nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

De ene streek is de andere niet
24.03.2015  Over het hoe en waarom van streekontwikkeling

In de beleidsnota Landbouw en Visserij, opgesteld door minister Schauvliege, is er naast de nodige aandacht voor het versterken en stimuleren van de landbouwsector, ook een onderdeel dat zich specifiek richt op het stimuleren van een leefbaar, duurzaam en ondernemend platteland. Er wordt in de huidige legislatuur verder ingezet op gebiedsgerichte plattelandsontwikkeling in Vlaanderen. Dit betekent dat processen van plattelandsontwikkeling vertrekken vanuit de eigenheid en de specifieke kwaliteiten en sterktes van een plattelandsgebied. Inspraak en participatie van lokale actoren en organisaties staan centraal. Maar wat betekent dit nu in de praktijk en over welk “gebied” gaat het dan? Wat is de rol van gemeenten, provincies, Vlaanderen, het middenveld en streekactoren? Het onderzoek van Lies Messely van het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO) toont de dynamiek van plattelandsontwikkeling in vier specifieke plattelandsgebieden in Vlaanderen  en legt een aantal uitdagingen en pijnpunten bloot. De onderzoeksgebieden zijn het Meetjesland, het Pajottenland, de Vlaamse Ardennen en de Westhoek.

Over welke gebieden gaat het wanneer men spreekt over gebiedsgerichte plattelandsontwikkeling?
Lies Messely: Gebiedsgerichte plattelandsontwikkeling in Vlaanderen speelt zich af op het streekniveau. Een streek wordt hier opgevat als een verzameling van een aantal gemeenten, en situeert zich ergens tussen het provinciale niveau en het gemeentelijke niveau in. Voorbeelden hiervan zijn Haspengouw, Meetjesland, Hageland en Westhoek. We stellen vast dat de verschillende administratieve beleidsniveaus dit streekniveau steeds meer beschouwen als het ideale niveau om plattelandsontwikkeling te gaan organiseren. Zo wordt bijvoorbeeld vanuit Europa, Vlaanderen en de provincies financiering voorzien voor plattelandsontwikkelingsprojecten op streekniveau.

Daarnaast worden ook door lokale actoren en het middenveld steeds meer plattelandsontwikkelingsinitiatieven opgezet op dit streekniveau. Voorbeelden hiervan zijn de regionale landschappen, de regionale welzijnsraden en de RESOCS (regionale sociaaleconomische overlegcomités) die in verschillende streken actief zijn. Ook in de vier onderzochte plattelandsgebieden, Meetjesland, Pajottenland, Vlaamse Ardennen en Westhoek, wordt plattelandsontwikkeling steeds meer op het streekniveau gevoerd.

Welke thema’s komen vooral aan bod binnen gebiedsgerichte plattelandsontwikkeling?
Om meer zicht te krijgen op de thema’s en processen van plattelandsontwikkeling, heb ik een 70-tal interviews afgenomen van mensen die in de vier streken betrokken zijn bij gebiedsgerichte plattelandsontwikkeling. Daarnaast heb ik samen met de collega’s ook focusgroepen georganiseerd en visie- en beleidsdocumenten rond plattelandsontwikkeling geanalyseerd. Hieruit blijkt dat plattelandsstreken voor een behoorlijk aantal uitdagingen staan, waarbij een viertal uitdagingen in alle streken worden aangehaald als cruciaal voor de toekomst. Deze uitdagingen worden zowel vernoemd door lokale actoren uit de landbouwsector, natuurverenigingen, culturele organisaties en socio-economische organisaties als door beleidsmensen vanuit gemeenten, provincies en Vlaanderen.

landschap_ILVO.geVILT.jpg

Een eerste uitdaging is het zoeken naar een evenwicht tussen het vrijwaren en behouden van de open ruimte en het omgaan met nieuwe economische ontwikkelingen in de streek. In de context van een sterk verstedelijkt Vlaanderen, waar open ruimte schaars is, willen plattelandsactoren zoveel mogelijk de open ruimte, die eigen is aan het platteland, vrijwaren en behouden. Maar dit behoud van open ruimte houdt vaak een aantal nieuwe ontwikkelingen tegen, die ook zeer belangrijk zijn voor de leefbaarheid van de streek. In alle bestudeerde streken botsen plattelandsactoren op de vraag hoe ze in de praktijk de open ruimte kunnen vrijwaren en tegelijk mogelijkheden laten voor (nieuwe) ontwikkelingen in die open ruimte. Voorbeelden van zo’n ontwikkelingen gaan van de inrichting van glastuinbouwzones over het aansnijden van open ruimte voor woongebieden tot het aanleggen van nieuwe industrie- of KMO-zones.

Een tweede uitdaging gaat rond het verder uitbouwen van plattelandstoerisme als een belangrijke motor voor plattelandsontwikkeling. De open ruimte, de mooie landschappen, het typische plattelandserfgoed zijn belangrijke troeven in de Vlaamse plattelandsstreken. Deze troeven bieden veel mogelijkheden naar recreatie en toerisme, bijvoorbeeld wandel- en fietsroutes, hoevetoerisme, en streekproducten. Terwijl dit in het Meetjesland en de Westhoek al sterk is uitgebouwd, is er in het Pajottenland en de Vlaamse Ardennen nog veel ruimte voor verdere uitbouw van het plattelandstoerisme. Tegelijk wordt er soms gevreesd dat de draagkracht van de streek zal overschreden worden, zoals nu bijvoorbeeld al het geval is in de Vlaamse Ardennen, waar men aangeeft dat de streek soms overspoeld wordt door wielertoeristen.

Een derde uitdaging is streekidentiteit. Streekidentiteit verwijst naar een aantal specifieke, kenmerken die de ene streek van de andere onderscheiden, zoals erfgoed, typische landschappen en natuur, streekproducten en –gastronomie en bepaalde tradities eigen aan de streek. Daarnaast wordt streekidentiteit ook geïnterpreteerd als streekgevoel, de mate waarin inwoners zich verbonden voelen met hun streek. In het Meetjesland, het Pajottenland en de Westhoek zijn verschillende projecten opgestart om de streekidentiteit te versterken en zo in te zetten op plattelandsontwikkeling. Er werd in het Pajottenland bijvoorbeeld een ‘streekmerk’ opgestart om streekproducten te promoten. In het Meetjesland wordt dan weer een sterke nadruk gelegd op het creëren van een streekgevoel bij mensen en ondernemingen en het stimuleren van samenwerking op streekniveau.

bloem.platteland.geVILT.jpg

Een laatste uitdaging is de problematiek rond voorzieningen en mobiliteit in plattelandsgebieden. Deze zijn vaak gekenmerkt door grotere afstanden tussen verschillende dorpen en woonkernen. Vroeger was in elk dorp een bakker, bank, postkantoor, school of buurtwinkel aanwezig, maar dat is nu niet meer het geval. Onder andere door centralisatie verdwijnen steeds meer basisvoorzieningen uit kleine dorpen, waardoor vooral zwakkere groepen zoals senioren of mobiliteitsarmen benadeeld worden. Om boodschappen te doen en administratie of andere voorzieningen te bereiken, moet men veel verder rijden en wordt men afhankelijk van de auto of het openbaar vervoer, waarvan de dienstverlening ook steeds meer wordt afgebouwd. Behalve het feit dat deze verplaatsing voor een aantal mensen moeilijk wordt, verdwijnt hierdoor ook een deel van het sociaal contact.

Hoe kunnen actoren uit deze plattelandsstreken gebiedsgericht inspelen op deze uitdagingen?
In de vier onderzochte streken is een Plaatselijke Groep (PG) actief, die met Europese, Vlaamse en provinciale middelen een lokale ontwikkelingsstrategie voor gebiedsgerichte plattelandsontwikkeling kan opstellen en uitvoeren. Deze PG bestaat voor de helft uit actoren vanuit het beleid (provincie en gemeenten) en voor de andere helft uit actoren vanuit het middenveld. Binnen de randvoorwaarden van het Europese, Vlaamse en provinciale beleidskader kunnen zij een aantal prioriteiten selecteren waaraan middelen voor plattelandsontwikkeling kunnen besteed worden. Ze moeten hiervoor eerst een lokale ontwikkelingsstrategie opstellen, en hierbij zoveel mogelijk lokale actoren en beleidsmensen uit de streek betrekken. In deze ontwikkelingsstrategie geven ze aan hoe ze de uitdagingen waarmee hun streek wordt geconfronteerd, gebiedsgericht willen aanpakken. Eens deze ontwikkelingsstrategie is goedgekeurd door de provincie en door Vlaanderen, kunnen ze gedurende vijf jaar plattelandsontwikkelingsprojecten goedkeuren die bijdragen aan de uitvoering van deze ontwikkelingsstrategie.

landschap.platteland.jpg

Een kanttekening die hierbij moet gemaakt worden, is dat er in de praktijk weinig verschil is tussen de bestudeerde ontwikkelingsstrategieën in de vier streken. De analyse wijst uit dat de vier PG’s allemaal de doelstellingen die door Vlaanderen zijn vooropgesteld, hebben overgenomen. De ontwikkelingsstrategieën zijn dus minder gebiedsgericht dan verwacht. Vooral de strikte Vlaamse randvoorwaarden voor financiering werken te beperkend op de PG’s.

Zijn er alternatieven om ervoor te zorgen dat de ontwikkelingsstrategieën meer gebiedsgericht worden?
Om alternatieven te vinden zijn we op initiatief van de coördinatoren van de PG’s Meetjesland en Vlaamse-Ardennen en samen met lokale actoren uit het beleid en het middenveld op zoek zijn gegaan naar strategieën voor gebiedsgerichte plattelandsontwikkeling. Eerst hebben wij een analyse gemaakt van de plattelandsontwikkelingsprocessen in beide streken. Daarna hebben we de resultaten van de analyse vertaald naar concrete vragen, waarmee lokale actoren aan de slag zijn gegaan in focusgroepen. In deze focusgroepen hebben ze op basis daarvan gereflecteerd over de processen in hun streek en dit als input gebruik voor het uitwerken van ideeën voor een toekomstige strategie.

Dit proces heeft geleid tot gebiedsgerichte strategieën voor plattelandsontwikkeling, deze keer aangepast aan de specifieke context van elk gebied, en duidelijk verschillend tussen de streken. Zo ligt de focus in het Meetjesland op de kansen die de nabijheid van de steden Gent en Brugge kunnen bieden voor hun streek én op het verderzetten en versterken van de traditie van samenwerking op streekniveau. In de Vlaamse Ardennen zien de betrokkenen kansen in het zoeken naar nieuwe manieren van onderhoud en uitbating van het typische streeklandschap en hieraan gekoppeld ook innovatieve projecten om het plattelandstoerisme verder uit te bouwen.

Pajottenland_ILVO.geVILT.jpg

We denken dat dergelijke participatieve processen, waarbij wetenschappelijke inzichten worden toegepast en vertaald naar praktisch bruikbare werkmethodes, lokale actoren kunnen ondersteunen bij het verder uitbouwen van hun ontwikkelingsstrategie. Daarnaast is het ook belangrijk dat er meer ondersteuning komt voor de Plaatselijke Groepen om hun ontwikkelingsstrategieën onderbouwd te kunnen opstellen. Ook is het aan te raden dat de Vlaamse overheid evolueert naar een meer coördinerende en stimulerende houding, waarbij de randvoorwaarden worden versoepeld zodat gebiedsgerichte ontwikkeling écht gebiedsgericht kan worden.

Welke rol kunnen gemeenten, provincies, Vlaanderen, het middenveld en streekactoren spelen in het uitbouwen van een meer doorgedreven gebiedsgerichte plattelandsontwikkeling?
Zoals gezegd, blijkt uit het onderzoek in de vier streken dat de interactie tussen beleid en streekactoren nog te sterk gestuurd wordt door de Vlaamse en provinciale overheden die een beleid van bovenaf opleggen en hierbij niet altijd voldoende rekening houden met de lokale context. Zowel de Vlaamse overheid als de bestudeerde provinciale overheden verkiezen een meer sturende rol in gebiedsgerichte plattelandsontwikkeling en beïnvloeden zo beslissingen op streekniveau. In dat opzicht slagen de Vlaamse en provinciale overheden er niet in om hun doelstelling voor meer gebiedsgerichte plattelandsontwikkeling volledig waar te maken. Overheden willen nog teveel sturen, waardoor acties die echt inspelen op de eigenheid van de gebieden niet altijd mogelijk zijn omdat er nog teveel wordt veralgemeend.

Westhoek_ILVO.geVILT.jpg

In een aantal van de bestudeerde streken zien we dat het middenveld zich niet zomaar neerlegt bij deze sturing door Vlaanderen en de provincies. In die streken hebben een aantal voortrekkers gebiedsgerichte plattelandsontwikkelingsprocessen positief beïnvloed, door hun schouders te zetten onder verschillende initiatieven en mensen vanuit het middenveld en het beleid samen te brengen en met elkaar te verbinden om samen te werken aan de streek. Zo hebben de acties van een aantal gedreven mensen in de Westhoek geleid tot het oprichten van een gebiedsgerichte werking in de provincie West-Vlaanderen, die tot op heden zorgt voor een sterke dynamiek in de streek.

Het is belangrijk dat deze actoren ook in de toekomst verder ijveren voor de belangen van hun streken, maar ook dat ze ervoor zorgen dat deze dynamiek kan blijven bestaan wanneer ze zelf om wat voor reden ook plots niet meer of minder geëngageerd zijn. Daarnaast moeten ze ook blijven zoeken naar vernieuwende manieren om strategieën voor gebiedsgerichte plattelandsontwikkeling te formuleren en uit te voeren. Gezien het belang van deze actoren is het ook noodzakelijk dat provinciale en lokale instanties verder investeren in deze mensen, onder andere door opleiding, specialisatie en kennisuitwisseling te stimuleren.

Welk onderzoek is volgens jou nog nodig om tot succesvolle gebiedsgerichte ontwikkeling te komen?
We moeten vooral inzetten op enerzijds het ondersteunen van de plattelandsactoren en anderzijds op het in kaart brengen van de wisselwerking tussen beleidsniveaus. Deze zijn essentieel in de ontwikkeling en praktische realisatie van gebiedsgerichte ontwikkeling. Binnen een ILVO – Universiteit Gent samenwerking is recent een nieuw project gestart in het kader van het Vlaamse platform voor plattelandsonderzoek, waarbij we in twee pilootgebieden lopende processen rond het ontwikkelen en vrijwaren van open ruimte gaan opvolgen en mee faciliteren.

Daarnaast leveren we vanuit het onderzoeksteam wetenschappelijke input aan de betrokkenen in het proces. Het is de bedoeling om de wetenschappelijke resultaten uit die bestudeerde processen te vertalen naar een praktisch bruikbare leidraad, waarmee ook actoren uit andere streken aan de slag kunnen. Die leidraad moet hen ondersteunen om zelf concrete acties en instrumenten uit te werken om hun ontwikkelingsstrategieën en visies uit te voeren. Ook wordt op het ILVO onderzoek gedaan naar de sturingsmechanismen die achter zo’n gebiedsgerichte plattelandsontwikkelingsprocessen zitten, zowel in Vlaanderen als in Europese context.

Bron: |

Beeld: ILVO / VILT

In samenwerking met: ILVO

Volg VILT ook via