nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

14.10.2016 "Nood aan sluitende set duurzaamheidscriteria biomassa"

Dure biomassacentrales die op grote schaal ingevoerde houtpellets verbranden, hebben dit jaar de politieke discussie over biomassa doen losbranden. Niet alle gebruik van biomassa is duurzaam. Veel hangt af van de aard en herkomst van de gebruikte biomassa, de verwerking en aanwending ervan (b.v. louter voor elektriciteit of ook voor warmtetoepassingen) en mogelijke interferenties met de doelstellingen van het materialen- en afvalbeleid, het beleid inzake luchtkwaliteit en het natuurbeleid. De adviesraden voor economie, landbouw en milieu geven de Vlaamse regering de raad om duidelijkheid te scheppen met een sluitend systeem van duurzaamheidscriteria voor biomassaprojecten.

Lezers met een goed geheugen zullen zich de politieke commotie omtrent de elektriciteitscentrale van Langerlo in Genk nog herinneren. De ombouw van de met steenkool gestookte centrale naar een biomassacentrale zou de Vlaamse overheid twee miljard euro kosten aan eerder toegezegde subsidies. Samen met de biomassacentrale van BEE in Gent lag het aan de basis van de onpopulaire ‘Turteltaks’ die alle energieverbruikers moeten ophoesten om de schuldenberg aan groenestroomcertificaten af te bouwen. Behalve over de kostprijs van grootschalige biomassacentrales rezen er ook vragen over hun duurzaamheid. De centrale van Langerlo zou bijvoorbeeld gevoed worden met houtpellets die per schip vanuit de Verenigde Staten aangevoerd worden.

In de nasleep van heel de affaire dreigden alle toepassingen van biomassa het te moeten bekopen zodat de uitbaters van biogasinstallaties aan de alarmbel trokken, en professor Wim Soetaert van de Universiteit Gent het nodig achtte om opnieuw ratio te brengen in het debat. Bij het begin van de zomer verklaarde Vlaams energieminister Bart Tommelein dat nieuwe biomassacentrales onderworpen zullen worden aan strengere duurzaamheidscriteria om in aanmerking te komen voor groenestroomcertificaten. De Vlaamse regering keurde daarover een wijziging van het Energiebesluit goed.

Drie adviesraden (Minaraad, SERV en SALV) maken nu hun opmerkingen over aan de regering. Om uit te maken of biomassa duurzaam is en derhalve bij energetische toepassing in aanmerking komt voor groenestroomcertificaten, is naar verluidt een sluitende set van beoordelingscriteria nodig. Om daartoe te komen, heb je volgens de adviesraden een eenduidige beleidsvisie nodig, een cascadebeginsel conform het materialen- en grondstoffenbeleid, en duurzaamheidscriteria inzake bosbeheer. Deze elementen moet de regering in overweging nemen samen met een adequate benadering van de kwestie van koolstofschuld, en een degelijk certificatie‐ en controlesysteem. “Het voorgelegde besluit komt hier gedeeltelijk aan tegemoet”, oordelen Minaraad, SERV en SALV.

Vanuit de zorg voor een gelijk speelveld gaan zij ervan uit dat een beoordelingssysteem enkel op Europees niveau echt sluitend kan zijn. Pogingen om duurzaamheidscriteria Europees vast te leggen, zijn evenwel mislukt zodat de Commissie de lidstaten opriep om in overleg met elkaar zelf al een kader uit te werken. De nieuwe Vlaamse criteria zijn gebaseerd op duurzaam bosbeheer (geen hout van bedreigde soorten bijvoorbeeld), klimaat (geen aantasting ecosystemen of bodemdegradatie), koolstofschuld (snel nieuwe bomen planten die de uitstoot van de verbrande biomassa moet compenseren) en indirecte verandering van landgebruik (bos vervangen door landbouw met zware CO2-impact is niet duurzaam).

In haar visienota 2050 stelt de Vlaamse regering dat Vlaanderen tegen 2050 zoveel mogelijk energie lokaal en hernieuwbaar produceert. Onomwonden wordt daarin gezegd dat grootschalige biomassacentrales geen plaats meer hebben in de energiemix. Dat wordt niet herhaald in de wijziging van het Energiebesluit zodat het voor de adviesraden onduidelijk is welke rol men in de toekomst wil geven aan grootschalige installaties. Meer nog, door de duurzaamheidscriteria in de eerste plaats op dit type installaties te richten, lijkt het alsof beleidsmakers een principiële keuze maken voor grootschalige biomassacentrales.

De raden zijn overtuigd dat er ook een rol is weggelegd voor efficiënte, kleinschalige biomassacentrales. Ook dit type installaties heeft met andere woorden nood aan een relevant afwegingskader, wat niet noodzakelijk op dezelfde manier (certificering van de naleving van duurzaamheidscriteria, nvdr.) moet verlopen als voor grootschalige installaties. Daar wordt de boodschap aan gekoppeld dat de administratieve last en extra kost beperkt moeten blijven.

Het advies aan de regering behandelt ook de kwestie van de koolstofschuld. Het politieke debat daaromtrent focuste zich op de vraag of het gebruik van stamhout uit bossen in de VS en Canada geen stroom oplevert met een te lange ‘carbon pay-back time’. Het kenniscentrum van de Europese Commissie zegt daarover dat je bij het beoordelen van het klimaateffect van biomassa rekening moet houden met de veranderingen in koolstofopslag in bossen. Een wetenschappelijke consensus hoe je dit moet meetellen in de broeikasgasbalans is er evenwel niet.

SERV, SALV en Minaraad laten zich in deze leiden door een rapport waarin OVAM volgende vuistregels formuleert: oogstresten uit de landbouw en houtige reststromen creëren geen of een relatief kleine koolstofschuld, bij het gebruik van stamhout is duurzaam bosbeheer essentieel, de aanplant van houtplantages draagt positief bij tot koolstofopslag maar de conversie van bos naar ander landgebruik moet te allen tijde vermeden worden. OVAM suggereert een ‘learning by doing’-aanpak die vertrekt van die vuistregels. De adviesraden stellen op hun beurt voor om de wetenschappelijke ontwikkelingen en de benadering van koolstofschuld in andere landen op de voet te volgen.

Over de wenselijkheid om het aandeel primaire, houtige biomassa te plafonneren, spreken de raden zich niet uit. Ze wijzen enkel op de argumenten voor en tegen. Landbouwgewassen en hout kunnen nooit een zeer groot deel in de energiemix op wereldvlak innemen, onder meer vanwege de sterk stijgende druk op bossen. In Europa is het bijvoorbeeld zo dat volgens de nationale actieplannen (houtige) biomassa voor meer dan de helft van de hernieuwbare energieproductie zal moeten instaan. Daarvoor is 178 miljoen hectare bos nodig, veel meer dan wat Europa duurzaam aan hout kan voorzien. Nu al is 98 procent van de export van houtpellets vanuit het zuidoosten van de VS voor Europa bestemd. In volgorde van grootte zijn het Verenigd Koninkrijk, België, Denemarken, Nederland en Italië de belangrijkste importlanden.

Gelet op de beperkte beschikbaarheid hoort men een onbeperkte groei van energiewinning uit biomassa niet aan te moedigen. Integendeel, dit pleit voor het instellen van een plafond op het aandeel primaire biomassa in de energiemix. Anderzijds zijn er elementen die pleiten tegen het instellen van een ‘cap’. De adviesraden verwijzen naar de marktwerking die er door prijsstijgingen zal voor zorgen dat het niet tot buitensporige aanwending van bepaalde stromen komt.

Meer info: gezamenlijk advies SALV, SERV en Minaraad

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via