nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

23.05.2019 OVOCOM ijvert voor harmonisatie diervoedercontroles

Veilige diervoeders zorgen voor veilig voedsel op ons bord. Precies 20 jaar na de dioxinecrisis in ons land hoeft dat geen verdere uitleg. Uit het jaarverslag van het sectoraal overlegplatform OVOCOM valt op te maken dat het autocontrolesysteem van de Belgische diervoedersector op een hoog niveau opereert. “In 2018 werden 2.407 audits uitgevoerd door certificatie-instellingen, een stijging van 13 procent. Toch daalde het aantal non-conformiteiten met hetzelfde percentage”, zet OVOCOM-directeur Bart Verhulst de progressie in de verf. Hij verwacht eenzelfde inzet in andere landen want de meldingen van risico’s via het RASFF-portaal en de problemen met salmonella in grondstofstromen uit het buitenland verraden dat er binnen Europa verschillen zijn in strengheid van beoordeling.

Het Belgische autocontrolesysteem werkt, aldus Bart Verhulst van OVOCOM, het overlegplatform van de diervoedersector. De daling van het aantal non-conformiteiten bij een stijgend aantal gecertificeerde bedrijven en audits, bewijst volgens hem dat diervoederbedrijven de zorg voor voederveiligheid volledig omarmen. Die boodschap bracht hij tijdens de algemene vergadering van het overlegplatform. Bij het bewaken van de voederveiligheid kan het bedrijfsleven rekenen op ondersteuning vanuit OVOCOM. In 2018 behandelde het OVOCOM-team meer dan 600 technische vragen van gecertificeerde bedrijven, certificatie-instellingen en consulenten. De opleidingen die ze vorig jaar organiseerden, werden bijgewoond door iets meer dan 300 professionelen werkzaam in de sector.

In 2018 lieten 198 nieuwe bedrijven zich certificeren voor de Feed Chain Alliance (FCA). Daarbij valt vooral de interesse vanuit het buitenland op. Voor OVOCOM is dat enigszins verrassend omdat ze sterk inzetten op uitwisselbaarheidsovereenkomsten met lastenboekbeheerders in andere EU-lidstaten. Zo werd vorig jaar een overeenkomst bereikt met het Franse Oqualim, en lopen de gesprekken met het eveneens Franse CSA/GTP en met Pastus+ uit Oostenrijk. Wanneer een buitenlandse kwaliteitsstandaard als evenwaardig wordt beschouwd, verkleint dat de nood aan een Belgisch certificaat voor buitenlandse bedrijven die hier handel drijven in diervoeders en grondstoffen. “Aan de keuze van Franse bedrijven om toch te opteren voor FCA-certificatie merken we dat onze meertalige service – zowel voor de technische helpdesk als in onze opleidingen – een sterk punt is”, zegt Verhulst. Van de ruim 2.200 bedrijven met FCA-certificaat situeren er zich 325 in Frankrijk.

De Feed Chain Alliance (FCA) legt de voorwaarden vast voor het produceren, verwerken, verhandelen, opslaan en transporteren van diervoeders. Deelnemende bedrijven worden niet gecontroleerd door OVOCOM zelf, maar door één van de negen onafhankelijke certificatie-instellingen. Elk FCA-bedrijf krijgt minimaal één keer per jaar een auditor over de vloer. Onafhankelijke controle op de autocontrole door het bedrijfsleven is een systeem dat werkt. Het aantal non-conformiteiten (2.837) daalde significant in vergelijking met de twee voorgaande jaren, maar er blijven wel verbeterpunten. Dat slaat bijvoorbeeld op de etikettering. Door verandering van de wetgeving gebruiken operatoren soms nog de oude nummers voor toevoegingsmiddelen. Bij controle blijkt de inhoud van het oude etiket dan niet meer te stroken met de aangepaste voedersamenstelling.

In deze sector dient ongediertebestrijding continu de nodige aandacht te krijgen gelet op de producten (afgewerkte voeders, granen en andere grondstoffen) die gestockeerd worden. Bij een audit wordt daar op toegezien en wordt daar al eens een opmerking over gemaakt indien de verdelgingsprocedures op papier strenger blijken dan in de praktijk. Op dezelfde manier wordt ook de reinigingsfrequenties van vrachtwagens, installaties en silo’s dubbel gecheckt.

Het grensoverschrijdend karakter van veevoederstromen kan lastiger te detecteren risico’s met zich meebrengen. In 2018 werden 339 gevaren voor de voederveiligheid gemeld op het Europese RASFF-portaal, een stijging van maar liefst 32 procent. Zo’n melding kwam 52 keer uit ons land, wat vier keer meer is dan het jaar voordien. OVOCOM vindt dat geen negatieve vaststelling, integendeel. Bart Verhulst: “In verhouding tot ons productievolume doen we meer risicomeldingen via het RASFF-portaal dan andere EU-lidstaten. België bewijst daarmee zijn hoog niveau van controle door bedrijfsleven en overheid.” Deels komt dat op het conto van het sluitende autocontrolesysteem, deels door de strengere procedures die het Voedselagentschap hanteert voor salmonella in voedergrondstoffen.

OVOCOM doet een oproep aan overheden en lastenboekbeheerders in andere landen om een even strenge en consequente aanpak te volgen. Ondanks het eengemaakte Europa wordt de EU-regelgeving rond voedselveiligheid niet altijd op dezelfde manier ingevuld per lidstaat. Bij OVOCOM ervaren ze bijvoorbeeld verschillen in de interpretatie van salmonella- en pesticidenwetgeving en de manier waarop er rekening gehouden wordt met meetonzekerheden. Blijft een salmonellabesmetting van een grondstofstroom onder de radar in het buitenland, of tilt men er daar niet zwaar genoeg aan, dan verstoort dat hier ingrijpend de werking van de diervoedersector. Conform het strenge protocol van het Voedselagentschap wordt de partij immers stroomafwaarts en -opwaarts in de diervoederketen opgespoord en geblokkeerd. De financiële consequenties daarvan hadden vermeden kunnen worden mits sneller ingrijpen door derde partijen.

Meer samenwerking tussen de verschillende lastenboekbeheerders van de Europese diervoedersector blijft hoog op het verlanglijstje van OVOCOM staan. De organisatie mikt daarmee op meer efficiëntie en een gelijk speelveld wat inkoopvoorwaarden voor bedrijven betreft. Gelet op de ervaringen met salmonella vindt de organisatie het belangrijk om de lat hoog te houden in het belang van voedselveiligheid. “België mag niet op zijn eiland blijven”, aldus OVOCOM-voorzitter Ann Nachtergaele. “Daarom blijven we onderhandelen met andere schemabeheerders in het kader van onze uitwisselbaarheidsovereenkomsten. Op die manier verlagen we de handelsbarrières.”

Tot slot wil OVOCOM-directeur Bart Verhulst zijn bezorgdheid nog uiten over een goed bedoelde wijziging van de Europese regelgeving. “Reststromen uit de voedingsindustrie genoten een uitzonderingsregeling in de Afvalstoffenrichtlijn zodat de diervoederindustrie ze kon benutten. Vorig jaar zijn die reststromen uit het toepassingsgebied van de Afvalstoffenrichtlijn gehaald. Ze vallen nu rechtstreeks onder de EU-richtlijn voor diervoeders. Europa wil op die manier de valorisatie ervan verbeteren, maar het tegenovergestelde zou kunnen gebeuren. De verantwoordelijkheid voor autocontrole en certificatie verschuift namelijk van de verwerker naar de producent van die nevenstromen. Het zou jammer zijn indien dit voedingsbedrijven demotiveert en ze nevenstromen daarom sneller een bestemming geven als biomassa in plaats van diervoeder.”

Vandaag bestaan de Belgische diervoeders voor bijna de helft uit gevaloriseerde nevenstromen. Samen met het Voedselagentschap bekijkt OVOCOM hoe optimaal invulling kan worden gegeven aan de gewijzigde EU-regelgeving. “We pleiten hierbij voor een gelijke interpretatie en toepassing van de wetgeving binnen de verschillende Europese landen. Dat is en blijft een uitdaging”, herhaalt de directeur van het overlegplatform de kernboodschap.

Meer info: Jaarverslag 2018 OVOCOM

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via