nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

06.09.2018 Opnieuw iets meer dierlijke mest verwerkt in Vlaanderen

Vorig jaar is er opvallend meer rundermest verwerkt, maar het zijn vooral varkens- en kippenbedrijven die hun mest binnen Vlaanderen niet kwijt kunnen op landbouwgrond en daarom opteren voor verwerking of export. Bijna 85 procent van de totale stikstofverwerking in 2017 werd gerealiseerd door de verwerking en export van varkens- en pluimveemest. In totaal gaat het volgens het Vlaams Coördinatiecentrum Mestverwerking (VCM) om 44,1 miljoen kilo stikstof uit dierlijke mest die werd verwerkt door 124 installaties. In 2015 was dit nog 38 miljoen kilo stikstof en vorig jaar 42,3 miljoen kilo stikstof.

Naar jaarlijkse gewoonte bevraagt VCM de sector over de stand van zaken en evoluties in de mestverwerking in Vlaanderen. Uit de enquête over het jaar 2017 komt naar voren dat er 44,1 miljoen kilo stikstof uit dierlijke mest werd verwerkt of als ruwe mest werd geëxporteerd. De jaarlijkse hoeveelheid verwerkte stikstof blijft dus stijgen, al is de stijging nu iets kleiner dan in 2016. Hierbij blijft ook het aandeel fosfor in de mest dat verwerkt wordt, stijgen. Dat kan te maken hebben met de bemestingsnormen die door het vijfde mestactieplan (2014-2018) nog meer aangescherpt werden voor fosfor dan voor stikstof.

Het grootste gedeelte (bijna 85 %) van de stikstofverwerking komt op het conto van varkensmest (in totaal 18,9 miljoen kg N of 42,8%) en pluimveemest (in totaal 18,4 miljoen kg N of 41,7%). Voor varkensmest steeg zowel het volume dat verwerkt als het volume dat uitgevoerd werd. Kippenbedrijven hebben meer mest afgevoerd naar verwerkingsinstallaties maar minder (6,3 i.p.v. 6,6 miljoen kilo N) rechtstreeks uitgevoerd naar het buitenland. VCM houdt de fipronilcrisis hier mogelijk voor verantwoordelijk.

In 2017 is de verwerking van runder-en kalfsmest opnieuw gestegen (+2 %), ondanks het feit dat er minder rundermest geïmporteerd werd uit Nederland en de verwerking van de dikke fractie van rundermest gedaald is met 11 procent. De export van ruwe rundermest naar Nederland (+11 %), de verwerking van dunne fractie van rundermest (+27 %) en de verwerking van runderstalmest (+5 %) zijn daarentegen wel sterk gestegen.

Om al die mest te verwerken, zijn er 124 installaties actief in Vlaanderen. Biologische stikstofverwijdering uit de dunne mestfractie is de meest toegepaste techniek (98 installaties), gevolgd door biothermische droging (16 installaties). Wanneer je kijkt naar de verwerkte hoeveelheid stikstof is biothermische droging met 40 procent van de totale hoeveelheid de belangrijkste mestverwerkingstechniek in Vlaanderen. “Biothermische drooginstallaties hebben vaak een wat grotere capaciteit, maar voornamelijk komt dit door het verwerkingsproces zelf en de hoge stikstofwaarden in de inputstromen. Na mestscheiding is in de dikke fractie nog steeds stikstof aanwezig. Bovendien drogen de meeste installaties niet enkel dikke fractie van varkensmest maar ook erg stikstofrijke kippenmest”, legt VCM-adviseur Thomas Vannecke uit.

Uit dit alles blijkt volgens VCM dat de conventionele techniek van mestverwerking, namelijk mestscheiding gevolgd door biologische verwerking van de dunne fractie in een ‘biologie’ en de export van de biothermisch gedroogde dikke fractie, cruciaal blijft voor een oordeelkundige verwerking van het Vlaamse mestoverschot. De sector groeit nog altijd onder impuls van bemestingsnormen die steeds strenger worden. “Vorig jaar zijn vier nieuwe installaties opgestart”, weet Vannecke, “meer bepaald twee biologische verwerkingsinstallaties en twee biothermische drooginstallaties, waarvan één hygiënisatietrommel.” De hygiënisatietrommel is een nieuwe techniek in Vlaanderen, die de dikke fractie van mest, samen met pluimveemest en runderstalmest, hygiëniseert voor export naar Frankrijk.

Biologische verwerkingsinstallaties situeren zich meestal in agrarisch gebied en zijn over het algemeen aan een varkensbedrijf gekoppeld. “Logisch”, aldus de VCM-adviseur, “want biologische installaties verwerken de dunne waterige fractie en transport van water – ook al bevat het nutriënten – is erg duur. Transport is minder kostelijk voor de dikke fractie, wat mee verklaart waarom biothermische droging gebeurt door installaties die in industriegebied gevestigd zijn. Vaak zijn die laatste ook groter dan de biologische verwerkingsinstallaties die in agrarisch gebied een capaciteit hebben tussen 10.000 en 30.000 ton mest.”

Ook al gaan biologie en droging al lang mee als mestverwerkingstechnieken, toch staat de technologie niet stil binnen de sector. In 2017 is de eerste installatie op praktijkschaal voor stikstofrecuperatie uit de dunne fractie van varkensmest via stripping-scrubbing vergund. Via deze techniek zal de ammoniakale stikstof uit de dunne fractie afgevangen worden in de gasfase door een zuur (salpeterzuur), waarbij de stikstof wordt gebonden tot een ammoniumzout (ammoniumnitraat). De bouw van de installatie is voorzien voor eind dit jaar. De transitie van de mestverwerking naar een circulaire economie, met focus op nutriëntenrecuperatie zoals beschreven in de visienota van VCM, lijkt dan ook uit de startblokken te komen.

Nieuwe technieken, innovatieve ideeën om de transitie naar een circulaire economie te bewerkstelligen of om huidige technieken te optimaliseren, kunnen overigens nog tot vrijdag 26 oktober aan VCM bezorgd worden in het kader van de derde editie van de Ivan Tolpe Prijs.

Meer info: VCM-enquête 2017

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: vzw De Mestverwerkers

Volg VILT ook via