracht. Telkens met een nauwkeurige registratie van het verbruik en van het technisch effect. Zo kunnen wij zowel technisch als verbruiksmatig een onderscheid maken tussen stalventilatiesystemen, types ventilatoren en types ventilatorsturingen.

      Qua stalventilatiesystemen is er natuurlijk al een grote diversiteit: in de pluimveehouderij werkt men bijvoorbeeld met lengte- (of eindgevel-), dwars-, tunnel-, en nokventilatie of een combinatie ervan met luchtinlaatkokers of ventielen. In de varkenshouderij is de variatie nog groter: deur- (d.i. voergang-), klep-, plafond-, buis- (d.i. het frisse-neuzensysteem, enkel in de kraamafdeling), ventiel-, combi- en grondkanaalventilatie. Deze systemen onderscheiden zich onderling in de manier waarop verse buitenlucht in de stal wordt gebracht.

      Tussen de ventilatiesystemen zien wij grote verschillen in drukopbouw in de stal of luchtweerstand die de ventilator moet overwinnen om verse buitenlucht binnen te trekken en weer af te voeren. De luchtweerstand is het grootst bij plafondventilatie. In vergelijking met bijvoorbeeld ventielventilatie moet eenzelfde ventilator een hoger toerental draaien om dezelfde hoeveelheid lucht te verplaatsen. Het elektrisch verbruik is navenant.

      ventilator_ILVO.1.pngQua type ventilatoren hebben we gekeken naar de aandrijving (direct of via riemoverbrenging), de spanning (220V of 380V), de diameter (grosso modo variërend van 35 cm tot 140 cm) en vooral ook het type stroom (wisselstroom of gelijkstroom). Naargelang de stal en de diersoort moeten ventilatoren ook andere functies vervullen: hoge drukken kunnen overwinnen, lucht verdelen in de stal of vooral lucht afzuigen.

      En dan heb je ook nog de aansturing: temperatuurvoelers en een computer die een bepaalde vork van de gewenste temperatuur moet opleveren. De meest eenvoudige sturing is een Aan/Uit-regeling waarbij de ventilatoren alleen werken wanneer het te warm wordt in de stal. Maar je hebt ook spanningssturing (triacregeling met spanningen tussen 60V en 220V), frequentiesturing (driefasige netwerken), toerentalregeling, intelligente ventilatoren met een stappenmotor, en ten slotte een regeling door debietmeting met een regelklep.

      Welke maatregelen of keuzes leveren de grootste energiebesparing op?
      Opvallend is dat gelijkstroomventilatoren 55 tot 70 procent minder elektriciteit verbruiken dan wisselstroomventilatoren. Heb je toch die laatste soort, dan is frequentiesturing zuiniger dan triacsturing (-20 tot 50%). De meerprijs bij aankoop is volgens onze berekeningen terug te verdienen door de energiebesparing op maximaal drie à vier jaar tijd, afhankelijk van de aanpassing.

      Ook het gebruik van instroomringen wordt nog te weinig toegepast. Nochtans verhoog je hiermee de energie-efficiëntie van je ventilator met minstens 15 procent! Bij centrale afzuiging in een vleesvarkensstal kan je op die manier al gauw 24 eurocent per dier per jaar besparen. Net zoveel bespaar je bij decentrale afzuiging met triacgestuurde ventilatoren.

      ventilator_ILVO.b1.pngEen grote diameter is meestal efficiënter dan een kleinere. Qua sturing durven we dit advies te geven: Stel de sturing intelligent in, en kijk of je niet overmatig ventileert. Een luchtinlaat bedraagt idealiter twee cm² per m³/u debiet. Tien procent te veel ventileren in een vleesvarkensstal kost je gauw 20 eurocent per dier per jaar. Een niet-aanwezig varken van 110 kg waarvoor je vergeet te corrigeren in de sturing door de ventilatiebehoefte aan te passen, kost je tot 19 kWu of 2,65 euro. Bereken dus de ventilatiebehoefte op het gemiddeld diergewicht in je compartiment en houd steeds rekening met de actuele stalbezetting. Soms is de sturing ook te nerveus afgesteld. Als je de bandbreedte rond je vraagtemperatuur instelt op 5°C, en bij koud weer zelfs op 9°C, verhoog je de levensduur van de ventilatoren aanzienlijk, omdat ze minder nerveus moeten aan- en uitslaan.

      Belangrijk is dat de intensieve veehouderij zich bewust wordt van het geld dat verdwijnt door slordig te ventileren. Met de code voor goede praktijk krijgen de veehouders een betrouwbare en onafhankelijke (lees: niet-commerciële) gids in handen om het eigen bedrijf door te lichten en aan te passen. Wij beginnen zowel voor als na de beurs Agribex – waar we uitleg kunnen geven op onze stand – ook aan een reeks lessen over ventilatie, overal in Vlaanderen. Het wordt een intensief demonstratieproject, met meerdere partners: door ADLO gefinancierd en in samenwerking met Inagro, het Innovatiesteunpunt en het Proefcentrum voor Pluimveehouderij.

      Meer info: Ventilatie varkensstallen & pluimveestallen

  • Beter beslissen met 'Pigs2win'

    ILVO illustreert de werking van het rekenmodel 'Pigs2win' met bedrijfsgegevens van enkele jaren g...
    Toon detail informatie

      Onderstaande tabel geeft aan dat het bruto saldo van bedrijf A lager is dan dat van de 4 geselecteerde referentiebedrijven. Technisch gezien scoort bedrijf A slechter voor voederconversie, groeisnelheid en voederopname per zeug. Ook de worpgrootte is hoger bij 3 van de 4 referentiebedrijven. De lagere groeisnelheid zorgt voor een langere mestduur. De voederkost voor vleesvarkens blijkt de belangrijkste kostenpost te zijn. Ondanks de slechtere voederconversie blijkt de voederkost bij bedrijf A lager te zijn dan bij referentiebedrijf 1 en vergelijkbaar met de voederkost van referentiebedrijf 4. Dit komt doordat bedrijf A een lagere prijs betaalt voor het voeder. De slechte voederconversie en de hoge voederopname per zeug zorgen ervoor dat bedrijf A de minst gunstige stikstofbalans heeft.

      Bovenstaand voorbeeld illustreert de gedetailleerde diagnosemogelijkheden op basis van Pigs2win. Stap 2 van het Pigs2win-rekenmodel laat dan toe om de effecten van een verbetering van de suboptimale kengetallen te berekenen. Veronderstel bijvoorbeeld dat een verbetermaatregel voor bedrijf A een verbetering van de voederconversie met 10% (3,41 → 3,07) impliceert en een verhoging van de worpgrootte met 5% (8.25 → 8.66). Kiezen we het scenario waarbij het aantal zeugen onveranderd blijft en waarbij de bezetting van de vleesvarkensstal niet wijzigt (het overschot aan biggen wordt verkocht), dan zal deze maatregel resulteren in een toename van het bruto saldo met 30% (1,87 → 2,42) en een afname van de stikstofbalans met 10% (0,61 → 0,55). Pigs2win geeft de gebruiker de mogelijkheid om zelf de (combinatie van) kengetallen te kiezen. Op die manier krijg je per specifiek bedrijf een ander set (rendabele) verbetermaatregelen.

      varkensexcell.png

  • Big data

    De belangrijkste taak van een landbouwer is nog altijd voedsel produceren maar tegenwoordig schik...
    Toon detail informatie

      Als voorproefje op deze reportage over ‘big data’ maken we kennis met Hongxing State Farm in China. Deze staatsboerderij met een areaal van een slordige 30.000 hectare is een huzarenstukje wat dataverzameling en -analyse betreft. Vijf jaar lang hebben 180 ambtenaren gewerkt aan de informatisering van dit landbouwbedrijf, onder andere door alle tractoren en machines uit te rusten met telematica. Deze datastromen vanuit het veld worden aangevuld met satellietgegevens. De stroom aan informatie wordt gekanaliseerd in de Oracle-database, die intussen ook de gegevens bevat van tien andere Chinese staatsboerderijen die werken volgens hetzelfde principe. Samen zijn zij goed voor 300.000 hectare landbouwgrond, zo maar eventjes de helft van het Vlaamse landbouwareaal. Dankzij de Oracle-software vinden de Chinezen in een vingerknip – letterlijk, want de responstijd voor een zoekactie bedraagt slechts één seconde – hun weg in de bergen data die verzameld worden op zo’n grote oppervlakte.

      Fieldscripts.precisielandbouw_Monsanto.geVILT.jpg

      “De Chinezen staan mogelijk nog een stap verder dan de westerse fabrikanten die zich op datacollectie en -analyse geworpen hebben”, zegt professor Josse De Baerdemaeker. Bekende namen in de toelevering aan landbouw die hun dienstverlening uitgebreid hebben met softwarepakketten zijn John Deere (MyJohnDeere), de holding Agco die vooral bekend is van merken als Fendt en Massey Ferguson (FUSE), New Holland (PLM technologies), Trimble (Connected Farm), BASF (AgIT) en Monsanto (FieldScripts). Die laatste kocht in 2013 het Amerikaanse bedrijf Climate Corporation zodat het de eigen data kon koppelen met de miljarden weer- en bodemdata die de firma uit Silicon Valley jarenlang verzamelde voor ieder perceel in de VS.

      Monsanto en BASF hadden snel in de gaten dat smartphones en tablet-pc’s de rode loper uitrollen voor nieuwe vormen van dienstverlening. Via een resem apps voor de smartphone helpt BASF de gebruiker om onkruiden en graanziekten te herkennen. Die kennis is noodzakelijk bij het bepalen van de bestrijdingsstrategie. Dankzij de uitgebreide database van Climate Corporation beschikt Monsanto nu over zoveel gegevens dat het precies weet welke gewassen waar in de Verenigde Staten het beste groeien. Op perceelniveau kan de chemiereus landbouwers adviseren met het oog op een optimale inzet van gewasbeschermingsmiddelen en zaaigoed (variëteitenkeuze en zaaidichtheid). Een applicatie voor de iPad maakt dat de landbouwer het advies in het veld kan raadplegen.

      NewHollandtelematics_NewHolland.geVILT.jpg

      De oplossingen waarmee machinefabrikanten komen op vlak van precisielandbouw, zoals fleet management, zijn vaak vooral geschikt voor grootschalige akkerbouwbedrijven die effectief over een hele vloot aan landbouwmachines beschikken. Neem nu de bedrijfsleider uit Canada die tractoren met overlaadwagens inschakelt om het graan af te voeren van de maaidorser tot aan de rand van het veld. Zo nodig op meerdere percelen tegelijk houdt hij zijn oogstteam via de tablet-pc in de gaten. Zijn voornaamste werk is ervoor zorgen dat er overal genoeg trucks klaarstaan om het graantransport over de weg voort te zetten. Of de grootschalige Oost-Europese akkerbouwer die in telematica en fleet management investeerde omdat hij zich ervan wou vergewissen dat alle tractoren op zijn velden continu in beweging zijn. Zo weet hij zeker dat het personeel geen middagdutje doet.

      Precisielandbouw laat elke m² renderen         
      Ander tools zijn meer op maat gesneden van landbouwbedrijven met ‘normale’ afmetingen. De Baerdemaeker is de geschikte persoon om ons inzicht te verschaffen in de vele mogelijkheden. Hij noemt onder meer het automatisch sturen van landbouwmachines met GPS en het variabel toedienen van gewasbeschermingsmiddelen, meststoffen of zaaigoed. Er zijn reeds machines op de markt die de dosering spuitvloeistof afstemmen op de onkruiddruk of de densiteit van het gewas (bv. bij toepassing van een aardappelloofdoder), de zaaidiepte en de zaaidichtheid in de rij laten variëren voor een maximale opbrengst en de kunstmestgift afstemmen op digitale opbrengstkaarten van het perceel. Waar in het verleden de tractor de machine aanstuurde, zou dat in de toekomst wel eens andersom kunnen zijn. Een fabrikant ontwikkelde reeds een balenpers die de optimale snelheid als het ware afspreekt met de tractor zodat het gras steeds op maximale capaciteit geperst en gewikkeld wordt.

      precisielandbouw_WouterSaeys-KULeuven.geVILT.jpg

      Met variabel bemesten, werd er bijna tien jaar geleden reeds aan de KU Leuven geëxperimenteerd, lang voordat uitlekte dat John Deere met NIR-spectroscopie werkt aan plaats-specifiek bemesten met drijfmest. De professor verwijst naar de doctoraatstudie van Wouter Saeys aan de Leuvense faculteit Bio-ingenieurswetenschappen. Anno 2005 ontwikkelde Saeys een sensor voor het meten van de samenstelling van drijfmest. Met de medewerking van een Oost-Vlaamse machinefabrikant werd zo’n sensor op een mesttank gemonteerd. In combinatie met een elektro-hydraulische debietsregeling was het prototype in staat om snel en nauwkeurig de geïnjecteerde hoeveelheid mest aan te passen aan de rijsnelheid, de mestsamenstelling en de plaats-specifieke noden van het gewas. Ook de injectiediepte in de grond wordt zo nauwkeurig mogelijk aangepast aan de situatie.

      Tien jaar later is de gesofisticeerde mesttank nog niet te zien op het veld, maar maakten andere innovaties hun intrede. Er zijn quads die over een perceel rijden met een bodemsensor om parameters zoals het vocht- en organische stofgehalte te meten, evenals de verdichting van de bouwvoor. Drones vliegen over de velden om beelden te maken van de gewasstand en ziekte-aantastingen. Hakselaars en maaidorsers voeren continu opbrengstmetingen uit tijdens het oogsten, enz.

      Ook aan de KU Leuven heeft men niet stilgezeten. Enkele recente onderzoeksprojecten zijn uit op efficiëntiewinsten in de fruitteelt. Zo ontwikkelde men een sensor voor automatische detectie en telling van bloemknoppen op perelaars zodat er in een vroeg stadium nauwkeuriger mechanisch gedund kan worden met het oog op een betere vruchtzetting. De overtollige bloemknoppen worden met behulp van luchtdruk als het ware uit de boom geschoten, wat ten opzichte van bestaande systemen als voordeel heeft dat de boom minder beschadigd wordt.

      appeloogstrobot_CleverRobotsforCrops.geVILT.jpg

      Zo mogelijk nog meer revolutionair is de oogstrobot voor appels, onderdeel van het ‘Clever Robots for Crops’-project waaraan de afdeling Mechatronica, Biostatistiek en Sensoren van de KU Leuven meewerkt. Machinefabrikant Case New Holland leverde de onderdelen maar op de kleur na lijkt de appelplukrobot nauwelijks op een tractor. De voorzijde van de machine vertoont veel gelijkenis met de volautomatische oogstmachine voor druiven van hetzelfde merk. De achterzijde wordt gedomineerd door een grote overkapping die de robotarmen aan het zicht ontneemt. Met die overkapping wordt het daglicht geweerd zodat sensoren de appels nauwkeuriger kunnen detecteren. Robotarmen en -vingers nemen de appels voorzichtig vast en trekken ze van de boom zoals een mens dat zou doen. Het prototype staat nog voor uitdagingen zoals de logistiek van het geoogst product die voorlopig buiten beschouwing bleef. Verder is ook de huidige snoeiwijze van de bomen niet ideaal voor een mechanische pluk. Een strakke haag van appelbomen lijkt een beter werkterrein voor een plukrobot.

      Kennis is macht         
      “Een landbouwer die precisielandbouw toepast op zijn bedrijf, gaat zich al gauw de vraag stellen wat hij met al de gegevens kan doen die machines voor hem verzamelen”, zegt De Baerdemaeker. “Data worden pas nuttig indien je ze onderling kan vergelijken en er een advies aan kan koppelen. Dat de uit data afgeleide kennis geld waard is, hebben firma’s zoals John Deere goed begrepen. Zij vergelijken de data die hun oogstmachines genereren en bouwen er een eigen adviesdienst mee uit. De online toepassingen zijn ondertussen zo veelvuldig dat John Deere er een merkgerelateerde ‘app store’ mee vult en MyJohnDeere een eigen portaalwebsite kreeg. Dat software-ontwikkeling sterk aan een merk gebonden is, vindt De Baerdemaeker overigens een nadeel voor de snelle verspreiding van de technologie.

      graan.oogstmachine_Cofabel.jpg

      Wie eigenaar is van de data die door oogst- en andere machines verzameld worden, is een onbeslechte discussie. Een delicate discussie ook, want stel je voor dat banken digitale opbrengstkaarten opvragen bij fabrikanten zodat ze ‘goede’ boeren van hun minder vaardige collega’s kunnen onderscheiden bij het verstrekken van een krediet… Op de vraag of dat überhaupt wel een probleem is, kaatst De Baerdemaeker de bal terug. “Zou jij het op prijs stellen dat de bank bij je supermarkt informeert naar jouw consumptiepatroon alvorens de jaarlijkse bijdrage te berekenen voor de schuldsaldoverzekering?”.

      Al evenmin zit de boer erop te wachten dat een machinefabrikant zijn perceelgegevens doorverkoopt aan de meestbiedende, wie dat dan ook mogen wezen. Kandidaat-kopers zijn er zat, als we de Leuvense professor mogen geloven. “Beeld je eens in hoe nauwkeurig opbrengstprognoses kunnen worden met behulp van data rechtstreeks van het veld. Aardappel- en groenteverwerkers, aankopers van grootwarenhuizen, veilingen, … allemaal zouden ze geïnteresseerd zijn.” Zou dat geen goede zaak zijn voor de marktwerking? “Markten zouden alleszins transparanter worden”, aldus De Baerdemaeker, “maar alleen op voorwaarde dat iedereen over dezelfde informatie beschikt.”

      Wil dat dan zeggen dat een slimme boer de eigen data beter afschermt en analyses in eigen opdracht laat uitvoeren? “Niet noodzakelijk, want een consultant kost geld, vaak meer geld dan het vooruitzicht op een meeropbrengst waard is.” De Baerdemaeker suggereert dat er tussenoplossingen zijn zoals de kennisdeling beperken tot gelijkgezinden die op hetzelfde ‘e-platform’ actief zijn of alleen data vrijgeven indien de gebruiker ze anoniem gebruikt.

      Big data als waakhond         
      Het eigendomsvraagstuk laat het geloof van de professor in de voordelen van data-sharing onaangetast. In een land als het onze dat prat gaat op de traceerbaarheid in de agrovoedingsketen zijn de mogelijkheden schier eindeloos. “Beeld je eens in hoe handig het zou zijn dat lastenboeken automatisch ingevuld worden. En hoe geruststellend het zou zijn dat een doorgedreven datakoppeling menselijke fouten haast onmogelijk zou maken.” Dat laatste vraagt om een voorbeeld. De Baerdemaeker: “Om te voorkomen dat er bij een bespuiting nog gezondigd wordt tegen de afstandsregel voor waterlopen kan je een slim spuittoestel ontwikkelen dat automatisch een sectie afsluit wanneer de sproeiboom per ongeluk boven een waterloop bengelt. En een landbouwer die gewasbescherming uitbesteedt, zou veel geruster zijn indien de loonsproeier een waarschuwing krijgt wanneer de perceelgegevens niet corresponderen met de chemische stoffen die ingelezen worden via de barcode.”

      drone.Belgapom.geVILT.png

      Gelet op de specialisatie in de Vlaamse akkerbouw en groenteteelt brengt De Baerdemaeker ter sprake dat big data in staat zijn om de nadelen van seizoenpacht weg te nemen. Boeren specialiseren zich in gewassen zoals aardappelen of grove groenten en wisselen percelen met collega’s uit om een gezonde teeltrotatie te kunnen respecteren. Daardoor neemt de kennis van de bodemgesteldheid en de voorgeschiedenis van een perceel af. Databases kunnen daar een mouw aan passen door informatie beschikbaar te stellen voor de laatste gebruiker: bemesting, gewasbescherming in de laatste teelt (sommige chemische middelen hebben een nawerking, nvdr.), bodemconditie, waterhuishouding, de opbrengsten van voorgaande teelten, enz. Zo kan de seizoenpachter in eerste instantie beoordelen of het perceel geschikt is voor zijn teeltspecialisatie en vervolgens het nodige doen om een goede productie te realiseren. Door de voorgeschiedenis van een perceel te onthullen, verkleint bovendien de kans dat seizoenpacht op termijn leidt tot bodemuitputting.

      Geloof het of niet, maar de overheid zou wel eens de volgende kunnen zijn die de voordelen ontdekt van big data. Controletaken vergen veel mankracht terwijl met moderne technologie meer werk verzet kan worden. Waarom zou de Mestbank nog inspecteurs op pad sturen als drones het Vlaamse platteland vanuit de lucht in de gaten kunnen houden? Het MAP-meetnet voor de waterkwaliteit in landbouwgebied zou met moderne technologie fijnmaziger kunnen, waarbij ook externe invloeden zoals het weer uitgesloten worden. Op dit moment zijn er nog ontwikkelingen te verwachten voor eenvoudige, goedkope en betrouwbare sensoren die in een degelijk automatisch fijnmazig meetnet kunnen opgenomen worden “Het resultaat is dat de overheid ‘optimale’ in plaats van ‘gemiddelde’ beslissingen kan nemen”, drukt De Baerdemaeker zijn geloof in een win-winsituatie uit.

      Big data vragen andere ondernemersvaardigheden
      Zowel overheden, machinefabrikanten als toeleveranciers lijken in big data een vrijgeleide te zien om zich te mengen in de bedrijfsvoering van een landbouwer. Gaan de computers in hun hoofdkantoren wereldwijd de landbouw dicteren en wordt de boer van ondernemer gedegradeerd tot arbeider? “Stielkennis blijft nodig, ook om beter geïnformeerde beslissingen te nemen. Finaal is het altijd de boer die beslist”, stelt De Baerdemaeker gerust.

      computer.geVILT.jpg

      Een landbouwer krijgt al langer dan vandaag ‘advies van bovenaf’. Neem nu de waarschuwingsberichten die praktijkcentra in Vlaanderen uitsturen voor ziekten en plagen in diverse gewassen. “Nu baseert men zich nog op waarnemingen op referentiepercelen en een algemeen advies dat de boer best verifieert met een terreincontrole op de eigen percelen. Een drone die over het veld vliegt, zou veel preciezer en plaats-specifieker data kunnen verzamelen zodat het de boer meteen duidelijk is of een bespuiting rendabel is op het perceel in kwestie.”

      Professor De Baerdemaeker voorspelt dat ‘big data’ de boer tijd uitsparen én zijn werk compleet veranderen. “In de toekomst kruipt een landbouwer vaker achter zijn pc, niet om nog meer administratief werk te doen, maar om data uit het veld en de stal te analyseren en te interpreteren alvorens te beslissen. Analyse en interpretatie van grote hoeveelheden data kosten veel tijd als de boer dit allemaal zelf moet doen. Professor De Baerdemaeker haalt in dat verband een quote van John Naisbitt (1982, Megatrends) aan: “We are drowning in information but starved for knowledge”. Daarom wordt er aan software gewerkt die de gegevens overzichtelijk maakt door ze samen te vatten in belangrijke kernparameters, ze misschien ook interpreteert en aandachtspunten naar voor schuift en er uiteindelijk nieuwe kennis uithaalt. Zo wordt er aan het productieproces kennis toegevoegd en ontstaat er een ‘toegevoegde realiteit’.”

      Software helpt om informatie op een intuïtieve manier weer te geven. De gebruiker kan er interactief mee omspringen zodat hij een beter begrip krijgt van de werkelijke processen op zijn bedrijf. Een praktijkvoorbeeld is Porphyrio, een spin-off van de KU Leuven. Bart De Ketelaere en Kristof Mertens gaan er prat op dat zij een managementsysteem ontwikkelden dat structuur brengt in de vele meetgegevens uit moderne en geautomatiseerde leghennen- en braadkippenstallen. Via een intuïtief dashboard op smartphone, pc of tablet ziet een landbouwer of integrator meteen in welke stal er zich een probleem voordoet. Het resultaat zijn gezondere dieren, die optimaal produceren bij een efficiëntere voederconversie. Lijkt het er niet op dat er na de ‘groene revolutie’ een nieuwe landbouwrevolutie in de maak is? “Eerder een evolutie dan een revolutie”, aldus De Baerdemaeker. De eerste stapjes zijn met precisielandbouw en big data al gezet en het vervolg zal de landbouwbedrijfsvoering ongetwijfeld veranderen, maar niet door elkaar schudden zoals mechanisatie, chemische gewasbescherming en kunstmest ooit deden.

  • Biggencastratie

    Voor het eerst in Vlaanderen is er uitgebreid wetenschappelijk onderzoek gedaan naar het castrere...
    Toon detail informatie

      Onverdoofd chirurgisch castreren bij biggetjes van minder dan zeven dagen oud is wettelijk toegelaten. Varkens worden tot nu toe gecastreerd omdat volwassen beren in bepaalde gevallen en volgens bepaalde menselijke ‘neuzen’ berengeur ontwikkelen in hun vlees en vet. De wet laat niet toe om dergelijk vlees met een afwijkende geur te commercialiseren. De vleessector hanteert een nultolerantie tegenover berengeur. Maar tegelijk is er op Europees niveau omwille van dierenwelzijnsredenen afgesproken om tegen 2018 definitief te stoppen met onverdoofde chirurgische castratie. Kennis over de alternatieve behandelingen staat dus hoog op de agenda.

      Is er een duidelijk ‘winnend’ alternatief voor castreren uit het CASPRAK-onderzoek naar voren gekomen?
      Marijke Aluwé (ILVO): Niet echt, maar we hebben nu wel een pak meer gegevens om die alternatieven te beoordelen. De hele keten, die internationaal georganiseerd is, zal uiteindelijk mee beslissen over het alternatief voor biggencastratie. De Duitse markt zal op een bepaald ogenblik misschien voor een ander alternatief kiezen dan de Nederlandse of de Franse. En onze boeren zullen zich richten op de markt waar ze voor werken. Bij de alternatieven die wij in CASPRAK testten, zitten er twee waarbij de testikels van het beertje nog effectief worden weggenomen. Dat zijn ‘castreren met pijnstilling’ (door een spuitje 15 minuten voor de operatie) , en ‘castreren onder verdoving’ (met CO2-gas). Bij de twee andere alternatieven wordt er niet gesneden in de testikels: dat is zo bij ‘chemisch castreren’ (een eiwitinjectie zorgt ervoor dat de mannelijke hormonen blokkeren) en ‘helemaal niet castreren’ (zodat de beren intact opgroeien en ten volle ontwikkelen).

      Zijn die vier alternatieven allemaal wettelijk toegelaten?
      biggenverdoving_ILVO.2.pngNeen, daar begint het al. Het gebruik van CO2-verdovingsgas is (nog) niet toegestaan. Je mag als boer ook geen dieren verdoven, daar moet een veearts bij aanwezig zijn. We hebben in Vlaanderen natuurlijk te weinig actieve dierenartsen als die elk jaar alle drie miljoen mannelijke biggen die hier geboren worden, zouden moeten komen verdoven en castreren. Pijnstilling mag de boer wel zelf toedienen. Voor immunocastratie (het product Improvac is geregistreerd in 2009) en intacte beren zijn er geen wettelijke belemmeringen, maar daar zet de markt nog een rem op: de afzet voor dat soort vlees is nog beperkt en je moet als boer eerst een overeenkomst maken met je slachthuis.

      Toch zijn alle alternatieven nu op grote schaal uitgetest?
      Wij hadden op voorhand afspraken gemaakt met de slachthuizen en de keten. De 20 varkenshouders die meestapten in het onderzoeksproject zijn dus niet financieel afgestraft als ze bijvoorbeeld hun intacte beren lieten slachten. Normaal trekt het slachthuis bij het slachten van een beer immers 12,5 euro af van de prijs. In totaal hebben we elke alternatieve behandeling toegepast op 2.400 beren (verspreid over de 20 bedrijven). De bedrijven moesten elk van de berengroepen in proef ook gescheiden afmesten om de metingen te kunnen doen. In onze eigen ILVO-varkensstal is er een voorafgaandelijke test gebeurd met telkens groepen van 18 beren. Er is echt wel veel behoefte aan praktijkresultaten. De sector vraagt zich bijvoorbeeld af of een nieuwe methodiek voor castratie praktisch en economisch haalbaar is. Is zo’n nieuwe methodiek op het einde van de rit en onder praktijkomstandigheden een verbetering voor het dier? Ontwikkelt of eet het dier anders? Is het meer of minder agressief? En hoe zit het met de eindkwaliteit van het varken en van het vlees? Die vragen kan je alleen beantwoorden door observaties op grote schaal.

      En nu de cijfers. Wat concludeer je in verband met de kostprijs?
      biggencastratie22.jpgPijnstilling toedienen kost, in vergelijking met onverdoofd castreren, 0,22 euro per big extra. Verdoven met CO2-gas kost 0,07 euro per big, plus de eenmalige aankoop van de operatiekar. Het vaccin voor chemische castratie is duurst: voor twee spuitjes komt het op 3,29 euro per varken. De beren ‘intact’ laten opgroeien kost niets. Wij hebben ook bekeken hoeveel uren extra arbeid elk alternatief vraagt, want ook dat beïnvloedt het eindresultaat. De pijnstillende spuitjes toedienen vonden de boeren nogal meevallen, maar ze moesten elk big wel twee keer vastpakken (eerst inspuiten, dan 15 minuten wachten en dan castreren). Met CO2-verdoving werken vraagt ervaring met het toestel en zal ook iets meer tijd in beslag nemen. Toepassing van immunocastratie levert in de kraamstal tijdswinst, maar die ben je kwijt door (twee keer) vaccin te moeten inspuiten in de afmestfase. Het is ook gemakkelijker om te werken met gescheiden afmest als je immunocastratie toepast. Het afmesten van intacte beren heeft vooral een invloed op je managementssysteem: die beren worden beter gescheiden van de gelten (jonge zeugen) afgemest. Het economisch beeld is pas volledig als je ook naar de zoötechnische resultaten en de slachthuisresultaten kijkt. Als een alternatieve behandeling ervoor zorgt dat een varken zich beter ontwikkelt of net iets minder eet per kilo vlees, dan is dat een belangrijk argument. Pijnbestrijding of castratie met CO2-verdoving levert op dat vlak helemaal geen verschil op met bargen die volgens de oude onverdoofde procedure werden gecastreerd. Toepassing van immunocastratie gaf een betere voederconversie (gemiddeld -0,21) en een verlaging van de voederkost met ongeveer 2,2 euro in vergelijking met de bargen. Per karkas kreeg de boer gemiddeld 3,8 euro meer, door de verhoging van het vleespercentage (0,8%). Afmest van intacte beren gaf ook een betere voederconversie (gemiddeld -0,27) en een verlaging van de voederkost met ongeveer 2,9 euro in vergelijking met de bargen. Een karkas bracht gemiddeld 1,9 euro meer op.

      Hebben jullie ook de effecten op dierenwelzijn en op het gedrag kunnen objectiveren?
      We weten al heel lang dat gecastreerde biggen en varkens minder agressief en seksueel rustiger zijn. Bij de start van het project was er een duidelijke vrees bij de Vlaamse varkenshouders dat niet-gecastreerde varkens onrust in de stal zouden veroorzaken, met de kans op gevechten, verwondingen, staartbijten en pootproblemen. De varkenshouders scoorden wekelijks de onrust in de stal en noteerden sterfte van de dieren. De onderzoekers deden elke week ook eigen systematische observaties tijdens de oriënterende proef op het ILVO. Bij de intacte beren was er inderdaad meer onrust in de stal vanaf de leeftijd van 25 weken, als je het vergelijkt met de bargen en de immunocastraten. Door het seksueel en agressief gedrag op het einde van de afmest, hadden de intacte beren meer (matige) verwondingen of waren ze (licht) kreupel. Dodelijke of zware ongevallen door gevechten hadden we niet. Op één bedrijf werden bijtletsels op de penis van intacte beren vastgesteld. Het gedrag van de immunocastraten is, vooral na hun tweede spuit op 23 weken leeftijd, te vergelijken met de bargen. Rustig dus. Conclusie, het afmesten van intacte beren kan een aangepast management vragen van de varkenshouder, de transporteur en het slachthuis.

      Is de aanwezigheid van berengeur bij een klein deel van de dieren niet het grote struikelblok als men in Europa ooit effectief zou kiezen voor het houden van intacte beren?
      varkens_ILVO.2.pngZeer zeker. Ons onderzoek heeft daar meer kennis over opgeleverd, maar nog geen definitieve oplossing. Er zijn twee belangrijke kwesties waarop verder gewerkt moet worden: de waterdichte detectie aan de slachtlijn en de reductie (liefst tot nul) op de productiebedrijven. Zolang die twee zaken niet in orde zijn, zal de afzet van karkassen van intacte beren beperkt blijven. Om berengeur in het vlees te detecteren, gebruikt men nu de soldeerboutmethode, een methode waarbij het nekvet van een karkas verhit wordt met een soldeerbout en de vrijgekomen geur door experten gescoord wordt van niet-afwijkend tot sterke berengeur. Dat geeft een indicatie maar het blijft subjectief. Er wordt gezocht naar een snelle, objectieve test om de mate van androstenon en skatol (de twee geurcomponenten) vast te stellen en te linken met een grenswaarde voor waarneembare berengeur. Het tweede pad is de reductie aan de bron. Wij hebben ontdekt dat de varkensrassen onderling verschillen qua kans op het optreden van berengeur. Het slachtgewicht een beetje verlagen heeft niet voor alle varkensrassen evenveel effect en is dus niet zinvol als algemene regel. De aard van het voeder konden we niet correleren met berengeurprevalentie. In elk geval is duidelijk dat gecastreerde beren en immunocastraten quasi nooit een berengeurscore opleverden. Bij de intacte beren ontdekten we de hinderlijke geur in gemiddeld drie procent van de karkassen. Veel bedrijven hadden weinig tot geen berengeur, maar er waren wel drie bedrijven waarvan ruim 10 procent van de beren ‘prijs had’. Er zou dus zoiets kunnen bestaan als bedrijven die arm zijn aan berengeur en andere die een hoger risico op berengeur hebben. Hoe constant in de tijd dat gegeven is, en waar het dan precies mee te maken heeft, is vooralsnog onduidelijk.

      Is de houding van de deelnemende varkensbedrijven veranderd door aan het onderzoek mee te werken.
      Ze vonden het over het algemeen een positieve ervaring. Hun houding tegenover de verschillende alternatieven is verschoven door de praktijkervaring. Vier van de twintig CASPRAK-varkenshouders hebben ondertussen de omschakeling naar intacte beren routinematig gemaakt, één varkenshouder werkt met immunocastratie. Op de andere bedrijven wordt pijnbestrijding tijdens de castratie toegepast. Verschillende Vlaamse varkenshouders hebben van hun slachthuis de mogelijkheid gekregen om eenmalig of routinematig over te schakelen op intacte beren of immunocastraten. Wij enquèteerden vorig jaar een 120-tal varkenshouders. 21 van hen hadden toen al ervaring met pijnbestrijding tijdens de castratie, 24 van hen met immunocastratie en drie met het afmesten van intacte beren. Het bundelen van deze praktijkervaring en terug verspreiden van deze praktische kennis is interessant voor alle varkenshouders die ook de overstap willen maken. Omschakeling naar intacte beren of immunocastraten hoeft geen bedreiging te vormen voor varkenshouders. Het kan zelfs een kans zijn, op voorwaarde dat voldoende informatie en ondersteuning verleend wordt om deze overstap te maken. Belangrijkste knelpunt voor de omschakeling naar intacte beren of immunocastraten is het gebrek aan afzetmogelijkheden in binnen- én in buitenland.

      Meer weten? Bezoek op 6 juni de ILVO-studiedag over castratie.

  • Bio

    Terwijl in Vlaanderen de vraag naar bioproducten jaar na jaar groeit, stagneert de productie erva...
    Toon detail informatie

      De biologische landbouw lijkt in alle stilte zijn geitenwollensok-imago ontgroeid. Dit voorjaar lanceerden Boerenbond, ABS en BioForum onder impuls van de Vlaamse overheid voor het eerst samen een project om de kloof tussen de vraag naar bioproducten en het aanbod te dichten. Onder de noemer ‘Bio zoekt boer’ werd een bioconsulente aangeworven die vrijblijvend persoonlijke begeleiding biedt en praktische vragen beantwoordt. Anderhalve maand na de lancering van de campagne hebben, naast een aantal bioverwerkers op zoek naar aanbod, al 25 boeren consulente Sofie Hoste gecontacteerd om de biopiste voor hen te onderzoeken. ‘Dat bewijst dat er interesse is om bio in alle nuchterheid als ontwikkelingskans te overwegen,’ zegt Sofie, vanuit haar bureau in het Boerenbondgebouw in Leuven.

      Lees ook:
      De biomarkt in cijfers en letters

      Ondernemerschap en vakkennis

      Toch zullen volgens de bioconsulente zeker niet alle aanvragen in omschakelingsplannen resulteren. ‘Bio biedt kansen om je productiviteit op te drijven via arbeidsintensiviteit in plaats van via schaalvergroting. Maar bio is geen wonderoplossing voor bedrijven waar het water tot aan de lippen staat. De omschakelingsperiode is geen makkelijke periode: je moet eerst een tijd biologisch produceren zonder dat je producten als echt bio – met de bijhorende meerprijs – verkocht mogen worden. Dat wordt wel gecompenseerd door een verhoogde hectaresteun, maar dikwijls zijn ook investeringen in zaken als schoffelmachines of onkruidbranders noodzakelijk. Of je nu biologisch boert of niet, ondernemerschap en vakkennis zijn voor iedere landbouwer onontbeerlijk.’

      De beslissing of bio een interessante optie is voor je bedrijf neem je niet van vandaag op morgen. In de praktijk kun je het best eerst een aantal zaken persoonlijk overlopen met Sofie. Als je daarna een steviger onderbouwd antwoord wil op maat van jouw specifieke situatie, kun je een omschakelplan laten opstellen door specialisten. Zij stellen simulaties en een stappenplan op (met de minderopbrengst, meerprijs, noodzakelijke investeringen, afzetmogelijkheden, enzovoort) om te zien of bio voor jouw bedrijf teelttechnisch en economisch haalbaar is. Dankzij een subsidie van 868 euro draag je hier zelf maar een zeer beperkte meerkost voor, ongeacht of je uiteindelijk omschakelt of niet.

      Financieel resultaat

      Voor wie jaren op de traditionele manier heeft gewerkt, vergt de stap naar bio een ingrijpende mentaliteitsverandering. Sofie: ‘Je moet bereid zijn om radicaal met je oude gewoontes te breken. Vandaag kun je wel al veel leren van collega’s die al langer biologisch produceren. Maar het vergt een mentale switch om grond helemaal anders te gaan bewerken, of om je melkvee minder krachtvoer te geven en vooral op je rendement te focussen. Daarom breng ik geïnteresseerde bioboeren zo veel mogelijk in contact met collega’s die hen graag ondersteunen. Dankzij bedrijfsbezoeken of een soort peterschap dat ik verder wil uitbouwen, hoef je vandaag het warm water niet meer opnieuw uit te vinden.’

      Lees ook:
      Vier keer bio in de praktijk

      Nu gangbare melkveehouders kreunen onder een ingestorte melkprijs, lijkt de biologische melkveehouderij voor velen aan aantrekkingskracht te winnen. ‘Dat blijkt inderdaad een aanleiding om bio te overwegen’, zegt Sofie. ‘En dat vind ik een reden als alle andere. Het is een economisch feit dat de vraag naar bioproducten al een aantal jaar groeit en dat het aanbod stagneert. Ik ken verschillende grote en kleine bioboeren die uit zakelijke overwegingen de stap hebben gezet. Sommigen raken achteraf overtuigd van de maatschappelijke meerwaarde van bio, maar voor mij hoeft dat niet eens. Nu is de situatie van melk actueel, maar ook in andere sectoren kun je, ondanks de beperktere oogstopbrengst, met bioproducten een beter financieel resultaat halen.’

      Meer weten? 
      Sofie Hoste - onafhankelijk bioconsulente: 0494 98 23 69, info@biozoektboer.be

  • Bio

    De biomarkt in cijfers en letters Uit onderzoek blijkt dat de consumptie van bio in Vlaanderen m...
    Toon detail informatie

      De bioconsumptie bestaat voor 56,3 procent uit plantaardige producten, voor 16,5 procent uit zuivel en uit 27,3 procent uit andere dierlijke producten. 8 op de 10 Vlamingen kocht in 2008 minstens één bioproduct. Bijna 1 op de 2 bio-aankopen gebeurt in de supermarkt.

      Ondanks de gestegen vraag stagneert het bio-areaal in Vlaanderen sinds 2002. Momenteel wordt in Vlaanderen 3800 ha of 0,6 procent van de landbouwoppervlakte biologisch bewerkt: heel wat minder dan het Europese gemiddelde van 4,7 procent. In een recente bevraging toonden 8 op de 10 bioboeren zich tevreden over hun omschakeling. Ze haalden die voldoening voornamelijk uit de gehanteerde landbouwmethode. Daarnaast zeiden ook 8 op de 10 boeren dat hun inkomen minstens even hoog is als voor hun omschakeling.

      Om de kloof tussen productie en consumptie van bioproducten te verkleinen, heeft de Vlaamse overheid een Strategisch plan voor biolandbouw uitgewerkt. In dat plan, dat ook is ondertekend door Bioforum, Boerenbond en ABS, lees je naast een sectorschets ook de ambities, een aantal hefbomen en de manieren waarop de biodoelstellingen de komende jaren zullen worden uitgevoerd.

      Meer weten?
      www.bioforum.be en www.vlaanderen.be/landbouw

  • Bio

    Vier keer bio in de praktijk We polsten bij vier landbouwers over hun keuze voor bio: Waarom koz...
    Toon detail informatie

      Melkvee: ‘Het productieniveau is iets lager, de kosten ook’
      koe_iStock_000003251580Large.jpgWim De Middeleer uit Herzele is een van de 24 biologische melkveehouders in Vlaanderen, die vorig jaar samen 1157 koeien hielden. Hij schakelde in 1998 over en combineert 65 melkkoeien met jongvee, mestvee en een beperkt aantal varkens. ‘Ik heb voor bio gekozen omdat ik niet langer wilde meedraaien in de bulkmolen van wat ik industriële landbouw noem. In vergelijking met vroeger haal ik veel meer voldoening uit mijn werk. Bij alles wat we binnenhalen zijn we fier op wat we geproduceerd hebben, in plaats van op hoeveel.’

      ‘Van zodra je de kneepjes kent, valt het goed mee om biologisch te werken. De natuur kan veel meer dan je denkt. Het productieniveau is wel wat lager, maar de kosten zijn dat ook. We zijn momenteel bijna 100 % zelfvoorzienend. Het gemengd rantsoen gras-klaver-graan is evenwichtig en volstaat om de dieren gezond te voederen. We moeten geen eiwitten meer importeren als correctievoeder. Voor de bodemvruchtbaarheid ploegen we ook minder en we werken met meer verschillende gewassen en natuurlijke houtkanten.’

      Voor het mestvee en de varkens werkt Wim samen met een bioslager in de buurt. Voor de afzet van zijn melk is hij aangesloten bij de coöperatie Biomelk Vlaanderen. ‘Momenteel zit de prijs op ongeveer 35 eurocent per liter. Niet echt goed, maar vergeleken met de gangbare prijzen toch niet slecht. Hoewel de agro-industrie het tegendeel beweert, merk je toch dat meer en meer mensen appreciëren dat we milieubewust produceren. Ik ben ervan overtuigd dat gangbaar meer en meer onder druk komt te staan.’

      Bio sinds: 1998
      Bedrijfsoppervlakte: 75 hectare
      Teelten: graan, aardappelen, gras-klaver
      Dieren: 65 melkkoeien, 65 jongvee, 20 mestvee, 7 zeugen + biggen en mestvarkens
      Leeftijd: 48 jaar

       


      Tuinbouw: ‘Mechanische onkruidbestrijding blijft uitdaging’
      tomaat_iStock_000006806737Medium.jpgLuc Pauwels uit Ternat startte in 1981 een biologisch tuinbouwbedrijf van nul op. ‘Uit jeugdig idealisme’, zegt hij. ‘Maar ik ben nog altijd erg blij met die keuze. Ik heb mijn bedrijf geleidelijk kunnen uitbreiden van 2,5 tot 17 hectare. In vergelijking met de gangbare teelt is onze werkwijze een stuk arbeidsintensiever. Ik heb twee mensen vast in dienst en moet geregeld seizoensarbeiders inschakelen. Dat betekent dat onze productiekosten een stuk hoger zijn, maar dat vertaalt zich ook in een hogere verkoopprijs.’

      De grootste moeilijkheid in de biologische tuinbouw is volgens Luc de onkruidbestrijding. ‘Afhankelijk van de teelt passen we verschillende technieken toe. We hebben een aantal machines voor mechanische onkruidbestrijding, zoals een wiedeg, schoffelmachines, een wiedbed en branders. Maar het blijft een uitdaging. Voor sommige teelten, zoals wortelen, moeten we zelfs nog manueel het onkruid tussen de planten bestrijden. Met het oog op de bodemvruchtbaarheid gebruiken we alleen natuurlijke mest, wat in combinatie met onze vruchtafwisseling erg goede resultaten geeft.’

      In overleg met het PCBT combineert Luc twee teeltplannen: een waarbij grasklaver wordt gevolgd door pompoenen, triticale en wortelen; en een waarbij hij aardbeien afwisselt met triticale, courgettes en grasklaver. ‘Al varieer ik wel dikwijls afhankelijk van de marktverwachtingen die ik van de veiling doorkrijg. Of dat in 2008 een goed jaar heeft opgeleverd? Ik volg de gangbare prijzen onvoldoende om echt te kunnen vergelijken, maar ik denk dat ik niet mag klagen.’

      Bio sinds: 1981
      Bedrijfsoppervlakte: 17 hectare
      Teelten: pompoen, triticale, wortels, aardbeien en courgette
      Leeftijd: 47 jaar

       


      Akkerbouw: ‘Afhankelijker van het weer en personeel’
      graan_iStock_000005367524Medium.jpgCarlos Noë uit Sint-Margriete startte in 1998 met een stapsgewijze omschakeling naar bio. ‘De aanleiding was een harde confrontatie met kanker. Toen begon ik na te denken over de samenhang met voeding en werken zonder chemicaliën. Op bedrijfsvlak merk je dat grond bij te enge vruchtafwisseling uitgeput raakt en dat overproductie geen betere prijzen oplevert. De overstap was een ingrijpend proces waarbij ik ook mijn vrouw en onze drie kinderen nauw betrokken heb. Vandaag voelen we ons veel gezonder en halen we meer arbeidsvreugde uit onze job.’

      ‘Om biologisch te kunnen werken is een ruime teeltrotatie noodzakelijk (1/5 of 1/6). Daardoor zie je de natuurlijke vijanden terugkeren en aaltjes of bodemmoeheid verdwijnen. We kiezen ook voor rassen die minder ziektegevoelig zijn. De voorbereiding voor een teelt is erg belangrijk omdat je moeilijker kunt bijsturen. Soms komt er wel wat creativiteit bij kijken om problemen aan te pakken. Vooral de bestrijding van wortelonkruiden is niet eenvoudig. Zo ben je voor handmatig wiedwerk zeer afhankelijk van extern personeel en de weersomstandigheden.’

      ‘Voor de afzet van onze producten zijn we lid geworden van de coöperatie Greenpartners. In vergelijking met vroeger hebben we meer contact met de consument en/of afnemer. Als ik terugblik op de voorbije jaren vind ik dat de kwaliteit en de opbrengst van onze teelten goed meevallen. Het is wat intensiever werken, maar je krijgt een meerprijs en veel waardering. Ik ben best tevreden over ons inkomen, hoewel de prijzen meer en meer onder druk komen. Voorts halen we veel voldoening uit onze samenwerking met de vzw Mondina, die op ons hof originele landbouweducatie organiseert.’

      Bio sinds: 1998
      Bedrijfsoppervlakte: 30 hectare
      Teelten: luzerne, gras-klaver, granen, aardappelen, wortelen, gele en rode ui, pompoen
      Leeftijd: 58 jaar

       


      Fruit: ‘Preventief werken en korter opvolgen’
      peer_iStock_000005076815Medium.jpgBenny Blezer uit Rummen zette in 1995 de stap naar bio. ‘Voor een groot deel voor mezelf. Omdat ik absoluut niet graag met chemische producten werkte. De omschakeling verliep toen erg moeilijk omdat er nog nauwelijks begeleiding was. Maar vandaag is dat helemaal anders. Nu moet je niet meer je hele bedrijf in één keer omschakelen. En de omkadering van de biosector is veel professioneler geworden. Zodra we waren waar we moesten zijn, ging alles wel erg vlot. Ik zou niet meer willen terugkeren.’

      Volgens Benny komt het erop aan om de knop om te draaien en afstand te doen van het gemak van chemische bestrijding. ‘In de biologische fruitteelt moet je de teelten van erg kortbij opvolgen. Je kunt minder ingrijpen en moet dus voor een deel preventief werken. Wij spuiten bijvoorbeeld met plantenversterkende – natuurlijke – middelen. Door houtkanten aan te leggen, trekken we natuurlijke vijanden aan. En het uitdunnen, waardoor zich niet een hoop kleine maar enkele grote vruchten vormen, gebeurt manueel.’

      ‘Het is niet altijd eenvoudig, maar door de band ben ik zeer tevreden over de resultaten’, zegt Benny. ‘Na die maanden van onzekerheid is de voldoening des te groter. Het klopt wel dat je appel- en perenopbrengst een stuk lager is. Maar dat wordt gecompenseerd door de hogere verkoopprijs. Tot hiertoe althans, want ook in de biosector merken we dat de prijzen meer en meer onder druk worden gezet door de supermarkten.’

      Bio sinds: 1995
      Bedrijfsoppervlakte: 10 ha fruit en 1 ha tomaten onder glas
      Teelten: appels, peren, tomaten
      Leeftijd: 59 jaar

  • Biogas

    Overcapaciteit of opportuniteit?
    Toon detail informatie

      100-0011_IMG.JPGDe investering in een biogasinstallatie verdien je voor het grootste deel terug via je elektriciteitopbrengst. Kort uitgelegd: door vergisting ontstaat er biogas, dat wordt verbrand in een motor die een turbine aandrijft voor de productie van elektriciteit. Hierbij komt ook warmte vrij en daarom spreekt men van warmtekrachtkoppeling (WKK). In de meeste gevallen wordt die warmte hergebruikt om digestaat of mest te drogen of serres te verwarmen. Ook dat zorgt voor een kostenbesparing, maar je grootste bron van inkomsten zijn je groenestroomcertificaten (die voor 10 jaar vastliggen), je WKK-certificaten (die de eerste 4 jaar vastliggen en de volgende 6 jaar telkens in waarde afnemen) en je verkoop van (groene) stroom. Op dat vlak lijkt biogas dus nog altijd een opportuniteit.

      Wel is het zo dat er vandaag aardig betaald wordt voor de afvalstromen. Voor hoog-energetische stromen – die nog altijd interessanter zijn dan je capaciteit met laag-energetische stromen niet ten volle te benutten – tel je al snel 25 à 30 euro per ton neer, ongeveer evenveel als de opbrengst van een ton energiemaïs. De vraag is dus vooral hoe het areaal energiemaïs zal evolueren in onze regio. Volgens de recentste cijfers wordt momenteel 0,8 % van het Vlaamse landbouwareaal ingenomen door energiegewassen, maar het Vlaams Energie Agentschap hoopt op een toename tot 10 %, waardoor het aantal biogasinstallaties zou kunnen vervijfvoudigen tegen 2020…

  • Biogas

    Nieuwe generatie, nieuwe mogelijkheden
    Toon detail informatie

      _DSC1994.JPGDe biogastechnologie is nog relatief jong en volop in ontwikkeling. ‘Een van de recente evoluties, waarmee onder meer Duitsland al vrij ver staat, zijn installaties van 4000 à 6000 ton. Ook installaties met een capaciteit van +- 800 ton, die energie en warmte produceren voor eigen gebruik zoals het verwarmen van stallen, zijn stilaan marktrijp. De eerste is ondertussen in werking in Vlaanderen,’ zegt Kurt Sys van Biogas Labo (Howest) en voormalig medewerker van Biogas-e.

      ‘In Duitsland is voor dit soort kleine installaties extra steun voorzien, terwijl de regelgeving in Vlaanderen meer in de richting van grotere installaties stuurt. Een andere optie is het opwaarderen van biogas tot aardgaskwaliteit. Ook op dat vlak staat de technologie al vrij ver en dat opent veel perspectieven: van injecteren op het aardgasnetwerk, tot je tractor op biogas laten rijden. In onze buurlanden zijn er al verschillende toepassingen. Zo rijdt er in Nederland een omgebouwde trekker met een tank op het dak en dat lijkt prima te werken.’

  • Biogas

    "Spontaan applaus als keerpunt" Varkenshouder Werner Guilliams uit Boutersem baat sinds 2008 een...
    Toon detail informatie

      _DSC1298.JPGNaam: Werner Guilliams
      Leeftijd: 53 jaar
      Woonplaats: Boutersem
      Bedrijf: 1700 mestvarkens, 25.000 ton vergisting, hoevetoerisme


      1. Op verkenning naar Luxemburg
      ‘In september 2004 heb ik samen met een paar collega’s een biogasinstallatie in Luxemburg bezocht. We zochten naar uitbreidingsmogelijkheden omdat twee van mijn zonen mee in het bedrijf wilden stappen. Ook toen al mestten we 1700 biggen af, nog verder groeien was moeilijk. Daarbij komt dat we nooit royaal betaald zijn voor het voedsel dat we produceren. Ik hoopte dus dat we wel een inkomen konden halen uit energie. Voor een biogasinstallatie beschikten we over een aantal troeven zoals onze ligging, maar er was nog geen duidelijke regelgeving. Tijdens een eerste gesprek met de burgemeester deed die weinig uitspraken. “We zullen zien”, klonk het, maar hij stond er dus wel voor open.’

      2. Reality-check voor beslissers
      ‘Nadat ik besloten had ervoor te gaan, heb ik een adviesbureau ingeschakeld. Een project als dit is te complex om alles zelf te doen. We liggen in agrarisch waardevol gebied en dat bleek geen probleem voor onze installatie van 25.000 ton. Met die capaciteit kunnen we trouwens heel Boutersem van groene stroom voorzien. In deze fase hebben we op de eerste plaats met heel veel specialisten gepraat over alles wat erbij komt kijken. Ook zijn we met heel wat mensen die advies moesten geven, onder meer in de provinciale milieucommissie, naar de weinige al bestaande installaties gaan kijken. Het is toch belangrijk dat die mensen weten waarover we praten.’

      3. Bij de buren op bezoek
      ‘Ik wist dat de aanpalende buren een aangetekend schrijven zouden krijgen vanaf het ogenblik dat we onze aanvraag indienden. Op dat moment ben ik persoonlijk bij die vier gezinnen op bezoek geweest. Ik heb er zo goed mogelijk proberen uit te leggen wat een biogasinstallatie is en hoe alles werkt. Het is erg belangrijk dat je buren zich betrokken voelen. Dan ervaren ze je project helemaal anders dan wanneer ze achterdochtig worden. In de periode waarin de gele papieren worden uitgehangen, moet je alles goed in de gaten houden. Het is dan dat er gepraat wordt in het dorp. Zo hoorden we dat er geroddeld werd over een verbrandingsoven, dat we kadavers gingen aanvoeren, en zelfs dat we een mortuarium zouden beginnen. Erg zijn die verhalen niet, maar het is goed om weten welke foute ideeën er leven.’

      4. Cruciale info-avond
      ‘Om een aantal misverstanden weg te werken, had ik de voorzitter van de milieuraad gevraagd om een info-avond te organiseren voor de omwonenden. Alle inwoners uit een bepaalde straal rond ons bedrijf zijn per brief uitgenodigd, maar eigenlijk was heel Boutersem op de hoogte. De voorzitter gaf er uitleg over het kader en de procedures die voorzien zijn. De burgemeester legde uit op welke manier buren eventueel bezwaren konden indienen. Ikzelf sprak over hoe een installatie in elkaar zit: wat er gebeurt, hoe we stroom maken, enzovoort. Voor het geval ik op bepaalde dingen niet kon antwoorden, was er ook iemand van het adviesbureau die de wetteksten door en door kent.’

      ‘De klemtoon lag op transport, lawaai, geur en veiligheid: de zaken die buren bezighouden.’

      ‘Ik heb ongeveer een uur gesproken aan de hand van een powerpoint-presentatie. De klemtoon lag vooral op transport, lawaai, geur en veiligheid, de zaken die buren bezighouden. We spreken over de periode 2006, amper twee jaar na de gasexplosie in Gellingen, niet ver hiervandaan. Op het einde van mijn betoog barstte er een spontaan applaus los. De aanwezige journalisten vroegen of ik het publiek aandelen beloofd had, maar blijkbaar heb ik alle bezorgdheden goed weerlegd. Onze installatie veroorzaakt ook geen geurhinder. Het enige wat je ruikt, is hetzelfde als bij een maïssilo. Biogasinstallaties zijn bovendien geluidsdicht geïsoleerd. De ingebouwde technologische veiligheidssystemen zijn indrukwekkend, veel gesofisticeerder dan wat je op een boerderij verwacht. En ons bedrijf is gelegen op 100 meter van de afrit van de E40.’

      5. Opvolging van klachten
      ‘Hou er rekening mee dat niet alle bezwaren automatisch weg zijn nadat je hebt gezegd hebt hoe alles werkt. Soms voel je dat je blijft praten en dat mensen niet horen wat je wil zeggen. Het is een goed idee om af en toe eens bij de gemeente te informeren naar eventuele klachten. Op een bepaald moment circuleerde er in het dorp een petitie tegen onze plannen. Gelukkig met net dezelfde argumenten als wat ik behandeld had. Inhoudelijk had ik dus alle opmerkingen al weerlegd. Er waren maatregelen genomen om te vermijden dat vrachtwagens per ongeluk het dorp zouden inrijden. Landschappelijk was er geen probleem: ons bedrijf zat al ingesloten tussen de E40 en de tgv. Ook qua lawaai en veiligheid van de biogasinstallatie was alles in orde. Ons dossier is dan ook gewoon zoals voorzien doorgestuurd naar de verschillende instanties. Er is geen enkel bijkomend onderzoek gevraagd.’

      6. Bouw- en opstartfase
      ‘Het kan nuttig zijn om je buren te informeren over tijdelijke overlast door de bouwwerkzaamheden. Al viel dat bij ons best mee. We zijn in september 2007 gestart met de bouw, pas in september 2008 hebben we de motoren opgestart. Sommige collega-vergisters nodigen dan de buurt uit voor een soort opstartplechtigheid. Wij hebben vooral gewerkt via verenigingen die een rondleiding willen volgen. Zo kwam hier op een bepaald moment een groep senioren en het bleek dat hun voorzitter de bewuste petitie had opgezet. Wel, na de rondleiding zei die man dat hij zich schaamde voor zijn initiatief! Een mooier compliment kan ik me niet dromen.’

      ‘Na de rondleiding zei die man dat hij zich schaamde voor zijn petitie…’

      7. Nazorg en open houding
      ‘We hebben nog geen incidenten gehad, maar ik vind wel dat je in dat soort gevallen zeer open moet communiceren. Met je buren en ook met de overheid. Als je eens een probleempje hebt, kun je beter zelf de milieu-inspectie bellen. Dan komen die mensen met een heel andere houding dan als ze zelf uitkomen op een defecte pomp of zo. We hebben ook al tientallen buren rondgeleid van collega’s die een biogasinstallatie willen opstarten. Sommigen stappen uit de bus en zeggen letterlijk “wat je ook vertelt, bij ons komt er geen vergisting.” Ik ga dan soms zeer ver. Met één iemand ben ik bovenop een tank geklommen om te gaan ruiken. Zo kon hij zelf ontdekken dat er echt geen geurhinder is. Zelfs dat werkt niet bij iedereen, maar toch bij de meesten…’

       

  • Biogas op je bedrijf

    Kan een biogasinstallatie ook op jouw bedrijf uitgroeien tot een interessante neventak? Dat wordt...
    Toon detail informatie

      Het vinden van geschikte plaatsen voor de inplanting van biogasinstallaties is zeer belangrijk voor de Vlaamse regering. Die streeft ernaar om tegen eind 2010 6%, en tegen 2020 13 % elektriciteit op te wekken uit hernieuwbare energiebronnen zoals zon, wind, water en biomassa. Vergisting van biomassa, al dan niet in combinatie met mest, kan een belangrijke bijdrage leveren aan de invulling van dat potentieel. Zo staat het expliciet in een omzendbrief van 2006 waarin de regering het kader schetst voor de beoordeling van vergunningsaanvragen voor biogasinstallaties.

      Schaalgrootte en prijskaartje

      Lees ook:
      Overcapaciteit of opportuniteit?
      Zonder diep in te gaan op technische en economische aspecten, zetten we hieronder eerst een aantal kerncijfers op een rij. Volgens de vzw Biogas-e zijn er inmiddels 37 biogasinstallaties operationeel en neemt het aantal vergunningsaanvragen allesbehalve af. Vandaag worden voornamelijk vergunningen aangevraagd voor installaties die per jaar 60.000 ton verwerken. Dat is de maximumcapaciteit in agrarisch gebied en ook de schaalgrootte die economisch de beste resultaten zou opleveren. Aan een installatie van die schaal hangt doorgaans een prijskaartje van om en bij de 8 miljoen euro, ofwel 130 à 150 euro per ton. Afhankelijk van de bron en de bedrijfssituatie rekent men op een terugverdientijd van 5 tot 10 jaar.

      iStock_000013833144Large.jpgIn theorie kun je een milieuvergunning op 1 jaar tijd bekomen, de praktijk leert dat je het best op 2 jaar rekent. Nochtans legt de omzendbrief een vrij duidelijk kader op. De grens tussen industriële installaties en wat in agrarisch gebied mag, is vastgelegd op 60.000 ton per jaar. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen installaties van een (zeer) beperkte schaal die gebonden zijn aan één enkel bedrijf, en installaties van een beperkte schaal die niet-gebonden zijn aan één enkel bedrijf. Beide zijn principieel toegelaten in agrarisch gebied, al moet je wel aan een aantal randvoorwaarden voldoen. Voor de eerste categorie moet bijvoorbeeld meer dan de helft van de input afkomstig zijn van het eigen bedrijf. Voor de tweede categorie gelden een aantal extra bepalingen en een verbod in onder meer agrarisch gebied met ecologische waarde en beschermde landschappen.

      Randvoorwaarden

      Een van de belangrijke algemene randvoorwaarden uit de omzendbrief is de globale mobiliteitsbenadering. Kort samengevat: vanwaar komen de goederen, langs welk type wegen worden ze aangevoerd en in welke mate kan dat voor overlast zorgen? De omzendbrief bevat ook een toetsingskader inzake ruimtelijke ordening. Zo moeten de gebouwen gebundeld worden, moet de landschappelijke inkleding en het materiaalgebruik aangepast zijn aan de omgeving, etcetera. Een derde randvoorwaarde is dat minimum 60 % van de inputstromen rechtstreeks uit de land- en tuinbouw afkomstig moet zijn, zoals mest, energiegewassen of oogstresten van het eigen landbouwbedrijf. In de provincie West-Vlaanderen eist men bovendien dat de helft van de landbouwgrondstoffen uit mest bestaat.

      100-0010_IMG.JPGLos van de omzendbrief moeten uiteraard ook de gangbare veiligheids- en milieuvoorwaarden uit de Vlarem-regelgeving vervuld zijn. Bijna alle biogasinstallaties vallen onder de zogenaamde klasse 1-milieuvergunningen, de categorie die voor 20 jaar geldig is en waarover de bestendige deputatie van de betrokken provincie beslist. Die baseert zich voor haar uitspraak op de adviezen van verschillende overheidsdiensten waaronder het lokale niveau, de Openbare Afvalstoffenmaatschappij (OVAM), het Departement Landbouw en Visserij, het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, het Agentschap Ruimte en Erfgoed, de Vlaamse Milieumaatschappij en de afdeling Toezicht Volksgezondheid. In veel gevallen wordt tegen dit besluit echter beroep aangetekend. In dat geval buigt de minister van Leefmilieu Joke Schauvliege zich over de aanvraag om, na de quasi onontkoombare vertraging, een uitspraak te doen over de zaak.

      Weg met vooroordelen!

      Lees ook:
      Nieuwe generatie, nieuwe mogelijkheden
      Om de vergunningsprocedure zo vlot mogelijk te laten verlopen, nemen de meeste biogasboeren een adviesbureau onder de arm voor hun dossier. Daarnaast kun je een beroep doen op de ervaring van organisaties als Biogas-e en het Vlaams Coördinatiecentrum Mestverwerking (VCM) om van bij de start een constructieve dialoog met je buren op te starten. De ervaring leert dat je het best van bij de start alle mogelijke misverstanden wegwerkt. Vooral op het vlak van veiligheid en geurhinder bestaan er nog veel vooroordelen bij de publieke opinie, die je kunt bijsturen door technische uitleg over de installatie te verspreiden. En waarom niet, door samen met je buren een andere biogasinstallatie te bezoeken, zoals meer en meer collega’s doen.

      Vooral op het vlak van veiligheid en geurhinder bestaan er nog veel vooroordelen.

      Lees ook:
      "Spontaan applaus als keerpunt"
      In de brochure ‘Communiceren rond mestverwerking en vergisting’ raden het VCM en Biogas-e aan om tijdens elke fase minstens één communicatieactie te ondernemen. Tussen idee en realisatie onderscheiden ze een zevental stadia: de verkenningsfase, het haalbaarheidsonderzoek, de planning en voorbereiding, de vergunningsaanvraag, de bouwfase, de opstartfase en de exploitatie. Ook het gemeente- of stadsbestuur helpt je doorgaans graag om een buurtvergadering of infoavond te organiseren. Probeer in ieder geval om zo open mogelijk in debat te gaan: laat iedereen uitpraten, luister naar de gevoeligheden en probeer je project met inhoudelijke argumenten te verdedigen. Neem de tijd om complexe zaken, zoals de veiligheidsmaatregelen of het systeem van onderdruk dat geurhinder voorkomt, verschillende keren uit te leggen.

      Transport en uitzicht

      Hou er rekening mee dat je niet iedereen zal kunnen overtuigen. Niet alle locaties zijn geschikt om 20 à 25 vrachtwagens per dag te ontvangen, zoals meestal nodig is voor een installatie van +- 60.000 ton op jaarbasis. Tegen bezwaren op het vlak van transport helpt het om een duidelijk plan voor de aanvoerroutes uit te tekenen en eventueel te benadrukken dat er geen transporten zijn op zon- en feestdagen of tijdens het schoolverkeer. Een computersimulatie van de gebouwen in de landschappelijke omgeving is dan weer een handig middel tegen visuele bezwaren. Op die manier zien de buren meteen hoe de site er, eventueel mits de nodige aanplantingen, zal uitzien. Ook kan het geen kwaad om voldoende te benadrukken dat er geen ontploffingsgevaar is: er gebeurt enkel beperkte gasopslag onder relatief lage druk, waarna het methaangas meteen verbrand wordt.

      Meer weten?

      www.vcm-mestverwerking.be (> publicaties > ‘Communiceren rond mestverwerking en vergisting’ of > inplanting > agrarisch gebied > omzendbrief RO/2006/01)
      www.biogas-e.be (> publicaties > ‘Communiceren rond mestverwerking en vergisting’)

  • Biologische landbouw

    -
    Toon detail informatie

      Sinds 2002 vinden iets minder mensen dat de landbouw volledig moet overschakelen op de biologische productiewijze. Het grootste gedeelte van de Vlaamse bevolking is hier niet mee akkoord. Wel zijn bijna de helft van de Vlamingen ervan overtuigd dat biologische landbouw gezonder is dan producten die afkomstig zijn uit de traditionele landbouw.

  • Biovarkenshouderij

    In tijden van schaarste krijgt een boer loon naar werken. Voor varkensboeren is het al jarenlang ...
    Toon detail informatie

      De laatste vijf jaar kampen varkenshouders met een dalend of bij wijlen zelfs negatief arbeidsinkomen door lage varkensprijzen en hoge voeder- en andere kosten. In plaats van te blijven hopen op betere tijden, kan men het roer ook omgooien en resoluut kiezen voor een positief arbeidsinkomen door het varkensbedrijf om te schakelen naar bio. Een 40-tal boeren had het voorbije jaar ambities in die zin, maar voorlopig laten zij zich nog tegenhouden door hun twijfels. “De investeringen in aangepaste huisvesting, een gebrek aan ruimte als uitloop voor de dieren, de moeilijke omschakelingsfase en de stijgende prijs voor biologische varkensvoeders zijn de voornaamste obstakels”, zegt Sofie Hoste, consulent binnen het project ‘Bio zoekt Boer’.

      biovarkens2b_Bio zoekt Boer.jpgHoste zoekt samen met Vlaamse land- en tuinbouwers naar kansen voor biologische landbouw op hun bedrijf. Zeven op de tien landbouwers die omschakelen naar bio doen dat na een contactmoment met ‘Bio zoekt Boer’. In 2011 zijn er 30 nieuwe biologische land- of tuinbouwbedrijven gestart. Opvallend is dat slechts 13 van de ruim 250 Vlaamse bioboeren varkens kweken. Slechts voor vier van hen is het ook de hoofdactiviteit op hun landbouwbedrijf. Uiteraard ambieert een bioboer niet dezelfde schaalgrootte als zijn collega die gangbaar boert. De arbeidsbehoefte op een biobedrijf is immers ruim het dubbel van die in de gangbare varkenshouderij, namelijk één voltijdse arbeidskracht per 100 zeugen en bijhorende afmest van vleesvarkens.

      De totale biologisch gehouden varkensstapel is tussen 2003 (1.635 vleesvarkens) en 2010 (1.672 vleesvarkens) amper toegenomen, al waren er in 2006 even 2.810 vleesvarkens in Vlaanderen. In vergelijking met de totale Vlaamse varkensstapel van bijna zes miljoen dieren staat de sector dus nog in zijn kinderschoenen. De stilstand van de biovarkenshouderij in Vlaanderen staat in schril contrast met de ontwikkeling die de sector in Wallonië en in onze buurlanden kent. In het zuiden van ons land groeide de varkensstapel in één jaar tijd met 65 procent zodat de vleesvarkensstapel 12.600 dieren telde in 2010. Duitsland is de belangrijkste Europese producent en verbruiker van biologisch varkensvlees, met 250.000 geslachte vleesvarkens per jaar. Daarnaast zijn ook Denemarken, Frankrijk, Nederland en Oostenrijk belangrijke producenten van biologisch varkensvlees (meer dan 70.000 varkens per jaar). In gans Europa werden in 2010 ruim 700.000 biovarkens geslacht. Een deel van de dieren wordt gehouden in grote, gespecialiseerde biovarkensbedrijven met 150 en meer zeugen. Daar staat tegenover dat de prijs voor biologische varkens over het algemeen een beetje hoger ligt in België dan bijvoorbeeld in Duitsland en Nederland.

      Lees ook:
      Bio en de wet
      Een starter zou kunnen overwegen om de varkensstapel om te schakelen, maar de gronden gangbaar te blijven bewerken. “Of dit verstandig is, betwijfel ik want dan moet al het varkensvoeder duur betaald worden en de mest moet dan getransporteerd worden naar gronden van een andere bioboer”, zegt Hoste. De varkensstapel stapsgewijs omschakelen, kan niet. De regelgeving laat niet toe dat dieren van eenzelfde soort tegelijk gangbaar en biologisch op eenzelfde bedrijf worden gehouden. Dieren moeten een uitloop in open lucht hebben en in hun stal natuurlijke ventilatie, daglicht, stro en op niet meer dan de helft van de oppervlakte een roostervloer. Op een biovarkensbedrijf zitten de stallen minder vol wat de dieren toelaat om natuurlijk gedrag te vertonen. Dat neemt de belangrijkste stressfactor weg en zorgt voor varkens met een hogere weerstand. In de biologische varkenshouderij primeert gezondheid en het voorkomen van ziekten. Is een dier ondanks alle preventieve maatregelen toch ziek of gewond, dan mag het uiteraard behandeld worden. Onder strikte voorwaarden en mits voorafgaande diagnose door een veearts zijn allopathische geneesmiddelen en antibiotica toegestaan.

      biovarkens.jpgEen bioboer kan zijn varkens vermarkten via een hoevewinkel of een biologische slager of hij kan leveren aan de groothandel. In dat laatste geval is de keuze in Vlaanderen beperkt want alleen EEG Slachthuis Mechelen, Slachthuis Genk en Slachthuis Noordvlees-Van Gool in Kalmthout beschikken over een erkenning. Die laatste breidt zijn activiteiten in biovarkensvlees uit en neemt daardoor biovarkens af die voorheen in Wallonië geslacht werden. Porc Qualité Ardenne (PQA) en Lovenfosse dat de bio-activiteiten van Abattoir Detry voortzet, zijn ten zuiden van de taalgrens de twee slachthuizen met erkenning voor bio. “Zowel de slachthuizen als grootwarenhuizen, speciaalzaak BioPlanet en distributeur Biofresh zijn vragende partij voor meer biovarkens uit eigen land”, weet Paul Verbeke, coördinator van ‘Bio zoekt Keten’, het zusterproject van ‘Bio zoekt Boer’. Uit een rondvraag van Bio zoekt Keten blijkt dat er elke week naar schatting 120 tot 150 varkens uit onder meer Nederland en Duitsland geïmporteerd worden om het tekort in België aan te vullen.

      BioForum, de ketenorganisatie van de biologische landbouw en voeding, ziet in bioproductie vooral voor de minder intensieve varkensbedrijven in Vlaanderen een kans om zich te differentiëren van hun gangbare collega’s en meerwaarde te creëren. “Een bioboerderij is bij voorkeur een gemengd en grondgebonden bedrijf”, zegt coördinator Landbouw bij BioForum An Jamart, “zodat de mineralenkringloop gesloten is en het bedrijf zo min mogelijk van derden afhankelijk is voor voederproductie en mestafzet.” Bezit een varkenshouder onvoldoende grond om dit te realiseren, dan kan hij afspraken maken met collega-bioboeren over voederwinning en mestafzet. Biologisch varkensvoeder kan ook aangekocht worden bij erkende voederfirma’s. Maximum vijf procent van het rantsoen mag bestaan uit niet-biologische eiwithoudende voedergrondstoffen vanwege het gebrek aan lokale bioteelt van eiwithoudende gewassen. “Op termijn wordt 100 procent biologisch varkensvoeder waarschijnlijk verplicht, wat de kostprijs nog zal verhogen”, waarschuwt Jamart.

      Lees ook:
      Biologische veevoeders
      Het voeder maakt ongeveer de helft van alle kosten op een biovarkensbedrijf uit. Wie zelf ruwvoeder en/of krachtvoeder biologisch teelt, kan de voederkosten op zijn bedrijf drukken. In de gangbare varkenshouderij wordt geen gras of kuilmaïs meer verstrekt door de hoge arbeidsbehoefte. Een bioboer doet die inspanning wel omdat ruwvoeder de gezondheid, rust en het dierenwelzijn bevordert. Granen in plaats van maïs telen om in te kuilen, vereenvoudigt voor een biobedrijf de onkruidbestrijding. Een mengteelt van granen met erwten of bonen zorgt bovendien voor voldoende eiwitten in het rantsoen. Ook koolzaad en gras-klaver leveren een eiwitrijk voeder.

      Naast ruwvoeder krijgen de varkens ook krachtvoeders. Eigen granen en peulvruchten kunnen tot krachtvoeder worden verwerkt, maar de meeste bioboeren doen (ook) beroep op een veevoederfirma. Aan biologisch krachtvoeder is een prijskaartje verbonden van 400 tot 500 euro per ton naargelang het om start-, biggen-, mestvarkens- dan wel zeugenmeel gaat. “Dat is momenteel ongeveer 60 procent duurder dan de gangbare varkensvoeders”, zegt Walter Vandepitte, directeur Veevoeding bij Molens Dedobbeleer in Halle. Een gesloten biobedrijf met 100 zeugen en afmest van 2.000 vleesvarkens per jaar moet rekening houden met een voederbehoefte van 115 ton zeugenvoeders en 700 ton voeder voor de vleesvarkens. Een prijsstijging van 10 euro per ton voeder resulteert bij een voederconversie van 3,0 in een kostprijsstijging van 0,03 euro per kilo vlees. “Het is dus belangrijk dat dieren de voedergrondstoffen optimaal benutten, maar bij biovarkens moet je door de aangepaste huisvesting en de zoektocht naar de ideale rantsoensamenstelling sowieso rekening houden met een hogere (minder goede, nvdr.) voederconversie”, informeert Jamart.

      Lees ook:
      Groene varkens zonder rode cijfers
      Tegenover de hoge voederkost staat een vrij constante prijs voor de boer van 2,8 tot 3,2 euro per kg karkasgewicht. De prijzen variëren naargelang de karkaskwaliteit en de afnemer. De prijs voor biologische varkens ligt over het algemeen ook een beetje hoger in België dan bijvoorbeeld in Duitsland en Nederland. “De vraag naar biologisch varkensvlees die het aanbod overtreft, maakt het iets gemakkelijker om voor bio de noodzakelijke meerprijs te realiseren”, denkt Paul Verbeke. “Anderzijds drukken de lage prijzen in de gangbare varkenshouderij ook de prijs voor biovarkensvlees. We proberen die twee van elkaar los te koppelen, maar de ervaring leert dat een consument vergelijkt en het prijsverschil niet te hoog mag oplopen.” Wie de rendabiliteit van gangbaar en bio vergelijkt, mag zich niet miskijken op het arbeidsinkomen per vleesvarken. Per varken scoort bio opvallend beter, maar het verschil in het voordeel van de bioboer is minder groot omdat de arbeidsbehoefte op een biobedrijf groter is zodat er veel minder varkens gehouden kunnen worden. Naast het aantal verkochte varkens per jaar hangt de rendabiliteit ook af van het aantal verkochte varkens per zeug. Daarop heeft de vakkennis van de boer een grote invloed. “In de biovarkenshouderij is er nog veel ruimte om de productiviteit te verbeteren aangezien de sector nog in volle ontwikkeling is”, denkt Jamart.

      Vanuit de overtuiging dat biologische landbouw in de verdere verduurzaming van de Vlaamse landbouw een rol zal spelen, krijgt deze productiemethode bijzondere ondersteuning van de Vlaamse regering. De overheid biedt zowel een kapitaal- als rentesubsidie voor investeringen in de biolandbouw voor zover die gericht zijn op milieuvriendelijkheid, dierenwelzijn of diversificatie. Via een premie per hectare worden bioboeren - vooral tijdens de omschakeling maar ook de jaren daarna nog - financieel ondersteund. Extra subsidies zijn er voor startende bioboeren: een tussenkomst in de kosten van een bedrijfsontwikkelingsplan en van bedrijfsbegeleiding gedurende de eerste vijf jaren. Erkende controleorganisaties waken over de kwaliteitsgaranties. Door een flink deel tussenkomst van de Vlaamse regering moeten bioboeren de controlekosten niet alleen dragen.

      Meer weten? Bezoek de studieavond van slachthuis Noordvlees-Van Gool, lees de brochure ‘Omschakelen naar biologische varkenshouderij’ of contacteer ‘Bio zoekt Boer’.

  • Boer in beeld

    In kleurrijke fotoreeksen wordt steeds een ander aspect van de land- en tuinbouw voorgesteld. Han...
    Toon detail informatie

      In kleurrijke fotoreeksen wordt steeds een ander aspect van de land- en tuinbouw voorgesteld. Handige lesfiches met kleurenfoto’s en een educatief verhaal vormen de insteek voor een realistische lessenreeks over de hedendaagse land- en tuinbouw.

      Meer informatie: Provincie West-Vlaanderen, Inagro

  • Boerderijklassen

    Boerderijklassen vzw is een vereniging die landbouweducatieve activiteiten uitwerkt, ondersteunt ...
    Toon detail informatie

      Op deze hoeve, een echt en modern landbouwbedrijf, wordt reeds vijftien jaar aan educatieve vorming gedaan voor kinderen en het brede publiek. Al tien jaar lang neemt de vzw het educatieve luik voor haar rekening.

      Meer informatie: www.boerderijklassenvzw.be/boerderijklassen/index.php

  • Boerderijklassen vzw

    Boerderijklassen vzw
    Toon detail informatie

      Boerderijklassen vzw is een vereniging die landbouweducatieve activiteiten uitwerkt, ondersteunt en begeleidt voor kinderen en volwassenen die deelnemen aan een boederijklas, - vakantie en/of bepaalde landbouweducatieve activiteit op de Vierhoekhoeve in Gijzenzele.

      Op deze hoeve, een echt en modern landbouwbedrijf, wordt reeds vijftien jaar aan educatieve vorming gedaan voor kinderen en het brede publiek. Al tien jaar lang neemt de vzw het educatieve luik voor haar rekening.

      Meer informatie: www.boerderijklassenvzw.be/boerderijklassen/index.php

  • Boeren met Klasse Limburg

    Onder de noemer ‘Boeren met Klasse’ werd ook in de provincie Limburg een netwerk van land- en tui...
    Toon detail informatie

      Onder de noemer ‘Boeren met Klasse’ werd ook in de provincie Limburg een netwerk van land- en tuinbouwers met een educatief aanbod opgestart. De provincie Limburg ondersteunt de deelnemende land- en tuinbouwers via vorming en begeleiding bij de uitbouw van educatieve programma’s.

      Meer informatie: Provincie Limburg

  • Boeren met Klasse Vlaams-Brabant

    De provincie Vlaams-Brabant heeft een netwerk ‘Boeren met Klasse’ uitgebouwd. Via dit netwerk wor...
    Toon detail informatie

      De provincie Vlaams-Brabant heeft een netwerk ‘Boeren met Klasse’ uitgebouwd. Via dit netwerk worden land- en tuinbouwers begeleid in de uitbouw van een educatief programma. Het uitgebreide netwerk zorgt ervoor dat elke school terecht kan bij een land- of tuinbouwer in de buurt.

      Meer informatie: Provincie Vlaams-Brabant

  • Boeren met Klasse Vlaams-Brabant

    De provincie Vlaams-Brabant heeft een netwerk ‘Boeren met Klasse’ uitgebouwd. Via dit netwerk wor...
    Toon detail informatie

      De provincie Vlaams-Brabant heeft een netwerk ‘Boeren met Klasse’ uitgebouwd. Via dit netwerk worden land- en tuinbouwers begeleid in de uitbouw van een educatief programma. Het uitgebreide netwerk zorgt ervoor dat elke school terecht kan bij een land- of tuinbouwer in de buurt.

      Meer informatie: Provincie Vlaams-Brabant www.vlaamsbrabant.be/boerenmetklasse

  • Boeren met weerbarstige regengoden

    Nog net iets meer dan de doorsnee burger spitsen landbouwers tijdens het weerbericht hun oren....
    Toon detail informatie

      Al sinds eind vorig jaar bouwt zich een droge situatie op die door een uitzonderlijke droge maand april, gevolgd door een droge meimaand en zeer droge maand juni acuut is geworden, zo lezen we in het laatste droogterapport van de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM), die de situatie op de voet volgt. Op waterinfo.be houdt VMM de meest actuele waterstanden bij, van Klemskerke tot Neeroeteren. En bij extreme weersomstandigheden, zoals overvloedige regenval of uitzonderlijke droogte, worden hydrologische rapporten opgesteld die de ernst van de situatie haarscherp in beeld brengen.

      Momenteel worden neerslagtekorten gemeten die bij de vijf procent laagst gemeten waarden zijn sinds 1970, zo lezen we. Maar voor wie daarbij meteen aan de extreme jaren 1976 en ook 2011 denkt, zo dramatisch is de situatie vooralsnog niet. Toch bevinden bepaalde delen van Vlaanderen zich al sinds eind april in waaktoestand en sinds eind mei is die waaktoestand uitgebreid naar heel Vlaanderen. De meest droge situaties doen zich voor in het zuidwesten en het zuidelijk deel van het centrum van Vlaanderen in het IJzer-, Leie-, Bovenschelde-, Dender- en Zennebekken.

      Sinds juli 2016 is november 2016 de enige maand waarin voor grote delen van Vlaanderen neerslagtotalen werden gemeten die hoger lagen dan de gemiddelde waarden. Sindsdien was december 2016 uitzonderlijk droog. Januari, februari, maart en mei 2017 waren niet abnormaal droog, maar wel allemaal droger dan gemiddeld. Vooral april was abnormaal droog met gemiddeld 18 mm neerslag. Tussen maart en mei van dit jaar noteerden de VMM-meetposten 99,7 mm neerslag, terwijl er tijdens diezelfde periode in Ukkel normaal gezien gemiddeld 187,8 mm valt. De afgelopen weken waren opnieuw abnormaal droog, gaande van 2,5 mm in Poperinge tot 28 mm in Moerbeke. Op zowat elke neerslagkaart valt meteen op hoe vooral in het westen van Vlaanderen veel minder neerslag viel.

      beek-waterkwaliteit_geVILT.jpg

      Komt daar op korte termijn verandering in? Het KMI verwacht tot 1 juli tussen 11,7 mm en 34,7 mm neerslag, of gemiddeld 24 mm, maar voegt daar meteen ook aan toe dat die voorspelling relatief onzeker is. Een druppel op een hete plaat? Deze neerslag kan op de korte termijn volstaan om de situatie in het centrum en oosten van Vlaanderen te milderen naar een zeer droge of lokaal matig droge situatie, aldus de VMM. Maar in het westen van het land is dat naar alle waarschijnlijkheid ruim onvoldoende en zal er aan de extreem droge waarden weinig veranderen.

      Op weg naar een nieuw droogterecord dus? Een overzicht van de grootste neerslagtekorten vastgesteld op 20 juni in Ukkel sinds 1970 leert dat het neerslagtekort hoog tot zeer hoog is, maar nog niet uitzonderlijk. Het gaat om een cumulatief neerslagtekort, wat het verschil weergeeft tussen de neerslag en de potentiële evapotranspiratie en een indicator is voor het risico op watertekort voor de plantengroei. Dit jaar bedroeg het neerslagtekort op 20 juni 124,7 mm, goed voor een zevende plaats na 1975 (125 mm), 1996 (126,3 mm), 1970 (131,6 mm), 1989 (139,5 mm), 2011 (168,6 mm) en recordjaar 1976 (169,1 mm). Het neerslagtekort wordt wel pas berekend vanaf 1 april en houdt dus geen rekening met de al bestaande droge situatie op dat moment.

      Specifiek voor landbouwers is daarnaast ook de bodemverzadiging belangrijk. Hoeveel water is er nog in de bodem aanwezig en hoeveel daarvan kan opgenomen worden door planten? Op alle meetlocaties is zowel de oppervlakkige bodemverzadiging (0 – 10 cm) als de bodemverzadiging van het hele bodemprofiel (0 – 70 cm) heel erg laag voor de tijd van het jaar, aldus de VMM. Na de neerslag van 8 en 9 juni stabiliseerde of steeg de bodemverzadiging tijdelijk, maar momenteel is de trend opnieuw overal dalende.

      Landbouw als grootverbruiker
      “Hoewel het vaak regent in Vlaanderen, is er geen water in overvloed”, aldus Jan Dhaene van de Vlaamse Milieumaatschappij. “Dat is deze maand heel duidelijk geworden. En de droogte van de voorbije periode heeft zijn effect op het grondwater. Op dit moment is de grondwaterstand op meer dan de helft van de meetplaatsen zeer laag voor de tijd van het jaar. Het aantal plaatsen met een zeer lage grondwaterstand is verdubbeld sinds begin juni. Als het droge weer nog zou aanhouden, dan verwachten we dat in heel Vlaanderen zeer lage grondwaterstanden zullen voorkomen, met uitzondering van het Kempens plateau in Limburg.”

      Dhaene benadrukt dat het om een structurele uitdaging gaat: “Het peil van heel wat van onze grondwaterlagen is sterk gedaald ten opzichte van vroeger. Het gaat soms om tientallen meters. Hoe komt dat? We gebruiken er te veel van, én het kan niet snel genoeg aangevuld worden door de regen. We verbruiken in Vlaanderen jaarlijks 716 miljoen kubieke meter water. Bijna een vijfde daarvan, 132 miljoen kubieke meter hiervan, is afkomstig van grondwater. Bovendien wordt ook nog eens ongeveer 164 miljoen kubieke meter grondwater gebruikt als ruw water voor de productie van drinkwater, samen dus zo'n 296 miljoen kubieke meter grondwater.

      “Als het regent in Vlaanderen, dringt dat water in de grond en vult het zo de grondwaterlagen aan”, zo gaat Dhaene verder. “Maar omdat we teveel verharde terreinen hebben, kan de regen vaak niet in de grond dringen. En dan zijn sommige lagen nog eens zeer kwetsbaar voor verontreiniging. Omdat het herstel van het grondwaterpeil en het zuiveren van vervuilde waterlagen erg veel tijd en geld kosten, is het belangrijk gericht en preventief op te treden.”

      irrigatie droogte_Loonwerk Defour_geVILT.jpg

      Het is met andere woorden essentieel om de druk op de grondwaterreserves te doen afnemen en de daling van het grondwaterniveau te stabiliseren. Op lange termijn zouden die lagen idealiter opnieuw moeten stijgen. Maar de uitdaging is niet klein, want het gaat om lagen die erg traag worden aangevuld: regenwater sijpelt moeilijk door de dikke pakketten klei. Bovendien is de kwaliteit van dat grondwater heel erg goed, waardoor het precies uit die lagen is dat er gretig geput wordt als waterbron voor industriële maar ook landbouwtoepassingen.

      Overexploitatie met andere woorden, maar door wie? Naast de drinkwatersector, zijn de land- en tuinbouwsector en de industrie de grootste verbruikers van grondwater, zo blijkt uit VMM-cijfers. Voor de land- en tuinbouw gaat het om 48 procent van de totaal vergunde debieten op 01/07/2016, voor de industrie om 44 procent en 46 en 47 procent van de effectief onttrokken volumes, ingeschat volgens de heffingsaangiftes 2015, verbruiksjaar 2014. “Analyses op niveau van deelsectoren is moeilijk, maar algemeen neemt de veeteelt het grootste aandeel in van de vergunde debieten voor winning van grondwater – meer dan 50 procent – gevolgd door de akker- en tuinbouw en de gemengde landbouwbedrijven”, zo klinkt het.

      Nog uit cijfers van VMM blijkt dat de landbouwsector ongeveer 70 procent grondwater uit de freatische lagen gebruikt. Dat zijn de niet-afgesloten watervoerende lagen. Daarnaast put de sector ook nog eens ongeveer 30 procent uit de diepe watervoerende lagen, ofwel de afgesloten watervoerende lagen. Voor de diepe grondwaterlagen in de Sokkel, het Krijt en het Landeniaan bestaat al een tiental jaar een verstrengd vergunningenbeleid omdat ze al lange tijd onder druk staan. Mede daarom zijn er sinds vorig jaar nieuwe stroomgebiedsbeheerplannen van kracht, die per regio bepalen hoe hoog het waterverbruik mag liggen. In sommige actiegebieden is een verstrengd vergunningenbeleid voor oppompen van grondwater ingevoerd of verder gezet, terwijl in andere gebieden het strenge vergunningenbeleid van vroeger aangepast of versoepeld is.

      (On)afhankelijk van de regengoden
      Dat een koe makkelijk 100 liter water per dag drinkt en dus een behoorlijk grote waterafdruk heeft, is geweten. Maar uiteraard hebben ook planten water nodig om te groeien. “Hoe minder water in de bodem, hoe meer inspanningen de plant moet doen om zijn fysiologische processen door te laten gaan, wat tot productieverlies leidt”, aldus Pieter Janssens van de Bodemkundige Dienst van België, dat al sinds eind jaren ’80 onderzoek voert rond irrigatie. De bodem fungeert als buffer en kruispunt voor de uitwisseling van water tussen de atmosfeer, grondwater en rivieren, met dat verschil dat de vochtvraag van de atmosfeer in de winter veel lager ligt, waardoor er in de winter veel minder water in de atmosfeer verdwijnt en er meer doorspoelt naar de bodem.

      “De gewassen die hier in Vlaanderen worden geteeld hebben vrij veel water nodig”, aldus Janssens. “Denk daarbij aan aardappelen en maïs, twee teelten die in ons gematigd klimaat op een rendabele manier geteeld kunnen worden zonder te irrigeren. Wat de bodems betreft kan de Vlaamse ondergrond wel een flinke portie neerslag aan, tenzij natuurlijk extreme situaties zoals juni vorig jaar, toen het uitzonderlijk veel heeft geregend. Bij overvloedige neerslag blijft het water in de bodem staan, wat betekent dat alle bodemporiën vol water lopen en er geen zuurstof meer in aanraking kan komen met de wortels. Daardoor kunnen de wortels niet meer ademen en sterven ze geleidelijk aan af. Dat kan vrij snel gaan, kijk maar naar bijvoorbeeld de aardappelplant. Van zodra ze één dag onder water staan is er al een belangrijk aandeel van de oogst verloren.”

      Even ter opfrissing: over een heel jaar valt in België gemiddeld 800 mm water, of zo’n 50 à 60 mm per maand. “In april houden neerslag en verdamping elkaar nog in evenwicht, maar in de maanden mei, juni en juli is de vochtvraag 20 à 25 mm hoger dan de neerslag”, zo legt Janssens uit. “Dat betekent overigens niet dat er maar 25 mm irrigatie nodig is, want het kan best dat het een week regent maar drie weken droog is. De totale hoeveelheid neerslag die in ons land valt is zeker niet uitzonderlijk, maar wat ons klimaat wel kenmerkt is het feit dat de neerslag relatief gelijkmatig verdeeld is. In Portugal bijvoorbeeld valt jaarlijks meer neerslag, maar het regent er bijna uitsluitend in de winter, wanneer de gewassen niet op het veld staan.”

      irrigatie haspel droogte_Loonwerk Defour_geVILT.jpg

      Sinds een tiental jaar kan je bij de Bodemkundige Dienst terecht voor irrigatiesturing. “Denk aan alle teelten waar het economisch rendabel is om te gaan irrigeren”, aldus Janssens. “Daar zit een flink stuk fruitteelt bij. Voor de Conferencepeer en de kersenteelt werken we samen met pcfruit via het Poireau-project. Daarnaast verzorgen we ook de irrigatiesturing voor verschillende aardappelboeren en tuinbouwers die aan de verwerkende industrie leveren. Sporadisch zit er ook wel eens een perceel suikerbieten of maïs bij op zandbodem, maar dat is eerder uitzonderlijk.”

      Zandbodems? “De nood aan irrigatie wordt bepaald door het vochthoudend vermogen van de bodem”, zo legt Janssens uit. “Zandbodems houden minder vocht vast dan kleibodems. Klei houdt het meeste vocht vast, maar houdt ook het wortelstelsel van het gewas sterk vast waardoor de plant minder vocht kan opnemen en makkelijker met droogtestress te kampen krijgt. Wat irrigatie betreft is de meerwaarde dus het grootst op zanderige bodemtexturen. Denk aan Antwerpen en Limburg, waar men daarbovenop nog eens het geluk heeft dat men er makkelijker water kan oppompen dan in pakweg West-Vlaanderen. Leembodems hebben een groot vochthoudend vermogen, en omdat die heel goed gestructureerd zijn kan er door capulaire nalevering ook nog vocht vanuit de ondergrond opstijgen naar de wortelzone, dus daar is irrigatie minder snel nodig. Toch weten we uit ervaring dat ook voor aardappelen op leembodems belangrijke meeropbrengsten kunnen gehaald worden door irrigatie toe te passen, al is het vaak minder rendabel dan op zandbodems.”

      De do’s & don’ts van irrigatie
      Wanneer loont het de moeite om te irrigeren? “Daarbij moet je logischerwijs vooral naar de omzet van het gewas kijken. Maïs bijvoorbeeld is net voor de kolfperiode heel erg droogtegevoelig, maar de omzet per hectare ligt een stuk lager dan bijvoorbeeld aardappelen, groente of fruit, waardoor irrigatie minder rendabel wordt. Enkel voor aardbeien kan je echt niet zonder irrigatie. Afhankelijk van hoe uitzonderlijk of doorsnee de zomer is kan je vrijwel alle andere gewassen telen zonder irrigatie in Vlaanderen, al is er dus in sommige jaren wel een groot productieverlies door waterstress. En dat verlies is bij landbouwers toch nog onvoldoende gekend. Zeker wanneer water kan opgepompt worden uit lagen die zichzelf terug aanvullen, of uit een beek waar het water anders toch naar de zee afloopt. In zo’n gevallen kan irrigatie heel erg waardevol zijn en kan je met minder input toch een hogere output genereren.”

      Daarbij denkt Janssens onder meer aan aardappelen. “In Nederland wordt het geïrrigeerde aardappelareaal geschat op 10 à 20 procent van het totale areaal, terwijl dat bij ons minder dan 5 procent is”, zo klinkt het. “Toch is er een belangrijke meerwaarde te halen door irrigatie in bepaalde jaren. Denk aan zomers waarin de neerslag erg onberekenbaar is op momenten dat het gewas kwetsbaar is. Dan kan de opbrengst staan of vallen met voldoende water.

      “Het cliché dat irrigatie duur is gaat niet altijd op, het is soms ook de toegang tot water die moeilijk is”, legt Janssens uit. “Grosso modo kan je zeggen dat je als boer in het oosten van het land en in de Kempen makkelijk een vergunning kan krijgen. Daar zit een grote groep telers die irrigatie toepast. Meer naar het westen van het land, waar ook het gros van het aardappelareaal staat, is het veel moeilijker om aan water te komen. Onderschat trouwens ook de toepassing op bedrijfsniveau niet: het is een heel intensieve praktijk die je onder de knie moet krijgen. Je moet bovendien irrigeren tijdens een periode die sowieso al druk is voor een landbouwer.”

      irrigatie knolselder planten_Loonwerk Defour_geVILT.jpg

      Alle factoren in acht genomen schat Janssens dat een beregeningsbeurt makkelijk 150 euro per hectare kost, exclusief de arbeidsuren van de landbouwer. De variabele kost, exclusief de eenmalige aankoop- en installatiekost, wordt rond de 50 euro geschat. “Als je irrigatiebeurt dus meer dan 50 euro kan opbrengen, dan loont het om te beregenen”, zo adviseert Janssen. “En daar zit je met aardappelen heel snel aan omdat je oogst makkelijk met 2 à 3 ton per hectare stijgt door irrigatie. Hetzelfde zie je terug in de groenten en fruit. Denk maar aan de Conferencepeer, waar er de laatste jaren toch veel is geïnvesteerd in druppelirrigatie. Ook daar hebben we gezien dat op de drogere bodemprofielen in het Hageland tijdens sommige jaren een meeropbrengst te halen valt van 10 tot 15 procent door irrigatie.”

      Om land- en tuinbouwers wegwijs te maken in de kunst van een efficiënte irrigatie biedt de Bodemkundige Dienst een irrigatiebegeleiding aan. “Bij aanvang van het groeiseizoen gaan we langs bij de landbouwer om afspraken te maken over het aanstaande seizoen”, beschrijft Janssens de aanpak. “We nemen als voorbeeld een aardappelteler. Eens we een goed beeld hebben van welke percelen we willen opvolgen op het bedrijf in kwestie houden we in de gaten wanneer de landbouwer zijn aardappelen gaat poten. En ongeveer tien dagen nadat het gewas geplant is, komen we een eerste keer langs en gaan we op dat perceel staalnames uitvoeren om het vochthoudend vermogen te bepalen. Vanaf dan gaan we om de drie weken op perceelsbezoek om te kijken naar de status van het gewas en om ook de staat van de bodem te bekijken. Dat betekent dat we vijf à zes keer op het perceel komen.”

      “Wij leveren ook elke week een e-mail aan waarin tot op de dag juist wordt aangegeven wat het optimum is”, legt Janssens verder uit. “Wanneer we minder perceelsbezoeken gaan uitvoeren, of andere technologie gaan gebruiken, dan hebben we in het verleden al gemerkt dat er snel ruis komt op ons systeem. Landbouwers kennen ook zelf hun gewas wel: je moet hen niet zeggen dat ze volgende week moeten gaan beregenen. Onze meerwaarde zit in heel precies advies: morgen gaat het regenen, maar kan ik wachten op die regen of moet ik toch vandaag al irrigeren? Daar komt het op neer.”

      Een natte of droge toekomst?
      Rest ons nog een laatste vraag: gaat de nood aan irrigatie toenemen door de klimaatverandering? “Twee jaar geleden hebben we ons irrigatiemodel toegepast op drie verschillende klimaatscenario’s die voorspeld worden voor België”, aldus Janssens. “We zagen dat voor aardappelen de irrigatiebehoefte snel toeneemt met 20 tot 100 procent, al moet ik erbij zeggen dat we geen rekening gehouden hebben met de correctie door het CO2-bemestingseffect. Dat wil zeggen dat als er meer CO2 in de lucht komt, de fotosynthese ook efficiënter gaat verlopen. Voor C3-gewassen, planten die fotosynthese uitvoeren door rechtstreeks CO2 op te nemen en om te zetten naar suikers, kan het productiepotentieel stijgen, maar dat zou nog veel harder kunnen stijgen als ook de irrigatie mee kan volgen.”

      We rekenen even verder. “Gesteld dat aardappelen vandaag maximaal 70 ton kunnen opbrengen en daarvoor gemiddeld 100 mm irrigatie nodig hebben, kan dat misschien binnen 20 jaar, als die klimaatscenario’s zich doorzetten, naar 100 ton gaan”, aldus Janssens, “op voorwaarde dat die 100 mm irrigatie naar 150 mm kan gaan. De productie zal met andere woorden toenemen, maar ook het belang van irrigatie zal toenemen. Onbekende factor is natuurlijk het weer, waarvan verwacht wordt dat het onregelmatiger zal worden. Als de neerslag op kortere tijd gaat vallen, dan zal daar rekening mee moeten gehouden worden.”

      De toekomst voorspellen is moeilijk, maar ook bij de Bodemkundige Dienst wordt erkend dat het lijkt alsof er bijvoorbeeld meer onweders zijn en ze elkaar vaak snel opvolgen. “Als we enkel naar de bodem kijken, dan zien we toch de afgelopen tien jaar bovengemiddeld warm zijn geweest, waardoor er een tendens is naar meer vochtvraag en dus een grotere nood aan irrigatie, én een hoger risico op droogtestress. De droogteperiodes zullen langer en intensiever worden. De totale hoeveelheid neerslag blijft misschien wel gelijk, maar zal geconcentreerder vallen.”

      pikdorsen tarwe zomer droogte_Loonwerk Defour_geVILT.jpg

      Ook VMM verwacht dat de neerslagpatronen zullen veranderen. “Het zal meer regenen in de winter en droger worden in de zomer”, zo klinkt het. “Wat een effect zal hebben op wanneer we regenwater en diep grondwater zullen gebruiken.” VMM gaat uit van een stabiele totale hoeveelheid neerslag, waardoor de aanvulling van de diepere lagen ongeveer gelijk zal blijven. Maar per seizoen zullen we dus anders moeten omgaan met ons grondwater. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat in de zomerperiode door schaarste van de oppervlakkige grondwaterlagen het diepe grondwater als enige reservebron kan ingezet worden.

      Daarnaast wijst VMM ook op de gevolgen van de steeds verder stijgende zeespiegel. Verzilting bijvoorbeeld. “Daardoor kan op termijn de regionale zoet-zoutverdeling in het freatische grondwater in de kustregio veranderen”, aldus Dhaene. “Zoetwaterlenzen zullen afnemen onder duingebied en we verwachten een toename van zoute kwel in de polderwaterlopen. Lage neerslaghoeveelheden en toenemende verdamping versterken ook nog eens de verzilting aan de kust en in havengebieden. Worden er geen maatregelen genomen om verzilting tegen te gaan, dan zal de zoetwaterwinning
      moeten afgebouwd en mogelijks zelfs verplaatst worden. Ook landbouwgebied kan sterk verzilten.”

      En dan is er nog onze ruimtelijke ordening. Want naast de effecten van de klimaatverandering is ook de bevolkingsdichtheid in Vlaanderen een niet te onderschatten factor. Vlaanderen is dicht bebouwd en de verharding neemt toe, waardoor regenwater snel afstroomt. Gevolg: het regenwater kan moeilijk infiltreren in de bodem en zo onze ondergrond voeden. Genoeg stof om over na te denken dus bij de verschillende beleidsmakers. Wordt vervolgd.  

  • Boeren op een Kruispunt

    De vzw Boeren op een Kruispunt (BoeK) begeleidt al vijf jaar boeren en tuinders die het moeilijk ...
    Toon detail informatie

      De voorbije vijf jaar gingen medewerkers van de vzw Boeren op een Kruispunt (BoeK) bij zowat 1200 Vlaamse land- en tuinbouwbedrijven langs. De vzw bemant een gratis telefoonnummer 0800/99 138 en biedt kosteloze bijstand in de vorm van allround-begeleiding en doorverwijzing. De vijf BoeK-medewerkers, allemaal gepokt en gemazeld in de sector, werken hiervoor nauw samen met zeven psychologen en een netwerk van een dertigtal opgeleide vrijwilligers.

      Multi-domein hulp

      Lees ook:
      Hoe herken je signalen bij jezelf en je omgeving?

      ‘De problemen waarmee wij dagelijks geconfronteerd worden, zijn zeer uiteenlopend’, vertelt BoeK-directeur Riccy Focke. ‘En we kunnen geen wonderen verrichten. Wat wij doen, is eerst luisteren, met kennis van de sector als achtergrond. Volgens onze missie bieden we een multi-domein begeleiding die als katalysator dient om gespecialiseerd advies om te kunnen zetten in actie. Op heel wat landbouwbedrijven worden adviezen niet opgevolgd omdat er andere knelpunten zijn buiten het gezichtsveld van de bestaande omkadering. Wij proberen die knelpunten te vinden en uit te schakelen. Met multi-domein bedoel ik dat we op alle terreinen steun bieden: psycho-sociaal, bedrijfstechnisch, familiaal. Soms vinden we snel een uitweg. Soms komen we in crisissituaties terecht waarbij algemene hulpverlening van buiten de sector nodig is.’

       

      ‘De kracht van een peloton is dat men er elkaar nog helpt. En dat men leert van collega’s.’

      Een korte bekentenis: de media – jawel, ook wij in Landgenoten – brengen vooral succesverhalen uit de land- en tuinbouw. Terwijl die verhalen niet altijd leerzamer zijn dan de doorsnee situatie. ‘Niemand is perfect, maar mensen praten niet graag over hun mindere kanten’, knikt Riccy. ‘Ik vergelijk ondernemen, in de landbouw of daarbuiten, met topsport. Het is veeleisend en er is een beperkt aantal toppers dat op een groot peloton steunt. Waar het niet eens slecht toeven is. Veel renners zijn zeer gelukkig in het peloton en hebben er een langere carrière dan hun kopman. De kracht van dat peloton is dat men er elkaar nog helpt. En dat men er leert van collega’s die, om welke reden ook, een tijdje achterin bengelen.’

      Zwaktes tonen is sterk

      Lees ook:
      Laat in je kookpotten kijken

      De directeur van BoeK pleit voor meer openheid over problemen en meer solidariteit in de land- en tuinbouw. En voor het besef dat alles eindig is. Riccy: ‘Zoals de dood hoort bij het leven, moeten we bij de oprichting en uitbouw van een landbouwbedrijf ook denken aan een mogelijk einde of ingrijpende verandering. In ons hoofd en op papier. Vermijd samenuitbatingsvoorwaarden die tien jaar niet aangepast worden, herbekijk de verdeling van je huwelijksvermogen om de paar jaar. Denk op tijd aan het einde van je actieve loopbaan. Ken je sterktes en zwaktes en weet welke andere professionele mogelijkheden je hebt. Een plan B is geen zwakte, maar een troef die rust schept voor je huidige activiteiten.’

       

      ‘Hoe groot is de kans dat je de eerste bent in Vlaanderen met een bepaald probleem?’

      De aanpak van BoeK verschilt van situatie tot situatie, maar een paar principes komen volgens Riccy vaak terug. ‘Als je beseft dat je levenssituatie niet goed is, moet je iets veranderen. We zijn hier om gelukkig te zijn. Sommigen blijven tobben en zien alleen hun probleem, en niet meer alles wat wel nog goed functioneert. Dan zeggen wij: hoe groot is de kans dat je de eerste bent in Vlaanderen met een bepaald probleem? Veranderen is het stoppen van een oude situatie. Laat ons nagaan wat wel nog goed is. We bekijken daarna hoe we de gewenste situatie kunnen bereiken. Stap voor stap. Rekening houdend met de mogelijkheden en de beperkingen. In een vaardigheidsmatrix maken we een overzicht van wat je graag doet en wat je goed kunt. We brengen de materiële mogelijkheden in kaart. En we gaan op zoek naar steunpunten. Zijn er bijvoorbeeld nog familieleden, collega’s of vrienden die we op weg naar de volgende stap kunnen inschakelen.’

      7 managers in één

      Lees ook:
      Gebruik de kennis van Boeren op een Kruispunt

      Zijn er tot slot pijnpunten die bij het merendeel van de adviesvragers terugkeren? Riccy: ‘De meeste boeren kunnen heel hard werken. Maar je moet ook efficiënt kunnen werken, kunnen organiseren en nog zo veel meer. Je moet kunnen onderhandelen bij aan- en verkoop. Je moet een geloofwaardig verhaal hebben tegenover leveranciers en afnemers. Je moet technische topprestaties kunnen neerzetten. Je moet aan afvalbeheer doen. Je moet personeel managen, dat ook nog eens vaak uit vele buitenlanders bestaat. Wie familie of vrijwilligers inzet, moet overigens beseffen dat je dat alleen tijdelijk kunt. Je moet ook je financiën kunnen beheren: genoeg investeren maar toch tegen een stootje kunnen. Je moet weten wat er fiscaal het best is voor je bedrijf. Kunnen inschatten wie wel en wie niet volledig achter je staat. En ook nog eens privé alles gesmeerd laten lopen. Geef toe, onze landbouwers zijn echte evenwichtskunstenaars die recht hebben op een vangnet als het misgaat.’

       

      Getuigenis: ‘Geen schrik voor het kruispunt’

      In het leven moet je keuzes maken. En die zijn soms niet makkelijk. Door een samenloop van omstandigheden kwam Paul eind 2007 in contact met Boeren op een Kruispunt. Vandaag blikt hij tevreden terug op de weg die hij heeft afgelegd.

      Paul werd geboren in een landbouwgezin. Op school koos hij voor landbouw en hij nam het bedrijf van zijn ouders over. Na de overname volgde de ene investering na de andere. Samen met zijn vrouw bouwde hij het bedrijf uit tot een mooi gesloten varkensbedrijf met 180 zeugen en nog wat akkerbouw. Ondertussen doken de varkenspest en de dioxinecrisis op. Toen Paul en zijn vrouw zagen welke nieuwe wetten, mestkosten, stijgende veevoederprijzen, enzovoort er op hen afkwamen, zagen ze dat het zo niet langer ging.

      Iets genetisch
      Paul koos voor verandering, zelfs een zeer drastische verandering: hij verkocht op zijn veertigste zijn bedrijf en werkt nu als technisch verantwoordelijke in een woon- en zorgcentrum voor ouderen. Paul: ‘Hoewel Boeren op een Kruispunt heel wat collega’s helpt om hun bedrijf op de rails te krijgen, heb ik de knop radicaal omgedraaid. Ik heb zelfs geen landbouwactiviteit meer in bijberoep en ik woon in het dorp. Onze zoon volgt wel de richting tuinbouw – dat is allicht genetisch bepaald. We zien wel wat hij later wil doen.’

      ‘Als landbouwer beschik je over veel vaardigheden die waardevol zijn op de arbeidsmarkt.’

      Even terug naar de moeilijke beslissing eind 2007. Op een bepaald punt moet je de economische feiten bekijken en een beslissing nemen, legt Paul uit. ‘Dat is niet makkelijk, want er speelt heel veel op dat moment. Je voelt de sociale druk van je omgeving. Verwachtingen, die al dan niet uitgesproken worden. Je moet komaf maken met het toekomstbeeld dat je zelf voor ogen had. En je weet niet wat er volgt. Het is een zeer onzekere tijd. Ga ik een job vinden? Wat voor job kan ik doen? Zal ik het wel gewoon worden om voor een baas te werken?’

      Onderschat potentieel

      Lees ook:
      Word vrijwilliger bij Boeren op een Kruispunt

      ‘Als er één ding is dat ik absoluut wil meegeven, is het dat je als land- en tuinbouwer veel kunt’, aldus Paul. ‘Boeren onderschatten zichzelf. Terwijl ze meestal wel iets kennen van elektriciteit, van schrijnwerk, van loodgieterij, van vergunningen aanvragen, van omgaan met mensen of een team aansturen. Als boer heb je budgetten leren beheren. Zelfstandig leren werken. Hard leren werken. Dat zijn allemaal kwaliteiten die zeer waardevol zijn op de arbeidsmarkt.’

       

      Hoewel het op bepaalde vlakken wennen was, is Paul nu zeer tevreden met zijn nieuwe leven. ‘Het heeft mijn leven ook verrijkt. Het is zoals met alles in het leven: als je ergens voor kiest, moet je er ten volle voor gaan. Ik stuur intussen andere mensen aan, geef vormingen rond veiligheid en welzijn en maak iedere week deel uit van de bouwvergadering als preventieadviseur. Samen met mijn vrouw en zoon wonen we nu nog steeds in hetzelfde dorp. We kochten er een bescheiden woning met een kleinere tuin. Maar dat materiële is niet waar het in het leven echt om gaat...’

  • Boeren op het scherp van de snede

    Er staat de melkveehouderij in Vlaanderen en Europa heel wat veranderingen en uitdagingen te wac...
    Toon detail informatie

      “De Vlaamse melkveehouderij is niet wat ze geweest is”, verklaart de onderzoekers aan de ILVO-afdeling ‘Landbouw en Maatschappij’ (L&M). “Dat is geen pessimistisch gemopper, maar een feitelijke observatie”, klinkt het. Zowel het totaal aantal melkveebedrijven als het aantal koeien is gedaald. Er is sprake van een opmerkelijk sterke specialisatie en schaalvergroting: wie overbleef werd groter (de bedrijven) en productiever (de koeien).

      Wetenschap en boerenbekommernissen

      Het lijstje kopzorgen van de moderne Vlaamse melkveeboer is niet min: grondkosten, de prijs van ruwe grondstoffen voor voeder en bemesting, bedrijfseconomische kennis, arbeid als productiefactor, de maatschappelijke eis van duurzaamheid, de wettelijke noodzaak van sanitaire maatregelen en de roep tot verbreding. In 2015 vervalt daarenboven het Europees systeem van melkquota per deelstaat, zoals we het sinds 1984 kennen. Ook andere mechanismen die de markt moeten beschermen, zoals bijvoorbeeld invoerheffingen en exportrechten, worden volop afgebouwd.

      Hoe kan de Vlaamse melkveehouderij stand houden op die vrije markt? Hoe zullen onze melkveehouders omgaan met de wereldwijd stijgende vraag naar melkproducten? Hoe kunnen individuele bedrijven hun economisch en ecologisch management zo organiseren dat ze het hoofd boven water houden of zelfs aan de kop van het peloton komen? “Al die zorgen hoeven niet noodzakelijk negatief te zijn”, is men bij ILVO - L&M overtuigd. “Het zijn even goed uitdagingen die een aanzet kunnen zijn om de zaken beter, meer gestructureerd en dus ook economisch voordeliger aan te pakken.”

      melkveeb.jpgOm op deze vragen en uitdagingen een antwoord te kunnen bieden, is ILVO - L&M reeds enkele jaren actief op zoek naar de betere voorbeelden voor een ecologisch en economisch deugdelijke melkveehouderij. Via de 'melkveecafés' hielp L&M al om de boekhoudkundige gegevens van de afdeling Monitoring en Studie (AMS) concreet ten dienste te stellen van de moderne Vlaamse melkveeboer. Toen in 2009 AMS en ILVO-L&M gezamenlijk de schouders zetten onder de melkveecafés, bleek tijdens de discussiesessies voor twee groepen melkveehouders uit Vlaanderen dat de grootste ontevredenheid te maken had met de onzekerheid die de schommelende melkprijs veroorzaakt.

      Met het verdwijnen van de melkquota in 2015 zal de hele sector nog uitdrukkelijker geconfronteerd worden met het spel van vraag en aanbod. L&M heeft in dat verband net een publicatie afgewerkt die een eerste verkennende analyse vormt van wat deze verhoogde volatiliteit voor de melkveesector kan betekenen. De analyse met als titel ‘Een volatiele melkprijs: het effect op het risicoprofiel van melkveebedrijven’ kadert in een ruimer project over risicoanalyse en -management.

      Knelpunten en actieplannen

      Binnen het DAIRYMAN-project – waarover binnenkort een rapport verschijnt – participeren maar liefst 120 Europese melkveebedrijven. Het is een Interreg-project (2009-2013) dat milieuzorg en economische leefbaarheid in de melkveehouderij in Noordwest-Europa centraal zet. De sector in Vlaanderen wordt aan de hand van een literatuurstudie en op basis van beschikbare cijfers ecologisch, economisch en sociaal doorgelicht. Twaalf Vlaamse voorbeeldbedrijven fungeren daarnaast als model voor een duurzame bedrijfsvoering.

      In het project staan kennisuitwisseling en sociale contacten centraal. Daarom wil men alle schakels in en buiten de keten bij het project betrekken: landbouwers, maar ook vertegenwoordigers uit de voeder- en meststoffenindustrie, zuivelfirma’s, beleidsmakers, natuurverenigingen, enz. Door alle partijen in elke regio op een workshop uit te nodigen, wordt er een rijkdom aan informatie bijeengesprokkeld die naar de brede sector gecommuniceerd zal worden. “Dat is van onschatbaar economisch belang, want de zuivelsector is goed voor 9,8 procent van de waarde van de Vlaamse land- en tuinbouwproductie en behoort daarmee tot de vijf belangrijkste subsectoren (samen met varkensvlees, rundvlees, groenten en niet-eetbare tuinbouwproducten)”, illustreert ILVO – L&M.

      melkkan.jpgDAIRYMAN gaat nog een stap verder dan de melkveecafés: men zoekt ook actief naar oplossingen om de bedrijfsvoering te optimaliseren door de discussiegroepen aan te vullen met doelgericht individueel bedrijfsadvies. Er is immers steeds ruimte voor verbetering, zo blijkt. Tijdens een workshop in februari 2011 werd gepolst hoe de Vlaamse melkveehouder maatschappelijk verantwoord en rendabel kan ondernemen. Die evenwichtsoefening op het slappe koord van economische, ecologische en sociale duurzaamheid is niet eenvoudig. Vertrekpunt was een knelpuntenlijstje: het risicovolle inkomen, de mestproblematiek, de steeds verdere afgebouwde marktbescherming, de fluctuerende melkprijs en productiekosten, enz..

      “Daarom kijken de onderzoekers hoe een boer al die prijsschommelingen kan incalculeren in het bedrijfsmanagement”, zegt ILVO - L&M. “Het familiaal karakter van vele Vlaamse bedrijven is op dat vlak al een pluspunt, omdat op die manier de arbeidskosten laag blijven (al resulteert dit wel in een loon dat lager ligt dan in andere sectoren).” Anderzijds zien de onderzoekers dat de toenemende schaalvergroting de productiekosten weliswaar drukt, maar ook de werklast de hoogte doet ingaan. “Een voor de hand liggende oplossing is doorgedreven automatisering, maar daar hangt een behoorlijk prijskaartje aan”, beseft L&M, al kan het een oplossing zijn om samen te werken door bijvoorbeeld gezamenlijk machines aan te kopen en te gebruiken.

      Automatisering door bijvoorbeeld melkrobots in te schakelen, heeft als bijkomend gevolg dat de weidegang van de melkkoeien vaak drastisch omlaag gaat. “Dat kan een imagoprobleem veroorzaken”, waarschuwt L&M. “Zo merken we op dat FrieslandCampina weidegang als standaard hanteert in de bedrijfsvoering van hun leden omdat het de beeldvorming en acceptatie van de melkveehouderij ten goede komt. De mensen zien immers graag de koeien op de wei.” Verbreding van de sector (door thuisverkoop, hoevetoerisme en agromilieumaatregelen) beschouwen de onderzoekers in die optiek ook een uitmuntende bedrijfsstrategie.

      De prijs van duurzaamheid

      Duurzaam bezig zijn, is dus onmiskenbaar een opsteker voor de beroepstrots van de melkveehouder, maar er blijft het probleem van het inkomen. “De landbouwer kan dan wel in de weer zijn met het leveren van ecosysteemdiensten en zo het landschap aantrekkelijker maken en ecologisch gezonder houden, maar die persoonlijke attitude moet natuurlijk in de eerste plaats rendabel blijven”, benadrukt ILVO - L&M. In dat verband signaleren de onderzoekers binnen DAIRYMAN een aantal alternatieve strategieën voor een betere prijsvorming.

      melk.jpgEén mogelijkheid is consolidatie, waarbij boeren gezamenlijk hun producten gaan vermarkten om zo een betere onderhandelingspositie in de wacht te slepen. Een voorbeeld hiervan is de coöperatie Milcobel die recent een succesvolle samenwerking opzette met Delhaize rond duurzaam geproduceerde melk. Ook kunnen boeren via integratie de keten verkorten. De Oost-Vlaamse vereniging Mikka houdt de afstand tussen producent en consument zo klein mogelijk via rechtstreekse vermarkting en verkoop aan de verbruiker. Deze strategieën staan wel nog in de kinderschoenen, met alle wettelijke en financiële beperkingen van dien (zoals de wet op mededinging en de extra kosten om de samenwerking te coördineren). Er zijn bovendien financiële gevolgen voor de klant: de artisanale melk van Mikka is bijvoorbeeld dubbel zo duur als de gewone. “Het is dus nog maar de vraag of de burger zijn maatschappelijke verzuchtingen op het vlak van duurzaamheid ook wil betalen als consument”, merken de onderzoekers op.

      Ook het nutriëntengebruik heeft zowel een economische als ecologische weerslag. Het is van groot belang voor een duurzame landbouw dat de nutriënten efficiënt worden ingezet. De verliezen moeten minimaal zijn om zo de kringloop maximaal te kunnen sluiten. De Europese regelgeving, met de Nitraatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water voorop, stelt op dat vlak hoge eisen. Bij ons moet het mestactieplan zorgen dat het mestbeleid bijgestuurd wordt om aan al die regels te voldoen. En al is onze waterkwaliteit intussen veel beter geworden en de emissie van ammoniak en broeikasgassen naar beneden gegaan, toch is er nog heel wat ruimte voor verbetering door een proactieve aanpak. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat het daarbij niet noodzakelijk om duizelingwekkende investeringen hoeft te gaan. Beperkte maatregelen kunnen soms al voor verrassende resultaten zorgen: het rantsoen nauwgezet berekenen om zo de juiste krachtvoeders te kunnen aankopen, bemestingsadvies nemen en opvolgen, zorgen voor een goede bodemkwaliteit, enz.

      ILVO-L&M vestigt met DAIRYMAN ook de aandacht op een bijkomend probleem van de mestproblematiek. De strengere bemestingsnormen hebben namelijk een negatief effect op de kwaliteit en kwantiteit van ruwvoeders. Kwalitatief daalt de eiwitinhoud en dus ook de voederwaarde. Er komen bijgevolg meer externe eiwitbronnen (zoals soja) via import in onze landbouw terecht. Daardoor ontstaat in ontwikkelingslanden een (te) intensieve landbouw, terwijl bij ons een grondloze veeteelt opgang maakt, met in de marge een overdaad aan maïsteelt om de voederrantsoenen aan te vullen. Mogelijke oplossingen hier zijn de herwaardering van reststromen, meer kwalitatieve graskuilen en de bedrijfseigen teelt van eiwitrijke gewassen.

      Vooruitziend en internationaal

      In de conclusie van het DAIRYMAN-rapport omschrijven de ILVO-onderzoekers de hedendaagse boerenstiel als “boeren op het scherp van de snede”: er moet gewerkt worden met kleine economische marges, terwijl men tegelijkertijd aan een resem randvoorwaarden moet voldoen. Dat is een hele klus en daarom engageren de onderzoekers zich om op basis van hun studie van de voorbeeldbedrijven middelen aan te reiken waarmee alle melkveehouders hun management kunnen opkrikken. Ze beklemtonen daarbij dat het ontzettend belangrijk is om niet op korte termijn te denken. “De melkveehouder die vandaag en morgen marktgericht en ecologisch verantwoord wil overleven, zal voldoende vooruit moeten kijken”, klinkt het. Dat blijkt ook uit een nieuw onderzoeksproject over melkvee van L&M en UGent. In dat ECOWORM-project pleit men voor een geïntegreerde en bedrijfsspecifieke aanpak van de ontworming in de melkveehouderij, die veel bedrijfsefficiënter is dan de huidige aanpak op basis van het infectieniveau.

      melkveec.jpgNaast het aanscherpen van een vooruitziende aanpak wil DAIRYMAN de melkveehouder ook klaarstomen voor de internationale markt. In dit kader mochten een aantal Vlaamse en Nederlandse melkveehouders vorig jaar een groep van Ierse boeren verwelkomen op hun bedrijf. Verschillende productiemethoden zorgen immers voor verschillen in expertise, en zo kan men van elkaar leren. “Waar de Ieren iets konden opsteken over onze intensieve manier van melkveehouderij, kan een bezoek aan Ierland voor onze boeren bijvoorbeeld een betere kijk op efficiënt graslandbeheer bieden”, is ILVO - L&M overtuigd.

      Dat leren van elkaar zal zich niet beperken tot de Europese context van DAIRYMAN, want sinds 2010 is L&M ook lid van het International Farm Comparison Network. Via uitwisseling van kennis, inzichten, methoden, tools en gegevens wil dit globale netwerk bijdragen tot een beter begrip van de economie van de melkproductie. De onderzoekers van L&M voeden de kennisbank van dit netwerk nu met jaarlijkse gegevens over onze melkveesector en hebben zo ook toegang tot de data van de andere deelnemers uit zo’n 80 landen, waardoor een internationale vergelijking mogelijk wordt.

      In het licht van de globalisering van de zuivelmarkt kunnen de Vlaamse melkveeboeren dus hun voordeel doen met kennis over de aanpak in het buitenland. Het gaat hierbij om zeer concrete informatie zoals risico-analyses en kwaliteitscontrole, die vergaard wordt via panels waarin onderzoekers, zuivelverwerkers en landbouwers zetelen. In de recent verschenen publicatie ‘Het IFCN als analysekader voor de melkveesector in Vlaanderen’ doen de ILVO-onderzoekers dan ook een oproep aan alle potentiële belanghebbenden om deel te nemen aan zo’n panel. “Want samenwerken is goed boeren”, besluiten zij.

      Meer info: contacteer ILVO via lies.debruyne@ilvo.vlaanderen.be of bekijk de ILVO-publicatie DAIRYMAN & de website van het Interreg-project

  • Boomkwekerij

    Geen subsector van de land- of tuinbouw die zo divers is als de boomkwekerij in ons land. Op 5.00...
    Toon detail informatie

      De boomkwekerij is een sector waar, zowel letterlijk als figuurlijk, groei in zit. Door schaalvergroting vermindert het aantal boomtelers, maar het totale areaal dat de blijvers in gebruik hebben, neemt toe. In tien jaar tijd breidde de boomkwekerij met honderden hectare uit tot het huidige areaal van ongeveer een 5.000 hectare in België. Daarmee onderscheidt deze sector zich binnen de land- en tuinbouw want de totale oppervlakte cultuurgrond neemt af.

      Ook in de afzet van zijn product weet een boomteler zich te onderscheiden van andere land- en tuinbouwers. Een aantal onder hen verkoopt zijn producten op het bedrijf, of aan tuinaanleggers uit de buurt, terwijl er anderen zijn die aan (groot)handelaars of rechtstreeks aan exporteurs leveren. Sommige boomkwekerijen tellen ook een afdeling tuinaanleg, of zijn van tuinaanleg met eigen teelt van plantgoed gegroeid richting boomkwekerij.

      boomkwekerij.vollegrond_Herplant.2.jpgDe voorbije winters werden boomtelers keer op keer geconfronteerd met vorstschade. Dat zorgde voor meer investeringen in serres zodat het plantgoed veilig kan overwinteren. “Dat maakt van een boomkwekerij een ‘gemengd bedrijf’ met volle grondteelt, containerteelt en beschutte teelt in serres”, zegt Didier Hermans, mede-zaakvoerder van boomkwekerij Herplant in Beerse. Op dit specifieke bedrijf gaat het bijvoorbeeld om twee hectare serres op een totaal areaal van 34 hectare.

      De oppervlakte boomkwekerij onder glas, voor het vermeerderen of overwinteren van plantgoed, blijft vooralsnog beperkt tot minder dan 100 hectare. Maar het wint wel aan belang, net zoals de containerteelt in potten. “Hoewel een boomteler een veel kleinere serre nodig heeft dan een glastuinder voor zijn groenten speelt de vergunningenproblematiek ons parten”, getuigt Hermans. “Een serre was voor mijn bedrijf nochtans cruciaal om te kunnen groeien.”

      DidierHermansb.1.jpg‘Grond is schaars, ook voor boomtelers’

      De druk op landbouwgrond ervaren Hermans en zijn collega’s als één van de grootste belemmeringen voor de boomkwekerij. Plantgoed opkweken, neemt een veelvoud van de tijd in beslag die een akkerbouwgewas op het veld staat. Dat maakt het moeilijker om grond te huren. Door het gebrek aan vertrouwen in de Pachtwet bij eigenaars is dat sowieso al geen eenvoudige zaak.

      Grond is schaars, dus pleit het voor boomtelers dat zij een hoge omzet realiseren op elke hectare die ze bewerken. “Vlaanderen is één van de meest dichtbevolkte regio’s. De land- en tuinbouw moet daarom inzetten op innovatie en het creëren van toegevoegde waarde. “Sierteelt en boomkwekerij zijn hier dus zeker zo op hun plaats als een bulkproduct zoals maïs”, vindt Didier Hermans.

      boomkwekerij_Herplant.2.jpgDe cijfers spreken hem niet tegen. De boomkwekerij realiseert een gezamenlijke productiewaarde van 300 miljoen euro per jaar. De sector zorgt voor 1.200 voltijdse jobs in Vlaanderen. In piekmomenten is er werk voor een 400-tal seizoensarbeiders.De exportwaarde van het plantgoed bedraagt 100 miljoen euro. Eén vijfde van de wereldhandel in vaste planten vertrekt vanuit België. Een groot aantal bedrijven voert 70 tot 90 procent van de productie uit, vooral naar andere EU-lidstaten zoals Frankrijk (goed voor 51% van de export), het Verenigd Koninkrijk (8%), Duitsland (8%) en Nederland (5%). Ook Rusland is een belangrijke afnemer. De focus ligt steeds meer op Midden- en Oost-Europa.

      De waardering voor boomkwekerij is met de tijd toegenomen. “De laatste 15 jaar merk ik dat er geluisterd wordt naar de sierteelt, én naar de boomkwekerij”, zegt Lucien Verschoren, voorzitter van het Verbond van boomtelers binnen sierteeltfederatie AVBS. AVBS-consulente Boomkwekerij Nele Lauwers ziet naast de puike economische prestaties nog een andere verklaring voor de waardering: “De laatste jaren is er een groeiende aandacht voor het thema ‘de groene stad’. Het gaat hier om initiatieven om extra groen in de directe omgeving van de mensen te brengen zoals parken en stadstuinen.”

      NeleLauwers.1.jpg‘Een groene omgeving is een primaire behoefte, net zoals voeding’

      Zeg tegen een boomteler niet dat groen “luxe” is en zijn gronden beter benut zouden worden voor voedselproductie. “Mensen hebben ‘groen’ nodig om zich goed te voelen. Ook dat is een primaire behoefte”, bezweert Hermans. Lauwers wijst op een enquête in Gent waaruit bleek dat mensen in ‘groene’ wijken beter in hun vel zitten. Cijfers van het Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing (VLAM) onderschrijven hun vaststellingen: het segment ‘bomen en tuinplanten’ is een groeier binnen de sierteeltmarkt. In 2012 kocht een Belg voor gemiddeld 40 euro aan bloemen en planten.

      boomkwekerij.irrigatie_Herplant.2.jpgHet plantgoed voor tuinen, parken en natuurgebieden komt van de boomkwekerij zodat voorzitter Verschoren voor zijn sector een groen imago claimt. Hij motiveert dat niet alleen door de aard van het product, maar ook door het milieuvriendelijke productieproces. In potten worden traagwerkende kunstmeststoffen gebruikt die de plantenvoeding gecontroleerd vrijgeven. Even belangrijk om uitspoeling van nutriënten te vermijden, is de opvang en het hergebruik van de spuistroom (met meststoffen verrijkt water) op moderne containervelden. In serres is de opvang en verwerking van spuistroom verplicht. Op containervelden in open lucht is het een verstandige, zij het dure, investering.

      Het productieproces op een boomkwekerij is verrassend innovatief. Wie groene vingers heeft, is wellicht vertrouwd met vermeerderingstechnieken als zagen, stekken, afleggen, oculeren en enten. Maar wie hoorde al van ‘in vitro’ vermeerdering bij vaste planten? Dat is een snelle, weliswaar dure, manier om planten te vermeerderen in het labo. Ideaal voor soorten waarvoor de andere methoden tekortschieten. Vandaag is het de standaardmethode bij orchideeën en de meeste bamboes.

      LucienVerschoren.1.jpg‘Handenarbeid is onvermijdelijk op een boomkwekerij’

      Innovatie wordt verder mogelijk gemaakt door de samenwerking van de boomkwekerij, en de sierteelt in het algemeen, met universiteiten, hogescholen, het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek, tuinbouwscholen en het Proefcentrum voor de Sierteelt. Noem onze regio gerust de ‘technopool sierteelt’ want in Vlaanderen werkt een 50-tal wetenschappers rond sierteelt. “Dat is uniek”, verzekert Verschoren, “nergens staat men zo ver met de proeftuinwerking en wetenschappelijke begeleiding.” Alleen een onafhankelijke teeltbegeleider die bedrijven opvolgt, is er niet. Verschoren ervaart dat als een gemis, boomteler Didier Hermans niet: “De kennis zit daardoor meer bij de teler.”

      Boomkwekerijen vind je overal in Vlaanderen, met een paar ‘concentratiegebieden’ zoals Wetteren, Putte, Retie, Wuustwezel en Loenhout. Van het totale areaal boomkwekerij ligt bijna 40 procent in Oost-Vlaanderen. In alle hoeken van Vlaanderen kunnen boomtelers terugvallen op belangenverdedigers: Boomtelers Oost-Vlaanderen, Boomtelersfederatie Noord-België voor Antwerpen, Limburg en Vlaams-Brabant, Webos Boomkwekers voor West-Vlaanderen en de gilde van de Bosboomkwekers van Vlaanderen. Het overkoepelend Verbond van Boomtelers, dat deel uitmaakt van sierteeltfederatie AVBS, verstevigt de samenwerking tussen de vier federaties en behartigt de gemeenschappelijke belangen.

      boomkwekerij.arbeiders.werknemers_Herplant.2.jpgDe verschillende federaties komen op voor kleine KMO’s – bedrijven met enkele vaste arbeidskrachten en seizoensarbeiders – en voor bedrijven met meer dan 100 hectare en tientallen personeelsleden, zowel arbeiders als bedienden. De sector is trouwens voortdurend op zoek naar goede medewerkers. Door de schaalvergroting is er bijvoorbeeld ook nood aan hooggekwalificeerd personeel.

      Ondanks de sterke mechanisatie om het werk te verlichten, is handenarbeid onvermijdelijk op een boomkwekerij. “Vakkennis en het menselijk oog en oordelingsvermogen is onmisbaar omdat de nadruk ligt op kwaliteit en niet op kwantiteit”, weet Lauwers. De boomteler en zijn personeel moeten ook in het putje van de winter op het veld aan de slag. Vrieskou of ploeteren in de modder houdt hen dan niet tegen aangezien de belangrijkste verkoopperiode is aangebroken. Het klinkt misschien vreemd maar de herfst en de winter zijn het ideale plantseizoen voor vaste planten en jonge bomen. Dat moet nog doordringen bij de consument, vandaar de slogan ‘Plant nu de lente’ die de sector samen met VLAM lanceerde. “Planten in het najaar is een garantie op een betere wortelvorming en een voorsprong in de lente”, legt Verschoren uit.

      ‘Vorst is de grootste vijand van de boomteler’

      Zoals in alle land- en tuinbouwsectoren stijgen de kosten ook in de boomkwekerij en houden de prijzen van de eigen producten geen gelijke tred. Het commercieel talent van een boomteler wordt dus van doorslaggevend belang. Ondanks de hoge loonkosten en de onzekerheid bij de afzet van hun producten - soms wordt plantgoed dat klaar is voor verkoop vernietigd omdat er geen vraag naar is - zijn de meeste boomkwekerijen financieel gezonde bedrijven. Maar dat betekent niet dat een boomteler op zijn twee oren kan slapen. Vorstschade kan een (economische) ravage aanrichten op een boomkwekerij. Jaren werk en een belangrijk deel van de voorraad wordt soms in één klap weggeveegd. “In februari 2012 leed ons bedrijf enorme schade door de zware vorstprik en we waren geen uitzondering”, getuigt Hermans.

      boomkwekerij.plant.sierteelt_Herplant.2.jpgOndanks zulke grote tegenslagen schat hij de toekomst van de boomkwekerij positief in. “Er zullen minder boomkwekers zijn, dat wel. De enorme vakkennis van de blijvers is onze grote troef. Daar worden we zelfs voor gewaardeerd in het buitenland.” Vanuit zijn professionele achtergrond aan de Hogeschool Gent, voegt Lucien Verschoren daar de goed werkende onderzoeksinstellingen en het goed uitgebouwde landbouwonderwijs als troeven aan toe.

      “Behalve de onvoorspelbaarheid van het weer ervaart de sector nog andere bedreigingen: het gebrek aan geschikte landbouwpercelen, de regelgeving die – meer dan de regen – de boomteler binnenhoudt achter zijn papieren of pc. Ook de hoge loonkosten zijn een rem op de groei van onze sector”, meent Verschoren. En onverwachts kan er altijd een groot gevaar opduiken in de vorm van quarantaine-organismen zoals de Aziatische boktor. Vanuit AVBS en de studiedienst van Boerenbond is een werkgroep gestart die nagaat hoe de sector kan anticiperen op deze problematiek. Een denkspoor is de oprichting van een fonds om getroffen bedrjiven weer op de rails te helpen.

      Voor een starter is het, zoals in alle land- en tuinbouwsectoren, quasi onmogelijk om een boomkwekerij uit het niets uit de grond te stampen. “Ik zie nog wel bedrijven doorgroeien vanuit de tuinaanleg”, aldus Hermans, “tenminste als de banken mee willen want de financiering wil niet altijd volgen.” Bestaande boomtelers kunnen hun bedrijven versterken door onderling samen te werken. Het geloof daarin is sterk bij de gesprekspartners aan tafel, maar het idee moet in de sector nog rijpen.

  • Boviene virale diarree bij melk- en vleesvee

    Dierenarts Jozef Laureyns van de Buitenpraktijk, faculteit Diergeneeskunde, UGent presenteerde be...
    Toon detail informatie

      BVD is moeilijk te herkennen op het rundveebedrijf
      Boviene Virale Diarree is een complexe ziekte die zich kan voordoen onder een veelvoud aan klinische verschijningsvormen. Daarom is de diagnose zonder staalname en laboratoriumtesten moeilijk tot dikwijls onmogelijk. Dit heeft tot gevolg dat men bij gezondheidsproblemen op rundveebedrijven vaak niet beseft dat het BVD-virus de oorzaak is. Het is dan ook niet verwonderlijk dat uit een recente studie van de faculteit Diergeneeskunde aan de UGent bleek dat het virus aanwezig is op meer dan 40 procent van de Belgische rundveebedrijven.

      kalf_ILVO.2.pngIn de doctoraatsthesis worden een aantal gevallen beschreven die niet meteen aan BVD doen denken. Bij een eerste bedrijf werd er een zeldzame vorm van het BVD-virus ontdekt bij een tien dagen oud kalf gedurende een uitbraak van bloederige diarree bij pasgeboren kalveren. Een volgende case gaat over een twee dagen oud kalf met spontane huidbloedingen en een te laag gehalte aan bloedplaatjes. Dit zijn ziektetekens die zonder laboratoriumtesten moeilijk te onderscheiden zijn van wat wordt waargenomen bij kalveren die lijden aan Boviene Neonatale Pancytopenie (BNP), ook “bloederkalveren” genoemd. Het spontane herstel van het bloedingssyndroom bij dit BVD-dragerkalf en de jonge leeftijd in vergelijking met de leeftijd van BNP-kalveren waren uitzonderlijk.

      De laatste gevalsbeschrijving behandelt een koe die ernstig algemeen ziek was kort na de kalving en bloederige ontsteking van de dikke darm vertoonde. Andere koeien van het bedrijf waren daarvoor ook ernstig ziek geweest met bloederige diarree als het meest opvallende symptoom. Bij retrospectief onderzoek bleek dat gedurende de uitbraak een drie maanden oud dragerkalf naast de pasgekalfde koeien gehuisvest was. Dit kalf had de koeien besmet met het BVD-virus. Het virus was hoogstwaarschijnlijk het bedrijf binnengekomen via materiaal dat gemeenschappelijk gebruikt werd met een ander bedrijf. Het viel op dat het beschreven kalf en de koe allebei besmet waren met BVDV1b, het bij ons meest gevonden type BVD-virus, terwijl nog steeds algemeen aangenomen wordt dat bijna uitsluitend BVDV2 verantwoordelijk is voor het bloedingssyndroom en andere erge gevallen van BVD.

      Verband tussen BVD-virusinfectie en celgetal van de melk
      Vervolgens werd er gezocht naar verborgen schade veroorzaakt door het BVD-virus. Uit een onderzoek op Vlaamse bedrijven waar niet gevaccineerd werd tegen BVD-virus, bleek dat er een relatie bestaat tussen de graad van BVD-besmetting van een melkveebedrijf en het tankmelkcelgetal. BVD-vrije bedrijven hadden met name een significant lager tankmelkcelgetal dan bedrijven waar er volgens het BVD-antistoffengehalte in de tankmelk nog actieve infectie was of waar er kort voor het onderzoek nog een infectie met het BVD-virus was.

      Wordt het BVD-virus in Vlaanderen efficiënt bestreden?
      Het is evident dat er voor het herkennen van een ziekte zoals BVD, die vaak niet gedetecteerd kan worden aan de hand van klinische verschijnselen, laboratoriumtesten aangewezen zijn. Deze testen zijn zowel nodig voor het stellen van de diagnose bij individuele zieke dieren, als voor het voortdurend opvolgen van rundveebedrijven. Dit monitoren is noodzakelijk, zowel voor het ontdekken van BVD-viruscirculatie op bedrijven, als voor het tijdig opmerken van eventuele herinfecties na een succesvolle uitzuivering.

      kalf.melkveehouderij.2.jpgAlgemeen wordt aangenomen dat er voor een efficiënte BVDV-controle drie elementen onontbeerlijk zijn: bioveiligheidsmaatregelen, opsporing en verwijdering van alle dragers (dieren die blijvend geïnfecteerd zijn en het virus verder verspreiden, nvdr.) en het voortdurend opvolgen van de situatie. Om na te gaan waarom in Vlaanderen het terugdringen van het BVD-virus niet blijkt te lukken, wordt in een volgend hoofdstuk onderzocht of de vrijwillige pogingen tot controle van de besmetting wel voldoende systematisch worden uitgevoerd.

      Uit de verkregen gegevens blijkt dat de bestrijding in Vlaanderen op de meeste rundveebedrijven inefficiënt verloopt. De meeste bedrijven (63%) kenden hun BVD-status niet, omdat ze niet monitoren. Ook werd er op 71 procent van de bedrijven gevaccineerd tegen BVD zonder het voorafgaand opsporen en verwijderen van virusdragers. Dit betekent dat twee van de drie vereiste peilers van een efficiënte aanpak op de meeste bedrijven ontbreken. Dit onderzoek naar het BVD-management op Vlaamse bedrijven toont dus aan dat, net zoals dit in andere landen het geval is, de vrijwillige aanpak op bedrijfsniveau niet werkt voor BVD.

      Een verplicht bestrijdingsprogramma voor België
      Ervaringen uit het verleden leren dat bestrijdingsprogramma’s alleen maar konden slagen als ze op regionaal of nationaal niveau gevoerd werden. Hieruit volgt logisch dat een nationaal, verplicht BVD-eradicatieprogramma de enige goede aanpak is om op middellange termijn succesvol te zijn. In het laatste deel van dit proefschrift worden een aantal voorwaarden aangegeven waaraan een toekomstig nationaal BVD-programma moet voldoen opdat het erin zou slagen om de ziekte uit te roeien op het Belgisch grondgebied. Daarbij is rekening gehouden met de praktische haalbaarheid, de financiële mogelijkheden en de kans op aanvaarding door de betrokkenen.

      kalf2.gifDe strategie van het Belgische programma zoals het nu is gepland, bestaat uit het verplicht testen van alle pasgeboren kalveren vanaf januari 2015. Daarvoor zal de ‘ear notch’-test gebruikt worden. Hierbij wordt bij het plaatsen van het officiële oormerk automatisch een stukje oorweefsel genomen, dat dan voor onderzoek naar het laboratorium verzonden wordt. In de eerste stadia van het Belgische programma zullen de regels beperkt zijn. "Dit is een aanvaardbare strategie", aldus Laureyns, "omdat een nieuw programma goed uitgelegd moet kunnen worden aan alle betrokkenen." Ook de succesvolle programma’s in het buitenland waren bij aanvang gebaseerd op eenvoudige regels.

      In België wil men, na het evalueren van de vooruitgang, steeds weer een volgende stap toevoegen, waarin enerzijds verplichtingen kunnen wegvallen voor bedrijven die al ver gevorderd zijn met de bestrijding, maar anderzijds strengere maatregelen opgenomen kunnen worden voor de overige bedrijven. In afwachting van een meer dwingend reglement, is een goed gevoerde informatiecampagne gefocust op de veehouders en de bedrijfsdierenartsen hoogst noodzakelijk om de beperktheden in de eerste fase van het programma op te vangen.

  • Bram Govaerts (CIMMYT)

    Toen oudgediende Marc Van Montagu in 2013 de prestigieuze World Food Prize ontving voor zijn baan...
    Toon detail informatie

      Op zijn achttiende maakte Bram Govaerts tijdens een uitwisselingsjaar een eerste keer kennis met Mexico, waarna hij zich aan de KU Leuven tot bio-ingenieur schoolde. Daar hoorde hij van de CGIAR, een internationaal partnerschap rond landbouwonderzoek dat is ontstaan in de schoot van de internationale onderzoekscentra voor rijst (IRRI) enerzijds en maïs en tarwe anderzijds (CIMMYT). Govaerts herinnert zich nog levendig wat er tijdens het hoorcollege aan de KU Leuven over CGIAR verteld werd. “Naar het model van de onderzoekscentra na de Tweede Wereldoorlog en tijdens de koude oorlog werden alle knappe koppen samengebracht op één plek, ditmaal gelukkig voor pacifistische doeleinden, namelijk het verbeteren van landbouwteelten. De internationale steun kwam van de hogere overheden uit de VS, Japan, Australië en de grote stichtingen Rockefeller en Ford.”

      Vandaag zijn het nog steeds stichtingen, met dank aan Carlos Slim en Bill & Melinda Gates, die geld pompen in het internationaal landbouwonderzoek. Daarnaast doen ook de overheden van onder meer de Verenigde Staten, Australië, Canada en – dat is nieuw – ‘transitielanden’ als China, India, Mexico hun duit in het zakje. In de beginjaren kwam het initiatief steeds van ‘noordelijke’ landen die de landbouw in het Zuiden een duwtje in de rug wilden geven. Tegenwoordig investeren ook Mexico en andere zuidelijke landen in de gerenommeerde onderzoekscentra met het oog op hun eigen ontwikkeling en dat van hun regio.

      graanveredeling_CIMMYT.geVILT3.jpg

      Ondertussen tonen ook private investeerders interesse. “Maar al de output van ons onderzoek is internationaal patrimonium, openbaar dus”, zo benadrukt Govaerts. Hij mag zijn bevindingen niet patenteren en als het al gebeurt, is dat met de bedoeling om de onderzoeksresultaten wereldwijd beschikbaar te stellen. Als jonge student bracht de Leuvenaar een werkbezoek aan CIMMYT, meer bepaald aan de bijna 25 jaar oude proefvelden in Mexico waar verschillende teelttechnieken (niet-kerende grondbewerking, gewasrotatie, achterlaten van gewasresten) vergeleken worden. Govaerts wijdde er wat later zijn masterthesis aan en maakte van bodemkwaliteit, naast gewasopbrengst, een nieuw item in het plaatselijk praktijkonderzoek. Ondertussen paste hij de daar opgedane kennis in het kader van een doctoraat ook al toe in de hooglanden van Ethiopië.

      De kennis van CIMMYT zit verweven in het lokale landbouwonderzoek

      Sinds 2007 werkt Govaerts officieel voor CIMMYT dat 19 locaties telt en actief is in 150 landen. Eerst was hij er verantwoordelijk voor het proefveldonderzoek, ondertussen voor al het onderzoek dat in Latijns-Amerika gebeurt en voor de kennisdeling op strategisch niveau. Denk niet te gauw dat het werk van Govaerts alleen relevant is voor straatarme zuiderse boeren. “Veel van de kennis die verworven wordt door de internationale onderzoekscentra zit verweven in het lokale landbouwonderzoek overal ter wereld. Moderne tarwevariëteiten bevatten de genen van het veredelingswerk door CIMMYT. Voordien teelde men tarwe die groeide tot okselhoogte, erg gevoelig was voor roest en bijlange zo’n hoog opbrengstpotentieel niet had.”

      De ontdekker van het verkleinings-gen bij tarwe is wijlen Norman Borlaug, de wetenschapper naar wie de prijs is genoemd die Bram Govaerts in 2014 bemachtigde. Dankzij de kortere tarwe met een dikkere stam konden boeren de opbrengst opdrijven met een hogere stikstofgift zonder legering te riskeren. Het zijn deze variëteiten die in Zuid-Azië een groene revolutie ontketenden. Meer dan de helft van alle maïszaden in de ontwikkelings- en transitielanden komt van CIMMYT of bevat de daar ontwikkelde moeder- en vaderlijnen. De afgeleiden van de Mexicaanse zomertarwevariëteiten vind je wereldwijd terug op 80 miljoen hectare. Dat is niet de voeder- of baktarwe die onder meer in België geteeld wordt, maar bijvoorbeeld wel de dürumtarwe rond de Middellandse Zee die bestemd is voor pastaproductie.

      mais_CIMMYT.geVILT3.jpg

      De rol van CIMMYT, het wetenschappelijke broertje van een politiek orgaan als FAO, is verschillend naargelang het gewas en de regio. De veredeling van maïs geniet ruime belangstelling bij private investeerders. CIMMYT beperkt zich hier tot het handhaven van voldoende publieke kennis over maïs en focust op teeltgebieden zoals Afrika die voor de private sector financieel minder interessant zijn. In tarweveredeling wordt in verhouding veel minder geïnvesteerd door private spelers. Bovendien verloopt het overheidsonderzoek erg versnipperd zodat daar een grotere rol is weggelegd voor CIMMYT. “Latijns-Amerika en India, gebieden waar CIMMYT zeer actief is, hebben hun economische ontwikkeling te danken aan gestegen graanopbrengsten”, maakt Govaerts zich sterk. “Tarwe, maïs en rijst zijn wereldwijd nog steeds de drie belangrijkste voedselgewassen.”

      De bijna voltallige wereldpopulatie armen profiteert van de veredeling en verbetering van basisvoedselgewassen als maïs en tarwe

      Bij CIMMYT zijn 220 internationale wetenschappers als het ware de behoeders van de diversiteit aan maïs- en graanvariëteiten. “Tegenover mijn bureau ligt een bunker waar zaden van meer dan 150.000 tarwe- en 28.000 verschillende maïsrassen bewaard worden”, zegt Govaerts. “Een gelijkaardige zadenbank vind je ook op een niet nader gedefinieerde plek in een woestijn in Noord-Amerika. En er is de ‘wereldzadenbank’ op de Noordpool.” De afgelopen 25 jaar zijn 91.000 maïsvariëteiten en 158.000 tarwevariëteiten uit de zadenbank van CIMMYT verspreid naar onderzoekers en landbouwers overal ter wereld. De genetica van meer dan 70 procent van de wereldwijd geteelde (zomer)tarwe en 50 procent van de verbeterde maïsrassen is terug te voeren tot het veredelingswerk van CIMMYT. Meer dan een miljard mensen bleven de voorbije twee decennia van honger gespaard dankzij de betere tarwe en maïs.

      BramGovaerts.geVILT2.jpg

      Persoonlijk is Govaerts minder met zadendiversiteit en veredeling bezig en meer met teelttechniek, de connectie met de markt, de potentiële verstoringen van de marktwerking en met beleidsbeïnvloeding. Alleen al in Mexico werkt hij samen met 150 verschillende partners. Dat varieert van onderzoekscentra, boerenorganisaties tot lokale overheden. “We doen participatief onderzoek met boeren en werken ook samen met ngo’s en lokale praktijkcentra.” Mexico investeert ieder jaar 18 miljoen dollar in een project waar de Leuvense bio-ingenieur leiding aan geeft. Het internationaal landbouwonderzoek teert op zulke bijdragen want bijvoorbeeld uit ons land komt er geen steun, een bescheiden bijdrage aan CGIAR niet te na gesproken. Govaerts vindt dat een gemiste kans: “Ons land staat achter de millennium-, milieu- en klimaatdoelstellingen. Landbouwonderzoek past in een duurzame ontwikkeling. Als er één sector is waar onderzoek een hoge return on investment geeft, dan is dat landbouw. Per geïnvesteerde dollar krijg je tussen 30 en 100 dollar terug.”

      Bovendien is een beetje chauvinisme niet ongepast want er is stilaan een hele kolonie Belgische landbouwonderzoekers die furore maakt in het buitenland. Zo kregen Govaerts en zijn team voor het ‘take it to the farmer’-concept de Borlaug Field Award, een soort aanmoedigingsprijs voor jonge landbouwonderzoekers. De award geniet internationaal veel uitstraling omdat hij uitgereikt wordt samen met de World Food Prize, zeg maar de Nobelprijs voor landbouw- en voedingsonderzoek. Govaerts ervaart dat die prijs in Mexico en de VS meer teweeg heeft gebracht dan in zijn thuisland. “Het kabinet van de Amerikaanse president Barack Obama vroeg me om ‘take it to the farmer’ ook in Guatemala en Haïti toe te passen in het kader van het ‘Feed the Future’ initiatief.”

      Tachtig procent van de onderzoeksvragen komt van boeren

      Heel het concept draait rond kennis bij de boer brengen en draagt de filosofie van wijlen Norman Borlaug uit die vorig jaar 100 jaar oud geworden zou zijn. Toen een collega van me een stikstofsensor aan Borlaug voorstelde, reageerde hij met de woorden ‘take it to the farmer’. Rond die woorden hebben we een heel concept ontwikkeld om er voor te zorgen dat de kennis die we bij CIMMYT ontwikkelen tot bij de boer geraakt. Maar het is geen eenrichtingsverkeer want we innoveren samen met landbouwers en andere stakeholders.

      CIMMYT.geVILT4.jpg

      Take it to the farmer maakt deel uit van het Mexicaanse overheidsprogramma ‘MasAgro’ dat onder meer maïsveredeling omvat, het karakteriseren van de uitgebreide CIMMYT-zadenbank en een bijdrage van één miljoen dollar aan een internationaal onderzoeksconsortium dat een doorbraak wil forceren in de opbrengstverhoging van granen. Wetenschappers geloven dat het rendementspotentieel van tarwe omhoog kan naar het voorbeeld van korrelmaïs. Het vierde en laatste onderdeel van MasAgro is meer mijn werkterrein: Mexico is in 12 teeltzones ingedeeld waar gespreid 50 platforms zijn aangelegd voor langdurig proefveldonderzoek. Bijkomend genereren we kennis op 1.000 proefvelden bij boeren. Alle data worden verzameld en kunnen helemaal in de geest van innovatiepartnerschappen door iedereen online geraadpleegd worden.

      België is steun aan CIMMYT weinig genegen, onder andere omdat de uitvalsbasis in Mexico ligt. Daar wil ons land niet aan ontwikkelingshulp doen, maar men ziet over het hoofd dat de ligging is ingegeven door de erg verschillende weers- en omgevingsomstandigheden in Mexico. Die laten onderzoekers toe om op een relatief kleine oppervlakte proefvelden na te bootsen op welke manier granen geteeld worden in ontwikkelingslanden.

      Geen enkele andere plek is zo’n goed onderzoekslaboratorium als Mexico

      In het noorden van het land zijn grote landbouwbedrijven actief. Ze zijn weliswaar een maatje kleiner dan de landbouwreuzen uit Argentinië en Brazilië maar zijn mee met de markt. Zij produceren bijvoorbeeld durumtarwe. In het woestijngebied in het noorden is irrigatie een noodzaak. In Centraal-Mexico zijn de boerderijen in het hooggebergte veelal kleiner dan vier hectare. Zij produceren al voor de (lokale) markt maar hebben nog meer potentieel en onderscheiden zich zo van hun collega’s in het zuiden. Daar doet men, meestal op minder dan een halve hectare, aan overlevingslandbouw in het tropisch regenwoud. De boeren zijn er arm en hebben weinig toegang tot technologie. Anderzijds is het potentieel er erg groot want de gangbare maïsopbrengst bedraagt er niet eens een ton per hectare. Deze achtergestelde boeren zijn de eerste doelgroep van CIMMYT, maar het veredelingswerk is ook relevant voor de commerciële boeren in het noorden.

      Mexico.Latijns-Amerika_CIMMYT.geVILT.jpg

      Mexico is om nog meer redenen een bijzonder geschikt studieobject. Het land is de bakermat van maïs én voor tarwe kan je er twee teelten oogsten in één seizoen door actief te zijn in het noorden en zuiden van het land. Op die manier maken wetenschappers dubbel zo snel vooruitgang met de veredeling. In het noorden ligt de focus in het onderzoek op lichtinstraling en opbrengstpotentieel terwijl centraal in het land een aantal sites uitgekozen zijn vanwege hun hoge ziektedruk. “Van tarwe die overleeft in Centraal-Mexico en een hoge opbrengst heeft in Noord-Mexico stuurt CIMMYT jaarlijks miljoenen zaden naar lokale onderzoekscentra”, vertelt Govaerts. Nu in Kenia een nieuwe variant van roest is opgedoken, worden onze rassen ook daar eerst getest. Ziektegevoeligheid is een belangrijk item in de selectie aangezien chemische gewasbescherming in ontwikkelingslanden minder voor de hand ligt.

      Waarom zou elektronica op landbouwmachines niet weggelegd zijn voor arme kleine boeren? Het kan weinig geletterde mensen net beschermen tegen rekenfouten bij zaaien en kunstmest strooien

      Als het van de CIMMYT-expert afhangt, dan gaan boeren in Afrika en Latijns-Amerika massaal gebruikmaken van mobiele telefoons, internet, (micro-)elektronica en robotica. De techniek is voorhanden en de toepassing ervan hoeft volgens hem helemaal niet zo duur te zijn als vaak gedacht. Govaerts gaat nog een stap verder dan een brede implementatie van bestaande moderne techniek: “De landbouwsector moet zijn noden beter kenbaar maken aan andere sectoren naar het voorbeeld van de farmacie die naar de materialensector stapt op zoek naar een geschikte drager voor een nieuw geneesmiddel. In de landbouw ontbreekt dat proactieve: we maken gebruik van de voor militaire doeleinden ontwikkelde GPS of ontwikkelen een app voor een bestaande gsm zoals we steeds afwachten wat er in andere sectoren uit de pijplijn komt. Zelden gaan we andere sectoren eens samen zetten op zoek naar een innovatieve oplossing voor een landbouwprobleem.”

      India_CIMMYT.geVILT.jpg

      Over nieuwe technologie voor landbouwdoeleinden kan je niet praten zonder het over genetisch gemodificeerde gewassen te hebben. “Op de toepassing ervan mag je kritiek hebben, maar niet op de wetenschapper die ze ontwikkelt en de pro’s en contra’s ervan belicht”, vindt Govaerts. “De Belgische ggo-pionier Marc Van Montagu heeft de nadelen van genetische modificatie nooit verzwegen zodat ik moeite had met de negatieve sfeer die ggo-tegenstanders schepten rond de World Food Prize die hij in 2013 in de wacht sleepte.” Naar zijn visie op ggo’s gevraagd, zegt Govaerts dat ze niet dé oplossing zijn maar deel van de oplossing kunnen zijn. “Het merendeel (98%) van de veredeling door CIMMYT is niet-ggo maar biotechnologie is wel belangrijk voor onze onderzoeksinstelling. De kennis over biotechnologie en ggo’s moet beschikbaar zijn in de publieke sector, zodat we, als we bepaalde kennis willen gebruiken ze dan ook voor handen hebben in een publiek domein. Dankzij biotechnologie wordt het mogelijk om efficiënt de 150.000 tarwerassen uit de genenbank te karakteriseren op eigenschappen zoals droogteresistentie en stikstofefficiëntie.

      Om kleine boeren vooruit te helpen, heb je niet alleen technologie nodig maar ook een aangepast beleid. Daar schort het volgens Govaerts nog vaak aan. “Overheden weten te weinig hoe kleinschalige boeren werken en beschikken niet over de juiste informatie om een juiste beslissing te nemen.” In Mexico zijn de tegenstellingen tussen groot en klein en tussen rijk en arm erg groot. Daardoor is het landbouwbeleid erg complex maar op zo’n moment is CIMMYT op zijn best. “Het is onze taak om door onafhankelijk onderzoek kennis te vergaren die van niemand is maar door iedereen gebruikt mag worden. Wij zorgen voor onafhankelijke kennis en een ‘leveled playing field’ in de landbouw met gelijke kansen voor alle actoren. Maar we hebben wel giften nodig, van België en van andere landen, van private investeerders en foundations om in publiek onderzoek door CIMMYT of collega-onderzoeksinstellingen te kunnen investeren.”

  • Camiel Adriaens - ABS

    Loste Yves Leterme op Vlaams niveau de verwachtingen in als landbouwminister? En heeft de volgend...
    Toon detail informatie

      In de aanloop naar de verkiezingen nam het ABS deel aan debatavonden waar ook een hele sliert Open VLD-coryfeeën – de premier incluis – de revue passeerden. Mogen we daaruit afleiden dat u zeer sterk aanleunt bij de liberalen?
      Camiel Adriaens: Je maakt allusie op een bijeenkomst in Diksmuide, die georganiseerd werd door de lokale afdeling van Open VLD. Bij de oprichting telde ABS vooral liberalen en aanhangers van de Volksunie in zijn rangen. Maar vandaag hebben we zeker ook een pak leden van christendemocratische strekking. Onze aangesloten landbouwers stemmen eigenlijk voor alle partijen, behalve voor de groenen.

      Heeft u de indruk dat de aanhang van het Vlaams Belang onder landbouwers toeneemt?
      Dat is moeilijk in te schatten, maar in die partij zijn wel een aantal mensen actief die zich proberen in te werken in de landbouwmaterie. Uit de parlementaire interpellaties blijkt in elk geval dat ze met kennis van zaken spreken. Op zich is dat een goede zaak, want zonder aan partijpolitiek te doen, ijvert het ABS er wel voor dat zoveel mogelijk politici zich op zijn minst informeren over de agrarische sector. Dat bevordert de kwaliteit van de politieke besluitvorming. Bovendien is het in ons land voor één enkele partij onmogelijk om de absolute meerderheid te behalen, en dus is het belangrijk dat we onze boodschap bij meerdere politieke families kwijt kunnen. Bij verkiezingen moeten onze leden dan maar op een serene manier kiezen voor wie ze stemmen. In de laatste weken voor de kiesverrichting komt geen enkele politicus meer aan bod in ons ledenblad, wat onze onafhankelijke positie goed illustreert.

      Moet u anderzijds niet gewoon toegeven dat CD&V de belangen van de landbouwsector veruit het meest genegen is?
      Ook in andere partijen zijn politici actief die de landbouwdossiers heel goed opvolgen. Maar het is waar dat de christendemocraten hun lesje uit het verleden heel goed geleerd hebben. Jarenlang hebben ze onafgebroken de landbouwminister geleverd, waardoor de band met de agrarische sector te veel een vanzelfsprekendheid werd en verwaterde. Sinds we een aantal ministers van andere strekkingen gehad hebben, zijn ze bij CD&V weer helemaal wakker, en dat valt toe te juichen.

      Enkele weken geleden raakte bekend dat een Franse boer een gerechtszaak heeft aangespannen tegen composteerder Compofert. In dit dossier heeft u met scherp geschoten naar onder meer de ministers Peeters en Leterme omdat ze niet alert genoeg reageerden.
      Wallonië heeft enkele jaren geleden zijn grenzen voor de Vlaamse mest al gesloten, en het ergste wat ons kan overkomen is dat de Fransen dat ook doen. Bij de gedupeerde boeren in de champagnestreek zie je heel duidelijk dat de vruchten afgestorven zijn op de plaatsen waar de compost uitgespreid werd. Het fenomeen heeft zich trouwens twee jaar op rij voorgedaan. Ik heb ook het gissen naar hetgeen is fout gegaan bij Compofert, maar het staat vast dat moederbedrijf Aveve de problemen veel eerder had moeten melden aan Boerenbond. En minister Peeters had ook veel korter op de bal moeten spelen van zodra hij wist dat er een juridisch proces in de pijplijn zat. Ik stel vast dat Leterme wél accuraat gereageerd heeft nadat we het dossier in ons ledenblad aankaartten. Die kordate aanpak bij dreigende problemen is gelukkig het handelsmerk van de minister-president. De Fransen hebben alvast beloofd dat ze onze bodemverbeteraars verder blijven afnemen. Op voorwaarde dat de producten goed gecontroleerd worden, en zelf gaan onze zuiderburen ook controles uitvoeren.

      Het ABS heeft de jongste jaren meermaals het Vlaams landbouwbeleid op applaus onthaald. Maak eens een tussentijdse evaluatie.
      Het verschil met de vorige legislatuur is immens. Toen kregen we op korte tijd drie groene landbouwministers en werden onze standpunten gewoonweg in het belachelijke getrokken. Leterme heeft nog een pak lijken uit de kast zien donderen, en dan is het logisch dat je niet alle problemen in één handomdraai kan oplossen. Maar het minste dat je kan zeggen, is dat de minister-president een boontje heeft voor de agrarische sector. Hij heeft de landbouw weer opgewaardeerd bij de publieke opinie. De boeren en tuinders hadden eerder al grote inspanningen geleverd om tegemoet te komen aan de eisen die de maatschappij stelt, maar we hadden nood aan een figuur zoals Leterme om die boodschap op een geloofwaardige manier uit te dragen bij de publieke opinie. Zijn grootste verdienste is misschien wel geweest dat hij goed kan luisteren, ook naar mensen die niet a priori tot zijn strekking behoren. Er zijn maar weinig politici die dat doen.

      Heeft het ABS naar aanleiding van de verkiezingen een memorandum opgesteld?
      We gebruiken geen dure woorden, maar we hebben wel wat ideeën op papier gezet. Onze politici moeten het belang van de totale agro-industrie beter leren inschatten. Er zijn in ons land nog altijd 50.000 landbouwbedrijven en het aantal mensen dat tewerkgesteld is in de voedselketen is een veelvoud van dat cijfer. Het komt er op aan dat onze beleidmakers bij de pinken zijn om voor deze sector projecten met Europese cofinanciering binnen te rijven, onder meer op het vlak van onderzoek en innovatie. Op het niveau van de primaire productie moeten we niet verwachten dat Europa de komende jaren meer landbouwsubsidies gaat uitkeren. Maar nu de productiesteun verdwenen is, kunnen we de bedrijfstoeslag perfect verantwoorden ten aanzien van de belastingbetalers, consumenten en derde landen, inclusief de WTO. We zijn er zeker geen voorstander van dat deze middelen van de eerste pijler overgeheveld worden naar het plattelandsbeleid.

      Is administratieve vereenvoudiging niet langer een strijdpunt?
      Toch wel, maar we moeten ook toegeven dat de politici op dit vlak belangrijke vooruitgang geboekt hebben. De eenmalige perceelsregistratie zal een fameuze verbetering zijn en vanaf volgend jaar gaat de meitelling verdwijnen. Van Quickenborne moet er nu ook nog voor zorgen dat de aanvraag voor milieuvergunningen versoepeld wordt. Nu moet je een dossier nog bij dertien instanties aanmelden, echt kafkaiaans is dat.

      Hoe zien jullie de Vlaamse land- en tuinbouw in grote lijnen evolueren?
      Bedrijven die kiezen voor schaalvergroting moeten maximale groeikansen krijgen. Daarnaast is een groep bedrijven met verbrede activiteiten ontstaan. Deze bedrijfsleiders moeten doorgaans over een flinke portie commercieel talent beschikken, maar anderzijds zorgt dit bedrijfstype voor een stabiele financiële basis. De derde categorie is de groeiende groep bijberoepers. Die mensen mag het beleid ook niet in de kou laten staan. En dat geldt allerminst voor jongeren die in de boerenstiel willen stappen. Samen met het kabinet-Leterme zijn we in het kader van het jongerenactieplan bezig om het hele systeem van de productierechten en de toegang tot het landbouwberoep te herbekijken. Dat is een goeie zaak, want het ABS wil in de eerste plaats de vakorganisatie zijn die de belangen verdedigt van jonge mensen die het allemaal nog moeten waarmaken.

      Hebben we straks nog wel een federale landbouwminister nodig?
      Sabine Laruelle doet hard haar best, maar voor mijn part mag haar landbouwportefeuille meteen geschrapt worden. De Vlaamse en Waalse landbouwministers kunnen beter samen ons land vertegenwoordigen op de Europese ministerraden.

      Verkiest u een weersverzekering boven het rampenfonds?
      Zeker en vast. Zowel de plantaardige als de dierlijke sector is de weg opgegaan van de specialisatie, waardoor de kwetsbaarheid voor weersinvloeden sterk is toegenomen. We koesteren zeker niet de illusie dat de overheid alle schade zal blijven vergoeden. Het budget dat nu uitgekeerd wordt door het rampenfonds, kan beter gebruikt worden om de helft van een speciale weersverzekering te financieren waarop boeren kunnen intekenen. Daardoor zullen getroffen landbouwers niet langer afhankelijk zijn van politieke goodwill en hoeft de terugbetaling van de geleden schade geen anderhalf jaar te duren. Over de precieze modaliteiten voor zo’n verzekering moeten de landbouworganisaties de komende maanden nog tot een consensus komen, maar ik verwacht niet dat dit problemen zal opleveren.

      De voorbije jaren heeft u sterk gepleit voor energiegewassen. Gaan ze de Vlaamse landbouw redden?
      Daar ben ik meer dan ooit van overtuigd. Voor de landbouwers komt het er immers op aan om overschotten in te dijken, want die bepalen de macht van de verwerkende industrie. Dit jaar hebben Vlaamse boeren voor het eerst massaal contracten getekend voor de teelt van energiemaïs, in totaal gaat het om zeshonderd hectare. Er wordt ook tarwe gezaaid voor de productie van bio-ethanol. Hoe groter het areaal voor energiegewassen, hoe kleiner de teeltoppervlakte en dus ook het aanbod van andere gewassen. Het gevolg is dat de contractprijzen voor aardappelen al met één frank per kilo gestegen zijn. Dit mechanisme is betrouwbaarder dan eender welk landbouwbeleid. Op het bedrijf van mijn zoon persen we een ton koolzaad per uur, dag en nacht. De olie gaat naar fabrieken, bussen en er zijn ook meer en meer verwarmingsinstallaties die op koolzaadolie draaien. De voederkoeken verkopen we aan veevoederbedrijven…

      Daarnaast bent u ook voorzitter van Eco Flanders.
      Dat klopt. In het begin hebben we zwarte sneeuw gezien vanwege technische problemen met onze mobiele mestverwerkingsinstallatie. Sinds we resoluut de kaart trokken van de biomethanisatie hebben we de wind volop in de zeilen. Er staan momenteel vijftien vergistingsinstallaties in de steigers en er is een overeenkomst getekend met het Nederlandse energiebedrijf Eneco. Daarnaast hebben we ook de coöperatie Terra Sana opgericht. Die zorgt voor de maïscontracten en voor de commercialisering van de gedroogde mestkorrels die uit de installatie komen. Dat is de ideale meststof voor de wijnranken in de Franse champagnestreek. Uniek aan biomethanisatie is dat het effluent zonder problemen kan geloosd worden, ook al bestaat de helft van de inputstromen in zo’n installatie uit mest.

      Meer dan ooit verzetten buurtcomités zich hardnekkig tegen vergisting en mestverwerking?
      De overheid zou een sluitende reglementering moeten maken. Door de jongste omzendbrief van Peeters en Van Mechelen is er meer duidelijkheid gekomen over de vestiging van installaties in landbouwgebied, maar toch. Vaak zijn het in zo’n wijkcomité minder dan een handvol individuen die alle buurtbewoners opjutten. Als je tijdens een informatievergadering de nodige uitleg verschaft, laat het merendeel meteen zijn bezwaren vallen. Bart Staes staat honderd procent achter het procédé van biomethanisatie, maar blijkbaar is zijn achterban nog niet helemaal overtuigd. Want ik heb de indruk dat de aanstokers in actiecomités meestal in groene middens te zoeken zijn. En dat terwijl we bezig zijn met de productie van groene energie en het wegwerken van mestoverschotten.

      Hoelang blijft Camiel Adriaens nog aan het hoofd van het ABS?
      Eind volgend jaar ben ik 65, en dan bepalen de statuten dat ik ermee moet stoppen. Maar ik ben ook nog voorzitter van het Nationaal Agrarisch Centrum, de vormingstak van het ABS. Ik ga me zeker blijven inzetten voor de vorming van jonge landbouwers en ook het lobbywerk ga ik nog niet meteen laten vallen. Daarvoor doe ik het nog altijd te graag.

  • Camiel Adriaens - ABS

    De Vlaamse land- en tuinbouw verliest één van zijn meest markante figuren van de voorbije twee de...
    Toon detail informatie

      Wat herinnert u zich nog van uw jeugdjaren?
      Camiel Adriaens: Ik heb een vrij zorgeloze jeugd kunnen slijten op het ouderlijke bedrijf in Gistel. Dat was een gemengde boerderij met akkerbouw, varkens en een vijftiental melkkoeien. Daarnaast hadden we ook vier paarden, want de mechanisatie was nog niet op gang gekomen. Omdat zowat alles manueel moest gebeuren, hadden de landbouwbedrijven destijds nog veel personeel in dienst. Ik herinner me dat bij ons twee arbeiders meehielpen. Maar dat belette niet dat ik mee meststoffen moest helpen uitstrooien op het land. Zelfs dat gebeurde in die tijd met de hand, dagen aan een stuk. Maar ook het plezier dat we op onze velden beleefd hebben aan de paarden is me altijd bijgebleven. Toen ik acht jaar oud was, reed ik al rond met die dieren.

      Was er een andere optie dan boer worden?
      Eigenlijk niet. Met vier zussen en geen enkele broer was ik voorbestemd om landbouwer te worden. Maar de boerenstiel zat ook echt in mijn genen. Vooral de nieuwe machines fascineerden me enorm: ik heb de eerste tractoren en maaidorsers zien arriveren in onze streek. Bovendien had ik het geluk dat mijn vader me heel vroeg de teugels van het bedrijf in handen gaf zodat ik naar hartenlust kon experimenteren met de nieuwe technieken. Van zodra ik weer thuis kwam van het internaat, zat ik aan machines te sleutelen om mijn nieuwe kennis in de praktijk uit te testen.

      Je hebt je middelbare studies voltooid op de landbouwschool van Moeskroen. Vanwaar die keuze?
      Er viel helemaal niet te kiezen. Het was de keuze van mijn ouders, en daarmee was de kous af. Zonder een woord Frans te kennen, ben ik ginder aan mijn middelbare studies begonnen. Toen ik vertrok voor de eerste schooldag was ik meteen weg voor zes weken. Maar maak je geen zorgen, na vijf jaar kon ik alles heel goed expliceren. (glimlacht)

      Hoe heeft u de oprichting van het ABS in 1962 beleefd?
      Hoewel ik maar negentien jaar oud was, werd ik bij de start meteen verkozen om te zetelen in het arrondissementeel bestuur van de regio Oostende. Maar de eerste vergaderingen en betogingen waren eigenlijk al het jaar voordien begonnen. De acties kwamen overgewaaid uit Wallonië. Van mijn vroegere schoolkameraden kreeg ik regelmatig de vraag om deel te nemen aan die manifestaties. Mijn kennis van het Frans kwam me goed van pas om het actieterrein te helpen verleggen naar Vlaanderen. Ik moet toegeven dat ik al heel snel ook de microbe van het actievoeren beet had.

      Wat was destijds de aanleiding om op straat te komen?
      Als boer voelde ik meteen aan dat er iets niet klopte in onze sector. Ook vroeger waren de melkprijzen veel te laag. En we verkochten biggen van twintig kilogram voor amper 180 frank. Dat moest veranderen, en het enige instrument om dat te bereiken waren boerenbetogingen. Nadat we op straat gekomen waren om het suikerregime aan te klagen, verdubbelde de prijs in een jaar tijd tot 1.200 frank per ton. Plots bleek heel veel mogelijk te zijn. Dat was natuurlijk een stimulans om door te zetten.

      Dezer dagen zijn betogingen meestal gericht tegen maatregelen van de overheid, of het gebrek eraan. In de jaren zestig lagen de kaarten nog helemaal anders?
      We hebben inderdaad ook betoogd tegen de lakse houding van Boerenbond. Aan de top van die organisatie waren destijds geen boeren te bespeuren, en op de koop toe lieten de grote bonzen de malaise in onze sector zomaar op hun beloop. Onze acties veroorzaakten nogal wat opschudding, omdat uiteindelijk ieder van ons op de een of andere manier bindingen had met Boerenbond. Zo is mijn moeder bijvoorbeeld 25 jaar lang voorzitster geweest van de Boerinnenbond. Voor haar was het allesbehalve evident om plots zo’n halve revolutionair in huis te hebben. Maar dat veranderde snel omdat het ABS er in slaagde om in een jaar tijd een heel pak jonge sympathisanten achter zich te scharen. Daardoor waren zelfs de fabrieksdirecteurs in de verwerkende industrie plots bereid om hun deuren te openen voor een gesprek. Het ledenaantal van ABS is trouwens permanent blijven stijgen, tot ongeveer een tiental jaren geleden.

      Hadden de jonge boeren het in de jaren zestig en zeventig makkelijker dan de jonge landbouwers vandaag?
      Vijftig jaar geleden waren de boeren gefocust op hun manuele arbeid. Van bedrijfsstrategie hadden ze niet veel kaas gegeten vanwege de beperkte scholingsgraad. Van zodra de boeren met hun boerderij in de puree raakten, was er één remedie die steevast hielp: nog twee uur langer werken of vijf varkens meer houden. Die aanpak werkt vandaag helaas niet meer. Als je geen rendement kan puren uit duizend varkens, zal het ook niet lukken met tweeduizend dieren. Het levert alleen een gigantische schuldenlast op. Op het eerste zicht zou je denken dat grotere bedrijven heel wat schaalvoordelen kunnen benutten. Maar door mijn lange ervaring in het boerenmilieu heb ik geleerd dat grotere bedrijven steeds nadrukkelijker specialiseren, waardoor de kosten toch weer oplopen. Dat is misschien een afwijking van de klassieke economische theorieën, maar toch is het zo.

      In 1987 ben je voorzitter geworden van het ABS, maar tegelijkertijd ben je een groot landbouwbedrijf blijven runnen. Die combinatie is toch crazy?
      We hebben zeer harde periodes meegemaakt, want drie jaar na mijn huwelijk moest ik het hele bedrijf van mijn ouders kopen. Samen met mijn vrouw heb ik dan ook keihard gewerkt, en we hebben vooral zeer goed leren tellen. Gelukkig heeft het me nooit ontbroken aan strategisch inzicht. Daardoor zijn we er in geslaagd om de omvang van het landbouwbedrijf tijdens mijn carrière te verdriedubbelen. En mijn ervaring als bedrijfsleider kwam dan weer goed van pas om de werking van het ABS in goede banen te leiden. Eigenlijk is alles een kwestie van planning, werkverdeling, en vooral heel veel werken. Ik heb nog altijd maar vijf uur slaap nodig. In sommige periodes sliep ik gemiddeld drie uur per nacht.

      Waarom wilde u voorzitter worden van het ABS?
      Onze organisatie heeft altijd jonge mensen in haar rangen gehad die beseften dat ze collectief de boot zouden ingaan indien ze niet zelf het heft in handen namen. Dat uitgangspunt heeft me altijd geboeid. Daarnaast ben ik er fier op dat ik de vereniging meer dan twintig jaar heb kunnen samenhouden, want je mag niet vergeten dat het ABS vóór mijn voorzitterschap twee pijnlijke breuken heeft meegemaakt. Ik heb misschien de gave dat ik ingewikkelde zaken kan uitleggen in boerentaal, maar tegelijk heb ik steeds iedereen aan het woord gelaten om een draagvlak te creëren voor de beslissingen die genomen moesten worden.

      Heeft u in de beginjaren ooit gedacht dat uw voorzitterschap 22 jaar zou duren?
      Helemaal niet, want de normale termijn is vier jaar. Maar toen mijn mandaat beëindigd was, werd ik met unanimiteit herkozen. Achteraf heeft dat scenario zich nog meermaals herhaald. Zelf heb ik wel in onze statuten laten opnemen dat een voorzitter automatisch afscheid moet nemen van zodra hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. En voilà, ik ben nu de eerste voorzitter op wie die regel van toepassing is.

      Op privévlak bent u niet gespaard gebleven van grote tegenslagen?
      Ik heb meer dan mijn portie tegenslag moeten verwerken. Eén van mijn twee dochters is op tienjarige leeftijd verongelukt toen ze met de fiets een weg overstak, en één van mijn twee zonen is bezweken aan een ziekte toen hij amper vier jaar oud was. Dat gebeurde allemaal in een tijdsspanne van twee jaar, net vóór ik voorzitter werd van het ABS. Die klappen zijn heel hard aangekomen… (stilte)

      Hoe heeft u dat verwerkt?
      Je moet vooruit, hé. Ik had het geluk dat ik elke dag werd meegezogen in mijn werk. Mijn vrouw heeft het veel moeilijker gehad. Eigenlijk is ze die verschrikkelijke tegenslagen nooit te boven gekomen.

      Het ABS stond vroeger bekend om zijn harde acties. Maar dat heeft de organisatie ook handenvol geld gekost?
      Ik heb in totaal ongeveer zeventig betogingen geleid. Alles samengeteld, hebben we ongeveer vijf miljoen frank moeten neerdokken voor vernielingen. Maar we hadden die harde acties nodig om door de overheid erkend te worden als gesprekspartner. Mede onder druk van Boerenbond heeft het lang geduurd vooraleer we systematisch gehoord werden in de Wetstraat. We hebben onze positie letterlijk moeten bevechten.

      Is het sop de kool waard geweest?
      Natuurlijk besef ik dat sommige manifestaties onze spaarpot en ons imago geen deugd gedaan hebben. Maar het was een tweesnijdend zwaard, want de boeren waren enorm tevreden over die acties. Voor een voorzitter van een landbouworganisatie is het niet altijd makkelijk om in te schatten hoever hij kan gaan.

      Zou je sommige dingen met je kennis en evaring van vandaag vroeger anders aangepakt hebben?
      Het is duidelijk dat onze stijl in vergelijking met twintig jaar geleden geëvolueerd is. Nu zetten we maximaal in op onderhandelingen en kiezen we pas voor de straat als het echt nodig is. Vroeger deden we het juist andersom. Ik had trouwens een systeem uitgedokterd waarmee ik in amper een uur tijd duizend boeren kon mobiliseren, met als gevolg dat de rijkswacht bijna iedere keer te laat kwam om in te grijpen. Dat soort organisatietalent had ik ontwikkeld tijdens mijn legerdienst. (lacht)

      Heb je toch geen gevaarlijk spel gespeeld? Als voorzitter had men je individueel verantwoordelijk kunnen stellen voor baldadigheden.
      We hebben altijd zorgvuldige afwegingen gemaakt. Bovendien had ik tijdens betogingen altijd mannetjes aan mijn zijde om de troepen in geval van nood tot de orde te roepen. Dat is goed gelukt, want eigenlijk is de toestand maar één keer echt uit de hand gelopen…

      Dat was in 1989 tijdens een ‘bezoek’ aan een provinciaal kantoor van de Vlaamse Milieumaatschappij in Aalst?
      Dat klopt. Nadat we tijdens een manifestatie in Zaventem tegen de eerste mestboetes nogal hardhandig aangepakt werden door de ordediensten, zijn de stoppen bij de woedende betogers in één van onze bussen doorgeslagen. Op eigen houtje beslisten ze om het VMM-kantoor in Aalst kort en klein te slaan. Een kwartier na hun aankomst lagen alle computers, faxen en papieren in verband met de mestboetes op het gazon. Twee jaar na de feiten hebben de boeren die boetes alsnog ontvangen. Die toestand heeft het ABS finaal een schadevergoeding van drie miljoen frank opgeleverd.

      En dan was er nog de mest die jullie op de wagen van Vlaams minister van Leefmilieu Norbert De Batselier gekieperd hebben?
      Dat incident werd door de socialisten fel opgeblazen, want er heeft hooguit een paar kilogram mest op die wagen gelegen. Met een beetje water was het er zo afgespoeld. Op het moment zelf was De Batselier heel kwaad, maar achteraf zijn we nog de beste maten geworden.

      In het ledenblad Drietandmagazine heeft u nooit verlegen gezeten om straffe uitspraken. Geef toe dat u graag eens tegen de schenen schopte van Boerenbond en Milcobel.
      Het behoort nu eenmaal tot het takenpakket van de voorzitter van ABS om alle spelers in de productieketen wakker te houden. Als zoiets lukt, is dat een goeie zaak voor de boeren. Het is belangrijk dat er minstens twee grote landbouworganisaties blijven bestaan, ook al zijn veel boeren lid bij zowel Boerenbond als ABS. De situatie in Wallonië toont aan dat de boeren niet gebaat zijn met een fusie. Bovendien is het ook niet zo dat we nog met getrokken messen tegenover Boerenbond staan. In heel veel dossiers plegen we gezamenlijk overleg, en dat is maar goed ook.

      Welk dossier heeft u als voorzitter van het ABS het meeste plezier bezorgd?
      Toen in 1990 de varken