nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

02.02.2017 "Ondernemerslandbouw conflicteert met boerenlandbouw"

De toekomst van de (Vlaamse) landbouw ligt in verscheidenheid volgens veel waarnemers. Sommige bedrijven zullen specialiseren en op grote schaal kostenefficiënt produceren voor exportmarkten. Anderen zijn groot in een kleine niche, zoeken de consument op of doen aan verbreding. Beide vormen van landbouw kunnen vredevol naast elkaar bestaan, of toch niet? Wie de afscheidsrede van hoogleraar rurale sociologie Jan-Douwe van der Ploeg (WUR) hoorde, zal daaraan beginnen twijfelen. Hij betoogt dat de landbouw zich op twee sporen ontwikkelt: ondernemerslandbouw en boerenlandbouw, waarbij die eerste een bedreiging vormt voor de boerenbedrijven die nochtans in de meerderheid zijn. Dat klinkt heel erg als een verhaal uit het Zuiden, maar het conflict stelt zich ook dichter bij huis. De hoogleraar geeft het voorbeeld van het fosfaatprobleem in Nederland, veroorzaakt door een kleine groep grootschalige melkveehouders die enorm uitbreidde na het verdwijnen van het quotum.

Jan-Douwe van der Ploeg nam op 26 januari afscheid als hoogleraar rurale sociologie van de WUR, de Wageningse landbouw- en voedseluniversiteit. In zijn afscheidsrede verduidelijkte hij het denkkader van waaruit hij de boerencrisis duidt. De gezinslandbouw heeft zich de afgelopen decennia langs twee uiteenlopende sporen ontwikkeld. Het éne traject is dat van de boerenlandbouw, het ándere dat van de ondernemerslandbouw. Je mag dat niet simplificeren als het verschil tussen klein en groot. Het gaat, volgens van der Ploeg, om uiteenlopende strategieën voor de organisatie van de voedselproductie en de ontwikkeling van het agrarische bedrijf, om uiteenlopende logica’s.

Boerenbedrijven zijn in de meerderheid want in het Zuiden is het een klein segment landbouwbedrijven dat voornamelijk voor export produceert. Wereldwijd wordt 70 procent van alle voedsel voortgebracht door ‘boerenlandbouw’. De kern van boerenlandbouw is het vermogen om de levende natuur door middel van boerenarbeid om te zetten in voedsel. Ondernemerslandbouw is daarentegen gestoeld op grondstoffenstromen: veevoeder, meststoffen, zaaizaden, … allemaal aangekocht en niet geproduceerd op het landbouwbedrijf. Krediet om grondstoffen, machines en kennis aan te kopen, heeft de rol overgenomen van het patrimonium aan hulpbronnen dat van generatie op generatie wordt doorgegeven binnen de boerenfamilie. Ondernemerslandbouw is bovenal een financiële operatie geworden.

Over ongemakkelijke situaties maken mensen vaak grappen. Uit de vroege jaren ’70 heeft van der Ploeg de grap onthouden van de boer die zijn bankdirecteur opbelt om te zeggen dat hij met vakantie gaat. “Dat is mooi”, antwoordt de directeur, “maar waarom vertel je me dat?”. Waarop de boer uitlegt ”dat lijkt me nogal wiedes, de meeste koeien zijn van jou en het lijkt me niet meer dan normaal dat jij nu jouw deel van het melken voor je rekening neemt”. Nu hoor je dergelijke grappen niet meer. “Hoge schulden zijn het nieuwe normaal”, aldus de hoogleraar. “De totale schuld van landbouwbedrijven in Nederland (schulden binnen de familie niet meegerekend) bedraagt inmiddels meer dan 30 miljard euro. Dat is 10 tot 15 maal het totale inkomen dat per jaar op deze bedrijven wordt verdiend.”

Jan-Douwe van der Ploeg rangschikt de banken bij de “oude bedreigingen voor boerenlandbouw”, net zoals agro-industrie, de minder geslaagde voorbeelden van landbouwbeleid en grote kapitalistische landbouwondernemingen. Deze bedreigingen kwamen van buiten, de nieuwe komen daarentegen van binnen. Ondernemerslandbouw is uitgegroeid tot een voorname bedreiging van boerenlandbouw die de meerderheid van boeren en bedrijven vormt. De hoogleraar verwijst naar het Zuiden, waar schaarse productiemiddelen (water, land, krediet, toegang tot markten en/of landbouwpolitieke steun) worden onttrokken aan de boerenlandbouw en vervolgens toebedeeld aan het agro-export segment. Ondernemers- en boerenlandbouw komen steeds vaker met elkaar in conflict, zowel in het Noorden als in het Zuiden. De fosfaatkwestie in Nederland is daar volgens van der Ploeg een voorbeeld van.

Ondernemerslandbouw staat ook haaks op de ‘nieuwe schaarstes’ waarmee onze samenleving zich geconfronteerd weet en die te maken hebben met klimaat, water, werkgelegenheid en voedsel. Echter, onder het mom alle gezinsbedrijven te helpen, worden landbouwpolitiek, belangenbehartiging, kredietverlening en relaties met de agro-industrie zó vorm gegeven dat de baten hoofdzakelijk naar de ondernemerslandbouw gaan, terwijl de kosten grotendeels worden afgewenteld op de boerenlandbouw. In het dominante betoog wordt dat op tal van manieren goedgepraat maar de netto toegevoegde waarde van landbouw vermindert hierdoor en wordt oneerlijk herverdeeld. Voor agro-industrie, banken en supermarkten kan ondernemerslandbouw de aantrekkelijkste optie lijken, maar achteraf blijkt dit voor de producent niet zo mooi uit te draaien als het werd voorgesteld. Met zijn afscheidsrede wou Jan-Douwe van der Ploeg aangeven dat het Nederlandse beleid op het verkeerde paard wed.

Via WUR-tv kan je de afscheidsrede integraal herbekijken. Op Foodlog.nl wordt het in vier delen gepubliceerd.

Bron: Foodlog.nl / eigen verslaggeving

Beeld: Loonwerk Defour

Volg VILT ook via